Ds. M.J. van Gelder - Hosea 4

Een Goddelijke twist

Hosea 4
Gods aanklacht
Gods straf
Gods waarschuwing
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 28)

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 95: 4, 5
Lezen : Hosea 4
Zingen : Psalm 106: 4, 21, 22, 24
Zingen : Psalm 79: 4
Zingen : Psalm 32: 5

Gemeente, wij hopen u in deze dienst het Woord van God te bedienen uit de profetie van Hosea, hoofdstuk 4, zoals ons dat is voorgelezen, om daaruit Gods boodschap aan elkaars hart te leggen.

We lezen nogmaals het eerste vers uit dit hoofdstuk, Hosea 4 vers 1:

 

Hoort des Heeren woord, gij kinderen Israëls, want de Heere heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw en geen weldadigheid en geen kennis van God in het land is.

 

Wat deze twist inhoudt vindt u vervolgens in dit hoofdstuk aangegeven. U ziet boven dit hoofdstuk staan: God bedreigt Israël ernstig en Juda wordt gewaarschuwd. En omdat Gods Woord voor alle tijden geldt, zal er ongetwijfeld ook voor ons een waarschuwing in dit woord zijn.

 

Deze tekstwoorden spreken ons over: Een Goddelijke twist.

 

We willen letten op:

1. Gods aanklacht

2. Gods straf

3. Gods waarschuwing

 

1. Gods aanklacht

 

U weet wellicht uit de vorige hoofdstukken dat de profeet Hosea niet alleen tot het volk moest prediken, maar dat ook zijn huwelijk een prediking was. In zijn huwelijk ervaart Hosea heel verdrietige dingen; de ontrouw van de vrouw die hij lief heeft. In dat verdrietige huwelijk moet de profeet uitbeelden en aangeven aan het volk hoezeer zij ontrouw zijn tegenover de Heere, de Verbondsjehova. Hoe zij Hem onteerd en verlaten hebben. Hoe zij overspel gepleegd hebben met de afgoden. Hoe zij vriendschap hebben gesloten met andere volken, die hen altijd afleidden van de ware dienst van de Heere. Zo zal ook nu de vriendschap van de wereld ons afleiden van de dingen van Gods Koninkrijk en van Zijn dienst.

In de vorige hoofdstukken kunnen we lezen dat de Heere Zich toch in goedertierenheid over dit volk zal ontfermen. ‘Niet mijn volk’ zal worden: ‘wel Mijn volk’. En ‘niet ontfermd’ zal worden: ‘wel ontfermd’.

 

Maar nu gaat de profeet in dit vierde hoofdstuk verder, omdat de Heere hem aangeeft dat Hij, de Heere, voort zal gaan. Het is Hosea niet die het volk aanklaagt. Het is de Heere Zelf Die aanklaagt, alhoewel de profeet hier ten opzichte van het volk optreedt als een openbare aanklager. Hij zegt tot het volk: ‘God heeft een twist, een rechtsgeding met ons!’ God roept het volk ter verantwoording. Want dat is het immers wat een rechter doet: een schuldige ter verantwoording roepen.

Maar staat een rechter gewoonlijk tegenover een vreemde, hier staat God tegenover Zijn eigen volk Israël. Het is mogelijk dat een openbare aanklager zonder enig medegevoel met de aangeklaagde zijn aanklachten laat horen. Zonder enig gevoel voor de persoon. Zonder enige band met hem te hebben. Maar hoe anders is het met de Heere. Zijn verhouding met het volk Israël wordt uitgebeeld door het verdrietige huwelijk van de profeet Hosea, die zijn eigen vrouw heeft moeten aanklagen. Nee, niet een vreemde, maar de vrouw die hij lief heeft, waarmee hij toch één zou zijn.

Wat denkt u, als de Heere een aanklacht tegen Zijn volk moet doen, dat het Hem niet smart aan Zijn hart? Wij hebben geen onbewogen God. Het smartte Hem aan Zijn hart dat Hij het volk gemaakt had, zo lezen we elders in de Schrift. En het smart Hem aan Zijn hart als Hij Zijn eigen volk, aan wie Hij de dienst der verzoening heeft toebetrouwd, zal moeten gaan verwijten, beschuldigen, veroordelen en straffen.

 

Het volk van Israël is als de vrouw van de profeet Hosea. Zij heeft het huwelijksverbond verbroken met haar man en de liefde van haar wettige man veracht. Zo is ook het volk van Israël tegenover God, Die gezegd heeft: ‘Ik heb u lief; Ik heb u getrouwd.’ Zij is overspelig geworden met heidenvolkeren en heeft God verlaten en Hem onteerd. En Hij, Die zei: ‘Ik heb u getrouwd’, moet nu zeggen: ‘Ik heb een twist met u.’

De Heere zegt: ‘Hoort naar mij, kinderen Israëls! Hoort des Heeren woord!' Het is alsof Hij roept: ‘Laat het woord niet het ene oor ingaan en het andere oor weer uitgaan, maar luister toch naar wat Ik te zeggen heb!’

Misschien denkt iemand: Ach, dat gold voor dat volk Israël toen... Maar, gemeente, het Woord van God heeft ook betekenis voor vandaag de dag, voor de kerk van het Nieuwe Testament, voor de kerk van Nederland, die al eeuwenlang zo bevoorrecht is door de Heere, maar nu van Hem is afgeweken. De waarheid struikelt op de straten. En het volk dat Hem werkelijk dienen en vrezen mag lijkt weinig in getal te zijn. De zonden van deze wereld zijn doorgedrongen tot in de kerk; afscheiding lijkt er nauwelijks meer te zijn. Gelukkig zijn er nog goede dingen in Israël en in Juda, zeker wel. Maar er is ook veel wat bedroeft en waardoor wij zelf de oorzaak zullen zijn dat het heil des Heeren langs ons heen zal gaan, omdat God Zich gaat afwenden van Zijn kerk, ook in ons vaderland. Het moge ons wel heel bezorgd maken. Het moge verdriet en heimwee geven naar de levende God en ons doen wederkeren tot de Allerhoogste.

 

Hoort des Heeren woord, gij kinderen Israëls, want de Heere heeft een twist met de inwoners des lands. Hij treedt dus op als een openbare aanklager. Maar Hij doet dat niet onbewogen. Het is immers Zijn volk, gunstig uitverkoren tot Zijn erve en lot, boven alle andere heidenvolkeren. ‘Ik klaag u aan’, zegt God, ‘Ik heb een twist met u!’ Dit zal Hem smarten. Maar zelfs door de aanklacht heen zoekt Hij hun behoud.

 

Mijn jonge vrienden, als je bestraft wordt, thuis of hier in de kerk, in de prediking, of op de catechisatie, dan is dat niet om naar tegen jullie te doen. Maar dan is dat om je van je zondige weg af te krijgen. En opdat je je wenden zou tot de Allerhoogste, opdat Hij een nieuw hart en een nieuwe geest in je binnenste geven zou. En opdat je hoogste vermaak in God Zelf zou zijn.

Gemeente, ouderen, als de vermaningen en bestraffingen tot ons komen, dan is het niet om het u moeilijk te maken en u lastig te vallen. U zegt misschien: ‘Ik hoor veel liever het Evangelie.’ Dat kan zijn, maar wilt u het Evangelie horen als een verbrijzelde zondaar, als één die het oordeel verdiend heeft, als één die op weg is naar de hel? Ik zeg u: indien u deze dingen niet gelooft, dan zult u het Evangelie nooit ter harte nemen. Dan zult u er altijd aan voorbijgaan. U mag misschien enig gevoel hebben van de liefelijkheid van het Evangelie, u zult er mogelijk met elkaar over kunnen spreken, maar wanneer we niet grondig verbrijzeld zijn door de kracht van de Heilige Geest, door het Woord van God, door Zijn heilige Wet, dan zullen we, hoe liefelijk het Evangelie u ook moge zijn, er toch aan voorbij gaan.

 

‘O, hoort dan toch des Heeren woord, gij kinderen Israëls!’ Hij komt met een aanklacht, waarin Hij in de eerste plaats Zijn eigen eer beoogt. En dat mag. Is Hij niet de Schepper, Wetgever en Rechter? Het moet alles naar Zijn stem horen. God mag Zijn eigen eer zoeken. Maar Hij zoekt ook het behoud van het volk van Israël, dat hollende op weg is naar het verderf.

 

Welke aanklacht heeft de Heere dan eigenlijk? Het hele hoofdstuk 4 is één doorlopende aanklacht. Het voert te ver om het hoofdstuk tekst voor tekst met elkaar door te nemen. Maar als u het thuis nog eens rustig naleest, dan vindt u dat er geen onderlinge trouw is onder het volk. Dat er geen eerlijkheid is onder het volk en geen barmhartigheid onder elkaar. We lezen in dit schriftgedeelte dat er is een vloeken, een misbruiken van de Naam des Heeren bij het lichtvaardig eedzweren. In het tweede vers staat dat bijvoorbeeld: Maar vloeken en liegen en doodslaan en stelen en overspel doen; zij breken door en bloedschulden raken aan bloedschulden. Wat een verdrietig beeld wordt ons hier toch voor ogen gesteld.

Er is ook sprake van schandelijke afgodendienst, zoals we lezen in vers 12: Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren. Gedoeld wordt hier op de afgodendienst.

Ook in vers 13 wordt dit aangegeven: Op de hoogten der bergen offeren zij en op de heuvelen roken zij; onder een eik en populier en iepenboom, omdat derzelver schaduw goed is. Ze dienen de Baäls. Ze dienen de God van Israël niet meer, Die hen gunstig had uitverkoren tot Zijn erve en lot. Ze zijn de wereldse afgoden gaan dienen op de hoogten van de bergen en op de heuvelen en onder alle groene boom. Hun dochteren hoereren. Hun bruiden bedrijven overspel. De afgodendienst ging altijd gepaard met ontucht. Vandaar dat de Heere dat door de mond van de profeet zo aangeeft. Wat een verdrietig beeld wordt ons hier getekend, gemeente!

 

In vers 5 leest u: Daarom zult gij vallen bij dag. Dus als het licht is zullen ze struikelen. Omkomen zal men, als men niet luistert naar het Woord van God. Zelfs de profeet zal met hen vallen bij nacht. Wat een verdrietig woord. Kennelijk is die profeet niet eerlijk, onoprecht. We weten niet welke profeet dat geweest is. Of zal ook de profeet Hosea onder het oordeel door gaan? Hoe dan ook, God zal ook de leidslieden van Zijn kerk niet ongestraft laten gaan als ze Hem niet oprecht dienen. Als ze niet eerlijk zijn in hun bediening. Als ze het volk niet oprecht waarschuwen en vermanen. Als ze niet het heil des Heeren hartelijk verkondigen. Als ze toelaten dat het volk de heidense afgoden dient en zich in deze wereld vermaakt zonder naar God te vragen en Hem te zoeken. Wat een verdrietig beeld! Zo de priester, zo het volk. En zo het volk, zo de priester.

 

Israël is in totaal verval, in een werelds leven. Ze keren terug tot het heidendom. Uiterlijk is er de dienst nog wel. Offers worden nog wel gebracht. Gebeden worden nog wel gedaan. De Thora wordt nog wel gelezen. Jawel, dat was er nog.

Hoe is het in kerkelijk Nederland? Hoe is het onder ons, in de eigen gemeente? Kerkelijk leven mag er nog zijn, maar wordt God ook gezocht? Wordt Hij ook gekend? Wordt Hij ook gediend? Zijn er jongens en meisjes die met hun jonge hart de Heere zoeken en de zonde haten in hun hart? Die strijden om een nieuw hart en een nieuwe geest in het binnenste van hen? Die vrede met God zoeken? ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’

Misschien zijn er ook onder ons nog ouderen die de Heere zoeken en uitroepen: ‘Verlos mij, o God, van al mijn ongerechtigheden, van al mijn huichelarij, van al mijn geesteloosheid, van al mijn biddeloosheid en dankeloosheid. O, wie ben ik en wie zou ik toch moeten zijn! Ik draag Uw Naam op mijn voorhoofd, maar er is niets dan ongerechtigheid en schuld in mijn binnenste en in mijn hele leven. Ik ben zo’n ontstellende huichelaar. Op zondag zing ik de psalmen mee: Wie heeft lust de Heere te vrezen? Maar ik meen er absoluut niets van. En ik zing mee: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Maar er blijkt niets van in mijn leven.’

 

Gemeente, kennen wij onszelf wel zoals God ons ziet en zoals de profeet ook het volk moet aanklagen? Grote wereldgelijkvormigheid was er toen en is er ook nu. Er was geen afscheiding van de afgodendienst van de andere volkeren, met wie men heulde. De Baäl werd gediend en men zocht de Heere niet. Hoe kan het onder ons ook zo zijn en in het geheel van kerkelijk Nederland, dat kerk en wereld verenigd zoeken te worden. De kerk zal opgaan in de wereld en zal er straks niet meer zijn, als God het niet verhoedt. Er zijn zoveel verleidende machten die op ons afkomen; dat is ontstellend.

De zonde heeft natuurlijk altijd al in de wereld geheerst en in ons en in onze voorouders. Altijd zijn er verleidingen geweest. Maar als we nu om ons heen zien en luisteren, dan zijn de verleidingen in de richting van onze jonge mensen, onze gedoopte jeugd, wel ontzaglijk groot. De moderne media zijn in huis gekomen. Maatschappelijk gezien is dat misschien nodig, maar met die moderne media is de vuilheid van de zonde ook binnengekomen. En gemeente, ons aller hart staat er voor open! We zijn zeer bevreesd dat onze jonge mensen daar ontzaglijk door beïnvloed worden. De ouderen ook, maar vooral onze jongeren. Juist wanneer we jong zijn, staan we zo open voor de invloeden van deze wereld en voor alle zondige verleidingen. De verleidingen die er zijn, zijn ontstellend groot.

Mijn jonge vrienden, in dit hoofdstuk van Hosea worden jullie ook aangesproken. En het is een bewogen hart dat je aanspreekt. Het is de Heere Zelf, Die geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekere en leve. Hij spreekt door middel van de profeet en ook door middel van Zijn dienstknechten. Gods wet wordt ook in ons land geschonden. De eredienst wordt hoe langer hoe meer teruggedrongen naar een particuliere aangelegenheid. Het gaat niet goed in de westerse wereld en evenmin in ons eigen land. De diepste oorzaak ligt in het verlaten van de Heere en Zijn dienst.

 

Ook aan Gods kinderen kan de vraag gesteld worden: waar is het tere leven met de Heere gebleven? Toen we overtuigd werden van zonde, kon je de zonde niet meer doen. En toen het bloed der verzoening aan onze schuldige ziel gesprenkeld werd, heb je geweend over de zonde als nooit te voren, vanwege het bitter lijden en sterven van Christus. Toen iets van de vrede Gods ons hart mocht gaan vervullen, hebben we toen niet gezegd: ‘Heere, ik hoop nooit meer te zondigen’? En toch, het tere leven, het nauw verbonden zijn aan de troon der genade, kan zo wegzakken in de loop van de tijd. En de ander kan dan gemakkelijk een verontschuldiging vinden voor zijn eigen levenshouding en zeggen: ‘Nou, moet je eens kijken naar de avondmaalgangers! Moet je eens kijken naar de kinderen van God! Hoe leven die dan? Wat hebt u dan van ons te zeggen?’

Welnu, hoor dan het vermanende woord dat in liefde door de profeet tot het volk gesproken wordt. Hij spreekt deze woorden in Gods Naam. Niet om hen weg te zenden en om hen pijn te doen zonder het geneesmiddel aan te wijzen. Nee, hij heeft hun behoud op het oog. God heeft het behoud van het volk op het oog. In dat licht moeten ook wij nu uit dit schriftgedeelte de bestraffingen aanhoren en verwerken.

 

God heeft een twist met Zijn volk. We beluisterden eerst Zijn aanklacht. Maar het blijft niet bij de aanklacht. Hij geeft ook aan dat Hij rechtvaardig zal oordelen. Daarop letten we in onze tweede gedachte:

 

2. Gods straf

 

Het volk is al meerdere malen gewaarschuwd, maar ze hebben niet geluisterd. Het is als met een kind dat al herhaalde malen door moeder gewaarschuwd wordt. En dan ineens moet moeder zeggen: ‘En nu is het afgelopen!’ Dan volgt er ook straf. Zo moet ook de Heere Zijn straffen gaan uitvoeren.

Het volk heeft niet geluisterd en de weinige getrouwen die er nog in het land waren, zelfs ook onder de priesters, werden door het volk afgesnauwd. In vers 4 lezen we: Doch niemand twiste noch bestraffe iemand. Want dat helpt toch niet. Ze luisteren niet naar de vermaningen van de Heere. Want uw volk is als die met de priester twisten. Als dus de priester nog getrouw het volk vermaant, dan gaat het volk met de priester twisten. En mogelijk zeggen ze: ‘Kijk naar jezelf!’ Of: ‘Houd je mond en kom niet met zo’n nare boodschap tot ons!’ Ze twisten met de priester.

Het kan dan ook niet anders of de straf zal moeten volgen. Dan zal Hij hen die dwaas en wrevelig overtreên, bezoeken met de roe en bittere tegenheên.

 

Welke straffen zijn er? Om er maar enkele te noemen, in vers 3 leest u: Daarom zal het land treuren en een ieder die daarin woont kwelen, met het gedierte des velds en met het gevogelte des hemels. Ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden. Er zullen dus misoogsten zijn. Oogsten zullen er vernietigd worden. En onder het vee zullen er ziekten zijn. God komt met Zijn rechtvaardige oordelen, zoals hier aangegeven wordt. Een verzengende hitte zal het koren verbranden.

God straft het volk. In vers 6 lezen we: Mijn volk is uitgeroeid omdat het zonder kennis is, zonder geestelijke kennis. Dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten. Het blijkt dus dat de priesters en het volk op één lijn staan en in één lijn zondigen en nu gezamenlijk worden aangesproken en veroordeeld. Het volk is uitgeroeid en de priesters zullen het ambt niet meer bedienen.

Dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen. Dat is een ontzaglijk woord, gemeente. We lezen dus niet: ‘Ik heb u verworpen en daarom hebt u de kennis verworpen.’ Nee, God spreekt ons aan op onze verantwoordelijkheid en op al wat Hij in het verleden geschonken heeft in de dienst der verzoening, die Hij ook ons geschonken heeft. En wat zegt Hij dan? Omdat gij de kennis verworpen hebt, daarom heb Ik u ook verworpen.

Zo kan het dus gaan! Wie het Woord van God en al de vermaningen tegenstaat en verwerpt, die zal ten laatste daardoor veroordeeld worden. Nog klinkt de liefelijke boodschap van het Evangelie van Christus, Die voor vijanden de dood wilde smaken, Die voor goddelozen wilde sterven en Die zondaars vriendelijk tot Zich nodigt en door de mond van Zijn dienstknechten bidt: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20). Als we dan doorgaan in ongerechtigheid en ongeloof, dan zullen we het God toch niet kwalijk kunnen nemen dat Hij ten laatste zal zeggen: ‘Gij hebt Mij verworpen. En omdat gij Mij hebt verworpen, daarom heb Ik ook u verworpen.’ Ontstellend!

 

God zal loslaten. En Hij zal dat doen door zelfs niet meer de zonde te kastijden, maar de mens voort te laten gaan in zijn ongerechtigheid. Opdat de mens, zo voortgaande, zijn eigen verderf zal uitwerken. God zegt in vers 14: Ik zal over uw dochteren geen bezoeking doen omdat zij hoereren, en over uw bruiden omdat zij overspel doen. Ik zal over hen geen bezoeking meer doen. Ik zal hen loslaten. Want zij zelf scheiden zich af met de hoeren en offeren met de snoodste hoeren.

Wat een ontucht, wat een zedeloosheid moet er toch geweest zijn! Maar ook ons land is er vol van. Jongens, kijk toch niet naar die rommel op een dvd en luister toch niet naar die vuiligheid op de radio of anderszins.

 

En wat lezen we verder in vers 14? Het volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden. Gemeente, hier is een stuk nood voor ons en voor ons volk. Het volk dat geen verstand heeft, dat God niet kent en ook niet begeert te kennen en dat niet weet dat het op deze wijze op weg is naar de eeuwige rampzaligheid, zal omgekeerd worden. Er is dan geen terugkeer meer. Er is dan geen behoudenis meer.

Wat een ontstellende boodschap heeft de profeet hier moeten brengen. De straf is hier dat er geen straf meer zal zijn! God zal ze laten gaan. Dat dit eens tot ons moge doordringen. Als God niet meer straft, is dat een teken dat Hij loslaat. Als een vader of moeder niet meer straft en ten laatste bijna wanhopig moet zeggen: ‘Mijn kind, dan moet je het zelf maar weten’, is dat niet ontstellend, niet uiterst verdrietig? Luister toch: dan zal Hij hen die dwaas en wrevelig overtreên, bezoeken met de roe en bittere tegenheên. Ontzaglijk zal het zijn, als God straft en als Hij ten laatste loslaat.

 

De straffen komen ook. In het derde vers leest u van een verzengende droogte die er komen zal. Ik wees u er reeds eerder op. Een verzengende droogte zal er zijn en het volk zal omkomen. Men heeft de Heere verworpen. Nu zal Hij hen gaan verwerpen.

In vers 16 lezen we: Want Israël is onbandig als een onbandige koe; nu zal hen de Heere weiden als een lam in de ruimte. Hij zal ze loslaten en dan zullen ze verloren zijn, zoals een lam in de ruimte ten dode opgeschreven is. Wat een ontzaglijke bedreiging!

 

We lezen verder in vers 17: Efraïm is vergezeld met de afgoden. Gods volk dat Zijn Woord heeft, dat Zijn Naam draagt, dat de besnijdenis heeft als teken van het verbond, dat de dienst der verzoening heeft, heeft zich vermengd met de afgoden. Laat hem varen, zegt God.

Mijn jonge vrienden, als God ons loslaat, waar eindigt dat? Dat eindigt in de dood. Dat eindigt in de hel, in de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden. En dan te weten dat God ons vriendelijk genodigd heeft en gebeden heeft: Laat u met God verzoenen!

Ouderen, wanneer wij in onbekeerlijkheid voortleven, geef God dan toch niet de schuld en zeg toch niet: ‘Hij heeft me niet bekeerd.’ Maar begin eens bij uzelf en zeg: ‘Ik heb me niet bekeerd.’ Smeek Hem om de waarachtige bekering. Want indien wij voortgaan in ons leven zoals wij het leven, dan zullen wij omkomen. Dat u deze ernstige woorden uit de Heilige Schrift, uit de profetie van Hosea, toch ter harte mocht nemen. God geve dat het kracht zal mogen doen.

De oprechte zal er onder buigen en zal zeggen: ‘O God, het is waar wat hier staat. Hier is mijn veroordeling.’ Die zal zeggen: ‘Het is een wonder dat ik nog niet vernield ben en dat Uw barmhartigheden over mij nog geen einde hebben genomen.’ Zal er dan toch nog een terugkeer zijn? Zal er dan toch nog behoudenis mogen zijn? Ja! Er volgt ten slotte een waarschuwing. Maar we zingen eerst uit Psalm 79 vers 4:

 

Gedenk niet meer aan ‘t kwaad dat wij bedreven.

Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven.

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw grote Naam ter eer.

Uw trouw koom’ ons te stade.

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult.

Bewijs ons eens genade.

 

3. Gods waarschuwing

 

Gods waarschuwende stem vernamen we reeds in het eerste vers: Hoort des Heeren woord, gij kinderen Israëls! De aanklacht is gevolgd. De rechtvaardige oordelen zijn aangegeven. Waarom heeft de Heere dit alles gezegd? Waarom moesten al die oordelen over het volk komen? Heeft Hij dit gedaan uit lust om hen te plagen? Nee, maar uit lust om hen te behouden. Het is waar: Zijn rechtvaardigheid zoekt voldoening voor de ongerechtigheid. Maar Gods rechtvaardigheid zien we op een bijzondere wijze geopenbaard op Golgotha, waar Gods eigen Zoon onder het oordeel gehangen heeft. Hij zou het recht van God vervullen. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Eigenlijk is dit hoofdstuk één oproep tot bekering. Met al die dreigingen, met al die waarschuwingen, met al dat aanwijzen van de zonde heeft God toch het behoud van het volk op het oog. En dat is nu ook zo. Als wij gewaarschuwd worden, moeten we niet zeggen: ‘Je mag dit niet en je mag dat niet.’ We dienen tot onszelf te komen en tot God te komen met de hartelijke bede: ‘O God, bekeer me, zo zal ik bekeerd zijn!’ Met de waarschuwingen moeten we komen tot de troon van Gods genade, om onszelf te veroordelen en aan te klagen en om genade te zoeken in de ogen des Heeren.

 

Maar wanneer de prediking aan ons voorbijgaat, evenals toen bij het volk, dan leest u in vers 15: Zo gij, o Israël, wilt hoereren... Doe het dan maar! Als je jezelf dan niet wilt bekeren, ga dan maar heen en dien de afgoden maar. Je zult eeuwig omkomen, maar je kunt het Mij niet verwijten.

En dan richt Hij Zich tot het tweestammenrijk: Dat Juda dan niet schuldig worde, dat Juda niet in dezelfde zonde zal vallen als Mijn volk Israël, het tienstammenrijk. Hij waarschuwt nu Juda om niet in dezelfde voetstappen te gaan, opdat Juda niet schuldig worde. Komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zo waarachtig als de Heere leeft (bedoeld is: zweren in onoprechtheid).

Het is een diep ernstige waarschuwing. Het is alsof de Heere Israël laat gaan na alle waarschuwingen, omdat het niet naar Zijn stem hoort. ‘Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme horen.’ Zo kan Hij ook met ons doen, ook met het levend gemaakte volk van God, met die van Christus zijn. Als ze in een zondige weg gaan en daarin voortgaan, dan kan Hij hen in die duisternis laten ronddolen. Het is wel waar dat Hij getrouw is en dat Hij ze weer terughaalt, zodat ze weer terugkomen als verloren zonen, belijdende hun zonden, en opnieuw verzoening zoeken in het bloed van het Lam, Dat geslacht is en Wiens bloed reinigt van alle zonden. Dat is een onuitsprekelijk wonder en het zal voor hen ook een wonder worden.

 

Juda wordt nu nog aangesproken met een waarschuwing: Let op, Juda! Maak je niet schuldig. Kom niet te Gilgal! Kom niet te Beth-Aven! Gilgal is vermoedelijk gelegen ten noorden van Beth-El, een centrum van afgodendienst. Kom daar niet! Een waarschuwing ook nu tot de kerk van Christus: kom niet op de plaatsen van afgoderij, van zonde, van vuilheid, van film, van drank, enzovoorts. Kom daar niet!

En gaat niet op naar Beth-Aven. Dat is Beth-El, maar wordt hier genoemd Beth-Aven. Beth-El is: huis van God. Maar Beth-Aven is: huis der zonde. Men kan dus het huis van God tot een huis van zonde maken, door ongeloof en door onreinheid. De Heere wil zeggen: Laat u toch niet gaan! Keert weder tot Mij, o Juda, en behoed u dat u niet gaat in de weg van Israël! Gij Juda, niet! Zo lezen we in vers 15: Gij toch niet! Vermeng u niet! Laad geen schuld op u! Doe niet mee met dat afgodische Israël!

Ouderen, doe niet mee met deze wereld die om God niet geeft en in de zonde leeft. Kies uw vrienden met zorg en weet wat u doet in de omgang met anderen. Laad geen schuld op u! Mijn jonge vrienden, laad geen schuld op je. Kom niet in de biertenten, in de danszalen. Verslinger je niet aan verborgen zonden. Kom niet op deze zondige plaatsen en houd je ver van deze zondige handelingen.

Houd er ook geen halfslachtige godsdienst op na. Want er staat duidelijk in het tweede deel van vers 15: En gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zo waarachtig als de Heere leeft. De Heere wil hiermee zeggen: Als je in de zonde leeft en heidense afgoden dient en de vuilheid van deze wereld oplikt, gebruik alsjeblieft Mijn Naam dan niet meer. Liever gezegd: Misbruik dan Mijn Naam niet meer. Laat Mij er dan buiten! Doe niet zo huichelachtig in je bidden en danken. En gaat niet op naar Beth-Aven, het huis der zonde. Het is een diep ernstige vermaning.

 

U zegt wellicht: moet de Heere zo tot Zijn volk spreken? Jawel. Maar wat bedoelt Hij dan? Hij bedoelt dat het volk tot Hem zal wederkeren. Wat verlangt Hij dan? Dat het volk God zal vrezen, aller zonde vijand zal zijn en zich verlustigen zal in de Messias, in de beloofde Zaligmaker en in Zijn heil. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7). Dat is de bedoeling van het vermanende woord van de Heere: om in onze zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing te wenden.

 

Hoe pijnlijk de vermaningen ook zijn, eigenlijk proeft u door dit hele hoofdstuk heen een Goddelijke droefheid over de zonde en de afgoderij van het volk. En als het goed is proeft u ook in de prediking, als wij in de zonde voortleven, als we werelds leven, een Goddelijke droefheid. En dat tot heil van onsterfelijke zielen, die met een gedoopt voorhoofd min of meer trouw naar de kerk komen, maar al de waarschuwingen naast zich neerleggen, al de lokstemmen verachten, zo voortgaan op de brede weg die ten verderve leidt.

 

Misschien zegt iemand nog: ‘Ik kan er toch ook niets aan doen? Ik word toch geleerd dat ik dood ben door de misdaden en de zonden, dat ik mezelf niet bekeren kan?’ Spreekt daar uw verlangen uit tot bekering? Of een verwijt in de richting van de Allerhoogste? Of misschien wel het verlangen om in de zonde en ongerechtigheid voort te blijven leven? Hebt u Gods tranen dan nog nooit geproefd in de prediking, ook van dit hoofdstuk? Hebt u de tranen van de Zaligmaker dan nog nooit voelen druppen op uw stenen hart? Christus weende voor de poorten van Jeruzalem: ‘Och, of gij ook bekende wat tot uw zaligheid dient. Maar het is verborgen voor uw ogen.’ Zo lijkt het nu ook te zijn. O, mochten wij met Christus tranen wenen, opdat bij u de droefheid over de zonde, de droefheid naar God zou ontwaken en de Heere gezocht zou worden met smeking en geween, ook door onze jongens en meisjes en door ouderen die de Heere nog niet kennen.

Christus heeft Zich geofferd op de kruisheuvel Golgotha. Maak Hem toch niet langer te schande. Ontvang Hem toch met een hongerige en schuldige ziel, Die te zijner tijd voor de goddelozen wilde sterven, om vijanden met God te verzoenen.

 

Kom, gemeente, scheur uw hart en niet uw klederen (Joël 2:13). En kom tot Christus, Wiens klederen verdeeld zijn, Die naakt hing aan het kruis op de heuvel Golgotha, om alle gerechtigheid te vervullen. Niets zal uw hart kunnen vertederen en verbreken dan alleen de liefde van Christus en het offer van de Zaligmaker, om u te verootmoedigen voor Gods aangezicht. Zoek Hem Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij Die voor de goddelozen gestorven is, om vijanden met God te verzoenen.

Scheur uw hart en niet uw klederen. Dat wil zeggen: blijf niet aan de buitenkant hangen, want het gaat om uw ziel. Laat de droefheid over de zonde, over het ongeloof in het verachten van het Evangelie, in het verwerpen van de Zaligmaker, uw hart verbreken. Want dat zal u zoveel verdriet geven. Maar, wonderlijk genoeg, het is een droefheid die u voor geen goud van de wereld zou willen missen. Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Van de zonde zal men berouw hebben. En God geve dat het niet te laat zal zijn. Maar van de bekering tot God zal men nooit berouw hebben. Want ze zullen komen met geween en met smekingen zal Ik hen voeren. En God zal ze omhelzen in Christus Jezus en Hij zal het uitroepen: ‘O, Mijn volk!’ En dat zal zeggen: ‘O, mijn God!’

 

Er is nu, ook op deze dag, nog een vergevend God voor de snoodste en de meest ellendige zondaar, voor de meest schuldige ziel die het moet uitsnikken: ‘O God, U moet wel een walg aan mij hebben; het is een wonder dat ik nog niet vernield ben.’ Weet: Zijn bloed reinigt van alle zonden! En Christus is gewillig. Hij heeft tranen geweend voor Jeruzalem. En Hij roept ook vandaag: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Kom tot Mij en uw ziel zal leven!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 5

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 28)