Ds. R. Kattenberg - Zondag 41

Gij zult niet echtbreken

De ontmaskering van de schijnheiligheid
De ernst van de onheiligheid
De genadeprediking van de heiligheid

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 3, 4
Lezen : Efeze 5: 22-33
Zingen : Psalm 128: 1, 2, 3
Zingen : Geb. des Heeren: 7
Zingen : Tien Geboden: 7
Zingen : Psalm 143: 10

Gemeente, wij geven onze aandacht aan Zondag 41 uit de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 108: Wat leert ons het zevende gebod?

Antwoord: Dat alle onkuisheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuis en ingetogen leven moeten, hetzij in de heilige huwelijke staat of daarbuiten.

 

Vraag 109: Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?

Antwoord: Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat de mens daartoe trekken kan.

 

Het thema van de preek is: Gij zult niet echtbreken.

 

Drie punten vragen onze aandacht:

1. De ontmaskering van de schijnheiligheid

2. De ernst van de onheiligheid

3. De genadeprediking van de heiligheid

 

1. De ontmaskering van de schijnheiligheid

 

Toen God de verloren mens uit het paradijs uitdreef, heeft Hij die mens, als het ware, twee bloemen meegegeven. Door de zonde zijn deze bloemen aangetast en verlept. Toch zijn het overblijfselen uit het paradijs.

In gedachten zien we hoe Adam en Eva weggedreven worden. In iedere hand hebben ze iets van de Heere meegekregen. In de ene hand: elke week een rustdag. In de andere hand: de heilige huwelijke staat. Dit zijn ordeningen Gods van vóór de zondeval, die na de zondeval behouden blijven. In het kader van die laatste bloem overdenken wij het zevende gebod van Gods heilige wet: Gij zult niet echtbreken.

 

Gemeente, wat is het bijzonder dat God na de zondeval het huwelijk heeft gehandhaafd! We hebben eerst de band met God doorgesneden en daarna hebben we ook de band met de ander doorgesneden. Het breken van de echt, de echtbreuk, zien we allereerst in het paradijs. Toen de zonde werkelijkheid was geworden in het paradijs en de Heere Adam tot verantwoording riep, zei Adam: ‘Dat heb ik eigenlijk niet gedaan, maar die vrouw die U mij gegeven heeft, die heeft mij gegeven en ik heb gegeten.’

 

Afstand nemen van de ander; de vrouw van de man, de breuk van de echt. Wie zal dan de ontferming van God onder woorden kunnen brengen, als Hij Zich in Christus wil inlaten met zulke zondige mensen die alle verbindingen verbroken hebben in het leven? De Heere zendt Zijn Zoon in onze menselijke natuur. Hij geeft inhoud aan wat er in Psalm 40 gezongen wordt: ‘Ik draag uw heil’ge wet, die Gij de sterv’ling zet, in ’t binnenst’ ingewand.’

In Christus heeft God Zijn wet gehandhaafd. Er is wellicht geen gebod dat door de mens meer vertrapt, geschonden wordt dan juist het zevende gebod. Daar moeten we echter niet stoppen, gemeente, want wat schittert de barmhartigheid van God hier toch door in wat Christus deed. De Heere erbarmt Zich over wat wij weggooien. Daarmee wordt niet bedoeld dat je maar doen mag wat je wilt of wat je goeddunkt. Nee, dat niet, maar hier wordt de genade van God bedoeld. Hij erbarmt Zich over het verlorene en dus ook over overtreders van het zevende gebod.

 

Denk maar aan de geschiedenis van de overspelige vrouw uit Johannes 8. Deze vrouw was op heterdaad betrapt op overspel. De farizeeën en schriftgeleerden waren er als de kippen bij om Jezus’ mening te vragen. Ze zeggen: ‘Wat vindt u ervan? Volgens de wet van Mozes moet ze gestenigd worden!’

U weet ongetwijfeld wel Zijn antwoord op deze vraag: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar (Joh.8:7). Jezus bedoelt hiermee te zeggen: ‘Als je nu perfect bent, volmaakt, goudgerand, honderd procent goed, kom dan maar hier!’ Hij bedoelt hiermee te zeggen: ‘Pak dan die stenen maar die hier liggen en werp ze maar naar die vrouw!’

En dan zien we ze in onze gedachten afdruipen. Van de oudste tot de jongste toe vertrekken ze uit de nabijheid van de Heere Jezus en die vrouw. Hij ontmaskert hen van hun schijnheiligheid. Beschaamd gaan ze weg, en Jezus zegt tegen de vrouw: Ga heen en zondig niet meer (Joh.8:11).

 

Vindt de Heere Jezus die zonde van die vrouw dan niet erg? Stapt Hij daar dan zomaar overheen? U begrijpt dat Christus dat niet bedoelt te zeggen. Als u dat ervan wilt maken, gaat u tegen het Woord van God in. De Heere Jezus zet het echter in een bepaald verband, namelijk dat die schriftgeleerden en farizeeën er voor God niet beter voorstonden. Ze dachten met hun uiterlijke netheid het er veel beter afgebracht te hebben. Dat is precies wat Jezus nu aan de kaak stelt en dat is ook een lering voor ons! De Heere Jezus kwam tijdens Zijn omwandeling niet op aarde voor een stukje fatsoen. Hij kwam ook niet voor normen en waarden in zijn algemeenheid. Nee, Hij kwam op aarde om het radicale gebod, het totale gebod, in liefde te betrachten.

En zoals het toen was, zo is het nu nog. Wij kunnen onszelf als kerkmensen het bijvoeglijk naamwoord ‘netjes’ geven.

Gelukkig dat we nette mensen zijn….

Maar kijk uit, gemeente! Het is een gevaarlijk woord om dat toe te passen op jezelf. Dan moeten we als nette mensen nu ook maar eens heel goed luisteren!

 

Hoe staat u met uw lichamelijkheid voor God?

U, als man voor God?

U, als vrouw voor God?

Jij, als meisje of jongen voor God?

Allen staan we schuldig voor God! Er is niemand die zeggen kan: ‘Aan andere geboden sta ik misschien wel schuldig, maar wat het zevende gebod betreft is er niets aan de hand of op aan te merken.’

Dat is niet waar! U, jij en ik; allemaal staan wij schuldig met onze lichamelijkheid. Wij mensen maken wel onderscheid, omdat er in onze ogen bijzondere overtredingen met betrekking tot het zevende gebod zijn. Voor God is er echter wezenlijk geen onderscheid.

 

Wat voor cijfer zou u uzelf geven met betrekking tot dit gebod? Het zou kunnen zijn dat u zegt: ‘Nou ja, toch wel een zeven.’ Misschien zijn er zelfs mensen in de gemeente die zich een acht of een negen durven geven. Maar nee, gemeente, zo werkt het niet!

God cijfert anders. Het is van tweeën één. Of u hebt een nul of u hebt een tien. Uw eigen zessen en zevens spelen hier niet! We hebben allemaal een nul of een tien.

Laten we eerst eens kijken naar dat eerste cijfer, het cijfer nul. Dat cijfer geldt voor ons allemaal zonder onderscheid. Het is misschien een harde conclusie en u wilt er misschien niet aan. Misschien wilt u zichzelf blijven vergelijken met die of met die. Maar God trekt persoonlijk de lijn vanuit dit Woord en vanuit de hemel naar uw eigen hart en leven. En dan gaat het niet om veel of weinig, om erg of minder erg, maar om ‘schuldig’ of ‘onschuldig’. Het is niet zo dat je veel bloed van de Heere Jezus nodig hebt als je veel zonde doet en maar een klein beetje bloed van de Heere Jezus als je denkt dat je maar een klein beetje zonde hebt gedaan. Nee, zo is het niet!

In de brief van Johannes lezen we: En het bloed van Jezus Christus, Zijn zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh.1:7). Laten we daar acht op slaan en vooral degenen die meer met dit gebod tobben en worstelen dan alle nette mensen bij elkaar.

 

Gemeente, wat is er met betrekking tot dit gebod veel geleden. Wat wordt er nog geleden en gestreden! Wat moeten er veel nederlagen geïncasseerd worden. Juist door de mensen die met dit gebod te doen hebben en ermee strijden. Het kan zijn dat je dat als ongehuwde ondervindt, maar het kan ook zijn dat je dit als gehuwde man of vrouw ervaart. Het kan ook zijn dat je ermee te maken hebt als je aan het begin van je leven staat, of dat je ermee te maken krijgt als het grootste gedeelte van je leven er al op zit.

Als u denkt dat u maar een klein beetje schuldig staat en er daarom niet zo zwaar aan tilt en denkt dat het wel meevalt, dan bent u er erger aan toe dan degene die daarmee worstelt, tobt en overhoop ligt. Als u verzandt in uw eigen ‘goed bezig zijn’, dan is dat erger dan iemand die worstelend moet roepen: ‘Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden.’ Bij God gaat het om de gezindheid van ons hart.

 

De roep is niet om helemaal rein en heilig te zijn. Het gaat er niet om dat u het volmaakte boven water krijgt in uw leven. Waarom niet? Omdat dat niet zou rijmen met de boodschap van de genade van God in Jezus Christus. Als u zou worden opgeroepen tot een volkomen inzet, tot een bijdrage van honderd procent, dan zou je geen rekening houden met je verzondigde leven en met je verdorven hart.

Gods Woord richt zich niet tot goede mensen, ook niet tot mensen met een vijf, zes of zeven. Het gaat niet om een ideaal te schilderen dat u met vallen en opstaan zou moeten kunnen bereiken. Dat zou alleen maar tot gevolg hebben dat we tot huichelarij vervallen. We gaan ons dan groot houden, omdat we niet meer willen zien dat ons leven radicaal vastgelopen is.

 

Waar gaat het dan om bij dit gebod? Het gaat ook in dit gebod om de enige troost in leven en in sterven. Deze Zondag is ook een stukje van Zondag 1. Het gaat erom dat we ook in dit gebod iets horen van de waarachtige troost die er in Jezus Christus is; om met lichaam en ziel Zijn eigendom te zijn. Het gaat om de vrijheid van een christen.

Het gaat bij dit gebod ook om geloof en bekering. Het gaat om het wederom geboren zijn. Ja, het gaat om de Heere Jezus Christus. In dit gebod staat dat we van harte vijand moeten zijn van de zonde.

Dat veronderstelt nogal wat, gemeente! Van harte vijand van de zonde zijn. Ook als het gaat om de zonde tegen het zevende gebod. Dat veronderstelt op zijn minst, zoals onze kinderen het zeggen: ‘Als je een nieuw hart hebt, houd je veel van de Heere. Je wilt dan niet zondigen, omdat zonden vijanden zijn van God.’

Hoe kun je afstand van de zonden nemen als je van de Heere houdt? Dan zeg je: ‘Ik kan dat niet en ik mag dat niet.’ Om Zijnentwil wilt u een vijand van alle zonden zijn. Dat veronderstelt God lief te hebben van ganser harte en de naaste als jezelf.

 

Als je ziek bent, bijvoorbeeld, gaat het er niet om dat de symptomen van de ziekte bestreden en weggenomen worden. Nee, de ziekte zelf moet worden aangepakt. Gemeente, het gaat er in ons leven niet om dat de symptomen van onze zonden worden aangepakt, maar de zonde zelf! En daarmee ons hart. Paulus zegt: En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (Rom.12:2).

 

Voordat we verder gaan met onze volgende gedachten, zingen we eerst uit het Gebed des Heeren vers 7:

 

Leid ons in geen verzoeking ooit;

Verberg voor ons Uw aanzicht nooit;

Gij weet het, onze kracht is klein;

De driften veel, en ‘t hart onrein,

Wat wordt er van ons in die staat,

O Vader, zo Gij ons verlaat?

2. De ernst van de onheiligheid

 

Paulus zegt: En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (Rom.12:2). Met andere woorden: dien God in alle dingen en wees altijd op Hem gericht.

Als dat niet zo is in uw leven, dan klopt het niet bij u. Paulus wil met deze tekst niet zeggen: ‘Ga maar door met zondigen, want zolang je nog niet bekeerd bent heeft het toch geen zin om te letten op wat God van je vraagt in Zijn wet.’ Dit mogen we Paulus allerminst in de schoenen schuiven, en ook niet dat hij ons neutraal laat op dit gebied. Dit gebod roept ons tot de orde van het Woord van God.

 

Het is zeer ingrijpend als iemand zich vergrijpt aan zijn dochter, aan zijn kleindochter of als je zelf slachtoffer bent in die omstandigheden. We moeten ook elkaar daar voor waarschuwen. Dat element zit uiteraard ook in dit gebod opgesloten.

Paulus zegt niet: ‘Ga maar door met incest of ga maar door met scheiden, want het maakt niets uit als je nog niet bekeerd bent. Ga maar door met porno kijken op internet, want je moet wachten tot God je bekeerd heeft.’

Zou Paulus dat zo bedoeld hebben? Nee, gemeente, juist niet! Er staat: Gij zult de echt niet breken! Doe deze ongerechtigheid weg uit je leven, want het kan voor God niet bestaan!

 

Meisjes en jongens, dit gebod heeft ook liefdevol onderwijs voor jullie. In het bijzonder als je verkering hebt. Wat is het een rijke zegen als je iemand ontmoet van het andere geslacht, van wie je zegt: ‘Ja, dat is hem! Dat is ze!’ Het is genade als je in je verkeringstijd in liefde en betrokkenheid naar elkaar toe mag groeien.

Maar ook in deze mooie tijd van je leven vraagt de Heere: ‘Neem je wel de grenzen van Mijn Woord in acht?’ Daarin komt de liefde van God openbaar. De Heere geeft je een heel stuk ruimte in je verkeringstijd, maar Hij zegt er wel wat bij. Er moet wat overblijven voor als je getrouwd bent. Je mag op het huwelijk niet vooruitgrijpen, ook niet op een zodanige manier dat een zwangerschap voorkomen wordt. Doe dat echt niet! Voor God niet en voor Zijn heilig Woord niet.

Misschien heb je wel eens gelezen dat er meisjes en jongens zijn die samen een contract opmaakten, waarin ze elkaar beloofden dat ze rein zullen blijven. Rein voor het huwelijk. In zo’n contract leggen zij hun grenzen vast, zodat je elkaar daar dan ook op aan kunt spreken. Het opstellen van zo’n contract met elkaar, het elkaar er op aanspreken, mag toch echt wel als een verdieping van de liefde genoemd worden.

Maar, jongelui, laat het ook een zaak zijn voor het aangezicht van de Heere.

Het niet gebruiken van voorbehoedsmiddelen geldt echter niet alleen voor de ongehuwden. Het geldt ook de gehuwden. Zeker, elk huwelijk is er één, maar op de preekstoel kun je niet gaan verbijzonderen. Gods Woord vraagt om mee te bouwen aan de komst van Zijn koninkrijk in de weg van een nageslacht.

We weten allemaal dat de omstandigheden nú heel anders zijn dan een jaar of vijftig geleden. Iemand schreef eens: ‘Mensen van vandaag hebben hun handen méér vol aan een gezin met drie kinderen, dan vijftig jaar geleden aan een gezin met acht kinderen.’

U moet niet bezig zijn om zodanige beperking aan te brengen, dat u zeggen kunt: ‘Zo hebben we het ongeveer wel gehad; ons gezin is nu wel compleet.’

 

Gemeente, denk dan niet dat wij zulke nette mensen zijn. O, wat denken wij dat snel van onszelf, maar ook in onze gedachten, in onze gesprekken kunnen deze zaken leven. Dat hoeven we niet te ontkennen. Ook hierin zijn we forse overtreders! En daarom opnieuw de vraag: Leeft u voor God? Leven we ook met onze seksualiteit voor God? Geeft de Heilige Geest richting aan ons leven?

 

Iemand vraagt: ‘Zondig je dan niet meer, als de Heilige Geest richting geeft? Ben je dan van de zonde tegen het zevende gebod af?’

Gemeente, dat moet u maar eens aan David vragen! De kinderen weten denk ik wel wat ik bedoel. Als David die vrouw op het dak ziet, die zich aan het baden is, denkt hij: Wat zou ik die vrouw graag willen hebben… U weet wat er verder gebeurt. David laat Bathseba halen en zondigt met haar tegen het zevende gebod. Uit deze zonde komt nog een andere zonde voort, want hij laat Uria ook nog de dood injagen.

Wat is dat erg! Ja, David was een kind van God, maar hij was ook een zondaar. We lezen daarover in Psalm 51: Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem uw Heilige Geest niet van mij (Ps.51:13). Hij bidt: ‘O God, wat heb ik gedaan? Ik ben nergens meer en kan niet voor U bestaan.’ Als je Psalm 51 leest, merk je ook hoe de strenge eis van de wet van God ingebed ligt in de stroom van Zijn genade. Psalm 51 legt daar op een bijzondere manier heel erg de nadruk op, omdat het met smeken om genade begint: ‘Genâ, o God, genâ!’ David verstopt zijn zonde niet.

Wij verstoppen onze zonde zo graag: ‘Ach, het is niet zo erg.’ We moeten er tegenwoordig maar meer begrip voor hebben. Gemeente, dat kan en mag niet. David zegt: ‘Genâ, o God, hoor mijn gebed!’

 

In de vraagstelling van deze zondag wordt een bijzonder woord gebruikt. ‘Wat léért ons het zevende gebod?’ Bij de andere geboden staat: ‘Wat gebiedt’ of ‘Wat verbiedt God’, maar hier staat en gaat het om het woordje ‘leert’.

 

Gemeente, de eeuwen door zijn er vragen en problemen geweest. In de eerste christelijke kerk ontstond al heel gauw het celibaat; het niet trouwen voor de geestelijkheid.

Daar zat de gedachte achter dat het beter was niet te trouwen dan wel te trouwen, omdat je in het huwelijk veel meer mogelijkheden hebt om te zondigen. Het leven van de monniken en de nonnen werd hoger aangeslagen dan het huwelijksleven. De kerkvaders vonden het begeren van de gemeenschap met elkaar in het huwelijk als zodanig onheilig.

Augustinus heeft daar ook zo over gesproken. Als man en vrouw binnen het huwelijk samenkwamen werd dat als een onheilige aangelegenheid gezien, althans: veel minder heilig dan wanneer je je daarvan onthield. Daarom heeft de Rooms-Katholieke Kerk ook gezegd: ‘Wij promoten het ongetrouwd zijn, en als er toch sprake is van een huwelijk, maken wij er een sacrament van.’ Zo hebben zij het huwelijk op een verkeerde manier opgevat.

De Reformatie heeft afstand genomen van die gedachte, op grond van het Woord van God. Als je getrouwd bent, hoeft dat niet minder heilig te zijn dan wanneer je ongetrouwd blijft. De kerk heeft ook nooit de geslachtsgemeenschap binnen het kader van het huwelijk veroordeeld. Als dit binnen het huwelijk plaatsvindt, waarschuwt de Heere er wél voor dat het niet op een zondige manier gebeurt.

Laten wij dan eens kijken naar ons leven. Hoe staan we daarmee tegenover God? Dat is steeds weer de spits van deze Zondag. Dan sta je weer voor de vraag: is de vreze des Heeren in mijn leven en is er liefde tot de Heere Jezus Christus?

 

Toen de Heere dit gebod afkondigde vanaf de Sinaï, gebeurde dat binnen het kader van het volk van God. De Heere zei: ‘Ik ben de Heere, uw God. U zult de echt niet breken. Wat God samengevoegd heeft, zal de mens niet scheiden.’

De Heere zag daar al die Israëlieten voor Hem staan: mannen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden, jongens en meisjes. Weet u wat God deed? Laat ik het zo maar zeggen: de Heere legde in Zijn wet Zijn hart open voor Zijn volk, toen Hij sprak: Gij zult niet echtbreken.

God handhaaft dit gebod ook in de wereld van vandaag. Ook weten we allemaal dat, naarmate het Woord van God minder zeggingskracht heeft in het maatschappelijk denken, de zonde, juist tegen het zevende gebod, ongekende vormen aanneemt. Dat gaat ons niet voorbij, ook niet als we denken dat we nette mensen zijn.

Laat er gebed zijn voor ons volk, voor allen die in het openbare leven met het huwelijk te maken hebben: ‘O God, ontfermt U zich over ons!’

Dit gedeelte van de wet wordt ondermijnd. Daarom moeten we ons des te meer richten op het Woord van God. Wat zegt dit Woord tegen ons? In het huwelijk zullen die twee tot één vlees zijn. Dat ziet uiteraard op de geslachtsgemeenschap binnen het huwelijk. Met smart moeten we zeggen dat daar tegenwoordig afstand van wordt genomen.

 

We hoorden al: in onze lichamelijkheid staan we allemaal schuldig. Zijn we nu met onze schuld, ook met betrekking tot dit gebod, terechtgekomen aan Jezus’ voeten?

Het huwelijksaanzoek van de hemelse Bruidegom komt tot ons. Hebt u dat ingewilligd? Als dat zo is, dan is dat enkel de genade van God. Daar hebt u de hand niet in gehad, maar dat was Gods werk! En als u het niet ingewilligd hebt, gemeente, dan heeft u geen recht van spreken.

 

Misschien wilt u wel knecht zijn, om dít te doen en dát te laten, maar wilt u geen bruid van Christus zijn en blijft u zich verzetten tegen God en Zijn genade. Misschien wilt u wel knecht zijn: regel op regel, gebod op gebod, raak niet, smaak niet en roer niet aan. Misschien geeft u uzelf wel een zeven, een acht of een negen. Maar let erop dat u als knecht geen bruid bent! Dan heeft u nog nooit gezongen: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten!’

God zegt dat Hij verloren mensen als bruid wil hebben. Wat een heerlijk evangelie! Wat een rijkdom van Gods genade, dat er Eén is Die de schuld op Zich neemt! De Heere Jezus Christus, Gods Zoon!

Heeft u er nu een beetje zicht op dat Gods Zoon mens moest worden, om ook de zonden met betrekking tot dit gebod te kunnen verzoenen? Als de Heere Jezus geen mens was geworden, dan had Hij niet aan het kruis gehangen en dan was er dus ook geen plaats geweest waar u met uw zonden terecht kon. Dan was alles voor eeuwig kwijt. Maar Hij wilde Borg zijn! Hij is er op aangekeken en men spotte met Hem: ‘Moet je Hem zien! Een vriend van tollenaren en van zondaren, een vraat en een wijnzuiper!’

God zag Zijn Zoon er op aan, en zo is Golgotha werkelijkheid geworden. Christus Jezus is er onder bezweken. Maar zo is Hij het Lam van God, Dat ook in dit gebod de zonde der wereld wegdraagt.

 

We sluiten af met onze derde gedachte, waarin we nadenken over de genadeprediking. Eerst gaan we zingen uit het zevende vers van de berijmde Tien Geboden:

 

Gij zult niet doodslaan, noch u wreken.

Breekt nooit de echt, steelt niemands goed.

Gij zult geen vals getuig’nis spreken;

Bemint elk met een vroom gemoed.

 

We hebben gelet op: de schijnheiligheid ontmaskerd, de ernst van de onheiligheid aangewezen, en in de laatste gedachte letten we op:

 

3. De genadeprediking van de heiligheid

 

Gemeente, als de ontdekkende boodschap van het Woord van God door de Heilige Geest inhaakt in ons hart, gaan we ons vernederen voor Hem. Dan willen we voor de Heere niets achterhouden. Dan leggen we alles voor het aangezicht van God neer. ‘’k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden, ‘k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden.’ ‘Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’

Bij elk gebod schrik je van jezelf, ook ten overstaan van dit gebod. Hoe komt dat? Omdat we weten dat we schuldig staan.

Maar nu de genadeprediking van de heiligheid! Wat valt het mee, gemeente, voor iemand die zijn schuld belijdt! Wie de zonde belijdt, aan diegene zal barmhartigheid geschieden.

Wat is schuld belijden voor het aangezicht van God? Dat we vanuit zelfkennis onszelf moeten aanklagen. Een ander kan dat niet voor u doen, want die weet ook niet wat uw zonden zijn. Uzelf weet dat wel.

Zolang we onszelf rechtvaardigen, gaan we aan de Heere voorbij. En dat gebeurt nogal eens. Zolang u zichzelf rechtvaardigt en probeert uw eigen stand nog een beetje op te houden, kan God u niet rechtvaardigen. Maar als u leert buigen vanuit een hart dat verbroken is, zegt God: Ik ben de Heere, uw God! Als uw hart gebroken wordt door de schuld, ook met betrekking tot het zevende gebod, wat valt het dan mee!

Als je zo als man of vrouw voor het aangezicht van de Heere komt, dan is er nog een weg terug. Ook voor jullie hoor, meisjes en jongens. Als je moet zeggen: ‘Het klopt niet in mijn leven’, dan is er ook voor jullie een weg terug naar de Heere. Hij legt voor allen die tot Hem komen de weg zo nadrukkelijk open in de genadeprediking van de heiligheid in de Heere Jezus Christus.

 

De Heere ziet de zonde niet door de vingers. Hij zegt niet: ‘Het was maar een ongelukje’ of: ‘Je hebt het niet zo bedoeld.’ Nee, dat zal de Heere niet zeggen! Net als alle andere zonden is ook de zonde tegen het zevende gebod door Hem vervloekt. Maar Hij wil wel de gebrokenen van hart troosten. Hij wil aan mensen die in de kreukels zitten Zijn genade openbaren. Er is er Eén Die de straf heeft gedragen: Jezus Christus, de Zoon van God, in onze menselijke natuur.

Als we ons afvragen: ‘Hoe erg is die vloekspraak van God dan wel?’, dan moet u in gedachten maar eens kijken naar Golgotha. Laat daar uw zonden maar eens voor uzelf zichtbaar zijn. Wat heeft het Hem gekost! Hoe diep is Christus er door gegaan! Hij, Die nooit één zondige gedachte gehad heeft, ook niet met betrekking tot het zevende gebod.

 

Deze Christus mag verkondigd worden als de volkomen Zaligmaker! Zo mag het werk doorgaan in de gemeente. Zo mag het werk ook doorgaan onder mensen die wij, als nette mensen, niet netjes vinden.

Die mensen moeten wij maar niet buitensluiten. Gods Woord is ook voor mensen die in de goot liggen, mensen met verslavingen. De doorboorde handen van Christus reiken tot in de onderwereld.

Als wij daar niet bij horen, dan mogen we de Heere wel dankbaar zijn! Hij heeft dan beslag gelegd op ons leven. Maar… of we nu een zondaar zijn zodat iedereen het ziet, of zondaar zijn in een driedelig zwart pak, zonder genade kunnen we niet! Dat is ook de les van deze Zondag.

We staan ieder persoonlijk voor het aangezicht van God. Maar de indringende vraag is: staat die Ander er bij? Staat Hij erbij, Die men als vraat en wijnzuiper uitgescholden heeft en die men een vriend van tollenaren en zondaren noemde?

 

Tot het laatste lijden van de Heere behoort iets dat betrekking heeft op Zijn vlees. Zijn vlees wordt vaneen gescheurd, als Hij gespijkerd wordt aan het vloekhout der schande. Hij, Die zich nooit gedragen heeft naar de wil van het vlees, Zijn vlees wordt uiteengerukt en uiteengescheurd.

Kijk nu eens naar uw zonden en kijk dan eens naar de weg die Hij heeft afgelegd in Zijn vlees. De geselslagen van Pilatus horen daar ook bij. Het zijn als het ware de geselslagen van de toorn van God in het menselijk vlees van de Heere Jezus Christus.

Zie eens op Golgotha, waar men Hem al Zijn kleren heeft uitgedaan. We zien hem daar naakt hangen aan het vloekhout der schande. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven…’

Wat een borgtocht, gemeente! Wat een liefde van deze Zaligmaker! Hij heeft Zijn bloed laten vergieten en Zijn leven overgegeven aan de dood. Bij Hem moet u zijn! Hij heet jullie welkom, meisjes en jongens!

Het is goed om het daar ook met elkaar over te hebben. In ons huwelijk, gezin, vriendenkring, verenigingsleven, school, enzovoort, om zo bij Hem te mogen uitkomen: ‘Heere, ontfermt U zich over ons! Vergeef ons onze schulden! Bedek ons met het bloed van het Lam van God, opdat we voor U mogen leven!’ Zo mogen we met heel ons verdorven bestaan bij deze Heere en Koning schuilen.

 

In Christus’ bloed is er vergeving voor die man. Bent u dat...?

In Zijn bloed is er vergeving voor die vrouw. Bent u dat...?

Voor dat meisje. Ben jij dat...?

Voor die jongen. Ben jij dat...?

Er is vergeving. Wie we ook zijn en wat we ook gedaan hebben. Getrouwd of ongetrouwd. Bij de Heere is vergeving! Er is altijd vergeving bij God geweest en Hij vernieuwt uw jeugd als van een arend. Bij Hem is levensvernieuwing.

 

Wie om de Heere en Zijn genade verlegen is, gaat de zonde haten. Dan zoek je ook niet de grenzen op. Dan zeg je niet: ‘Dit kan nog wel en dat kan ook nog wel.’

Daar mogen we in alle verbanden van ons leven wel aan denken. Niet om de zedenmeester te zijn, maar denk nog eens aan het kruis van Christus en hoe we onszelf gedragen, als hier gesproken wordt van onkuise daden in gebaren, woorden, gedachten en lusten…

 

Wilt u daar de komende week nog eens over nadenken?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 143: 10

 

Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;
Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,
En leid’ mij in een effen land.