Ds. J. Driessen - 1 Petrus 2 : 2 - 3

Onderwerp

Petrus' vermaning tot opwas in het geestelijke leven
Het adres van deze vermaning
De inhoud van deze vermaning
Het doel van deze vermaning
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 27)

1 Petrus 2 : 2 - 3

1 Petrus 2
2
En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;
3
Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 5
Lezen : 1 Petrus 2: 1-12
Zingen : Psalm 36: 2, 3
Zingen : Psalm 119: 84, 85
Zingen : Psalm 56: 5

Gemeente, het Schriftwoord dat we in deze dienst met de hulp des Heeren willen overdenken, vindt u in het gedeelte dat ons gelezen is, in 1 Petrus 2 vers 2 en 3:

 

En, als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is.

 

Dit Schriftwoord bepaalt ons bij: Petrus’ vermaning tot opwas in het geestelijke leven.

 

We letten op:

1. Het adres van deze vermaning

2. De inhoud van deze vermaning

3. Het doel van deze vermaning

 

1. Het adres van deze vermaning

 

Gemeente, om de betekenis van de vermaning van de apostel Petrus helder te zien, is het in de eerste plaats nodig erop te letten tot wie de apostel zich richt; wie degenen zijn die in het adres van zijn brief staan. Hij zegt dat in het begin van het eerste hoofdstuk: De vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië, Bithynië; de uitverkorenen, naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus.

Hier op aarde zijn deze mensen dus vreemdelingen, maar in de hemel zijn hun namen bij God bekend. Door Hem zijn ze wedergeboren. Ook dat lezen we in het eerste hoofdstuk: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

De Heere heeft hen, door Zijn grote barmhartigheid, tot nieuw leven gebracht.

En dat nieuwe leven moet dan leiden tot een nieuwe gehoorzaamheid. Met andere woorden: daar moeten vruchten van die wedergeboorte in het leven openbaar komen. Daarom schrijft de apostel: Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die tevoren in uw onwetendheid waren. Wie wederom geboren is, die kan niet meer, zoals vroeger, in de zonde, in het ongeloof leven. Zijn onwetendheid is weggenomen. Dat betekent niet dat u nu méér over de zonde weet te praten, maar dat wil zeggen dat u nu gevoelt wat zonde is. Vroeger heeft u zich met een zeker gemak over uw zonden kunnen heen zetten. Maar nu ziet u die zonden steeds voor u. Nu klagen ze u aan.

Nu kent u ook de tweedeling die er in uw leven is. Aan de ene kant veel kwade begeerten, die steeds weer laten zien dat de boosheid in u nog niet gestorven is. En anderzijds ook een wandel in gehoorzaamheid. Wie wedergeboren is, weet dat God hem te sterk geworden is, dat God hem innerlijk heeft overwonnen.

Immers, de krachtdadige roeping van God is ook een innerlijk trekken, een ombuigen. Ze wordt ook wel levendmaking genoemd. Die levendmaking openbaart zich in velerlei opzicht. Dan wordt Gods tegenwoordigheid levend voor ons, zodat we zeggen met de dichter van Psalm 139: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar. Of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Gods alwetendheid wordt levend voor ons. Dat blijkt ook uit wat de dichter van Psalm 139 verder zegt: Heere, Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Gij verstaat van verre mijn gedachten.

Levendmaking wil zeggen: ons geweten wordt levend. Onze zelfkennis wordt levend. Onze schuld wordt levend. Maar ook: het Evangelie wordt levend voor ons. Ach, vroeger waren dat allemaal bekende klanken die we wel hoorden, maar die niet doordrongen tot ons hart. Nu worden het echter werkelijkheden. De bede wordt geboren: ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig!’

Het zaad van het Woord werd misschien al jaren op de akker van ons hart gestrooid, maar het ontkiemde niet. U werd er niet werkzaam mee, en er groeiden geen vruchten. Maar nu is dat zaad gaan ontkiemen, zodat het verlangen naar God in u ontwaakte; zodat de droefheid naar God geboren werd, die een onberouwelijke bekering tot de zaligheid werkt.

 

Petrus wist dat dit in het leven van de vreemdelingen tot wie hij zich richt, heerlijke werkelijkheid geworden was. Daarom kan hij ook vermanen: Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God, legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en alle geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen.

Want dat zondige leven is volkomen in strijd met het nieuwe leven wat uit God geboren is. Laat er toch bij u een heilige levenswandel gezien worden. Breek met alles wat de Heere onteert en waar u de naaste verdriet mee doet. Leef als heiligen en laat zien dat u nieuwgeboren kinderen bent.

 

Nieuwgeboren kinderkens. Dat wijst op een werk van God. Een werk waartoe een mens niet in staat is. Want hoe ver een mens met zijn wetenschap, met zijn kennis, met zijn techniek ook gevorderd mag zijn, nooit is hij doorgedrongen tot het maken van leven. Leven wordt nimmer gemaakt. Leven wordt geboren. Geboren worden is een vorm van scheppen. En dat scheppen gebeurt dan wel middellijk, het is een voortzetting van de eerste schepping, maar het is toch een vorm van scheppen. Daarom staat ook achter iedere geboorte de grote Schepper aller dingen, van Wie de kerk van alle eeuwen belijdt: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.’

Dat geldt in het natuurlijke leven, maar dat geldt ook in het geestelijke leven. Vandaar dat de Schrift spreekt van de schepping van de nieuwe mens, van de geestelijke mens, die in eeuwigheid leven zal. Die geestelijke mens wordt niet gemaakt en die maakt zichzelf niet. Maar dat is een nieuwe schepping, die zijn oorsprong uit God heeft. Dat nieuwe leven heet dan ook in de Schrift ‘uit God geboren te zijn’.

Die nieuwe mens wordt in het bijzonder een kind van God genoemd. Vandaar dat Petrus, als hij Gods genadewerk bij deze vreemdelingen mag ontdekken, hen noemt: nieuwgeboren kinderkens.

 

Nu maakt de Bijbel in het geestelijk leven nogal eens onderscheid tussen kinderen en volwassenen. De naam kind dient dan om de nog zwakken, de kleinen in het geloof, aan te duiden.

Paulus gebruikt deze naam in beschamende zin, als hij aan de gemeente van Korinthe schrijft: En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus (1 Kor.3:1). En de gemeente van Efeze wordt door dezelfde apostel opgewekt om niet meer kinderen te zijn, die als de vloed bewogen en omgevormd worden met alle wind van leer, door de bedriegerij van de mensen en door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen. In deze teksten is de naam kind geen eretitel, maar is het een beschamende naam.

Zo is het in de tekst die wij nu overdenken niet. Hier wordt de naam kind gebruikt om de nieuwe, geestelijke staat aan te wijzen waarin deze vreemdelingen zijn overgegaan. Petrus ziet in hen het genadewerk van God schitteren. Het ware levensbeginsel is in hen aanwezig. En dat nieuwe leven zal zich ontplooien tot eer van God.

 

Nu zou iemand van u kunnen denken: dan hebben we hier zeker te doen met mensen die nog aan het begin van het nieuwe leven staan? Die zullen er ongetwijfeld bij geweest zijn, maar dat kan toch echt niet van allemaal gezegd worden. Daar is een grote verscheidenheid in de gemeente Gods. De Schrift spreekt van zuigelingen en jongelingen, van mannen en vaders in Christus. Ongetwijfeld zal dat ook geweest zijn bij degenen aan wie de apostel Petrus schrijft. Maar bij al die verscheidenheid is er toch ook een eenheid. In de eerste plaats hierin, dat zij allen uit God geboren zijn. Allen zijn het nieuwe leven deelachtig geworden.

En in de tweede plaats hierin dat, zolang zij in dit leven zijn, de onvolkomenheid blijft, de zwakheid van de gelovigen en hun pure afhankelijkheid.

Nee, Petrus slaat degenen aan wie hij schrijft werkelijk niet te hoog aan. Helaas is dat een zonde die dikwijls voorkomt. Dat men mensen die tot God bekeerd zijn, zo hoog aanslaat.

Het komt helaas ook wel voor dat men zichzelf nogal hoog aanslaat. Maar zo iemand heeft nog weinig van God geleerd. Want als je jezelf een beetje leert kennen, dan moeten we op al het onze schrijven: Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Rom.7:18). De apostel schrijft aan de gemeente van Korinthe: Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is uit God (2 Kor.3:5).

 

Gods Geest spreekt door Petrus deze levendgemaakte zondaren aan als kinderkens. Meer bescheiden kan haast niet: ‘Kinderkens...’ Kleine kinderen kunnen zichzelf nog niet helpen, moeten in alle opzichten verzorgd worden, geholpen worden. Zo is ook de wedergeborene in alles afhankelijk van de trouwe zorg van de Heere. Zonder Hem kan iemand die wedergeboren is niets doen.

Petrus wist dat uit ondervinding. Ach, vroeger had hij er wel eens anders over gedacht. Toen meende hij in eigen kracht wel staande te kunnen blijven. Maar we weten hoe die gedachte leidde tot zijn diepe val, tot zijn verloochening.

En daarom, het is een les die de Heere al de Zijnen leert, dat ze in zichzelf niets vermogen. Ze hebben, om met het avondmaalsformulier te spreken, geen volkomen geloof. En de hartelijke lust om God te dienen is echt niet altijd aanwezig. Integendeel; dagelijks hebben ze te strijden met de zwakheid van hun geloof en de boze lusten van het vlees. Ja, hoe meer geloof, hoe meer licht iemand van God ontvangt, des te meer zal hij gaan verstaan dat hij zo onkundig is, en dat hij ook zo blind is in de dingen van God en Zijn dienst. En des te meer behoefte zal hij hebben aan licht van Boven. En des te meer zal hij bedelen: ‘Heere, maak mij levend naar Uw Woord.’

 

Ieder mens, gemeente, of hij nu zwak is of sterk, is onderworpen aan lichamelijke vermoeidheid. Wat kun je je soms machteloos en lusteloos voelen. Ook een kind van God kent tijden dat zijn geestelijke leven, dat zijn denken en willen, dor en vermoeid is. Zó erg soms, dat er geen geestelijk leven meer schijnt te zijn. Van het geloof kun je wel zeggen: eens geschonken blijft geschonken. Maar je kunt er niet van zeggen: eens beoefend blijft beoefend. Een gelovige kan zich voelen als iemand die nooit levend gemaakt is. Hij kan zelfs handelen alsof hij nooit bekeerd is. Soms kan hij nog goddelozer handelen dan een ongelovige, omdat hij het doet met onderdrukken van de stem van zijn geweten, en met verduisteren van het licht dat de Heere hem gegeven heeft.

Zie, daarom moeten God kinderen voor niets zo bang zijn dan voor de zonde die ons zo lichtelijk omringt en die ook zo hevig in ons kan woelen. Want de zonde verbreekt de gemeenschap met de Heere. En leven, echt leven vind je toch alleen in de gemeenschap met God? Als je dat leven mist, dan gaat je ziel kwijnen. En je zou sterven, als de Heere Zich zou blijven onthouden.

 

En wat doet de Heere nu om dat geestelijk leven te onderhouden? Ons vermanen om alle middelen te gebruiken die kunnen helpen om het geloof en het léven van het geloof te versterken. Dat is in de eerste plaats het onderwijs vanuit het Woord van God, maar dat is in de tweede plaats ook het gebruik maken van de sacramenten. Die gaf de Heere immers aan Zijn Kerk, zo zegt onze belijdenis, om haar des te beter de beloften van het Evangelie te doen verstaan.

Welnu, zo vermaant de apostel de nieuwgeboren kinderkens aan wie hij schrijft, om zeer begerig te zijn naar de redelijke, onvervalste melk. Daarop letten we dan in de tweede plaats.

 

2. De inhoud van deze vermaning

 

Het Woord van God, gemeente, is niet alleen het middel om het nieuwe leven te werken, maar is ook het middel om het nieuwe leven te onderhouden. Daarom vermaant de apostel: wees er zeer begerig naar! Wees zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk. Melk is het natuurlijke voedsel voor het pasgeboren kind. Vaste spijze kan het kind niet verdragen. En nu heeft God het in Zijn wijsheid zo beschikt dat alle voedingsstoffen die het kind nodig heeft, in de melk aanwezig zijn. Daarom kan het kind door de melk groeien en gaat het daardoor leven.

Welnu, dat beeld gebruikt ook de apostel. Hij zegt dat die geestelijk nieuwgeboren kinderkens zeer begerig moeten zijn naar de melk van het Woord.

 

Maar we moeten ook hier weer onderscheiden. Want het woord ‘melk’ komt in de Schrift niet altijd in gunstige zin voor. Zo zegt de schrijver van de Hebreeënbrief bijvoorbeeld: Een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een kind (Hebr.5:13). Hij bedoelt daarmee: die kan de vaste spijs niet verdragen, hoewel dat al wel het geval had moeten zijn.

Maar zo is het hier niet. Het woord ‘melk’ wordt hier gebruikt om weer te geven wat de juiste voeding is voor het wedergeboren leven. Zoals de moedermelk het natuurlijke voedsel is voor het kind, zo heeft de Heere een heilig natuurlijke voeding voor Zijn kinderen. En in die voeding is alles aanwezig wat ze tot hun wasdom nodig hebben. Immers, het eigenaardige in het natuurlijk leven is dat dezelfde moeder die het kind ter wereld bracht, in de meeste gevallen ook de levenskracht heeft om haar kind te voeden. Het geboren kind keert zich weer tot die moeder en van die moeder ontvangt dat kind zijn kracht.

Zo is het ook met het wedergeboren leven, en daarom gebruikt de apostel in onze tekst het woord ‘melk’. Dat nieuwe leven ging van God uit, maar om nu te groeien moet dat nieuwe leven, en zal dat nieuwe leven ook, tot de Heere wederkeren. Hij voedt dat nieuwe leven met de melk van Zijn Woord.

 

Dat met die melk het Woord van God bedoeld wordt, blijkt ook duidelijk uit de toevoeging: redelijke melk. Letterlijk staat er: woordelijke melk. Met andere woorden: voedsel dat voortkomt uit het Woord van God. Het is de melk van het eeuwig blijvende Woord van God, die aan de wedergeborenen wordt gegeven.

 

Die melk is zuiver. Daar wordt niets in gevonden dat een schadelijke invloed zou kunnen hebben. Vandaar dat de apostel Petrus ook spreekt van onvervalste melk.

Maar nu is het helaas zo dat de zondige mens dat Woord tot zijn eigen verderf verdraait. Zoals op natuurlijk gebied voedingsmiddelen soms onzuiver gemaakt worden, zo gebeurt het ook wel met het geestelijke voedsel. En het gebeurt daar vooral.

Hoe komt dat? Omdat het onvervalste Woord van God de natuurlijke mens niet smaakt. Dat onvervalste Woord van God komt tot ons met de beschuldiging van zonde, van gerechtigheid, en van oordeel. Dat onvervalste Woord van God roept de verdoemelijkheid van deze wereld en van ons mensen uit. Dat onvervalste Woord van God opent de verdorven afgrond van ons hart en verkondigt ons Gods onkreukbare wet. Dat onvervalste Woord van God laat ons het kruis en het bloed van Christus zien, als het enige middel tot ons behoud. Dat onvervalste Woord van God, gemeente, heeft wel een Evangelie, maar niet een Evangelie naar de mens. Het zegt dat die mens sterven moet om zalig te worden en dat we alleen als in onszelf verloren zondaren, aan de voet van het kruis om niet behouden kunnen worden. Daarom vervalst nu de natuurlijke mens dat Woord. Hij wil het zo niet en hij verdraait het, tot zijn eigen verderf. Maar dat Woord kan voor ons alleen waarlijk voedingsmelk zijn als het onvervalst is. Daarom roept de apostel deze wedergeboren mensen toe: Zijt zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk!

 

Zijt zeer begerig! Mag dat ook van u gezegd worden? U leest uw Bijbel. Meisjes en jongens, je leest toch wel elke dag in je Bijbel? Je komt in de kerk onder de prediking van het Woord. Maar hoe? Komt u als iemand die zijn maag al vol heeft met allerlei wereldse zaken, zodat er niets meer bij kan? Of komt u als iemand die kunt vasten aan de dingen van de wereld, zodat er wel een sterke begeerte is bij u naar het geestelijke voedsel?

Hoe komt het toch, dat u zo weinig honger kunt hebben naar het Woord van God? Dat komt omdat u te veel in de wereld opgaat en omdat u te weinig bidt. Het ware gebed is bevorderlijk voor de ware honger. Hoe meer gebed, hoe meer honger er zal zijn. Regen en droogte, ziekte en gezondheid, die krijgt u desnoods nog wel zonder bidden. Maar geestelijke gaven worden alleen geschonken in de weg van het gebed. Zo zegt ook Zondag 45 van onze Heidelberger het: ‘God wil Zijn Heilige Geest alleen geven aan hen die Hem met hartelijke zuchten, zonder ophouden, daarom bidden en daarvoor danken.’

Wij zijn nogal eens bang voor werkheiligheid, alsof je zelf iets tot je zaligheid toe kunt voegen. Dat is goed, maar dat bang zijn voor werkheiligheid brengt toch ook wel eens met zich mee een verwaarlozen of een geringschatten van de middelen die God ons gaf, en die God ons ook voorgeschreven heeft. Menigeen bidt, misschien tot benauwens toe, om de Heilige Geest, of om te weten: zou ik wel een kind van God zijn? Bedrieg ik me niet? Dat is goed. Maar niet goed is, dat u dan het antwoord op uw bidden verwacht zónder de middelen! Niet goed is dat u denkt dat dit van Boven moet komen, en dat u onderwijl het licht uit laat, en dat u de geestelijke wegwijzer gesloten laat.

Als dat Woord u niet smaakt, is het niet goed met u. Als het Woord van God u niets te zeggen heeft, dan leeft u in het duister. En dan moet u niet eerst wachten tot u licht en lust krijgt, maar u moet biddend de middelen gebruiken. De melaatsen waarover Lukas schrijft in zijn evangelie, werden genezen onder het gaan. En onze ziel wordt dikwijls verlevendigd, niet vóór het lezen, maar dóór het lezen.

 

Ach gemeente, wij houden in onze kring het Woord zo hoog. Als het er op aan komt, zweren we als het ware bij de letter. Maar houden we het Woord van God echt zo hoog? Is het Woord van God ons werkelijk geworden tot voedsel, tot vermaak van onze ziel? Naar buiten willen we zo Woord-vast schijnen. Maar zijn we het ook van binnen? Leven we echt uit de bede: ‘Heere, maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’?

Want als er geestelijk leven in ons is, dan is dat toch de begeerte. Dan gaat je hart naar het Woord van God uit. Dan stoot ook de scherpte van dat Woord je niet af. Dan is het werkelijkheid: ‘Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijne smaak én hart én zinnen strelen!’

Gemeente, de Heere vraagt deze begeerte. De Heere gééft uit genade liefde, maar de Heere vraagt ook liefde van de Zijnen. De Heere schenkt uit genade geloof, maar Hij vraagt ook geloof van Zijn volk. Dat mogen Gods kinderen nimmer vergeten. En daarom, wanneer het liefhebben, het geloven en het begerig zijn naar de melk van het Woord, niet aanwezig zijn, dan hapert er wat in het geestelijke leven.

Wat is daarom voortdurend zelfonderzoek geboden. Niet liefhebben is zonde. Niet geloven, zegt de Bijbel, is ongehoorzaamheid. Niet begerig zijn naar de melk van het Woord is een grove nalatigheid. Dat is een bedroeven van de Heere. En hoe dikwijls ontbreekt die hartelijke begeerte niet. Dan is er geen honger. Dan is er geen dorst naar de gemeenschap met God. Daarom moet steeds weer gevraagd worden om hongerig, om dorstig gemaakt te worden, maar ook om het te blijven. ‘Heere, laat mij toch door de kracht van Uw Heilige Geest begerig zijn naar de redelijke, naar de onvervalste melk!’

 

Als dat zo is, dan kun je zonder het Woord van God niet meer leven. Dan is er ook een verlangen naar de zondag. Want de Heere wil door de bediening van het Woord het nieuwe leven versterken.

Dan is er ook een verlangen naar de bediening van het Heilig Avondmaal. O zeker, dikwijls met veel vrezen, met veel beven. Maar toch is er dan ook een verlangen om de dood des Heeren te verkondigen in het midden van de gemeente.

Aan de tafel van de Heere wordt dan ondervonden dat Zijn vlees waarlijk spijs is en Zijn bloed waarlijk drank. Immers, aan het sacrament wil de Heere, zoals ik al zei, de Zijnen de belofte van het Evangelie des te beter te verstaan geven en verzegelen, dat Hij vanwege het enig slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, vergeving van zonde en het eeuwige leven uit genade schenkt. En daar in het geloof op te mogen zien, dat doet je, in welke stand van het leven ook, de sacramenten lief worden. Omdat ze spreken van Hem Die Zichzelf gegeven heeft tot in de vloekdood des kruises, om nu de grootste van de zondaren te redden van het verderf en om het eeuwige leven te schenken.

 

Sacramenten zijn dus ten nauwste verbonden aan de prediking van het Woord van God. Beide spreken ze van Hem Die Zichzelf gegeven heeft, Die Zijn ziel uitgestort heeft tot in de dood. Beide dienen ook om Gods kinderen te doen opwassen in de genade en de kennis van de Heere Jezus Christus.

Daarom heeft ook op beide Petrus’ vermaning betrekking: Als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is.

Daarop letten we in de derde plaats, als we stilstaan bij het doel van Petrus’ vermaning. We zingen eerst uit Psalm 119, de verzen 84 en 85:

 

Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis.

Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.

Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss’,

Door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.

Gij weet mijn weg en hoe mijn wandel is.

‘k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.

 

O Heer’, sla toch op mijn geschrei Uw oog.

Wil naar Uw woord mijn geest verstandig maken.

Zie gunstig op mij neder van omhoog.

Laat mijn gebed voor Uwen troon genaken.

Red, daar mij ‘t leed zo diep ter nederboog,

Red mij naar Uw beloft’ en richt mijn zaken.

 

3. Het doel van deze vermaning

 

En, als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen. Ook in het laatste deel van de tekst houdt Petrus het beeld van een kind vast. Dat kleine kind is wel een compleet mens, maar het moet in alle opzichten nog groeien. Daarom heeft het voeding nodig. Zo is het in het geestelijke leven ook.

En dan moeten we niet uit het oog verliezen dat groei in geestelijke zin wat anders is dan een bijzondere ijver aan de dag leggen met betrekking tot de dingen van het Koninkrijk van God. Er is vandaag zoveel ijverig, maar niettemin oppervlakkig christendom, dat nimmer afdaalde tot de diepte van de eigen ellende, dat ook geen wezenlijke belangstelling heeft voor de verborgen omgang met God en voor de bevinding van de heiligen. Het staat er zelfs vijandig tegenover.

En ook onder degenen die in beginsel zijn wedergeboren is soms zoveel tevredenheid met hetgeen men wel eens beleefd heeft en zo weinig een jagen om roeping en verkiezing vast te maken. Men luistert tijdens de prediking eigenlijk alleen maar naar hetgeen men bezit en niet naar hetgeen men mist.

Er wordt zo vaak aan voorbij gezien dat er geestelijke groei moet zijn, opdat God verheerlijkt zal worden en opdat we mogen delen in de zekerheid van het geloof. Vandaar ook dat de apostel op een andere plaats vermaant: Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr.3:18).

 

Opwas in het geloof, opwas in de genade, wat is dat? Dat kan ik heel kort zeggen. Opwas in het geloof wil zeggen: minder worden. Wat dit betreft geldt er in het geestelijke leven een andere wet dan in het natuurlijke leven. Wij moeten minder worden om te komen tot wasdom.

O zeker, dat is een werkelijkheid die indruist tegen ons eigen vlees en bloed. Zal de Heere in ons wassen, dan moet ons eigen-ik van de troon. Zal Christus ons tot wijsheid en tot rechtvaardigheid en tot heiligheid zijn, dan moet onze wijsheid, onze rechtvaardigheid en onze heiligheid er aan. En dat willen we van nature niet. Wij willen onszelf blijven en wij willen het onze niet prijsgeven.

Daarbij hebben we soms ook nog de gedachte dat de Heere Jezus in ons wassen moet in de weg van meerder worden in onszelf. Terwijl het in de orde van God precies andersom gaat. Als Christus in je wast, dan word je in eigen schatting minder in rechtvaardigheid, zodat je schuld steeds groter wordt. Dan word je minder in heiligheid, zodat je je verdorven bestaan steeds meer gaat gevoelen. Het is nodig dat we leren, aanhoudend leren, onbekwaam te zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.

We moeten schuld hebben, gemeente, om de enige Borg en Middelaar nodig te hebben. We moeten zonde hebben om genade te begeren. Jezus Christus is niet in de wereld gekomen voor rechtvaardigen, maar voor zondaren.

Daarom brengt de Heere ons ook tot de belijdenis dat wij niet méér zijn dan zondaren, en dat onze schuld onbetaalbaar is. Dan wordt werkelijkheid in ons leven wat we lezen in het avondmaalsforrnulier, dat wij onszelf bevinden midden in de dood te liggen, maar dat we het leven zoeken buiten onszelf, in de Heere Jezus Christus. En hoe kleiner je nu wordt in jezelf, des te groter zal de Heere Jezus voor je worden en zal Hij een gestalte in je verkrijgen. Dan kun je buiten Hem niet meer leven en dan zul je ook steeds weer, zo arm als je bent, tot Hem de toevlucht nemen.

Immers, Hij is de Profeet Die onderwijst in de weg van zaligheid. Hij is de Priester Die met het enige offer van Zijn lichaam verlost en met Zijn voorbede steeds tussentreedt bij de Vader. Hij is de Koning Die met Zijn Woord en Geest regeert en bij de verworven verlossing ook beschut en bewaart.

Als Hij zo als Profeet, Priester en Koning onmisbaar voor ons is, dan zullen we wassen in het geloof. Dan zullen we wassen in de genade. Dan wordt Hij alleen onze gerechtigheid voor God. Dan weet je het met McCheyne: ‘Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.’

 

O, als we de weg niet weten, dan zegt Hij: Ik ben de Weg (Joh.14:6). Heb je raad nodig? Dan getuigt Hij: Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps.32:8). Val je weer gedurig in de zonde en moet alles je aanklagen? Dan lees je van Hem: Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader: Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden (1 Joh.2:1-2).

Wees daarom niet al te verslagen, wanneer u telkens maar armer en ellendiger en nooddruftiger wordt. Dat is nu het heilige doel van de Heere, opdat u alleen zult overhouden de vrije genade Gods in de énige Middelaar Jezus Christus.

 

Zo zul je gaan leren om God de eer te geven. Hier op aarde nog heel gebrekkig en ten dele, maar eenmaal volkomen. Het hemelse loflied, gemeente, kan hier op aarde níet reeds gezongen worden. Maar van dat hemelse loflied moet u de eerste tonen wel hier op aarde leren. Gods kinderen zullen straks in de hemel geen vreemd werk doen. Zij zullen in de hemel doen wat ze hier begonnen aan te leren en waarnaar ze hebben verlangd, om zonder zonde de Heere groot te maken.

En echt, als God groot voor u wordt, dan wordt u zelf tot niets. Dan verhef je je boven niemand meer. Als God groot voor je wordt, dan word je zelf tot niets. Dat is niet zo erg, want je bent ook niets. Helemaal niets! En je belijdenis moet zijn: ‘Wat ik ben, dat ben ik alleen door de genade van God.’

 

Er zijn mensen die denken: als ik maar aan het avondmaal kan, en als ik het geloof maar heb, dan bén ik er wel. Maar zo spreekt de Bijbel niet. Uw leven moet steeds meer doortrokken worden van de Geest en van de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus. De boom wordt aan de vrucht gekend. En wat die vruchten zijn, dat zegt Petrus onder andere in zijn tweede brief: matigheid, lijdzaamheid, godzaligheid en liefde. Het geloof bestaat niet alleen in een roemen in het Wóórd van Christus, maar ook in een leven naar de Géést van Christus.

Opwas in het geloof is dus ook opwas in heiligmaking. Daarop wijst de apostel nog in vers 3: Indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. Met andere woorden: als het tenminste zó is dat u gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. Het is alsof Petrus zeggen wil: hieraan kun je nu weten of je in het geloof bent, of u een vruchtdragende rank geworden bent in de Wijnstok Christus. Wie levend gemaakt is, wie wedergeboren is, die heeft gesmaakt dat de Heere goed is.

Dat wordt ondervonden. Want als je nu als een arme zondaar de toevlucht neemt tot de troon der genade, met de bede: ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig’, dan laat de Heere Zich niet onbetuigd.

 

Wat een wonder, gemeente. De Heere laat Zich in met schuldige mensen. Hij vergeeft de zonde en de schuld en Hij schenkt Zijn liefde. En Hij legt soms een vrede in je hart die alle verstand te boven gaat. In Zijn huis wordt geproefd, gesmaakt dat de Heere goedertieren is. Als Hij Zijn Woord voor je opent en als je schuldverslagen hart mag luisteren naar de boodschap van het Evangelie. En ook aan Zijn tafel, in de bediening van het Heilig Avondmaal, schenkt de Heere de Zijnen soms een oase in de woestijn van het leven. Een voorsmaak van de eeuwige zaligheid.

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt daarvan: ‘Deze maaltijd is een geestelijke tafel, aan dewelke Christus Zichzelf ons meedeelt, met al Zijn goederen, en doet ons haar genieten, zowel Zichzelf als de verdiensten van Zijn lijden en sterven. Voedende, sterkende en vertroostende onze arme, troosteloze zielen, door het eten van Zijn vlees en haar verkwikkende en vermakende door de drank van Zijn bloed.’

 

Gemeente, ouderen, meisjes en jongens, heb je ooit in je leven geproefd dat de Heere goedertieren is? Welke smaak heeft uw Godskennis? Ach, zoveel mensen denken, ook zoveel kerkelijke mensen: God is doof. God hoort niet. Althans, God hoort mij niet. Zulke mensen hebben niet gesmaakt dat de Heere goedertieren is. Weer anderen hebben alleen maar een indruk van Gods rechtvaardigheid of heiligheid, en denken daarmee voor God te kunnen bestaan. Maar God schenkt Zijn kinderen meer! Gods kinderen leren Hem ook kennen in Zijn goedertierenheid. Nee, dat zeg ik eigenlijk nog veel te zwak. Zij smaken dat de Heere goedertieren is. Zoals de dichter van Psalm 34 zegt: Smaakt en ziet dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man die op Hem betrouwt (Ps.34:9).

 

Hebt u daar nu wat van geleerd? Dat is een hele belangrijke vraag, juist om te weten of u volgende week wordt genodigd aan de tafel des Heeren. Hebt u ooit gesmaakt dat de Heere goedertieren is? Hebt u nooit in verwondering in het stof gebogen en gezegd: ‘O God, wat bent U goed! Wat bent U toch onuitsprekelijk goed voor zo’n slecht mens als ik ben’? Hebt u nooit met een verbroken hart en een verslagen geest uw zonden beweend die u tegen een goeddoend God bedreven hebt? Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen (Ps.51:6). Hebt u nog nooit gezegd met Petrus, vanwege het diepe besef van uw onwaardigheid tegenover zoveel onverdiende goedertierenheid: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8)?

O, daar is reden, gemeente, om te vrezen dat menigeen zichzelf houdt voor een gelovige, terwijl hij nog nooit als een verloren zondaar of zondares aan de voeten van de Heere terechtgekomen is en daar gesmaakt heeft dat de Heere goedertieren is. Als u dat niet kent, dan mist u het nieuwe leven. Dan staat u voor eigen rekening. En dat is ontzettend, gemeente. Dan bent u de ellendigste onder de mensen. Dan staat u zonder God. Dan staat u zonder hoop in deze wereld.

Er is ook reden om te vrezen dat er mensen zijn die tegen een ander zeggen dat er heel wat gekend moet worden, maar die zelf misschien deze smaak dat de Heere goedertieren is, in hun Godskennis missen. Daarom zijn ze ook niet klein. Daarom zijn ze ook niet arm van geest. Daarom zijn ze ook niet afhankelijk.

Wie smaakt dat de Heere goedertieren is, die wordt klein. Die wordt onwaardig. Die gaat heel diep in zijn hart verstaan wat Jakob eenmaal zei: Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt (Gen.32:10).

Dan gaan we ons verwonderen, gemeente. Dan ga je je verwonderen, om het nooit te kunnen begrijpen, dat God liefde is en dat Zijn barmhartigheden roemen tegen het oordeel. Aan alle dingen is een einde, maar aan de barmhartigheid van God nooit.

 

Wie zo door de Heilige Geest gesmaakt heeft dat de Heere goedertieren is, die begeert ondanks al zijn dorheid en ontrouw toch meer van de Heere te leren, en steeds meer van God te genieten. Die begeert op te wassen in de kennis en de genade van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. En dat mede door gevolg te geven aan Zijn opdracht: Doet dat tot Mijn gedachtenis (Luk.22:19).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 56:5

 

Ik roem in God; ik prijs ‘t onfeilbaar woord;

Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;

‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;

Wat sterv’ling zou mij schenden?

Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden

Mij bijstand boodt, en ‘t onheil af zoudt wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,

Door ijver aangespoord.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 27)