Ds. D. Rietdijk - Psalmen 84 : 6 - 8

De troost op de levensreis

Psalmen 84
Het doel en de weg van deze levensreis
De moeiten en de troost op deze levensreis
De zegen en de zekerheid van deze levensreis
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Psalmen 84 : 6 - 8

Psalmen 84
6
Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.
8
Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
Psalmen 86
7
Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 6
Lezen : Psalm 84
Zingen : Psalm 84: 3, 4
Zingen : Psalm 36: 2
Zingen : Psalm 37: 9

Gemeente, wij willen in deze dienst met de hulp des Heeren u het Woord van God bedienen, dat u vinden kunt in Psalm 84, daarvan het zesde tot en met het achtste vers, waar wij lezen:

 

Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

 

Deze tekstwoorden spreken ons van: De troost op de levensreis.

 

Wij willen letten op drie dingen:

1. Het doel en de weg van deze levensreis

2. De moeiten en de troost op deze levensreis

3. De zegen en de zekerheid van deze levensreis

 

1. Het doel en de weg van deze levensreis

 

Spurgeon noemt Psalm 84 de liefelijkste psalm die er is. Andere psalmen heeft hij ook wel benoemd: Psalm 119 noemt hij de diepst bevindelijke, Psalm 103 de meest blijde en Psalm 51 de droevigste psalm. Maar Psalm 84 noemt hij de liefelijkste psalm. En dat is ook zo, want in Psalm 84 gaat het over de hunkering van de christen naar de instellingen van de dienst des Heeren. Dat is zowel de hunkering van David naar de tabernakel als de hunkering van Israël naar de tempel, maar óók de hunkering van de nieuwtestamentische kerk naar het Woord van God. Die hunkering naar die instellingen des Heeren is geen geringe zaak, want dat gaat om zaken die de eeuwigheid betreffen.

Er wordt vaak gezocht naar kentekenen van genade. Een oude Schotse schrijver zegt: ‘Indien wij Gods Woord meer beminnen dan ons voedsel en wanneer wij het het allergrootste voorrecht achten om tot degenen te behoren die de Heere dienen, dan is dat het troostrijkste kenteken.’ Want het gaat om de liefde, gemeente. De liefde is het zekerste bewijs. Welnu, van die liefde tot de dienst van God en tot God Zelf spreekt Psalm 84.

 

In deze psalm vindt u drie keer een zaligspreking. Drie keer klinkt het ‘welgelukzalig’. In de verzen 2 tot en met 5 gaat het over degenen die naar het huis des Heeren verlangen; die zijn welgelukzalig. In het zesde tot en met het negende vers gaat het over degenen die naar dat huis des Heeren gaan, dus die op reis zijn naar Jeruzalem en naar de tempel Gods. En in de laatste zaligspreking gaat het over degenen die in dat huis des Heeren mogen vertoeven.

U ziet, met dat verlangen naar God is deze hele psalm gevuld. Dat verlangen naar God vindt zijn uiterlijke vorm in het verlangen naar de tempel, naar de instellingen des Heeren. Het is het heimwee naar de levende God, waarvan Psalm 84 zingt.

Ook de dichter van Psalm 27 heeft zoiets gezongen: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheden des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel (Ps.27:4). Ook in Psalm 42 wordt van het heimwee naar God gezongen, als van een hert dat schreeuwt naar de waterstromen. Zo spreekt ook Psalm 84 van dat heimwee: Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.

 

Dat heimwee naar God, dat verlangen naar God, is genade. Dat is een heimwee dat ontstaat door de liefde van God, uitgestort in het hart. Wij hebben immers alleen maar heimwee naar degene die we liefhebben. En hoe meer we iemand liefhebben, hoe groter het heimwee zal zijn.

Zo was in het hart van het oude Israël, waarin die liefde Gods was uitgestort, het heimwee naar God en naar de dienst van God. Zo is er ook in de nieuwtestamentische kerk een heimwee naar God en naar het Woord van God. Er is een uitzien naar het ogenblik dat zij voor God zullen mogen verschijnen. Er is een uitzien naar het Jeruzalem dat boven is.

Als u nu vraagt waarin dat verlangen dat in het hart van de mens door genade wordt gewerkt, bestaat, als u vraagt waarin dat heimwee naar God in Psalm 84 naar voren komt, dan is het kernwoord: Jeruzalem! Jeruzalem met de tempel Gods, daar gaat het hart van Israël naar uit. Daar gaat ook het verlangen van het volk van God naar uit. Toenmaals het Jeruzalem dat beneden was, nu naar het Jeruzalem dat boven is. Daar verlangt de Kerk des Heeren naar en daarheen is ze ook op reis.

De Kerk des Heeren is op deze aarde een pelgrimskerk. Het zijn gasten en vreemdelingen op de aarde, die reizen door deze wereld naar de eeuwige Godsstad. Van die reis zingt deze psalm. Daarheen zijn de reizigers op weg, met heimwee in hun hart.

 

Maar er is nog meer. Er staat in onze tekst: Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. Een reiziger in het oosten die zo’n reis moest maken naar Jeruzalem, moest over wegen gaan die niet gemakkelijk waren. Die moest de reis afleggen zonder de transportmiddelen die wij hebben. U begrijpt, dat was een vermoeiende reis. Maar de mens die reizen mag, niet in eigen kracht, maar in kracht die God verleent, wordt welgelukzalig genoemd. U leest het hier in onze tekstwoorden: Welgelukzalig is de mens wiens sterkte in U is. Die heeft dus sterkte buiten zichzelf gevonden.

Van nature menen wij de sterkte in onszelf te hebben. Dan is het onze kracht, ons vermogen waarmee wij door dit leven denken te gaan. Dan steunen we op onze kennis, op onze gezondheid, op ons inzicht, ja, dan steunen wij op onszelf, op onze eigen krachten. Maar gelukkig, wanneer de Heere ons daar achter brengt, dat wij geen kracht in onszelf hebben, dat het met onze kracht niets gedaan is en dat wij in eigen kracht het pad des Heeren niet bewandelen kunnen. De Heere gaat ons laten zien dat onze kracht niets is, maar dat er een Ander is Die krachten geeft, van Wie het volk zijn sterkte heeft. We moeten reizen en leven door de kracht van een Ander.

Alleen in de Heere Jezus Christus heeft de pelgrimskerk, die door deze wereld reist naar het eeuwige Jeruzalem dat boven is, haar sterkte. Christus is voor Zijn Kerk alles. Hij is de sterke God. Hij is de Vader der eeuwigheid. In Hem is kracht en in Hem is sterkte om een hulpeloze en krachteloze bij te staan, om ze te ondersteunen op de levensweg, door de woestijn van dit leven heen.

Gelukkig de mens die erachter mag komen dat hij in zichzelf geen kracht en geen wijsheid heeft, maar dat de kracht en de wijsheid alleen ligt in Christus. Hij is de kracht Gods en Hij is de wijsheid Gods. In Hem is de fontein des levens. Hij sterkt Zijn Kerk op het pad des levens, door de woestijn van het leven, naar de eeuwige Godsstad. Welgelukzalig is de mens die eigen kracht verloren heeft, maar wiens sterkte alleen ligt in de Held, bij Wie voor Israël hulp beschoren is.

 

Maar er wordt niet alleen gesproken van de kracht die in Hem is, van de sterkte in Hem en van het leven uit Christus op de levensweg. Er staat ook dat in hun hart de gebaande wegen zijn. De gebaande wegen zijn de hoofdwegen naar Jeruzalem. Elke Israëliet kende de wegen die naar Jeruzalem voerden. Wanneer een reiziger naar de tempel ging, dan wist hij welke wegen hij nemen moest, welke wegen geëffend waren.

Maar nu staat er niet in onze tekst dat die gebaande wegen in hun hoofd waren, dat zij die wegen wel kenden. Nee, er staat in onze tekst: In welker hart de gebaande wegen zijn. Dat wil zeggen dat zij die gebaande wegen liefhebben, dat zij die beminnen, dat zij naar die gebaande wegen uitzien.

Een Israëliet die thuis was en dacht aan de hoogtijdagen van de grote feesten, wanneer hij op mocht trekken naar Jeruzalem en naar de tempel, om daar de Heere te ontmoeten, die had in zijn hart de gebaande wegen. Die verlangde ernaar om uit te trekken uit zijn woning en om zijn voeten te zetten op de wegen naar Jeruzalem. Om samen op te trekken, zoals we dat weten van Jozef en Maria die met de twaalfjarige Jezus in groepen naar Jeruzalem zijn gereisd, over de gebaande wegen. Hun hart was vervuld met die gebaande wegen. Daar leefden zij bij. Waarom eigenlijk? Daar leefden zij bij, opdat zij in Jeruzalem gemeenschap met de Heere mochten oefenen. Een gemeenschap door het geloof en een gemeenschap door de liefde.

 

Ook nu is de Kerk op reis. Niet naar het Jeruzalem dat beneden is, maar naar het Jeruzalem dat boven is. Ik zei u, deze psalm is vervuld met het heimwee naar God, met het verlangen naar God. Maar als het goed ligt is dat nu toch nog precies hetzelfde? Waar dat verlangen naar God, dat heimwee naar God ontstaat, daar komen wij erachter dat wij van nature God kwijt zijn, dat wij van nature God missen, Zijn gemeenschap missen, Zijn gunst missen. Dan kan de hele wereld, met alles wat daarin is, ons hart niet meer vervullen. Die kan ons ook geen rust meer schenken, geen ware blijdschap meer geven. Dan blijft ons hart onrustig, ondanks alles wat wij in deze wereld mogen vinden. Wanneer de liefde Gods in ons hart uitgestort wordt, zien wij juist wat wij missen, dat wij God missen. Dan gaat het verlangen naar God uit, naar de gemeenschap met God en naar de gunst van God. Dan is er droefheid naar God in onze ziel.

Is er een weg terug naar die gemeenschap van God? Jazeker, gemeente, daar zijn gebaande wegen! Wat zijn die gebaande wegen? Dat zijn wegen die effen gemaakt zijn. Een gebaande weg is een weg waarin de kuilen zijn opgehoogd, waarvan alle oneffenheden zijn weggenomen. Er zijn zulke gebaande wegen voor Gods Kerk. Dat is het spoor van de schapen van de kudde van Christus. Al Zijn schapen, van alle eeuwen, hebben die gebaande wegen bewandeld. U kunt ze vinden in het Woord van God. Al de schapen des Heeren hebben die wegen bewandeld om te komen in de gemeenschap Gods en om in de gunst van God te mogen delen.

 

Maar weet u, vóór al de schapen uit ging de grote Herder der schapen, de Voorloper, Jezus Christus, de Heere. Hij is voor de schapen uitgegaan en heeft de weg gebaand en geëffend door Zijn bloed, door Zijn lijden en door de helse smarten die Hij gedragen heeft. Door het oordeel heen heeft Hij de weg gebaand naar Gods vaderhart toe.

Ja, meer: Hij Zelf is de Weg! Die gebaande weg is in het Woord van God te vinden. Daar vindt u Christus getekend als de Weg tot de Vader: Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6).

Als wij door genade in ons hart die gebaande wegen mogen hebben, dan wil dat zeggen dat Christus door het geloof in ons hart woont. Dan is Christus ons dierbaar geworden. Dan hebben wij Hem lief gekregen boven alles, omdat we in Hem die gebaande weg hebben gevonden naar de gemeenschap met God.

 

In welker hart de gebaande wegen zijn. Gemeente, is dat in uw hart ook? En in jullie hart, jongens en meisjes? Is Christus u dierbaar? Hebben jullie Hem lief gekregen? Dat zijn heel belangrijke vragen op onze levensreis naar de eeuwigheid. Wij kunnen en willen zo graag zelfgekozen wegen gaan. Wij kunnen wegen bewandelen waarvan wij denken dat de uitkomst wel goed is, maar de grote vraag is of dat de weg is die in het Woord van God wordt aangeduid. Want weet u, al de wegen die wij kiezen en waarvan wij menen dat ze wel goed zullen uitkomen, zijn paden des doods. Maar zalig zijn zij die mogen wandelen op die gebaande weg, die enige Weg, Christus Jezus. Die alleen voert naar het eeuwige licht.

En daarom de vraag: is Christus ons reeds dierbaar geworden? Hebben we Hem als die gebaande Weg lief gekregen? Of lopen we zomaar wat mee met de reizigers over die gebaande weg? Want let wel: er zijn reizigers en er zijn meelopers. Reizigers hebben de gebaande wegen in hun hart. Bij hen woont Christus door het geloof in hun hart. Zij hebben Christus lief. Meelopers wandelen wel met de Kerk mee, maar ze hebben nog nooit de heerlijkheid gezien van Hem, Die Zichzelf vernederde tot in de dood des kruises, opdat Hij door Zijn bloed en door Zijn offer Zijn Kerk voor eeuwig zaligen zou. Alleen deze mensen worden welgelukzalig genoemd, van wie de sterkte in God is, in Christus, en in welker hart de gebaande wegen zijn. In dit moeitevolle leven mogen ze hun sterkte in Christus vinden.

Want – en dat gaan we in onze tweede gedachte overdenken – zij hebben ook een sterkte en een troost in de moeiten van het leven. Wij gaan u spreken van:

 

2. De moeiten en de troost op deze levensreis

 

Er staat in onze tekst: Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein. Het woord ‘moerbeziën’ kan ook iets anders worden opgevat. De bekende prediker Philpot heeft een dagboek geschreven, getiteld: ‘Door Baca’s vallei’. Misschien heeft u zich ooit wel eens afgevraagd wat dat betekent. Die titel is ontleend aan deze tekst. Voor dat ‘dal der moerbeziënbomen’ kan ook ‘Baca’s vallei’ gelezen worden. Sommigen vatten het op als het jammerdal of het tranendal. Anderen denken echter aan een dal van moerbeziën, dus een dal dat eigenlijk toch wel aangenaam is vanwege de moerbeziën die er zijn. Wij willen het echter opvatten als het dal van tranen, het dal van moeiten. Dat doet de berijmde psalm ook. Daar staat namelijk: ‘Steekt hen de hete middagzon, in ‘t moerbeidal...’ Dus de berijmers hebben het gezien als een dal van droogte en van hitte, waar de reiziger dorstig werd. Een dal van moeiten dus.

Wie van ons zal nooit in zijn leven zo een dal van moeiten, zo een vallei van Baca kennen? Wie zal nooit in zijn leven zorgen en nood leren kennen? Dat kan voor de één een ziekenhuisopname zijn. Dat kunnen voor de ander noden in het gezin zijn. Dat kan voor een derde iets zijn op het werk. En zo kunt u doorgaan. De moeiten en de zorgen van het leven zijn vele. Niemand zal dat dal van Baca ontlopen. Daar kan het heet zijn. Daar kan de middagzon steken. Daar kan de dorst kwellen. Daar kan het soms zo benauwd zijn. Wie door het dal der moerbeziënbomen moet trekken, moet vaak ervaren dat de satan zo dichtbij is.

 

Er wordt aangenomen dat deze psalm een psalm van David is geweest. Het is wel een anonieme psalm. In het opschrift wordt David niet genoemd, maar de hele psalm ademt het dichterschap van koning David. Men denkt dat koning David deze psalm gedicht heeft in de periode dat hij voor zijn zoon Absalom moest vluchten naar het Overjordaanse. Nu, dat is zo’n moerbeidal, zo’n Baca’s vallei waarin David vertoefde. Want je zult maar moeten vluchten voor je eigen kind die je naar het leven staat! En daarbij, satan is ook niet stil geweest in dat moerbeziëndal. Hij heeft daar een Simeï geplaatst. Een Simeï, die David vloekte, die David uitschold en gezegd heeft dat David toch geen heil bij God had.

In deze nood, waarin alles eigenlijk David toeroept: ‘U hebt geen heil bij God’, heeft hij Psalm 84 gedicht, de psalm van het heimwee, van het verlangen naar Sion, van het verlangen naar de gemeenschap met God.

 

Ik zei het al: wat kan het benauwd zijn in dat dal. In dat moerbeidal kan satan toch zo tekeergaan. Dan kan ‘s nachts, als je niet slapen kunt, de angst van de eeuwigheid je soms zo bespringen. Dan kan de benauwdheid over je openstaande schuld voor God je soms zo drukken. Een moerbeidal, een dal van Baca.

Maar nu is die mens welgelukzalig die de Heere Jezus tot zijn sterkte heeft, die de gebaande weg in zijn hart heeft. Want die mag in dat moerbeidal Hem tot zijn fontein stellen. Dan mag je drinken bij de Heere. Zelfs in de nood, zelfs in de angst, als satan je bespringt, mag je bij Hem drinken uit die fontein van levend water.

De apostel Paulus was ook een man die veel van dat moerbeidal kende. Weet u wat hij heeft gezegd? We lezen het in de tweede brief aan de gemeente van Korinthe: Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig (2 Kor.1:5). Dus hoe overvloediger dat moerbeidal, des te overvloediger zijn de vertroostingen. Dat moerbeidal hoort namelijk bij die gebaande wegen, dat hoort bij de weg van Christus. Paulus schreef: ‘Maar als nu dat lijden van Christus in mijn leven overvloedig is, dan zijn ook de vertroostingen, dóór Christus, overvloedig.’ Dan stellen zij Hem tot een fontein. Dan mag je je lege vaten aan de voeten van Christus stellen en dan zal Hij ze vervullen vanuit Zijn volheid.

Het is het lijden van Christus wat in het leven van Zijn Kerk gebracht wordt. Dat geschiedt niet om hen te plagen, maar omdat het niet anders kan. Want ze volgen een Koning, een Kruiskoning. En als je een lid bent van het lichaam van Christus, dan is dat lijden ook op u gericht. Omdat altijd dat lijden op Christus Zelf gericht is geweest, wordt het, nu Hij in de hemel is, op Zijn lichaam gericht, op Zijn kinderen.

Maar gelukkig: omdat het moerbeidal hóórt bij die gebaande wegen, zijn de vertroostingen van Christus ook overvloedig. Ze komen er door, hoor!

 

Zal ik eens twee godzalige mensen uit de Bijbel noemen, die er door gingen? Onze kinderen kennen die voorbeelden ook. Denk maar eens even aan Job. Dat was een godzalige man, een godvrezende man. Hij offerde zelfs voor zijn kinderen. Die man moest door het moerbeidal. Hij raakt zijn kinderen kwijt, allemaal. Hij raakt zijn vee kwijt. Hij raakt zijn huis kwijt. Hij raakt zijn gezondheid kwijt. Hij raakt zelfs zijn vrienden kwijt. De drie vrienden, die hem steeds maar zitten toe te spreken dat hij toch wel gezondigd zal hebben, die raakt hij allemaal kwijt. Wat een moerbeidal!

Denk ook maar aan Jozef. Jozef, een godzalige jongeman, moet ook het moerbeidal door. Hij wordt verkocht door zijn broers. In Egypte wordt hij belaagd door Potifars vrouw. Dan moet hij de gevangenis in en iedereen vergeet hem.

Moerbeidalen zijn benauwde dalen. En die zijn nu nodig voor Gods Kerk. Die geeft de Heere in het leven om Zijn volk toe te bereiden. Waarom? Om aanstonds voor God in Sion te verschijnen. Asaf zingt het: ‘En mij, hiertoe door u bereid, opnemen in Uw heerlijkheid.’ Nu kan dat moerbeidal voor de één dit en voor de ander wat anders zijn, maar bedenk: in het moerbeidal is Christus! Daar stellen ze Hem tot een fontein.

Job, die op de puinhopen van zijn bestaan zit, op een mesthoop zich krabt met een potscherf, die man neemt een teug van het levende water uit de Rotssteen Christus. Luister maar. Hij zegt vol geloofsvertrouwen: Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde (Job 19:25-27).

 

Gemeente, in dat moerbeidal gaat de Heere hen overdekken met een milde regen. U leest het in het vervolg: Ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. Dan laat de Heere het soms wel eens goed zijn in het moerbeidal.

 

Op Patmos, dat kleine eilandje in de Egeïsche zee – eigenlijk is het niet meer dan een rots – zit de liefste discipel die de Heere had. Daar zit Johannes, verbannen door de keizer. Maar Johannes is nooit zo rijk bediend geweest en hij heeft nooit zo rijk de gemeenschap van de Heilige Geest gehad, dan op dat eilandje. Daar heeft hij de heerlijkste visioenen van zijn Koning gehad. Daar heeft hij de toekomst van de Kerk mogen zien. Daar heeft hij mogen gewagen van het heil van de Koning. Daar heeft hij iets mogen zien. Als een triomfkreet klinkt het vanaf die eenzame rots: En de zee was niet meer (Openb.21:1). Straks zal die zee er niet meer zijn. Die zee was op dat moment een vijand van Johannes, want hij was gescheiden van zijn gemeente, juist door die zee. Maar dan ziet hij: En de zee was niet meer. Ja, het is voor die eenzame man op Patmos werkelijkheid geworden wat de dichter zong: ‘Steekt hen de hete middagzon in ‘t moerbeidal, Gij zijt hun bron; en stort op hen een milde regen.’

 

Gemeente, wat denkt u van Bunyan, die zo lang in de gevangenis zat? Wat denkt u van Paulus en Silas in de gevangenis te Filippi? Ze zijn overdekt met die regen, met de zegen des Geestes. Dan laat de Heere proeven dat ook Hij in die beproevingen is. Christus is in de beproevingen. Hij is in het moerbeidal. Nee, dat komt niet omdat je dat door de verdrukkingen verdiend hebt. Dat komt ook niet omdat de moeiten en de zorgen je dat waardig hebben gemaakt. In dat moerbeidal is Christus, omdat Hij er Zelf is ingegaan. Dat moerbeidal, dat dal van Baca, heeft Hij Zelf doorschreden. Dat moerbeidal heeft Hem gefolterd, dat heeft Hem geschroeid. Zó, dat Hij van droogte brandde. Hij kon nooit lafenis krijgen. Christus is erin geweest. En omdat Christus erin geweest is, zal Hij ook altijd met Zijn Kerk in het moerbeidal zijn.

Dat kun je niet altijd merken. Dat is ook niet altijd ineens te zien. Soms kun je het alleen maar achteraf zien. Asaf zingt ook achteraf:

 

Ja waarlijk, God is Israël goed,

Voor hen die rein zijn van gemoed.

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen,

Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

 

Een andere dichter zegt het weer op een andere wijze, als hij zingt:

 

Word ik omringd door een heir van gevaren,

Waar ik moog’ staren,

Is eng ook mijn pad.

Maar ik ken mijn Behoeder,

Want Jezus, mijn Broeder,

Heeft mijn hand weer gevat.

 

Gemeente, bent u zo’n reiziger naar Sion, door het moerbeidal heen? Misschien bent u nu wel in die Baca’s vallei. Maar dan kan het in dat dal wel eens goed worden. Want we lezen: Dan stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken. Dan zegt de Koning: ‘Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. Stel Mij maar tot uw fontein. Want Ik wil met de regen van Mijn Geest u gans rijkelijk overdekken.’ Dan kan de Kerk zelfs gaan zingen in de grootste smarten en in de grootste noden van het leven. Dan kunnen ze gaan gewagen van de goedertierenheid van de Heere, zoals de dichter dat deed en wat wij nu eerst met hem willen doen, uit Psalm 36 vers 2:

 

Uw goedheid, Heer’, is hemelhoog;

Uw waarheid tot de wolkenboog;

Uw recht is als Gods bergen;

Uw oordeel grond’loos; Gij behoedt,

En zegent mens en beest, en doet

Uw hulp nooit vrucht’loos vergen.

Hoe groot is Uw goedgunstigheid!

Hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid!

Hier wordt de rust geschonken;

Hier ‘t vette van Uw huis gesmaakt;

Een volle beek van wellust maakt

Hier elk in liefde dronken.

 

3. De zegen en de zekerheid van deze levensreis

 

Er staat in onze tekst: Zij gaan van kracht tot kracht. In uw gedachten ziet u de reizigers trekken. Ze zijn vlug en vaardig begonnen met lopen, maar ze gaan steeds wat langzamer lopen. De vermoeidheid gaat optreden. De krachten gaan weg. Ten slotte gaan ze heel langzaam lopen en je zou zeggen: ze vorderen bijna niet. Dan hebben ze weer nieuwe kracht nodig, nieuwe energie om verder te kunnen gaan. Dat is het beeld wat de dichter hier gebruikt. Zij gaan, zij gaan vooruit, van kracht tot kracht. Elke keer weer opnieuw, wanneer de Heere kracht geeft, kunnen ze weer verder. Dan gaan ze tot de volgende kracht.

Er wordt wel eens gezegd: zij gaan van klacht tot klacht. Maar met zulke uitdrukkingen moet u heel voorzichtig zijn, want dat staat hier niet. U moet altijd voorzichtig zijn met het Woord van God. Wat de Heere zegt, moet u zo laten staan. Luther zei: ‘Het Woord, dat zult ge laten staan!’ En dat geldt ook hier. Want er kunnen toch ook zo vaak dode klachten zijn. Daar kunnen klachten zijn over schuld of over het oordeel dat wacht en dat men van de Heere geen ontferming meer kan verwachten, maar zonder dat men ooit de roemtaal hoort dat ze in die Ander hebben mogen zien de rijkdom van genade die bij God is. Er is een vormchristendom dat wel klaagt, maar met wie we eigenlijk diep medelijden moeten hebben. We zouden hen moeten beklagen vanwege hun zelfmisleiding.

Is er dan geen klacht? Jawel, waar het leven des Heeren gewerkt wordt is wel een klacht, over zichzelf, over hun afmakingen. De Heilige Geest leert ons wel dat wij geen sterkte en geen gerechtigheden hebben van onszelf en dat van ons niets meer komt en nooit meer komt. Maar dat wil niet zeggen dat die klacht, die levende klacht naar de levende God niet verhoord zal worden. Natuurlijk wordt die verhoord! Dan gaat de Geest des Heeren een mens juist ontledigen, opdat we naar Christus zouden vluchten, opdat we bij Hem terechtkomen, uit Zijn volheid zouden worden bediend.

 

De Geest des Heeren heeft maar één doel en dat is Christus te verheerlijken in het hart. Zo staat het er: Die – dat is de Heilige Geest – zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen (Joh.16:14). Ziet u, gemeente, de Geest heeft één doel en dat is Christus te verheerlijken in het leven.

En nu is dit de verheerlijking van Christus, dat de reizigers over die gebaande weg niet van klacht tot klacht, maar van kracht tot kracht zullen voortgaan. Dat betekent wel dat je in jezelf verliezer wordt. Maar welgelukzalig als u zo’n verliezer mag zijn en als u bij de Heere Jezus die kracht mag ontvangen, als u uit Hem, uit Zijn volheid bediend mag worden met genade voor genade. Dat wil zeggen: als de ene genade op is en wéér verzondigd is – want zo is het toch tenslotte – dat Hij dan uit Zijn volheid de andere genade weer schenken wil.

 

Zij gaan van kracht tot kracht. Zo reist de pelgrimsstoet voort, totdat ze voor God zullen verschijnen in Sion. Wie? Een iegelijk van hen. Dat wil dus zeggen dat er niet één zal achterblijven. Allen, wier sterkte in Hem is, in welker hart de gebaande wegen zijn, zullen voor God verschijnen in Sion. Dat komt niet door hun trouw. Dat komt niet omdat zij zo vasthouden. Maar dat komt door Zijn trouw en door Zijn vasthouden. Dat komt door Zijn bewaren. Ze zullen allemaal voor God verschijnen.

Gemeente, dat is wat: voor God verschijnen! Er wordt wel eens met ernst gezegd: ‘Dan moeten we voor God verschijnen.’ Jawel, maar dat is nu juist de vervulling van het verlangen in het hart van de pelgrim: dat hij voor God mag verschijnen en het aangezicht van God mag zien! Dan mag het aangezicht van God over hem lichten. Dat is de blijdschap waarvan Psalm 68 zong:

 

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ‘t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

 

Een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. Er zal er niet één omkomen in dat moerbeidal. Er zal er niet één omkomen door de droogte. Ze zullen er allemaal arriveren; verschijnen voor God in Sion. Dan is er het ogenblik dat de pelgrims geen pelgrims meer zijn, maar dat ze thuiskomen. Dat is het moment van het eeuwig thuiskomen bij God. Dan mogen ze eeuwig bij de Heere zijn. Dan ligt alle moeite en alle verdriet achter hen. Dan zal God alle tranen van hun ogen afwissen. Dat zal God met Zijn eigen hand doen. Al die tranen van dat Bacadal zal de Heere afwissen van hun aangezichten. En eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn. Dan zal er geen klacht meer gehoord worden. Hier op aarde wisselen klacht en jubel elkaar telkens af. Maar straks zal de klacht voor eeuwig weg zijn, als hun voeten het nieuwe Jeruzalem mogen betreden.

Op dat ogenblik zegt de Heere Jezus: En hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwe Naam (Openb.3:12).

Dan zullen ze daar eeuwig gaan zingen, gemeente! Het Davidskoor zal in het nieuwe Jeruzalem bij de glazen zee eeuwig gaan zingen. Waarvan zullen zij dan zingen, denkt u? Dan zullen ze zingen van de wegen des Heeren. Die zullen ze aanbidden! Die gebaande wegen die de Heere met hen ging, die niet altijd gemakkelijk en glad bleken te zijn, die zelfs door het moerbeidal heen konden gaan, die zullen ze daar aanbidden! Dan zullen ze God lof toebrengen. Dan zullen ze het Lam dankzeggen. Dan zullen ze de Geest, Die hen leidde, verheerlijken.

Hoort u bij dat reisgezelschap, gemeente? U zegt: ‘Waaraan kan ik dat weten?’ Dat kunt u aan twee dingen weten. Is er in uw hart het heimwee naar God, het verlangen naar God? En het tweede: hebt u het Woord van God lief gekregen, zoals die mensen van Psalm 84 de instellingen des Heeren en het Woord van God liefhadden? Laat dan het gebed tot die God mogen zijn, dat u uitgeleid wordt uit de plaats waar u van nature bent en dat u mag aanschouwen de heerlijkheid van God en van Christus en dat u gebracht wordt op de weg naar het nieuwe Jeruzalem dat boven is.

En als dat verlangen naar God er in uw ziel is, als de diepste grondtoon van uw leven dat heimwee naar God is, weet dan: die pelgrims zullen er komen. Want het ligt vast, voor eeuwig vast, in het welbehagen van de Vader. Het ligt eeuwig vast in het bloed van het Lam. Het ligt zo eeuwig vast in het verbond dat in dat bloed bevestigd is.

En dan... altijd thuis! Dat zal de echte rust zijn. We denken soms wel eens dat we hier de rust ontvangen hebben, maar het is hier het land der rust niet. Straks zal het voor eeuwig rust zijn, want dan zal de Kerk thuis zijn. Eeuwig thuis bij de Vader, Die de verloren zoon omhelst en kust en Die hem voor eeuwig in Zijn huis neemt. En zij begonnen vrolijk te zijn (Luk.15:24). Dat zal nooit meer ophouden. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (Jes.35:10). Voor eeuwig!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 37: 9

 

Gods macht verbreekt de arm der goddelozen,

Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt.

Al treden z’ op geen weg, bezaaid met rozen,

Zij wachten ‘t heil, door God hun toegezeid.

Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der bozen,

Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)