Ds. D. Rietdijk - Richteren 16 : 4 - 21

Simson en Delila

De verzoeking van Simson
De val van Simson
Het gericht over Simson
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 27)

Richteren 16 : 4 - 21

Richteren 16
4
En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delila.
5
Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een iegelijk, duizend en honderd zilverlingen.
6
Delila dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plage.
7
En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven verse zelen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.
8
Toen brachten de vorsten der Filistijnen tot haar op zeven verse zelen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmede.
9
De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zeide zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur riekt. Alzo werd zijn kracht niet bekend.
10
Toen zeide Delila tot Simson: Zie, gij hebt met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden?
11
En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.
12
Toen nam Delila nieuwe touwen, en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad.
13
En Delila zeide tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zeide tot haar: Indien gij de zeven haarlokken mijns hoofds vlochtet aan een weversboom.
14
En zij maakte ze vast met een pin, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en nam weg de pin der gevlochten haarlokken, en den weversboom.
15
Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij.
16
En het geschiedde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe;
17
Zo verklaarde hij haar zijn ganse hart, en zeide tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireer Gods van mijn moeders buik af; indien ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen.
18
Als nu Delila zag, dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen, en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten dat geld in hun hand.
19
Toen deed zij hem slapen op haar knieen, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem.
20
En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.
21
Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 17: 4
Lezen : Richteren 16: 4-21
Zingen : Psalm 1: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 32: 5
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, in deze dienst willen wij u het Woord van God bedienen, zoals u dat vinden kunt in het voorgelezen Schriftgedeelte uit Richteren 16, het gedeelte dat gaat over de geschiedenis van Simson en Delila. Wij lezen u nu vers 20b en 21. Daar lezen wij het Woord van God:

 

Want hij wist niet dat de Heere van hem geweken was. Toen grepen hem de Filistijnen en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee koperen ketenen en hij was malende in het gevangenhuis.

 

Gemeente, wij gaan in deze dienst luisteren naar de geschiedenis uit Richteren 16, over: Simson en Delila.

 

En dan letten wij op drie dingen:

1. De verzoeking van Simson

2. De val van Simson

3. Het gericht over Simson

 

1. De verzoeking van Simson

 

Gemeente, Simson is een zeer grote richter geweest in Israël. Een man met genade, laten we dat voorop stellen. Niet voor niets heeft de Heilige Geest in Hebreeën 11 Simson geplaatst in de rij van de geloofshelden. Alleen, als je de geschiedenis van Simson leest, dan zou je niet denken dat het een man is om te laten opschrijven in de rij van de geloofshelden.

Want aan de ene kant zie je Simson, als de Heere hem aangordt door de Heilige Geest, als een man met een geweldige kracht die Israël verlost van de Filistijnen. Dat wil niet zeggen dat Simson een geweldig grote man is geweest, een hele sterke man, een krachtpatser zou je zeggen. Simson is een gewone man geweest, een gewoon mens. Maar al de grote daden die hij gedaan heeft, die heeft hij gedaan in de kracht van God en door de genade van God. Dat heeft hij alleen maar gedaan omdat God hem voor dat ogenblik de kracht en de genade gaf om die grote daden te doen. Simson is een gewone man geweest, door God begiftigd met bijzondere kracht. Maar deze zelfde grote richter van Israël had een bijzondere zwakheid. De zwakheid van Simson is zijn zwak voor de Filistijnse vrouwen. Telkens wordt hij in verzoeking gebracht. Tot driemaal toe lees je dat in de levensgeschiedenis, zoals het Woord van God ons dat verhaalt.

 

De eerste maal was in Thimnath, waar hij een vrouw zag, waar hij ook mee getrouwd is, tegen de wil van zijn vader en moeder in. Daar is het heel vervelend mee afgelopen. De weddenschap om dertig wisselklederen is hij daar verloren en die vrouw is door de Filistijnen met haar vader in haar huis verbrand.

 

De tweede maal dat er een dergelijke vrouw van de Filistijnen in het leven van Simson een geweldig grote plaats krijgt, is in Gaza. En dan ziet u hoe eerlijk het Woord van God is wanneer het spreekt over de kinderen van God. En dan zegt de Bijbel ook op een hele eerlijke wijze wat dat voor een vrouw was. Dan staat er dat zij een hoer was. Moet u zich voorstellen: Simson, de nazireeër Gods, de man die door God begenadigd was om richter te zijn over Israël, die komt daar in Gaza en hij komt daar bij een slechte vrouw. En als de Filistijnen dan de poorten van Gaza sluiten, zodat ze denken: Nu hebben we die richter van Israël, dan staat Simson ‘s nachts op, te middernacht, en dan neemt hij de poorten van Gaza, met de posten en de grendelboom, en die draagt hij weg tot op een berg die nabij Hebron is, in het gezicht van Hebron. Zestig kilometer ver heeft Simson die poorten van Gaza weggedragen.

En dan is dit het wonder: dan is Simson hier duidelijk een type van de Heere Jezus Christus, Die de poorten van de hel en van de dood heeft weggedragen voor Zijn Kerk, als de Machtige Die verlossing geven kan. Hij heeft ze weggedragen voor eeuwig. Hij heeft ze weggedragen in Zijn lijden, in Zijn dood en in Zijn opstanding. Simson is op de hoogtepunten van zijn leven type van Christus. En op de dieptepunten van zijn leven vind je een armzalig, ellendig, zondig mensenkind.

 

Voor de derde maal komt er een vrouw in het leven van Simson, als hij naar de beek Sorek gaat. Dan ziet hij daar een vrouw en die neemt onmiddellijk het hart van Simson in. Voor de derde maal begint Simson een dergelijk avontuur. Dan zou je toch kunnen zeggen: verstaat Simson niet de waarschuwingen die de Heere de vorige malen gegeven heeft? Wat is hij telkens ternauwernood uit de hand van de Filistijnen ontkomen.

Laten wij vandaag niet op Simson neerkijken. Laten we niet boven Simson gaan staan en zeggen: ‘Die Simson toch!’ Want Simson is een man van gelijke beweging als u en als ik. Als God ons niet bewaart, wat kunnen wij dan tegen alle waarschuwingen in doorgaan met de zonde. En de Heere laat Zijn roepstemmen in ons leven komen. Hij laat Zijn roepstemmen komen door Zijn Woord of door Zijn daden, zodat er flink op onze levensdeur geklopt wordt, zodat er aan ons levensboompje geschud wordt. Dat de Heere door Zijn daad of door Zijn Woord eigenlijk zegt: ‘Mensenkind, hoort naar Mij en uw ziel zal leven!’ En hoe dikwijls leggen we die roepstemmen naast ons neer en gaan we gewoon verder, net als Simson.

Simson laat zijn lust de vrije teugel. Hij maakt misbruik van zijn kracht, die hij als een bijzonder geschenk van de Heere krijgt. Daar maakt hij zijn afgod van, daar maakt hij zijn spel van, van zijn levensroeping en van zijn levensgeheim dat hij heeft.

 

De derde vrouw die hij ontmoet, daar bij de beek Sorek, is Delila. Nu zult u zich afvragen: waarom zegt de Bijbel er nu telkens zo netjes bij dat dat bij de beek Sorek is? Wel, als u dat zo leest, dan zou je dat niet begrijpen. Maar bij die beek Sorek is jaren later een herdersknaap, David. En die heeft ook met de Filistijnen te maken en die is naar die plek gegaan in de mogendheden des Heeren. Want er is een geweldige reus, Goliath, en die tart de God van Israël. En dan heeft die herdersknaap David niet meer dan een slinger en enkele steentjes uit de beek gepakt. Dan gaat hij in de mogendheden des Heeren die Filistijn, die reus Goliath tegemoet. En hij verslaat hem. David, de herdersknaap, is overwinnaar in de kracht en in de mogendheden des Heeren.

Maar als Simson daar komt, is hij verliezer. Dan verliest hij het aan alle kanten. Want dan leest u dat hij die vrouw lief krijgt. Dan doet hij die vrouw niet, zoals die vrouw in Thimnath, een huwelijksaanzoek. Hij trouwt niet met haar. Simson is op het niveau gekomen van het vrije leven, van het moderne leven, van het leven waarin men van huwelijk niet meer weten wil, waar men de wet des Heeren gewoon opzij schuift en waar de mens vrij wil leven, naar zijn eigen inzicht. Dat vindt u bij Simson al terug. In die hele oude Bijbel staat dat moderne leven van vandaag de dag getekend. Maar daar staat ook bij waar dat op uitloopt. Daar staat ook bij hoe dat je kan beschadigen. Dat staat als waarschuwing in de Bijbel geschreven. Dat zo’n leven een leven is dat op mislukking uitloopt.

 

Want de vijanden, de vorsten van de Filistijnen, weten precies waar Simson is. Ze weten precies dat hij bij Delila is en ze weten wel een middel om Delila in te winnen voor hun plannen. Ze hebben Delila voorgeschoteld: ‘We zullen je elfhonderd zilverlingen geven per vorst, als je Simson aan ons uitlevert, als je weet wat het geheim is van Simsons kracht.’ Hier gaan de Filistijnen dus heel duidelijk hun pijlen richten op het eigenlijke van Simsons leven. ‘Delila, laat hem nu eens aan jou vertellen wat het geheim is van zijn kracht! Probeer dat nu eens uit te vissen!’

Hier richten de Filistijnen zich op het hart van de zaak, alhoewel ze dat niet weten. Ze richten zich op het nazireeërschap van Simson. Dat is het kostbaarste wat Simson heeft. Want een nazireeër is iemand die een voorbeeld behoort te zijn, een voorbeeld voor het volk Israël, hoe dat volk leven zal. En nu gaan de vorsten van de Filistijnen zich richten op dat nazireeërschap, op dat voorbeeld zijn voor Israël.

Elfhonderd zilverlingen worden uitgezet op zijn hoofd, veel meer dan eenmaal voor zijn Meester zal geschieden. Want één keer zullen er dertig zilverlingen worden gezet op het hoofd van Jezus. Judas zal zijn Meester verraden voor dertig zilverlingen. Voor Simson elfhonderd zilverlingen per vorst van de Filistijnen.

 

Delila aanvaardt dat voorstel. Een prachtig voorstel! Een geweldig bedrag is dat voor haar. De geldgierigheid, die de wortel van alle kwaad is, heeft ook het hart van Delila ingenomen. En nu gaat ze de zonde van de geldgierigheid bekleden met een heel mooi kleed. Wij weten altijd de zonde te bemantelen met heel mooie dingen, met heel mooie schijndeugden. En zo doet Delila dat ook. De geldgierigheid bekleedt ze met de mantel van zogenaamde liefde. Ze gaat Simson bewerken. ‘Waarmee zou je gebonden kunnen worden, zodat men met je zou kunnen spelen, zodat men je zou kunnen plagen?’, zo zegt Delila. ‘Waarin bestaat toch je grote kracht?’ Dat is de strik.

Je zou zeggen: ‘Simson, let nu op, want nu gaat het om je nazireeërschap. Het gaat om de genade die God je gegeven heeft! Het gaat om je levensroeping, om je levensgeheim!’ Maar Simson let niet op en Simson gaat door. Want Simson denkt: wat geeft dat nou? Je kunt toch best een eindje meegaan? En als het te moeilijk wordt, kun je toch altijd nog terugkeren? Er is toch altijd weer een weg terug?

Jongens, meisjes, we gaan luisteren naar Simson, die dacht dat je een klein eindje mee kon gaan, dat je best wel eens kon proberen om hier of daar aan mee te doen en dat er altijd wel weer een weg terug is en dat je je altijd weer los kunt maken en dan toch weer terug kunt komen op de plaats waar je thuishoort. Nu gaan we luisteren naar Simson die dacht twee stappen mee te kunnen gaan en die dat pad nooit meer kon verlaten. Op de eerste stap volgt de tweede en op de tweede de derde. En zo kun je doorgaan. Tenslotte komt de laatste stap. Want wij hebben van onszelf geen kracht om met de zonde te breken. We hebben van onszelf geen kracht om de zonde uit ons leven weg te doen. Wij gaan dat zien in het leven van Simson.

 

Simson bedriegt Delila. Hij zegt: ‘Als je nu zeven verse zelen zou nemen.’ Dat zijn zeven verse pezen die zo uit een dier komen. Die kun je met je handen niet stuk trekken. Die zijn zo taai, die zijn zo krachtig, die kun je zomaar niet kapot trekken. ‘Nou, als je er dan zeven neemt, Delila, en je zou me dan binden met zeven verse zelen, dan zou ik zijn als een ander mens. Dan zou ik zomaar machteloos zijn en iedereen zou mij kunnen plagen.’

De vorsten van de Filistijnen hebben die zeven zelen onmiddellijk gevonden en Delila bindt Simson. De Filistijnen zijn in de achterlage. Ze zijn vlakbij. En dan roept Delila: ‘De Filistijnen over u, Simson!’ En dan verbreekt Simson die zeven verse zelen, als vlasdraadjes die geschroeid zijn, waarvan je de schroeilucht al ruikt. Het is in één ogenblik verbroken.

Daar staat Simson in zijn geweldige kracht, als nazireeër Gods, voor de Filistijnen die op hem aankomen. Je zou denken: dan moet Simson toch wel iets gaan begrijpen. Daar zitten die Filistijnen. Het is op zijn leven gemunt. Hij zou nu toch moeten zeggen: ‘Delila, ik groet je, ik ga weg.’ Maar hij doet het niet. Geen woord van verwijt aan Delila lees je.

 

Delila gaat verder. Want die grote prijs van elfhonderd zilverlingen schittert in haar ogen. Ze gaat door. Ze zegt: ‘Je hebt met me gespot en je hebt gelogen. Waarmee zou je nu gebonden kunnen worden, zó dat je je kracht verliest?’ En voor de tweede maal zegt Simson een leugen. Hij zegt: ‘Wel, je neemt nieuwe touwen, waar nog nooit mee gewerkt is. Van die nieuwe touwen, die nog volle kracht hebben, die niet gemakkelijk gebroken kunnen worden. Bind me daarmee en ik zal zijn als een ander mens.’

U ziet, Simson is verblind. Salomo zegt dat hoererij het hart wegneemt. Dat wil zeggen: dan word je dwaas en blind, dan zie je het onderscheid tussen goed en kwaad niet meer. Die grens wordt uitgewist. Dat gebeurt bij Simson. Want hij gaat door. Voor de tweede keer wordt er geroepen: ‘De Filistijnen over u, Simson!’ En voor de tweede keer verbreekt hij die nieuwe touwen als vlasdraadjes. Hij staat weer vrij.

 

Voor de derde maal speelt Delila haar spel. ‘Je hebt gelogen!’ Ze denkt: de aanhouder wint! En nu gaat Simson een stap doen. En die stap is zó gevaarlijk, want nu komt hij zó dicht bij het geheim van het nazireeërschap. Dan zegt hij: ‘Wel, als je nu mijn haarlokken in een weefgetouw zou doen en die vast zou zetten met een pin, met een stuk hout, dan zou ik niet meer los kunnen komen.’ Hij zit al heel dicht bij het geheim van zijn kracht en van de genade die God hem gegeven heeft. Delila weeft zijn haarlokken in een weefgetouw en zet het vast in een pin en ze roept: ‘De Filistijnen over u!’ Simson trekt het weefgetouw los, met zijn haarlokken, en hij staat er weer in zijn kracht. Voor de derde maal is Simson overwinnaar.

 

Was Simson nu maar gestopt! Had hij nu maar gezien dat hij ternauwernood ontkomen is. Had hij nu maar aangevoeld dat er geen stap verder meer gezet kan worden. Had hij met knikkende knieën die plaats bij de beek Sorek maar verlaten, dan was er niks gebeurd. Maar Simson verlaat die plek niet en Delila weet nu wat haar te doen staat. Ze gaat hem dag in dag uit lastigvallen, overrompelen met haar woorden: ‘Je houdt niet van me. Als je van me houden zou, zou je anders doen. Je hart is niet met me. Nu heb je me al drie keer bedrogen!’ En zo gaat ze maar door, elke dag opnieuw, totdat het hart van Simson vermurwd is, totdat het zó verdrietig is, dat hij de strijd verliest en het eind nabij is.

Want in het hart wordt nu de strijd gestreden tussen de nazireeër en de wellust, tussen trouw aan God en trouw aan Delila, tussen trouw aan zijn opdracht om richter te zijn in Israël en tussen zijn wellust. Er is een strijd tussen zijn roeping en zijn zinnelust. En hoe het ook kolkt en brandt vanbinnen in het hart van Simson, hij kan zich niet losmaken uit de zwijmeldrank van Delila.

Denk nooit gering over de zondemacht in ons leven. Je ziet het hier bij Simson. Er is een grotere macht nodig dan van een mens om de zonde te breken in je leven. Simson zegt de laatste waarschuwing vaarwel. Simson is meegegaan tot de laatste stap toe. En dan valt hij.

 

2. De val van Simson

 

Simson gaat vertellen aan Delila dat hij nazireeër is, van zijn moederschoot aan. Er is geen scheermes op zijn hoofd geweest. Die haarlokken van Simson waren een teken van het nazireeërschap. Dat niet afgeschoren haar was een teken dat hij een begenadigde van God was. Dat was een teken van de roeping van God in zijn leven. En nu gaat hij zijn roeping verraden aan deze Filistijnse. Natuurlijk heeft Delila gezegd dat het onder ons blijft en dat het tussen deze vier muren blijft. Maar inmiddels weten de vorsten van de Filistijnen het al. ‘Hij heeft mij zijn hart verklaard!’ Ze komen eraan met het geld in hun hand en het wordt op tafel gelegd: elfhonderd zilverlingen per vorst. Het wordt betaald aan Delila.

Dan moet Simson gaan slapen. En terwijl hij daar slaapt in de schoot van Delila, is er een Filistijn die met een scheermes haarlok na haarlok, zeven haarlokken afscheert. Daar liggen ze, te kijk en te grabbel op de grond: zijn levensroeping, zijn levensgeheim, de genade van God. Toen hij de weddenschap verloor in Thimnath, van het raadsel van de leeuw, toen was hij zijn weddenschap kwijt. Maar nu is hij zijn kroon kwijt. Nu is hij zijn levensroeping kwijt. Nu is hij zijn levensgeheim kwijt. Nu is hij zijn heiligheid kwijt, zijn nazireeërschap kwijt. Simson is geschoren.

Gemeente, wat kan het leven verwoest worden door het spelen met de zonde. Jongens, meisjes, jullie hebben ook een teken. Het teken dat jullie dragen is niet zoals het teken van Simson, dat lange haar dat niet geschoren werd. Maar dit is het teken dat jullie dragen in de Naam van God, dat op jullie voorhoofd geschreven staat met het vlammende schrift van Gods vinger: dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde. Dat staat op je voorhoofd geschreven! Dat is met onuitwisbaar schrift geschreven.

En als je nu met dat voorhoofd de wereld gaat dienen, de zonde lief hebt, de zonde vasthoudt, je opvoeding verloochent en het Woord van God verlaat, dan gaat dat van stap tot stap verder. Dan ben je net een Simson, die zijn levensroeping, zijn levensgeheim verried. Dan sta je krachteloos in deze wereld. We kunnen veel leren uit deze geschiedenis van Simson. Gods Naam op onze voorhoofden dragen en dan de zonde en de wereld daarmee dienen, dat is het ergste wat er is. We kunnen daar niet mee spelen, want je raakt alles kwijt. Bedenk dat wij geen kracht hebben op het pad van de zonde. Wij zijn krachteloos als we onszelf aan de wereld en de zonde uitleveren.

 

Kijk eens naar Simson. Terwijl hij daar kaalgeschoren ligt, wordt er opnieuw geroepen: ‘De Filistijnen over u, Simson!’ Simson staat op en hij zegt: ‘Ik zal ze andermaal slaan, zoals de vorige malen.’ Maar Simson staat er zonder kracht. Zijn handen, die de poorten van Gaza hebben weggedragen, hebben geen kracht meer. De handen die een ezelskinnebak hebben gehanteerd, om duizend Filistijnen dood te slaan, hebben geen kracht meer. Hij heeft geen kracht meer om slagen te maken en Filistijnen te doden.

Hoe komt dat? Er staat: Want hij wist niet dat de Heere van hem geweken was. En gemeente, dat is het ergste: als de Heere Zich onttrekt aan een mens in Zijn genade. Dan blijft er geen kracht meer in je over. Dan heb je geen kracht meer om te strijden. Dan heb je geen kracht meer om staande te blijven. Als de Heere Zich onttrekt in je leven, dan ben je een krachteloos mens geworden, een weerloze. Alle grote woorden ten spijt. Want Simson zegt: ‘Ik zal opstaan als de andere malen en hen slaan.’ We kunnen wel grote woorden spreken, maar als de Heere Zich onttrekt aan een mens, dan zijn we krachteloos, wat wij ook hebben ervaren en wat wij ook hebben meegemaakt en hoezeer wij ook van het geloof konden spreken en van oefeningen van het geloof. Dan zijn we net zo’n kaalgeschoren Simson.

 

Want hij wist niet dat de Heere van hem geweken was. Dat is het ergste, als de Heere van ons geweken is en wij weten dat niet! Want dan is het volk van God krachteloos, als de vrees van de Heere wijkt, wanneer de waakzaamheid in het leven verslapt, wanneer de zonden worden gekoesterd, wanneer het gebedsleven inzinkt, wanneer de Bijbel veel dicht blijft, wanneer het Woord van God niet meer onderzocht wordt, wanneer wij zomaar dag in dag uit kunnen leven zonder dat wij de Heere ontmoeten en nodig hebben.

Gemeente, als dat tere leven gaat wijken, dan zijn wij krachteloze mensen. De Heere gaat wijken en wij weten dat niet. Dan kunnen we nog best grote woorden zeggen hoor, over God en Goddelijke zaken. Maar dan is toch de kracht uit ons leven weg. De dauw en de frisheid van de genade is geweken en we hebben daar geen erg in.

 

Bunyan heeft een heel mooi boek geschreven, ‘De Heilige Oorlog’. Een geweldig mooi boek. Daarin wordt de ziel van een mens voorgesteld als een stad, met een muur eromheen. En in die muur zijn poorten. En dan schrijft Bunyan dat Vorst Immanuël met Zijn leger de oorpoort van Stad Mensenziel belegert. U begrijpt wel: Bunyan doelde op de prediking van het Woord. Die legt zich aan op het oor. Elke dag komen er van die aanslagen van Vorst Immanuël op de oorpoort, totdat die poort geopend wordt en Vorst Immanuël Stad Mensenziel binnentrekt met groot gejuich. De vijanden worden gevangengenomen, sommigen gedood en anderen in de gevangenis gezet. Daar hebt u de inname van Stad Mensenziel door Vorst Immanuël.

En dan is er een geweldig feest in de stad. Vorst Immanuël is in de stad gekomen, de Heere is in de stad en men gaat feesten. Wie zou niet feesten als de Heere in de stad gekomen is? En terwijl men feest, beschrijft Bunyan, gaat Vorst Immanuël naar de oorpoort om de stad Mensenziel te verlaten. Want niemand heeft meer erg in Vorst Immanuël. Men feest ten slotte om het feest zelf. Een kunstenaar heeft dat in een tekening vastgelegd. U ziet dan bij de oorpoort Vorst Immanuël staan met de tranen in het oog. Maar de oorpoort is door alle mensen verlaten. Op de achtergrond ziet u de stad feesten, maar niemand heeft er erg in dat Vorst Immanuël op het punt staat om de stad te verlaten. Men feest om het feest, maar niet meer om Vorst Immanuël.

 

Wat Bunyan beschrijft in ‘De Heilige Oorlog’, dat vind je hier nu bij Simson. Want hij wist het niet dat de Heere van hem geweken was. De Heere was weggegaan en Simson wist het niet. Nu heeft hij geen kracht meer. Als de Heere uit ons leven weg is, als de nabijheid van de Heere weg is, dan hebben we geen kracht meer. De Heere zegt in de gelijkenis van de wijnstok: Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht (Joh.15:5). En wat is nu ‘in Hem blijven’? Wel, dat is het leven dichtbij de Heere. Dat is het leven in de nabijheid van de Heere. Dat is het leven waarbij wij de Heere Jezus altijd voor alle dingen nodig hebben. Dat is net als bij die weduwe die lege vaten neerzette. Zolang er nog maar lege vaten waren, werd er olie in de vaten gegoten. Toen er geen lege vaten meer waren, was de olie ook op.

Zo doet de Heere Jezus. Die in Mij blijft, en Ik in hem. Dat is een wederkerigheid. Wie nu lege vaten heeft voor Hem, daar zal Hij ook blijven. Die draagt veel vrucht. Dus dat wil zeggen dat je altijd maar dichtbij de Heere moet leven, dichtbij de Heere Christus moet leven, en met je leegheid, met je lege hart, met je lege gedachten, met je lege ziel, altijd maar bij Hem schuilen, altijd maar die lege vaten bij Hem neerzetten.

Dan mag je komen met je schuld. Dan mag je komen met je krachteloosheid. Dan mag je komen met je struikelingen. Dan mag je komen met je verdriet. Dan mag je komen met je zorgen. Dan mag je komen met alles wat je in het leven deert. Dan mag je bij Hem schuilen. Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht.

 

Maar wie Hem verlaat, daar gaat Hij weg. Daar is de Heere geweken. De Heere kan wijken van een mens omdat hij in ongerechtigheid leeft, net als bij Simson. De Heere gaat nooit zomaar weg. De Heere gaat niet bij een mens vandaan zonder redenen. Het is niet zo dat de Heere een mens verlaat, zomaar omdat Hij daar vreugde in heeft. Nee, de Heere gaat altijd weg door de zonde. Het is kwaad en bitter om tegen de Heere te zondigen. Dan verlaat de Heere Stad Mensenziel. Maar het kan ook zijn door éigengerechtigheid. Als je helemaal opgaat in jezelf en alles wat je zelf doet. Als wij met al het onze God menen te kunnen benaderen en voor God menen te kunnen bestaan, dan is er ook geen werk voor de Heere Jezus. Wat zou Jezus moeten doen met een mens die zo vol is van zichzelf en van al het zijne, dat hij geen zondaar meer voor God is? Want Jezus is gekomen om zondaren te zaligen en om dwazen te onderwijzen. De Heere Jezus is gekomen om mensen die het niet weten de weg te wijzen, om mensen die schuld hebben de schuld af te wissen, om mensen die de weg kwijt zijn terug te brengen. Hij is gekomen om te zoeken en om zalig te maken wat verloren is. Maar als je nu mensen hebt die het zelf kunnen en die de zakken vol hebben en die zomaar hebben uit te delen en die weten hoe het moet en kan, daar is voor Jezus geen plaats. Hij heeft mensen nodig die het niet weten en die het niet kunnen en mensen die het verzondigd hebben en die dat voor Hem belijden.

Jezus gaat óf door ongerechtigheid óf door eigengerechtigheid weg. Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht.

 

En dit is het benauwende, als de Kerk des Heeren niet wéét dat de Heere weg is. Want dan gaat de kaalgeschoren Simson model worden van het christendom. Dan schijnt het alsof het normaal is dat de Kerk des Heeren geen kracht heeft en dat er niets van haar uitgaat. Dan zeggen we: ‘Zo is nu eenmaal het leven; het kan nu eenmaal niet anders.’ Maar dat we door onze schuld onze kracht kwijtgeraakt zijn, dat wij door onze schuld ons sieraad zijn kwijtgeraakt en dat we daar het normale van gaan maken, dat is het erge van dit alles. Als de kaalgeschoren Simson model gaat staan voor de Kerk des Heeren, dan zakt alles in. Dan wordt alles dor. Dan gaat alles verkeerd. Dan zie je niks meer bloeien. Dan bloeit het jeugdwerk niet meer. Dan bloeit de zending niet meer. Dan bloeit evangelisatie niet meer. Dan ziet u alles in elkaar storten.

Daarom, de grote vraag is: is de Heere in ons midden? Is Hij bij u? Is Hij in u? Of is de Heere weg en weten we het niet? Daar gaat het nu om. Als we maar gaan zien dat Hij weg is en dat dat onze schuld is, dan is er een begin van terugkeer.

Is de Koning in uw hart? Dat is een kernvraag uit deze geschiedenis. Is de Heere in uw hart? ‘Wie heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten? Niets is er waar ik in kan rusten.’ Is de Heere in uw hart? Daar gaat het om, voor de hele Kerk des Heeren.

 

Voor we nadenken over de derde gedachte, zingen we Psalm 32 vers 5:

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

Beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen;

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

3. Het gericht over Simson

 

Er komt een gericht over Simson. Zie je wel dat die laatste stap gezet wordt? Zie je wel dat je niet één stap kunt zetten en dan zeggen: ‘Ik kan altijd nog teruggaan’? Daar komt het gericht over Simson. De Filistijnen staan gereed. Ze staan gereed met koperen kettingen, messen en touwen. Ze komen om Simson.

Waaraan kun je nu weten of de Heere in je leven is, ja of nee? Dat kun je hieraan weten: als de Heere er is, dan kan de vijand niks doen. Dan kan hij wel brullen, maar hij kan je niet beschadigen. Want Gods rechterhand beschermt de vromen en redt hun zielen van de dood. Dat doet die rechterhand van God. Dan word je beschermd. Dan kan de vijand wel brullen, maar niks doen. Maar als de Heere geweken is, dan heeft de vijand vrij spel. Dat zie je in stad Mensenziel ook. Dan komen onmiddellijk weer vijanden vrij. Die ontvluchten uit de gevangenis. Je ziet het ook bij Simson. Ze gaan met Simson spelen. Als we Hem verlaten en zelfgekozen wegen gaan, dan heeft de vijand vrij spel in ons leven.

 

Dan wordt Simson gebonden en dan gaan ze op een wreedaardige wijze met Simson handelen. Ze nemen het mes. Ze richten het mes niet op het hart. Als ze het op zijn hart gericht hadden, dan was het spel afgelopen geweest. Dan hadden ze niet genoten van de vangst van deze gehate richter van Israël. Nee, niet op zijn hart wordt dat mes gericht, maar op zijn oog. Allebei zijn ogen worden eruit gegraven. Ontzaglijk hè, je moet er niet aan denken wat voor een wreedheid dat is.

Simsons naam betekent: zonnekind. Maar hij zal de zon niet meer zien. De ogen van dit zonnekind worden allebei weggenomen. En dan is Simson blind. Voor altijd. Kaalgeschoren en blind. En dan wordt hij meegenomen.

 

Je zou zeggen: is dat nu liefde van God, dat Hij Zijn kind en knecht allebei zijn ogen uit laat steken? Had God niet kunnen verhinderen dat Simsons ogen werden uitgestoken? Waarom laat Hij die vijand toe? God is toch machtig om Simson te beschermen?

Gemeente, het is Goddelijke liefde! Simsons ogen worden allebei uitgestoken. Hij kan dan wel geen vijand meer zien. Hij kan geen Filistijn meer zien. Hij kan geen trefzekere slag meer toebrengen. Hij kan geen wapen hanteren en geen vijand zien. Maar wat hij ook niet kan, en laten we dat erbij bedenken: hij kan ook geen Filistijnse vrouwen meer zien!

Simson heeft de lust van zijn ogen en zijn levensroeping tegelijk proberen te dienen. Simson dacht: nazireeër zijn en daarbij ook mijn lust aan de hand houden, dat kan ik wel aan elkaar knopen. Maar hij diende twee heren. Job zegt dat hij een verbond maakte met zijn ogen, zodat hij geen vrouw aanschouwde. Maar Simson heeft zo’n verbond niet gemaakt. De Heere Jezus heeft gezegd: ‘Indien uw oog u ergert, ruk het uit. Want het is beter om met één oog het Koninkrijk Gods in te gaan, dan met twee ogen in het helse vuur geworpen te worden.’ Maar Simson rukte dat oog niet uit.

 

Wat er nu met Simson gebeurt is Goddelijke liefde, gemeente. Dat is zó grote liefde, dat wij daar nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. God heeft Simson zó lief dat Hij zegt: ‘Laat nu die Filistijnen de ogen van Simson uitsteken, want Ik heb hem niet over voor het verderf.’ Als Simson het niet doet, dan doet God het wel. En dan zegt God: ‘Nu wil ik Simson eens helemaal alleen hebben. Nu wil Ik hem niet delen met die Filistijnse vrouwen, nu wil Ik hem niet delen met deze wereld. Ik wil Simson helemaal alleen voor mijzelf hebben.’ Jezus is Bruidegom, maar Hij is een jaloerse Bruidegom en Jezus wil Zijn bruid met niemand anders delen. Hij wil Zijn bruid alleen hebben.

De ogen van Simson worden uitgestoken. Kan dat liefde zijn in je leven, wanneer God de lust van je ogen wegneemt? Gemeente, dat kan liefde van God zijn, omdat Hij het is Die dan wil dat je beter met één oog of zonder ogen het Koninkrijk Gods zult ingaan, dan met twee ogen in het helse vuur geworpen te worden. Dan is dat Goddelijke liefde, peilloze liefde, grondeloze liefde, waarmee God Zijn Simson liefheeft.

Als je nu nog een keer vraagt: ‘Waarom laat God dit toe?’, dan zeg ik: omdat God Simson liefheeft tot het laatste toe.

 

Is het dan niet erg wat die Filistijnen deden? Natuurlijk was dat erg. Simson maakte van de genade speelgoed. Hij dacht: dat kan best, nog één stapje verder... Simson ging er mee spelen. Maar genade is geen speelgoed! Het is wel een speeltuig, want u kunt daarmee roemen de genade van God in Christus Jezus. Genade is een speeltuig, waarop gezongen wordt van de goedertierenheden des Heeren. Maar het is geen speelgoed, want genade is zo duur.

Weet u hoe duur genade is? Genade is zó duur, dat het Jezus niet Zijn ogen heeft gekost. Bij Jezus ging het mes niet naar Zijn ogen, maar bij Jezus ging het mes naar Zijn hart. Hij gaf Zijn leven. Jezus heeft Zijn leven gegeven opdat Simson eeuwig leven zou.

Gemeente, dan ga je iets zien van die onuitsprekelijke liefde van God, dat er nu Eén is geweest Die Zijn leven gegeven heeft, Die de zonde van Simson heeft verzoend, Die de zonde van Simson kan vergeven. Maar het heeft Hem wel Zijn bloed gekost. Dan gaat Simson straks wel erven, maar dan kan het alleen maar door het dure bloed van de Heere Jezus Christus.

 

Nu wordt Simson naar Gaza gebracht. De Filistijnen gaan Simson boeien. Ze gaan hem uitgerekend naar Gaza brengen, waarvan de poorten door Simson zijn weggedragen. Daar wordt hij binnengeleid als een blinde. Aan de hand van Filistijnen wordt hij daar binnengeleid en hij wordt naar de gevangenis gebracht. In de gevangenis wordt hij aan een molen gezet. Daar moet hij de hele dag die molen zomaar ronddraaien in het gevangenhuis, met die blinde ogen.

Maar één ding weet ik. In dat gevangenhuis, waar Simson met die twee blinde ogen niet eens meer kon huilen, daar heeft Simsons hart geweend. Daar is Simson op zijn plaats gekomen. Daar is Simson gaan zien wat hij God aangedaan heeft.

U zult zeggen: hoe weet je dat nu? Dat weet ik hieruit: er staat een gebed van Simson in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk. Het gebed dat hij bidt tegen die twee pilaren in het huis van Dagon aan. Daar staat een gebed wat niemand weten kan, want Simson was alleen. Dat heeft niemand kunnen horen. Maar al zou iemand het hebben kunnen horen, dan heeft niemand het na kunnen vertellen. Ook Simson zelf heeft het niet na kunnen vertellen, want als Simson gebeden heeft, krijgt hij van God wat hij bad. Dan wordt Simson onder het puin bedolven, met al de Filistijnen in het huis van Dagon. Maar Simson heeft gebeden. Hij heeft gebeden: ‘Heere Heere! Adonai, Jahweh! Gedenk mijner!’ Net als die moordenaar aan het kruis. ‘Gedenk mijner!’ Simson heeft niet gebeden: ‘Geef me mijn ogen terug.’ Hij heeft niet gebeden: ‘Heere, verlos me van de Filistijnen!’ Hij heeft niet gebeden: ‘Heere, laat me nog eens een keer flink door het Filistijnse land mogen lopen met beide ogen weer terug.’ Nee, hij zegt: ‘Gedenk mijner! Geef me nog één keer kracht, dat ik me mag wreken met één wraak voor mijn twee ogen.’ En dan gedenkt God aan deze knecht.

 

Dan is hij in zijn sterven, als hij daar bezwijkt onder het puin van de tempel van Dagon, helemaal type van Jezus Christus. Want er staat in het laatste vers van dit hoofdstuk, dat hij in zijn dood meer vijanden heeft gedood dan tijdens zijn leven. Jezus heeft satans kop vermorzeld. Toen Jezus de geest gegeven heeft, toen heeft Hij overwonnen. Er is één verschil met Simson. Als Jezus sterft, bidt Hij niet om wraak, maar als Jezus sterft, dan bidt Hij: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34).

 

Kijk eens even naar Hebreeën 11, het hoofdstuk van de geloofshelden. De apostel schrijft daar: ‘Zou ik u verhalen van...’ En dan gaat hij allerlei namen opnoemen, maar dan staat er ook bij: ‘...en Simson.’ Simson, een geloofsheld! Wat heeft men zich daaraan geërgerd, dat deze Simson geschreven staat in de rij van de geloofshelden. Moet nu zó’n man zalig worden? Maar gemakkelijk als je zo zalig kan worden! Ja, gemeente, zondaren worden zalig, goddeloze mensen worden zalig.

Wat Simson gedaan heeft, is niet opgeschreven ter navolging. Natuurlijk niet! Maar wat Simsons leven betreft, het staat in de Bijbel tot roem van Gods genade, Die door Zijn eigen Zoon Simson heeft zalig gemaakt. En Simson is zalig geworden. Alleen door de genade van de Heere Jezus Christus. Alleen door Hem. En nu zegt het hart van de oudste zoon: ‘Moet nu deze zoon, die al uw goed heeft doorgebracht, het gemeste kalf krijgen?’ Die oudste zoon is die nette man die altijd in de kerk zit en die zich dood hongert naar de zonde. Die ergert zich aan Simson. Maar nu die verloren zoon, die hongert de dood van verlangen naar Zijn Vader. Dat is nu het verschil. De oudste zoon weet niet van zonde en van genade, maar de jongste zoon wel.

 

Toen is Simson thuisgekomen, toen hij de laatste adem uitblies onder het puin. Toen deed hij zijn ogen open en toen zag hij weer. Toen heeft hij de Koning gezien in Zijn schoonheid. Toen heeft hij Christus aanschouwd. En daar kijkt hij nog naar, nog steeds, naar de schoonheid van de Koning, Die nu zó’n ellendige, want meer is het toch niet, uit enkel genade wil zaligen.

 

Dat is de boodschap van deze dienst, dat nu zo’n ellendige gezaligd wordt, door Jezus alleen. En gemeente, als je nu boven Simson staat, dan denk ik dat je verkeerd kijkt. Maar als je nu onder Simson staat, als je zegt: ‘Nu heb ik iets, dat heeft zelfs Simson niet gedaan’, dan zeg ik: dan gaan we naar Paulus luisteren. Want die heeft gezegd: ‘Mij, de grootste der zondaren...’ Paulus heeft niet gezegd: ‘Op Simson na de grootste der zondaren...’ Nee, die heeft gezegd: ‘Mij, de grootste der zondaren...’ Dus die ging onder Simson door. ‘...is barmhartigheid geschied.’

Misschien zegt u: ‘Simson is nog niks, u moest alles van mij eens weten.’ Paulus zegt: ‘Mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied in Christus Jezus.’ Dan kan het ook voor u! Dan kan het voor u zeker! Want God heeft Zijn Zoon gezonden, niet om rechtvaardigen, maar om zondaren te brengen tot bekering. Hij heeft Zijn Zoon gezonden om goddelozen te zaligen en om vijanden met God te verzoenen. Dat is de prediking uit Richteren 16! Dat is de prediking van de roem van genade alleen.

Als je ooit wilt horen dat God goddelozen rechtvaardigt, dan moet je Richteren 16 lezen. Daar zie je het. Zo’n man gezaligd! Om niet! Kunt u zich voorstellen dat die Kerk in eeuwigheid zingt van Gods trouw, van Zijn roem, maar ook van Zijn onverwinb’re krachten?

 

Woont de Koning in ons? Daar gaat het om. Kennen we Hem als die volkomen Zaligmaker? Als wij nog vreemd van Hem zijn en gewoon vrij in de zonde leven, buig dan vandaag uw knieën en vraag: ‘Heere, wilt U mijn ogen openen, opdat ik zien mag wie ik ben, wie U bent, opdat ik zien mag de genade van Christus, die een algenoegzame genade is.’ Er is wel haast bij! Je kunt er niet mee wachten tot morgen. Het is vandaag nodig. ‘Heden’, zegt de Heere, ‘zo gij Mijn stem hoort, verhard u niet, maar laat u leiden!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 27)