Ds. R. Kattenberg - Hebreeën 11 : 24 - 26

Het nee en het ja van het geloof

Wat dit 'nee' inhoudt
Wat dit 'ja' inhoudt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 27)

Hebree├źn 11 : 24 - 26

Hebreeën 11
24
Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;
25
Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;
26
Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 93: 1, 2, 3
Lezen : Exodus 2: 11-15
Lezen : Hebreeën 11: 20-29
Zingen : Psalm 17: 4, 7
Zingen : Psalm 60: 7
Zingen : Psalm 149: 2

Onze tekst kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte, Hebreeën 11, de verzen 24 tot en met 26:

 

Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao’s dochter genoemd te worden; verkiezende liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

 

In deze tekstwoorden is sprake van: Het nee en het ja van het geloof.

 

Wij zien dan:

1. Wat dit ‘nee’ inhoudt

2. Wat dit ‘ja’ inhoudt

 

1. Wat dit ‘nee’ inhoudt

 

Gemeente, staat Mozes niet een beetje vreemd in de rij van de bijbelheiligen, van de gelovigen in het Oude Testament? U vraagt: ‘Waarom?’ Wel, gaat u maar na: er wordt eerst gesproken over Abraham en Sara, twee oude mensen. Dan wordt ons Izak genoemd; blind en aan de avond van zijn leven. Daarna vinden we Jakob en Jozef. Maar als je gaat kijken waar ze zijn, dan tref je ze aan op hun sterfbed. Dus een oude Abraham, een oude Sara, een oude Izak, een stervende Jakob en een stervende Jozef. En steeds wordt gezegd hoe ze in gelóóf hebben overwonnen. Als je dan zo dat rijtje ziet, ben je geneigd om te zeggen: is het geloof dan alleen een zaak van oude mensen? Moet je daar zestig jaar of ouder voor zijn? Je zou het bijna denken.

En dan, dan is er opeens Mozes. Van hem lezen we niet dat hij oud geworden was, maar dat hij ‘groot’ geworden is. Dat wil zeggen: volwassen. Hij staat aan de ingang van het leven. Wat zou er van Mozes staan? Bij die ouderen lees je allemaal: Door het geloof… Wat staat er van Mozes? De Heilige Geest laat ons niet in het ongewisse, want de tekst begint ermee: Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde... Dus ook: Door het geloof...

Van de jonge jaren van Mozes weten we niet zo heel veel. U zegt: ‘En zijn geboorte dan?’ En ik hoor onze kinderen zeggen: ‘Mozes, dat is toch dat kindje dat in het biezen kistje lag?’ Inderdaad, kinderen, dat prachtige verhaal om te lezen en om voor te lezen, is altijd weer spannend en indrukwekkend. Niet alleen voor kinderen, maar voor ons allemaal. Dat verhaal over het biezen korfje waarin Mozes door de bewarende en besturende hand van God aan de dood is ontsnapt. Maar als het verder gaat over zijn jeugd, dan weten we niet zo vreselijk veel van hem. Maar wel dit: dat God toen al ‘ja’ gezegd heeft tegen Mozes.

En hoe krijgt dat ‘ja’ nu gestalte in het leven van Mozes? Want kijk, je mag dan gered zijn uit het geweld van de krokodillen in de Nijl, maar is het aan het hof van de Farao niet veel gevaarlijker? Is die Egyptische cultuur niet veel satanischer dan die vraatzuchtige monsters in de Nijl?

Gemeente, als je die twee dingen naast elkaar legt, dan zeg je: nu is hij wel van de krokodillen gered, maar levensgroot zijn de figuurlijke krokodillen aanwezig aan het hof bij Farao. Mozes wordt als het ware opnieuw in de stroom geworpen, opnieuw voor de krokodillen geworpen, bij Farao. Wat moet er van deze Mozes terechtkomen?

 

Gemeente, ik kijk even de andere kant op, naar Amram en Jochebed. Wat zullen zij hun kind op afstand met hun gebeden hebben begeleid. Ze hebben hem dan toch, tegen de verwachting in, zeg maar zo’n jaar of vier thuis gehad. U kent de geschiedenis. Reken maar dat die eerste jaren van zijn opvoeding belangrijk zijn geweest. Wat heeft hij het Woord van God als het ware met de moedermelk ingedronken.

Wat heeft de Heere dat wonderlijk bestuurd en rijk gezegend in het leven van Mozes. Wat een leiding van God, toen hij van zijn eigen bestaan nog nauwelijks afwist.

Meisjes en jongens, jullie denken toch wel gelijk aan jezelf, aan de leiding van God in jullie jonge leven? En ouders, zullen Mozes’ ouders, Amram en Jochebed, hun invloed later niet hebben aangewend, waar ze ook maar konden? Als ze tenminste die mogelijkheden hadden. Denkt u ook niet dat het gebed voor deze mensen zeker een machtig wapen zal zijn geweest? Hoe? ‘Heere, al is ons kind dan niet meer thuis, al is het nu bij Farao, het is toch een kind van het verbond. Heere, U zult Uw waarheid toch nimmer krenken, maar eeuwig aan Uw verbond gedenken? Heere, U bewaart toch Uw trouw van geslacht tot geslacht? O God, dat hebt U toch beloofd? Heere God, ons kind draagt toch het teken van het verbond? Dat is toch Uw trouw? Het sacrament is toch niet zomaar iets, o God?’

 

Zo loopt de lijn ook door naar jullie leven, meisjes en jongens. Ook jullie heeft God gezworen, toen jullie van je eigen bestaan nog niet afwisten, dat Hij ook jullie God wilde zijn! Kinderen, jongens en meisjes, God heeft jullie aangeraakt vanuit de doop, met Zijn heilige Naam. Die heeft Hij aan jullie meegegeven als een teken van wat Hij belooft midden in een verloren gaande wereld. Dat Hij, in Christus, de God wil zijn van zondaren. De belofte van God was er in Mozes’ leven. Die is er ook in jullie leven.

Nu draagt het sacrament wel de belofte in zich, maar de vervulling van die belofte is nog wat anders. Dat is geen automatisme. Je kunt niet zeggen: Mozes is besneden en is dus zalig. En: ik ben gedoopt en dus ben ik zalig. Nee, de vervulling is duidelijk iets anders.

En daarom, gemeente, als je Mozes zo in je gedachten daar ziet, dan vraag je jezelf af: wat zal er van deze jongeman terechtkomen? Onze tekst is daar niet onduidelijk in: Door het geloof heeft Mozes geweigerd... Wat geweigerd? Geweigerd... om een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden.

Gemeente, dat staat er heel kort en heel krachtig. Door het geloof heeft hij geweigerd. Geweigerd! En we voelen wel wat daar achter zit. Want Mozes heeft natuurlijk de invloed ondergaan van het Egyptische hofleven. Daar heeft hij middenin geleefd. Als hij vier jaar was toen hij aan dat hof kwam, dan is hij daar zo’n 36 jaar geweest. Zesendertig jaar is hij onderwezen in al de wijsheid van de Egyptenaren. En al die tijd werd hij geconfronteerd met de heidense denkbeelden en met alle afgodische praktijken van de Egyptenaren. Dag in, dag uit! ledere dag weer. Altijd! Altijd in de walm van de zonde. We kunnen er ons misschien wel iets bij voorstellen. Want de wereld van toen is weinig anders dan de wereld van vandaag. Meisjes en jongens, en wij trouwens allemaal, wij leven er ook middenin, in de cultuur van deze wereld, met alle uitingen en uitspattingen en gruwelen die daarbij horen.

Mozes ook. En wat een mogelijkheden had Mozes in die wereld niet! Denk het je eens in: hij kon een prins worden in Egypte. Hij kon een geweldige carrière maken en straks, wie weet, de kroon in ontvangst nemen, heerser worden over dat machtige wereldrijk. Een leven zoals dat maar voor weinig mensen is weggelegd. Je zou toch zeggen: ‘Dat moet je doen! Dat moet je altijd doen, Mozes, zo’n kans krijg je nooit meer!’

 

Mozes, wat doet hij? Lees maar: Door het geloof heeft Mozes geweigerd! Hij heeft ‘nee’ gezegd. Hij heeft niet geaarzeld, zo in de trant van: ‘Ja, daar moet ik nog eens rustig over denken.’ Zoals wij dat wel zeggen: ‘Daar moet ik eerst nog eens een nachtje over slapen. Het trekt me wel, maar ik wil het eerst nog eens rustig van alle kanten bekijken. U hoort binnenkort wel van me.’ Nee, gemeente, nee! Hij is de zaak ook niet uit de weg gegaan. Hij is er niet met een grote boog omheen gelopen. Mozes heeft maar één woord: nee! Niet een aarzelend ‘nee’, maar een krachtig ‘nee’.

Dat is de gevoelswaarde van dat woord ‘geweigerd’: weg ermee! Precies zoals de bruid in het Hooglied: Al gaf iemand me al het goed van zijn huis, al gaf hij me de troon van Egypte, om de liefde van mijn Heere en Zaligmaker, ik zeg: nee! Ga weg! Ik wil het niet! Ik hoef het niet! Nee! Geweigerd een zoon van Farao’s dochter genaamd te worden…

 

Nee zeggen is niet altijd zo makkelijk. Als iemand je vriendelijk iets vraagt, zeg dan maar eens nee. En als je carrière kan maken, als je op kunt klimmen langs de sporten van de ladder van de maatschappij, zeg dan maar eens nee. Zeg maar eens nee, als het zo helemaal aansluit bij de wensen van je hart. Wie wil dat nou niet? Wie weigert dat nou?

Gemeente, wie wil dat nou niet: door mensen geëerd worden, door anderen geprezen worden? Wilt u dat niet? Hebt u geen last van dat eigen, trotse ‘ik’? Dat ‘ik’, dat we met steeds grotere letters zouden willen schrijven. Wie wil er nu geen populaire jongen of meisje zijn? Wie weigert dat nu? Wie weigert er nu een makkelijke weg, vol van voorspoed in zijn leven? Wie weigert er nu het rozenpad voor zichzelf?

 

Gemeente, toch is dat nu juist de weg van het geloof. Jezus preekt geen zelfhandhaving. Jezus heeft nooit gezegd: ‘Denk erom hoor, dat u dat eigen ik van uzelf handhaaft.’ Nee, Jezus heeft de zelfverloochening gepreekt. Weet u wat dat is? Dat is ‘nee’ zeggen tegen jezelf, tegen je trotse, boze, hoogmoedige ik. Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op en volge Mij (Matth.16:24). Wie zijn leven zal willen behouden, met eer, rijkdom, aanzien, lofprijzingen, waardering, carrière, weelde, of wat dan ook, die zal het verliezen. Maar wie zijn leven zal verliezen om Mijnentwil en om des Evangelies wil, die zal het behouden.

 

Mozes heeft geweigerd! Wie heeft die kracht van zichzelf? Niemand. Ook Mozes niet. Lopen ook wij niet het gevaar om geleidelijk meegetrokken te worden in de maalstroom van deze wereld? Hoeveel zijn er al meegezogen? Hoeveel zijn er al meegetrokken? Hoeveel zijn er al, ook binnen de kring van onze gemeenten, geestelijk verdronken? Hoeveel zouden er vandaag onder het Woord kunnen zitten, die er niet meer willen zijn?

En dan heb ik het nog niet eens over hen die het buiten de muren van de kerk hebben gezocht. Maar ik heb het over doopleden en belijdende leden die er niet meer willen zijn, die het buiten het Woord van God zoeken, zodat het Woord van God op geen enkele wijze meer functioneert in hun leven. Zoveel jongeren en ook wel ouderen, meegezogen in de maalstroom van deze tijd. De Bijbel? Nee! Bidden? Nee! De kerk? Alsjeblieft niet, daar zien ze mij niet meer! Catechisatie? Nee! Verenigingen? Nee! Belijdenis doen? Nee!

Gemeente, u bent er wel vandaag. Dan bent u zeker wel een beetje beter? U kunt in ieder geval zeggen: ‘Maar wij zijn er dan toch maar!’ Als u dat denkt of zegt, dan zeg ik ook: nee! Dat u hier bent is niet omdat u zo goed en trouw bent, maar dat is Gods genade, Gods goede hand in uw leven, in jouw leven. Zijn onbegrijpelijke, trouwe zorg. Laat nooit stilletjes die gedachte toe: ‘Ik ga dan toch maar naar de kerk en jij niet.’

Laat dat vooral niet de boodschap zijn naar buitenkerkelijken, maar veel meer: ‘Ik mag er bij zijn. Er is voor jou ook wel een plaats. Kom maar, je kunt er ook bij. Het is zo goed om bij de Heere horen.’ Prijst u zo de dienst van de Heere wel eens aan? Wijst u zo, in alle liefde, anderen op het Woord van God? Hebt u het ooit gezegd: ‘De Koning roept ook u, roept ook jou’?

 

Gemeente, waarom zijn wij hier vandaag? Waarom hebben wij de kant van de wereld niet openlijk gekozen? Er is genoeg te vinden hoor: de cultuur, rijkdom, misschien wel, eer, aanzien... Jezus heeft eens gezegd tegen Zijn discipelen, en ik zeg dat vandaag ook tegen u: Wilt gij ook niet heengaan? U en jij, wil je ook niet heengaan? Wat is daarop uw antwoord? Laat nu eens eerlijk uw hart spreken. Wat klinkt er nu in uw hart? Net als bij Petrus: ‘Heere, tot Wie zullen we anders heengaan’? Heeft de Heilige Geest die innerlijke band al gelegd met de Heere en Zijn liefdedienst? Ja en nee moet altijd een zaak van het hart zijn.

 

Dit ‘nee’ van Mozes komt voort uit zijn hart. Door het geloof heeft hij nee gezegd. Van harte! Dat geeft echt geen gemakkelijk leven hoor. Denkt u dat maar nooit. Als u van harte door het geloof nee zegt en telkens weer nee zegt, krijgt u het niet gemakkelijk. U denkt toch niet dat Mozes het zo gemakkelijk had aan het hof bij Farao. Altijd maar weer tegen de stroom in roeien. Altijd maar weer nee zeggen. Nee, nu niet! Nee, dat wil ik niet! Nee, daar doe ik niet aan mee! Nee, daar wil ik niet bij horen! Nee, dat kan ik niet! Nee, nee en nog eens nee. Altijd maar weer spelbreker zijn. Van tevoren al weten dat ze zeggen zullen: ‘Mozes hoef je niet eens te vragen; die doet toch niet mee.’

Gemeente, meisjes en jongens, wordt er zo ook van jullie gesproken? ‘Die hoeven we toch niet te vragen, die wil dat niet...’ Weten ze het zo van ons?

 

Nee zeggen, dat is heel vaak alleen staan. U zegt: hoe kan het? Hoe hield Mozes dat uit? Was Mozes zo’n geestelijke krachtfiguur? Was Mozes geen kind van Adam? Was Mozes geen zondig mens?

Gemeente, u kunt nog veel meer vragen, maar het antwoord staat er al: Door het geloof! Dat geloof bij Mozes kun je niet verklaren uit natuurlijke oorzaken. Je kunt niet zeggen: ‘Natuurlijk, hij heeft er in het begin van zijn leven van gehoord en daarom...’ Je kunt niet net doen alsof het geloof erfelijk is. Je kunt ook niet zeggen: ‘Ja, Mozes, die had zo’n sterk karakter, die stond zo stevig in zijn schoenen.’ U moet ook niet denken dat Mozes zich door een geweldige inspanning daartoe had opgewerkt. Mozes had dit geloof ontvangen. Dit geloof van Mozes was uit God; het was Gods gave.

Dat heet nu puur genade. Niets uit ons, alles uit Hem. Het is genade of het is geen genade. Paulus zegt het later: het is of genade of de werken der wet. En door eigen inspanning wordt iemand nooit gerechtvaardigd voor God. Niemand! Nooit! Het is het werk van de Heilige Geest in de bedding van het Woord. Dat wel hoor, gemeente: in de bedding van het Woord, dat Mozes wel van jongs af heeft meegekregen. De leiding van God in zijn leven. Geboren in het krachtenveld waar de genade van God werkzaam is. U ook, gemeente. Jullie ook, meisjes en jongens. Let er eens op, op de leiding van God in jullie leven. Sta er eens bij stil. Datzelfde woord waar jullie onder leven, is in het leven van Mozes de kracht van zijn leven geworden. De Heilige Geest heeft het ingedragen in zijn hart.

Terwijl Mozes zich toch best had kunnen verontschuldigen in zijn leven. Hij had het al moeilijk genoeg. Hij had toch wel kunnen zeggen: ‘Mensen, moet je luisteren, het is toch geen toeval dat ik hier een plaats heb aan het hof van Farao. Als ik nu een beetje schipper, kan ik ook nog een hoop goeds doen voor het volk Israël. Als ik hier nu probeer Farao te vriend te houden en aan de andere kant reik ik de hand naar het volk van God, wie weet waar de Heere mij dan voor gebruiken kan.’ Zo had hij nog wel meer kunnen bedenken, maar hij doet het niet. Hij zegt: ‘Nee!’ Hij weigert. Hij kon het niet. Hij kon het voor God niet.

 

Gemeente, daar gaat het om. Dat je het voor God niet kunt. Dat je een tijd kent in je leven, dat je zeggen moest: ‘Ik kon niet meer. Het zat wel in me en helaas zit het nog in me, maar ik kan niet meer. O God, ik kan niet meer! Vanwege Uw hoogheid, vanwege Uw Majesteit, vanwege Uw heerlijkheid, vanwege Uw grote Naam. Heere, ik kan niet meer!’

Meisjes en jongens, hoe is dat bij jullie? Is er bij jullie zo al eens iets gebroken in jullie hart? Al heb je misschien altijd netjes geleefd, al heb je altijd netjes meegeleefd, maar kun je nu ook voor God zeggen: ‘Heere, ik kan niet meer! Heere, wijs me toch de weg hoe ik voor U kan leven. Ik kan niet meer’?

Ken je die worstelingen aan de troon van Gods genade, zodat het weigeren en het nee zeggen niet alleen maar een plichtmatig gebeuren is, een ‘nee’ omdat het nu eenmaal zo hoort? Want die mensen zijn er natuurlijk genoeg. Die zeggen alleen maar uit plicht nee. ‘Nee, zulke dingen doen wij niet hoor. Nee, daar doen wij niet aan mee, want wij zijn mensen van de kerk.’ Altijd nee, zonder ooit eens van harte ja gezegd te hebben tegen God. Overal en altijd nee. Heel precies. Dit niet en dat niet. Maar nu vandaag de vraag aan u: hebt u nu wel eens ja gezegd? Echt, hartelijk ja tegen God.

Natuurlijk, we moeten tegen een heleboel dingen nee zeggen. Maar wee ons als we zo ver gaan in ons nee zeggen, dat we ook nee blijven zeggen tegen God. Daar is het in het paradijs mee begonnen. Zelfhandhaving: nee tegen God!

Hoe is dat bij u? Doet u dat nog? Ook nu komt God tot u met Zijn evangelie van de Zoon van Zijn eeuwige liefde. Hij heeft Zijn Zoon gezonden in deze wereld, opdat nee-zeggers in het spoor van Zijn bloed ja-zeggers zouden worden, zalig gemaakt zouden worden.

 

Gemeente, God heeft Zijn Zoon gegeven en Zijn Zoon heeft ja gezegd in een wereld van nee-zeggers. Heel de wereld zei: ‘Nee! Kruis Hem, kruis Hem!’ En Jezus zei: ‘Ja, het is goed. Het is goed, Vader, ja!’

En daarom kan het. Daarom kan het vandaag. Daarom legt de Heere dat woord vandaag aan het hart van ons allen, van u, man, vrouw, oudere, van jullie, kinderen, meisje, jongen. Nee, nu moet je je niet onttrekken aan dat woord. Nu moet u niet zeggen: ‘Ga nu maar gauw verder, want ik houd niet zo van al dat persoonlijke.’ Dat kan wel zijn, gemeente, maar God houdt daar wel van. God houdt van dat heel persoonlijke, dat heel gerichte. God wil je terug hebben. God roept je tot bekering. Daarom zegt Hij: ‘Zo niet! Let op Mozes! Hij heeft geweigerd, door het geloof!’

Dan zegt u misschien: ‘Ja, Mozes, Mozes, de geloofsheld...’ Nou? Dat geloof is er ook vandaag nog om te krijgen. Als een gave van God, niet afhankelijk van uw prestaties.

 

Gemeente, leg dat toch niet naast u neer, ook niet als u niet zo jong meer bent, als u eenmaal wel voor in de kerk uw jawoord hebt gegeven, maar toch met heel uw leven altijd nog nee hebt gezegd. Dat kan. Laat u dan toch eens gezeggen. Door wat? Door het woord van de prediking. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor is door het Woord van God.

Hier gebeurt wat, gemeente. Er zijn mensen die zeggen: ‘Er moet heel wat gebeuren in je leven.’ Nu, dat is ook zo, maar hier gebeurt ook wat. Hier! In deze dienst! Hier neemt de Heilige Geest het Woord ter hand, het zaad der wedergeboorte, dat ontkiemt en vruchten draagt op Zijn tijd.

 

Gemeente, als u van harte nee leert zeggen tegen de satan, nee tegen de wereld, nee tegen de Egyptische cultuur en vooral tegen uw eigen boze, trotse ik, wat is dat dan? Dat is niet anders dan een wonder van genade, van Zijn genade in Jezus Christus. Daarom, met een variant op een nieuwtestamentisch woord: ‘Mozes, Mozes, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zal ophouden.’ Dat speelt hier zo. Dat was toen en dat is nog zo. Nee zeggen, door Gods genade.

 

Dat drukte toen en dat drukt ook nu op de christen het stempel van de onverdraagzaamheid. Dat kan niet anders. Dat is een exclusiviteit van het christendom: onverdraagzaamheid, om de Naam en de zaak des Heeren. Dan zeggen ze: ‘Die wil ook nooit wat!’ Dat kost je de gunst van mensen en de vriendschap van sommige vrienden. Maar, gemeente, al zou nu de hele wereld je laten vallen, al zou iedereen tegen je zijn, als je je nu gedragen weet door de armen van de Zaligmaker der wereld, dan zal Hij het waar maken, ook vandaag: Ik ben met u, al de dagen tot de voleinding der wereld!

Dat was ook bij Mozes zo. Want boven het ‘nee’ tegen Egypte staat een ander woord en dat is het woord ‘ja’. Ja tegen God en ja tegen het Woord van God.

 

We zingen nu eerst Psalm 60 vers 7:

 

Geef Gij ons hulp in tegenheên;

Bij U is raad, bij U alleen;

‘t Is vrucht’loos, waar men zich mee vleit,

Want ‘s mensen heil is ijdelheid.

Wij zullen dapp’re heldendaân

In God verrichten; hoe ’t moog’ gaan,

Hij, die van ons wordt aangebeden,

Zal onze weêrpartij vertreden.

 

2. Wat dit ‘ja’ inhoudt

 

Mozes heeft niet alleen maar nee gezegd, maar hij heeft ook iets gekozen. Verkiezende liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben. Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

Als Mozes innerlijk afstand doet van de troon, dan is er wel iets anders in zijn leven. Een hoger goed. Iets dat hem meer waard is dan al de schatten in Egypte.

Dat is nogal wat: al de schatten van Egypte! Weet u precies wat dat inhield? Ik niet, maar dat het geweldig geweest moet zijn weet ik wel. Geweldig! Indrukwekkend! En dan nee zeggen, omdat er iets is wat meer waard is!

 

Dat is nog zo. Als er vandaag iemand is die in het geloof nee zegt tegen de zonde en in het geloof nee zegt tegen al het voorbijgaande, dan is dat omdat God in het hart trekt tot een ander goed. Je zou het zo kunnen zeggen: God trekt van de wereld af tot een nieuwe wereld. Ja, tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Nou, dat is toch veel meer dan al de schatten van Egypte: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde! Als je, zoals Paulus dat zegt, een erfgenaam bent van God en een mede-erfgenaam van Christus.

Laat dat eens op u inwerken. Als u dat ziet, werkelijk ziet, dan worden al die schatten van Egypte maar een schamel beetje. Een erfgenaam van God! In het testament van God staan! En een mede-erfgenaam van Christus! U leest in het testament en leest daar de Naam van Christus. U leest door en u leest daar uw naam ook. Mede-erfgenaam van Christus, van al de schatten van het Koninkrijk van Gods genade.

God blijkt sterker te zijn dan uw verzet, uw eigenliefde en uw onwil om van genade te leven. De Heilige Geest werkt door in het hart en een mens verliest het voor God. Hij maakt ons leeg, want we zitten zo vol. Vol met alle schatten van Egypte. Daarom: hoe dan ook, God maakt door Zijn Woord en Geest ons eerst leeg. Totaal leeg. Om ons daarna vol te maken. Vol met het Zijne. En zij werden allen vervuld, allen vol, met de Heilige Geest.

 

O gemeente, wat is de kleinste blijk van Gods genade eeuwig groter dan al de schatten van Egypte, dan alles wat de wereld ons aanbiedt. Eén blik op Jezus is meer waard. Echt waar! Mozes zegt als het ware in deze geschiedenis tot ons: ‘Mensen, let er op: alles wat je hebt aan genietingen in deze wereld is maar voor een tijd.’ Voor een tijd... Dat kun je schrijven op je brommer, jongens, of op je motor of op uw auto. Voor een tijd... Hang deze paar woorden boven je bed. Kijk er iedere keer weer naar. Dat geldt voor ons allemaal. Alles wat we hebben: voor een tijd... Al onze prachtige dingen, waarvan we zeggen: ‘Heb je al gezien wat hij of zij heeft, wat ze gekocht hebben? Prachtig!’ Het is best, maar... voor een tijd. Wie zal het over vijftig jaar hebben, als de wereld nog bestaat? Of over honderd jaar? Voor een tijd...

Maar, gemeente, wat God geeft is een blijvende volheid. Dan mag je zeggen: ‘Weet je Wie ik gezien heb? Ik heb Hem gezien, Die gekomen is om zondaren zalig te maken. Al is het maar uit de verte. Ik heb Hem gezien en dat in mijn verloren leven. Ik heb iets gezien van Zijn opzoekende zondaarsliefde, zodat ik in verwondering gezegd heb: Heere, kan ik dan zalig worden? Wilt U mij dan echt hebben? Dat heb ik toch niet verdiend Heere?’ Wie van Gods kinderen kan vandaag zeggen: ‘Ik had het wel gedacht. Ik heb het wel verdiend. Ik verwachtte het wel’? O nee, als u zo denkt en praat, bent u helemaal geen kind van God. Als het zuiver ligt, zal er altijd de toon zijn van onwaardigheid. En dan moet u niet zeggen: ‘O, maar ik ben echt onwaardig, dus...’ Want dan zoekt u het weer in uw onwaardigheid. Dat is ook de bedoeling niet. Maar als het gaat om de doorleving van het hart, dan kun je nooit spreken over verdienste. Het is uit genade ontvangen. ‘Ik heb Zijn stem gehoord, Zijn onderwijzende stem, en ik heb iets doorleefd van Zijn opzoekende zondaarsliefde.’

Daar gaat het om, gemeente. Niet om mijn stem, want ik kan het u ook niet geven. Maar om Zijn stem, Zijn Woord, roepend en lokkend tot de zaligheid.

 

Daar hoef je niet oud voor te zijn. Tussen al de oude mensen in Hebreeën 11 staat daar de jonge Mozes. Hij staat niet alleen. Timotheüs was jong, Jeremia was jong, Samuël, Jozef. Leert de Heilige Schrift ons niet dat de Heere juist in jonge harten en in kinderharten werkt? De discipelen zeiden: ‘Ach, daar zijn die kinderen veel te klein voor, het gaat nu over grote-mensen-dingen.’ Maar de Heere Jezus zegt: ‘Zo is het niet. Laat de kinderkens tot Mij komen!’

Laten de kinderen ook maar heel goed luisteren en laat het gebed er maar zijn in je kinderhart: ‘Heere, mag ik ook zo zijn als Mozes? Geeft U mij ook zo’n hart, om U lief te hebben en te dienen.’

 

De Heilige Geest werkt door het Woord die keus. Verkiezende... Hij heeft gekozen, de man Gods, Mozes. Tegen zichzelf en tegen de schatten van Egypte en voor het Evangelie en voor de Heere Jezus en voor al de goederen van Gods genade. Neem de wereld, neem Egypte en geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Wat achten we de kinderen van God groot als dat zo ligt in ons leven. Dan zeggen we: ‘Heere, zou ik ook zo gelukkig kunnen worden?’

O, gemeente, dan is er bij God een overlopende maat aan genade. Dan hoef je niet bang te zijn dat er bij de Heere tekort zou zijn. We kunnen het beter omdraaien en zeggen: zou je niet mogen komen? Staat er nu ergens in de Bijbel: ‘Voor jou is het niet. Iedereen is welkom, behalve u of behalve jij’? Dat staat nergens! De Heere legt het vandaag ook aan de deur van uw hart, als Hij zegt: ‘Ik ben de God van het verbond. Ik ben de Eerste en de Laatste.’

 

En daarom moeten we ook niet zeggen: ‘Wat een grote Mozes!’ Dan zijn we niet in het spoor van de Heilige Geest. Maar we moeten zeggen: ‘Wat een grote en wat een genadevolle God!’ Dat Hij nu Mozes de ogen heeft geopend waardoor Mozes deze keus doet. Ogenschijnlijk een dwaze keus. Wie kiest nu een kruis in plaats van een kroon? Wie kiest nu boven de genietingen van de zonde de ontberingen die horen bij het leven der genade? Wie kiest nu boven de liefkozingen van deze wereld de striemen en de wonden van onze Heere Jezus Christus? Dat is nu, wat je zou kunnen noemen, de dwaze keuze van het geloof. Dat is dan ook het wonder dat niet uit de mens is, maar uit God.

Je zou toch zeggen: ‘Mozes, kijk nu eens, gebruik nu toch je verstand!’ Gemeente, Mozes gebruikt zijn hart. Gode zij dank! Hij laat zijn hart spreken. Als Mozes alleen zijn verstand had laten spreken, had hij gezegd: ‘Egypte? Dat is helemaal geen vraag. Vanzelf!’ Maar God zegt het Mozes voor en daarom zegt Mozes het na: ‘Geef mij de smaadheid van Christus maar!’

Van Christus? Hebreeën 11 staat in het Nieuwe Testament, maar Mozes leefde in het Oude Testament. Hoe kun je het dan over Christus hebben, Mozes? Wat wist Mozes van Christus? Die was er toen toch niet? We zijn bij Mozes toch nog diep in het Oude Testament? Dat is zeker waar. Maar Christus was er wel. Waar? Hij was in de lendenen van het volk van Israël. Israël, dat geteisterde volk, dat gepijnigde volk, dat toch was... het volk van God.

En dan kun je veel fantaseren en aan inlegkunde doen, maar ik durf best met mijn hand op het Woord te zeggen: dat heeft Mozes van zijn moeder gehoord, die eerste jaren. Reken maar. Dat wist Mozes: dit volk is het volk van God. Zo is de keuze van Mozes voor het volk ten diepste een keuze voor de God van dat volk. Ten diepste is het een keuze voor Christus, Die in de lendenen van Israël verborgen was. Daarom is de smaad van dat volk ten diepste de smaad van Christus.

 

Ziet u daar die Egyptische slavendrijvers met die zweep? Voort jullie! Daar striemt de zweep op de blote ruggen. In de slagen die het volk ontvangt bij de tichelovens, horen we de zweepslagen van Christus in het rechthuis van Pilatus. Christus is in het volk. Dat ziet Mozes in het geloof. Het kruis dat Israël torst wijst heen naar het kruis van Jezus op Golgotha.

Zo zag Mozes dat in het geloof. Want die eerste woorden van vers 24 moet u ook bij vers 25 en bij vers 26 trekken: Door het geloof... Door het geloof heeft hij geweigerd en door het geloof heeft hij gekozen voor de smaadheid van Christus. Hij zag in dat volk de Heere Jezus afgeschaduwd. De Messias Die komen zou. De Verlosser, de Borg, de Middelaar Gods en der mensen. En dat was de vreugde van zijn hart. Mozes trok naar dat volk omdat zijn hart trok naar de beloofde Messias, Die in dat volk was. Hij werd naar Iemand getrokken.

Is dat bij u ook zo? Wordt u naar iets getrokken of naar iemand getrokken? Ik weet het: dan kan er veel schuchterheid zijn in het hart, dan kunnen er een heleboel vragen zijn, ook nu. Zoveel zonden, zoveel afdwalingen, zoveel dingen waarvan je zegt: ‘Heere, ik zou wel weg willen lopen, want wie ben ik toch?’

Petrus wist daar ook van op het strand van de zee van Tiberias. Wat was er veel in zijn leven wat niet goed was. En dan gaat de Heere Jezus hem nog aanspreken ook: ‘Petrus, heb je Mij lief?’ Dan komt de onderste steen boven als hij zegt: ‘Heere, U weet alle dingen, U weet hoe ik heb staan vloeken. U weet hoe ik gezegd heb: Jezus? Nooit van gehoord! Niks mee te maken! U weet het allemaal. U weet het... U weet het... Maar U weet ook dat ik U liefheb.’

 

Geloven is ja zeggen. Ja zeggen tegen dit oude Boek, de Heilige Schrift. Het Boek dat op elke bladzij nee zegt tegen de zonde en dat op elke bladzij ja zegt tot zondaren. Geloven is ja zeggen met betrekking tot Hem Die het Middelpunt is van de Heilige Schrift: de Man van smarten, Die in Zijn lijdensgang en stervensweg de gerechtigheid heeft aangebracht voor rechtelozen. En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef.2:1).

Achter Hem aankomen geeft geen eer in deze wereld. Daar kom je niet mee op de voorpagina’s van de krant. Je komt in veel beter nieuws achter Hem aan. Dat is hemels nieuws. Dat is het laatste nieuws en dat is het rijkste nieuws. Om zo door de genade van God achter Hem aan te mogen komen.

Dat is wel een stervensweg. Daar word je niet op gekroond. Daar krijg je geen toejuichingen, zoals in Egypte. Gods heiligen gaan de kruisweg achter de Kruiskoning, de Heere Jezus, aan. Daar is zicht op Hem. Zie het bij Mozes. Hij heeft Hem gezien, als ziende de Onzienlijke.

 

En dan staat er ook nog: Want hij zag op de vergelding des loons. Dat is geen loon uit verdienste, maar loon uit genade. Maar dat wist u al. Ja? Dan bent u een gezegend mens, als u dat weet vanuit uw hart. Als u dat weet, dat alles uit Hem en tot Hem is, Gode tot eer. De eer van God hangt eraan.

Mozes zag het in de smaad van het volk. En hij zegt: ‘Geef mij die smaad maar. Geef mij Christus maar en houd u de wereld maar.’ Zegt u het hem na? Zeggen jullie het hem na, meisjes en jongens? Is dat ons leven? Ziet u Hem? Als u Hem niet ziet, bid dan: ‘O Heere, open onze ogen!’ God roept u ertoe: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten (Ef.5:14).

Daartoe is Jezus gekomen. Hij opent de ogen der blinden. Hij heeft ook Mozes de ogen geopend. Zo heeft Mozes gezien met de ogen van het geloof. Hij heeft de rijkdom gezien in de striemen van Jezus. Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (hoort u de zweepslagen in Egypte?) en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

 

Ziende op de vergelding des loons… Het is alsof hier de deur opengaat van het nieuwe Jeruzalem, midden in Egypte. Terwijl het volk nog in Gosen zit. Mozes ziet over al die omstandigheden heen tot in het nieuwe Jeruzalem; de vergelding van het loon. ‘Ik zal dan gedurig bij U zijn, in al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.’ Gemeente, kijk eens naar úw rechterhand!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 149: 2

 

Laat d’ ijverige tempelreien

Op fluiten ‘s Hoogsten naam verbreien;

Hun psalmgezangen vrolijk paren,

Met trommelen en snaren;

Nu God met lust Zijn ogen slaat

Op Jakobs uitverkoren zaad;

Zachtmoedigen Zijn gunst betoont,

En hen met heil bekroont.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 27)