Ds. J.M. Kleppe - Exodus 17 : 8 - 16

Israëls strijd tegen zijn doodsvijand Amalek

Exodus 17
Amaleks strijd
Israëls gebed
Gods overwinning
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Exodus 17 : 8 - 16

Exodus 17
8
Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
9
Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
10
Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.
11
En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.
12
Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
13
Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.
14
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
15
En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!
16
En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1, 4
Lezen : Exodus 17
Zingen : Psalm 33: 5, 9, 10
Zingen : Psalm 89: 8
Zingen : Psalm 3: 4

De tekstwoorden die wij met de hulp des Heeren met u willen overdenken, kunt u vinden in het Schriftgedeelte dat u is voorgelezen uit het boek Exodus, daarvan het zeventiende hoofdstuk, de verzen 8 tot en met 16. Ik lees u nu alleen het achtste vers:

 

Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

 

Deze tekstwoorden spreken ons van: Israëls strijd tegen zijn doodsvijand Amalek.

 

Wij willen wijzen op:

1. Amaleks strijd

2. Israëls gebed

3. Gods overwinning

 

1. Amaleks strijd

 

Op een zeer wonderbaarlijke wijze was Israël door Gods reddende hand uit Egypte geleid en door de Rode Zee getrokken. Farao en zijn ruiters waren omgekomen in de kolkende golven van de zee, die zich als een oordeel over hen toesloten; we mogen wel zeggen: als een Godsoordeel. Maar als een barmhartig en ontfermend God, als een wonderdoend Ontfermer had de Heere Zijn volk gespaard en gedragen in de armen van Zijn grote barmhartigheid, in Zijn liefdearmen. Ja, Hij had hen omringd met Zijn zegeningen en met Zijn Goddelijke gunst. Het had Israël letterlijk aan niets ontbroken. Te Mara had de Heere bitter water zoet gemaakt en Hij leste daar hun brandende dorst. En later, te Elim, vonden ze twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen. In de woestijn Sin zegende de Heere hen zelfs met vlees en met hemels brood, met manna.

En zo komt Israël hier te Rafidim, als een volk, verzorgd door God als een liefdevolle Vader en gedragen door Zijn eeuwige armen, rijk gezegend en op een wonderlijke wijze begenadigd als geen ander volk.

 

Maar dan dringt weer nieuwe nood, want dan lezen we: Daar was geen water voor het volk om te drinken. En wat doet Israël dan? Zegt dat volk, dat door God steeds op wonderlijke wijze is verzorgd, dan vol geloof en vol verwachting:

 

‘k Zal gedenken, hoe vóór dezen

Ons de Heer’ heeft gunst bewezen;

‘k Zal de wond’ren gadeslaan,

Die Gij hebt van ouds gedaan?

 

Of zegt Israël dan:

 

Hoe menigmaal hebt G’ ons Uw gunst betoogd,

‘t Zij G’ een fontein deedt uit een rots ontspringen;

Of op een hoop de waat’ren samendringen,

Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd?

 

Integendeel! Wanneer we dat denken, vergissen we ons. Dat zegt Israël niet! Het volk is vervuld met drift en onbezonnenheid. Ze zijn vol ontevredenheid, ook tegen Mozes. Ze dreigen hem zelfs te zullen stenigen. En diep in hun hart staat het volk op tegen God, tegen de Heere, tegen Hem, Die zoveel wonderen in hun midden heeft verricht!

We zien hier welk hart dat volk heeft. Terecht moet de Heere met een Goddelijke klacht dat volk bij Zichzelf aanklagen en zeggen: Veertig jaar heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart; en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! (Ps.95:10-11). Dan gaat Mozes in zijn nood tot de Heere roepen, Die op zijn noodgeschrei weer een fontein opent en grote wonderen doet, zodat Israël zijn dorst kan lessen. Mozes noemt de naam van die plaats: Massa en Meriba, dat wil zeggen: verzoeking en twist. Deze naam is geen erenaam voor Israël; het is eerder een schandnaam voor het ondankbare volk, vanwege de twist van de kinderen Israëls en omdat ze daar weer de Heere verzocht hadden.

 

En dan lezen we de woorden van onze overdenking: Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

‘Toen’, dat is een tijdsbepaling. Dat staat er niet zomaar; het is zeer opmerkelijk! Amalek kwam niet toen Israël van dorst dreigde om te komen. Dat zou trouwens wel verdiend geweest zijn. Want als we op Israël letten, dan had dit volk het zich waardig gemaakt dat de Heere er nu voorgoed mee zou afrekenen, dat Hij het zou vernietigen, dat Hij het volk voorgoed zou wegslingeren in de woestijn, om er nooit meer naar om te zien. Maar in plaats van te komen met Zijn welverdiende wraak, ontsluit de Heere Zijn eeuwig liefdehart en komt Hij weer in gunst tot dat volk. O, we zingen het soms zo gedachteloos, maar het is zo waar:

 

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden,

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden.

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Amalek, die aartsvijand van Israël, kwam niet voordat Israël door een Godswonder was gesterkt geworden. De Heere rustte Zijn volk als het ware eerst toe tot de strijd. Dat doet de Heere ook nu nog zo dikwijls, als we het maar mogen zien en opmerken. Wanneer er iets voor Gods kinderen klaarligt, dan geeft de Heere soms vooraf al bijzondere vertroostende woorden, die Hij aan het hart legt. Of Hij geeft bemoedigingen uit Zijn heilig Woord. Of Hij verkwikt de ziel van Zijn kinderen om hen toe te rusten tot de strijd. Hij doet dit, voordat ze een weg moeten gaan van grote onmogelijkheden of van bijzondere zorgen, zodat ze in verbijstering wel zeggen: ‘Heere, is dat Uw weg? Is dat de weg die U gaat met Uw kinderen, als U zo diep afsteekt?’ Tot Elia sprak de Heere op een dag ook: ‘Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.’

Wat is dat een wonderlijke troost, dat de Heere, als de grote Alwetende, betoont volmaakt te weten wat in het hart omgaat, wat in de gedachten woelt en werkt en wat Zijn kinderen juist dan nodig hebben. Ja, dat Hij hen, voordat de strijd ontbrandt, reeds gaat toerusten met vertroostende gedachten of met een bijzondere kracht in hun ziel. Hij vervult Zijn Woord:

 

De Heer’ zal, in dit moeilijk leven,

Zijn volk en erfdeel nooit begeven.

 

Ja, dan wordt het waar:

 

Zij werden steeds Zijn hulp gewaar,

In zielsbenauwdheid, in gevaar.

 

Dan kan het water soms wel tot aan de lippen komen, maar het zal er nooit over gaan. Hij handelt met Zijn volk, zoals hier bij Israël, nooit naar hun zonden en naar hun afmakingen. Ook niet, al gebruikt Hij in Zijn Vaderlijke kastijdende liefde soms zelfs een vijand als een tuchtroede in Zijn hand, zoals hier Amalek.

 

Dat hier juist Amalek op Israël aanvalt is niet toevallig. De Amalekieten stamden immers af van Amalek, de kleinzoon van Ezau. We hebben hier dus een episode uit de eeuwenoude vijandschap tussen Jakob en Ezau. Dat wil zeggen: tussen het Vrouwenzaad en het slangenzaad. Het is de strijd die reeds in het paradijs is ontbrand. Daarom vinden we hier de eeuwenoude strijd tussen satan en Christus.

Wanneer we een ogenblik letten op Amalek, de vijand van Israël, dan zien we dat Amalek een beeld is van de vijand van Gods kinderen. De Amalekieten waren een wild volk. Ze waren woest, ontembaar, goddeloos. Ze leefden van de roof, zonder vaste woonplaats. De Amalekieten waren een soort zwervers, die rovend uitgingen van de ene plaats naar de andere.

Als Bileam later zijn spreuk uitspreekt in een profetie over het volk van Israël, dan ziet hij Amalek opkomen en dan zegt hij: Amalek is de eersteling der heidenen, dat wil zeggen: zo geweldig en zo machtig. Maar dan zegt hij ook: Zijn uiterste – dat is zijn laatste – is ten verderve (Num.24:20). Daar zal God ten slotte mee afrekenen. Dat wil dus zeggen dat Amalek geheel en al zal worden uitgeroeid door God. Zo wilde de Heere dat.

En dat luisterde nauw! Want toen later koning Saul de Amalekieten moest verslaan en daarbij handelde tegen het bevel van de Heere door de koning van Amalek te sparen, werd hij vanwege zijn ongehoorzaamheid door God verworpen. Leest u het maar na in 1 Samuël 15.

 

De Amalekieten waren Israëls gevreesde vijanden en meest geduchte tegenstanders. Het was een volk dat geoefend was in de strijd, tot de tanden toe gewapend. En daartegenover staat Israël als een hulpeloos, een weerloos volk, ongeoefend in de strijd. Gods Woord zegt zelfs dat ze de strijd nog nooit gezien hadden. Het was een volk dat zelf in Egypte altijd door hun tegenstanders onderdrukt was geweest.

Ogenschijnlijk heeft Amalek dan ook alles mee: zijn kracht, zijn moed, zijn ervaring, zijn wapens, zijn krijgslisten, zijn schranderheid, zijn inzicht! En Israël heeft alles tegen: het is in zichzelf een hulpeloos, zwak, vreesachtig volk, ongeoefend en ongewapend.

Maar toch, gemeente, niet aan Amalek, maar aan dat hulpeloze volk Israël, aan het volk van God is de overwinning! De dichter zingt het en wij hebben het zo-even ook gezongen:

 

Neen, de Heer’ der heren

Doet ons triomferen;

Hij, geducht in macht,

Slaat elk gunstig gade

Die op Zijn genade

In benauwdheid wacht.

 

In werkelijkheid heeft Israël alles mee, want het heeft God mee! En Amalek heeft ten diepste alles tegen, want hij heeft de God van Israël tegen. De Heere strijdt voor Zijn volk.

 

Amalek is een beeld van de doodsvijanden van Gods Kerk. Dat zijn de vijanden die het altijd maar weer aangelegd hebben op de ondergang van Gods kinderen, ja, op de ondergang van het Koninkrijk der hemelen. Als iemand tot het geloof gekomen was werd er vroeger, op de gezelschappen van de oude christenen, wel gezegd: ‘Welkom in de strijd!’

Welke strijd? In de eerste plaats denk ik aan de satan, die de ‘verklager der broederen’ genoemd wordt. Hij gaat om als een briesende leeuw, als een grijpende wolf. Dit is echt het werk van satan; eerst verleidt hij tot de zonde en daarna eist hij bij God de ondergang van Gods kinderen.

 

Dan denk ik in de tweede plaats aan de wereld. Al hebben wij de wereld verlaten, dat wil zeggen: al hebben wij de wereld niet meer lief, daarom heeft de wereld ons nog niet losgelaten. U moet bedenken: de wereld is een geduchte vijand, die met alle betoverende kracht vooral ook op jonge harten aandringt. Want de wereld blijft haar gunst, haar eer, al haar vermeende rijkdommen en wellusten ons aanbieden en ons voorstellen, oogverblindend en met een geweldige kracht.

En wanneer we door genade de strijd tegen de wereld hebben aangebonden, dan dreigt de wereld. Want de wereld veracht ten diepste Gods kinderen, ja, ze vervloekt hen. De wereld haat Gods volk, bespot Gods kinderen. De wereld spuwt hen uit, om zo met duivels geweld de tere Godsvreze uit de ziel weg te nemen. De wereld tracht het hart van Gods kinderen van de Heere af te trekken en hen, als het mogelijk was, afvallig te maken, om hen te laten struikelen en hen ten slotte te laten verongelukken.

Dan is er nog een vijand, gemeente. Jonge mensen, hebben jullie die vijand wel eens leren kennen? Dat is de sterkste, de machtigste vijand. Die heeft in het diepste van ons hart zijn bolwerk opgericht. Daar huist hij. Dat is ons zondige bestaan, ons eigenlievend, goddeloze eigen ik. Want hier vanbinnen woont Amalek. Daar troont hij. Daar wonen de wereld en de satan die wij zijn toegevallen toen wij van God zijn afgevallen. Satan laat zijn eigendomsrecht gelden. We zijn immers in het paradijs wegens wangedrag weggejaagd uit Gods gemeenschap.

En nu zegt de Heere bij monde van Salomo, de wijze spreukendichter: Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens (Spr.4:23). Daaruit komen voort: boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen, onheilige gedachten en nog veel meer. David noemt zijn hart, als hij zichzelf leert kennen, ‘die vuile bron van al mijn wanbedrijven’. Want met onze gedachten zondigen we misschien nog wel het meest.

Dat wordt dan ook de meest smartelijke ervaring van het door God ontdekte hart, dat geleerd heeft tot alle boosheid geneigd te zijn. David zingt ervan en dat leeft ook in het hart van Gods oprechte volk:

 

Een stroom van ongerechtigheden

Had d’ overhand op mij.

 

De voortgaande ontdekkingen van ons hart brengen ons in het paradijs. Die voortgaande twistingen van God de Heilige Geest brengen ons bij de bron van alle kwaad. En daarom zegt David:

 

‘t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf.

Neen, ‘k ben in ongerechtigheid geboren.

Mijn zonde maakt mij ‘t voorwerp van Uw toren,

Reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.

 

Dan worden wij zelf, zoals dit wel eens terecht wordt uitgedrukt, Adam voor God. Dan belijden wij het met de diepste smart van ons leven: ‘O God, ik doe niet slechts zonde, maar ik bén niet anders dan zonde! O God, wees mij, zondaar, genadig!’ De apostel Paulus zegt in Romeinen 7: Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt (Rom.7:21).

 

En zoals satan ons hart de ware rust niet gunt, straks in het hemels Kanaän hierboven, in het Immanuëlsland, zo ligt het ook hier verklaard bij Amalek. Amalek wil Israël, het volk van God, verhinderen in te gaan in het aardse Kanaän. Amalek valt Israël onverhoeds aan. Verrassend, terwijl het volk er helemaal niet op bedacht is. Hij valt op lafhartige wijze aan in het achterste van het leger. Dat was de zwakste plaats, de plaats waar de vrouwen en kinderen waren. U moet eens lezen wat Mozes later in Deuteronomium 25 hierover schrijft. Dan geeft hij het volk het gebod tot volledige uitroeiing van Amalek als hij zegt: Gedenk wat u Amalek gedaan heeft, op de weg, als gij uit Egypte uittoogt; hoe hij u op de weg ontmoette en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als gij moede en mat waart. En dan zegt hij er ten slotte nog achter: En hij vreesde God niet (Deut.25:17-18). Daar moet u eens over nadenken.

 

Zo weet de duivel ook nauwkeurig onze zwakke plekken. Jongens en meisjes, denk er eens over na! Hij weet ook onze boezemzonden die voor anderen misschien verborgen blijven. Satan weet precies wat in ons is. Hij is een machtige tegenstander. Hij kent ook precies de zwakke plekken van Gods kinderen. Hij weet precies waar en hoe hij ons het felst kan treffen. Hij weet precies waar ons hart als een opengebroken stad is, waarvan de muren omver zijn getrokken, zodat de vijanden vrij in en uit kunnen gaan.

En dan komt satan, net als Amalek bij Israël, zonder dat we er soms zelf erg in hebben. Verrassend, zoals een granaat die inslaat. En vooral wel in een tijd en in ogenblikken dat ons hart zorgeloos is, zo aan de aarde verkleefd is. David zegt ook: ‘Hoe kleeft mijn ziel aan ‘t stof; ai, zie mijn nood.’ Dan verachtert het leven der genade. Als David ledig gaat op het dak van zijn paleis en hij zijn soldaten laat vechten, dan komt satan en valt op hem aan met duivelse list en duivels geweld. Dan valt David in de zonde met Bathseba.

Want, gemeente, laat dit toch steeds in onze gedachten zijn: genade bewaart een mens niet voor de zonde! Dat zien we aan David; dat zien we aan Petrus. Maar wel een leven dat nauw en teer aan God is verbonden kan ons ervoor bewaren, een leven in de dagelijkse omgang met God, een leven verkleefd aan de hemel, in de verborgen omgang met de Heere.

 

Ook na bijzonder vertroostend onderwijs, als we de Heere hebben mogen ontmoeten in Zijn Woord, werpt de duivel soms de meest gruwelijke en godslasterlijke gedachten in het hart. Zo probeert hij de ziel te verwonden en te verwoesten. Een zeker dichter zei: ‘Ik vrees dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is.’ Maar God is getrouw. Het is zo waar wat de Heere eens sprak: De strijd is niet uwe, maar Godes (2 Kron.20:15). En daarom zal er een grote schare toch zalig worden. De dichter zingt ervan: ‘Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen.’

 

We gaan in onze tweede gedachte letten op:

 

2. Israëls gebed

 

Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. We zien het als het ware in gedachten gebeuren: daar stort het machtige, zwaarbewapende Amalek zich op het zwakke en hulpeloze deel van het volk Israël.

En wat heel opmerkelijk is: hier komt voor het eerst in de Bijbel de persoon van Jozua voor. Calvijn zegt in zijn commentaar: ‘Het was een voorspel op zijn toekomstige roeping.’ Jozua werd ook hiermee door de Heere voorbereid op zijn toekomstige taak. We lezen: Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan en de staf Gods zal in mijn hand zijn. Met deze enkele woorden geeft Mozes er blijk van dat hij toch niet wilde vertrouwen op Israëls macht en sterkte, maar op de God van dat weerloze volk. Jozua doet zoals Mozes tot hem gezegd heeft. Hij stelt zich aan het hoofd van een leger en strijdt zo tegen Amalek.

Mozes, Aäron en Hur beklimmen de hoogte van een heuvel, vanwaar ze het gehele strijdende leger goed kunnen overzien. Ook de persoon van Hur komt hier voor het eerst in de Bijbel voor. Het is niet waarschijnlijk dat hij dezelfde Hur is als de grootvader van Bezaleël. Volgens een latere joodse overlevering zou hij de man van Mirjam geweest zijn, maar daar vinden we geen enkele grond voor in de Heilige Schrift.

Waar het nu om gaat is dit: Mozes heeft de staf Gods in zijn hand! Deze staf draagt die wonderlijke naam omdat Mozes door middel van deze staf vele en velerlei wonderen gedaan heeft. We weten hoe Mozes deze staf in Egypte voor Farao op de grond wierp, waarna deze staf direct veranderde in een slang. Met diezelfde staf Gods sloeg Mozes eens het water van Egypte, zodat dit in bloed veranderde. En als Israël staat aan de oever van de Rode Zee, voor een geweldige onmogelijkheid, dan heft Mozes die staf op over het water en valt er op wonderlijke wijze een droog pad door de zee. Met diezelfde staf sloeg Mozes de steenrots, zodat Israël zijn dorst kon lessen.

Het was de staf die tot Israël sprak van de wonderen van de allerhoogste God, van Gods grote daden. Want laten we wel bedenken: in die staf zelf was natuurlijk geen enkel vermogen, het was geen toverstaf. Die hadden de Egyptische tovenaars wel. Maar de staf die Mozes in de hand had heet in Gods Woord ‘de staf Gods’.

 

En met die staf Gods, hoog omhoog geheven, staat Mozes hier op de hoogte van een heuveltop. Hij heeft die staf omhoog geheven voor het oog van het strijdende volk. Hij vertoont die staf, hij laat die staf duidelijk zien aan Israël, om het volk te herinneren aan hun God, om hen te herinneren aan de almacht van hun God, aan de onveranderlijkheid van de Heere, aan Gods trouw en aan Zijn grote daden, om Israël daardoor te bemoedigen.

Biddende heft hij die staf Gods ook omhoog voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van de God van het volk Israël, om het hart van God te bewegen. Mozes bidt voor het volk. Hij bidt en zucht met het diepe gevoel van zijn eigen hulpeloosheid, zijn onwaardigheid, zijn diepe afhankelijkheid, ja, van zijn rechteloosheid en zijn nietigheid voor God. En biddende pleit hij op ‘s Heeren trouw, op Gods almacht, op Zijn barmhartigheid voor een schuldig Israël.

Mozes zucht in zijn hart, zoals ook eenmaal Josafat. We kunnen het lezen in 2 Kronieken 20. Hij zuchtte toen hij in een bijzonder bange strijd verkeerde: O onze God, (…) in ons is geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op U (2 Kron.20:12). Of zoals David zuchtte in Psalm 39: En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U (Ps.39:8). De Heere is een God Die wonderen werkt en Die Zijn Woord vervult.

Hebben wij het al eens geprobeerd, gemeente? Ook onze jonge mensen? ‘Op uw noodgeschrei deed Ik grote wond’ren.’ Staan we vaak niet te vlug en te vroeg op van onze knieën? Ik lees op het eind van Lukas 7 van die overspelige vrouw in het huis van Simon; ze bleef zo lang met begerige ogen staren op Christus, in een woordeloos gebed, totdat ze horen mocht: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ en: ‘Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede’.

 

Zie nu eens wat de Heere doet! Terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste, maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. Deze woorden hebben voor ons grote betekenis, ook voor onze jongens en meisjes. We krijgen hier onderwijs uit het Woord van God. Wat een wonder gebedsgeheim ontsluit zich hier! Wat een wonder Godsgeheim voor een volk dat, in de diepste nood en in de grootste strijd, geweld mag doen op het hart van God, op Zijn barmhartigheid. Dat volk mag pleiten op de Naam des Heeren, op de deugden des Heeren, op Zijn ontferming, op Zijn grote barmhartigheid in Christus Jezus. Dat volk mag dezelfde gebedsworstelingen kennen als Jakob, die zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen.32:26). Dat volk, zo ellendig en hulpeloos in zichzelf, zal toch ervaren:

 

‘t Is Isrels God, Die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

 

Dat mocht ook David ervaren, toen hij uitriep:

 

Want God was aan mijn zij;

Hij ondersteunde mij

In ‘t leed, dat mij genaakte.

 

Hoe machtig zijn de vijanden, hoe geducht, ja, onweerstaanbaar! Zonder ophouden leggen zij hun lagen, hun strikken, hun listen. Ze graven valkuilen om het volk te laten verongelukken. En hoe zwak en weerloos is Israël in zichzelf!

Dat geldt ook Gods kinderen, het geestelijk Israël. Het heeft in zichzelf geen geweer in deze strijd. Hoe blind zijn ze soms ook voor het gevaar dat dreigt. En toch, hoe overmoedig zijn ze soms nog in de strijd die ze aangaan. Ze onderschatten vaak de vijanden en overschatten zichzelf. Dat deed Petrus ook. Hij sprak tot de Heere Jezus: Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik toch niet geërgerd worden (Mark.14:29). En even later: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen (Mark.14:31). En dan is dit dikwijls het droeve gevolg voor Gods kinderen, dat ze niet waken en bidden, maar slapen of sluimeren als de vijanden komen. Dan verflauwt de gebedsijver, dan heeft de vijand de overhand. O, als de overwinning zou afhangen van ons, van onze ijver, van onze strijd, van onze trouw, van ons gebed, dan was het kwijt! Dan was het een eeuwig omkomen. Dan kon er niet één mens zalig worden.

Maar nu is er een meerdere Mozes, nu is er die dierbare Borg en Middelaar, de Heere Jezus Christus. Van Hem lezen wij dat Hij in de hof van Gethsémané als Borg voor Zijn volk bij God worstelt en zucht, in bloed en tranen. En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger (Luk.22:44). Daar moet u eens over nadenken; wat een voorbeeldig gebed! Wat een beschamend voorbeeld heeft Hij Zijn kinderen ook daarin nagelaten.

Daarom valt alle roem van de mens weg en ligt de eeuwige overwinning alleen in Hem, Die getrouw geweest is in alle dingen die bij God te doen zijn. Die getrouw geweest is tot de dood, ja tot de dood des kruises. Hij is de Held der hulp, bij Wie de Vader hulp besteld heeft, van Wie de dichter zingt – en wij doen het met hem – uit Psalm 89 vers 8:

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

Letten we nu in de derde plaats nog op:

 

3. Gods overwinning

 

Doch de handen van Mozes werden zwaar. Zal dan toch de vijand de overwinning behalen op Israël? De handen van Mozes worden moe. Hij is ook maar een mens; hij houdt het niet langer vol. De Schriftverklaarders schrijven: ‘Hij heeft waarschijnlijk de ene tijd de staf in de ene hand gehouden, de andere tijd in de andere hand en ten slotte heeft hij zijn beide handen om de staf geslagen, vanwege zijn vermoeidheid.’ Het ziet er daarom voor Israël een ogenblik zeer hachelijk uit. Zal het volk nu toch overwonnen worden?

Maar dan nemen Aaron en Hur een steen en legden die onder hem, dat hij daarop zat. Mozes mag een ogenblik rusten op een steen.

Zo schenkt de Heere ook aan Zijn kinderen in het midden van hun strijd wel eens ogenblikken dat ze mogen rusten, een ogenblik zalig mogen rusten en een zalige verkwikking mogen ontvangen, als ze mogen neerzitten en rusten op de uiterste Hoeksteen Christus. De bruid in het Hooglied zegt: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij (Hoogl.2:6). Dan mogen Gods kinderen in Hem al hun zaligheid en hun rust aanschouwen, zowel voor het tijdelijke leven als ook voor de dag der eeuwigheid. Als ze in alle bange strijd, bedreigd door vele vijanden, maar mogen zien op Hem, Die niet alleen de overste Leidsman is, maar ook de Voleinder van het geloof. Dan is het zo waar:

 

Want God was aan mijn zij.

Hij ondersteunde mij

In ‘t leed dat mij genaakte.

 

Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de één op deze, de ander op de andere zijde. We krijgen hier weer bijzonder onderwijs, gemeente. Want we ontmoeten hier een kostelijk voorbeeld van wat heet ‘de gemeenschap der heiligen’. Een voorbeeld om, zoals Aaron en Hur, met elkaar mee te leven, mee te lijden, ook wat betreft het gemeenteleven, het gezinsleven en overal waar God ons een taak of een plaats gegeven heeft. Voor elkaar te zuchten en te bidden, voor het zwakke, het aangevochtene, het hulpeloze, het bestredene. Opdat het zijn mag wat we lezen in de Schrift: En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede (1 Kor.12:26).

 

In de voorbede van Mozes voor Israël zien we een kostelijk beeld van Christus, de gezegende, geheel enige Middelaar van het Nieuwe Verbond. Hij is de Voorbidder Wiens gezegende handen nooit vermoeid raken. Van Hem en Zijn machtige voorbede zegt de apostel: ... alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr.7:25). Hij is de onvermoeide Voorbidder aan de rechterhand van de Vader. Als de Zijnen niet meer kunnen bidden, als het schijnt alsof elk woord terugkeert in hun boezem en de benauwdheid rijst, dan wordt het ervaren: ... alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Het kan zijn dat Gods kinderen bij ogenblikken niet durven bidden vanwege het inwonend bederf, zodat ze zich schamen voor God, en geen woord meer durven voortbrengen. Maar ook dan geldt het: ... alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Ook kan het gebeuren dat de wil er niet meer is om te bidden, dat er bitterheid of vijandschap in het hart is vanwege bepaalde omstandigheden. Maar Hij is Degene Die trouw geweest is in alle dingen die bij God te doen zijn. Hij draagt al de namen van de gegevenen des Vaders in Zijn hogepriesterlijk hart. Hij kent hen allen!

Hij kende hen reeds in de stilte van de eeuwigheid. Hij kent hen in hun dagelijkse noden, in hun verdriet, in hun zorg, in hun strijd. Jesaja zegt: In al hun benauwdheid was Hij benauwd (Jes.63:9). Hij weet ook wat maaksel ze zijn, gedachtig zijnde dat ze stof zijn, zwak van moed en klein van krachten. Vanwege Zijn herderlijke trouw draagt Hij zorg voor Zijn schapen, opdat ze niet zullen bezwijken op de weg, opdat ze niet zullen omkomen in de strijd. De Heere zei tot Petrus, die Hij door en door kende: Simon, Simon, zie, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:31-32).

 

Gemeente, Zijn bidden is tevens een eisen, op grond van Zijn aangebracht en verheerlijkt recht. Hij is niet alleen een pleitende, maar ook een eisende Hogepriester. Hij is de enige Voorbidder Die zeggen kan: ‘Vader, Ik wil...’ En dat alles op grond van Zijn dierbaar bloed. In het opheffen van Zijn doorboorde middelaarshanden toont Hij de Vader de liefdewonden die Hem geslagen zijn. Hij is de Enige Die zeggen kan: Doch Ik wist dat Gij Mij altijd hoort (Joh.11:42).

Alleen door Zijn voorbede en door Zijn overwinnende kracht is er straks de schare die niemand tellen kan voor Gods troon. Johannes op Patmos heeft ze gezien. Hij heeft de stem van de ouderling gehoord: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen? Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam. Daarom zijn zij voor de troon van God (Openb.7:13-15). Zij zijn alle strijd voor eeuwig te boven!

Dat is die grote wolk van geloofsgetuigen, die hier op aarde alle strijders in de loopbaan des geloofs toeroepen: ‘Godvruchte schaar, houd moed! Hij is getrouw, de Bron van alle goed!’ Als Gods kinderen dan bij ogenblikken eens heen mogen zien over de dood en het graf, als het hun vergund wordt te geloven dat ze eens uit de strijdende Kerk zullen overgaan in de triomferende Kerk, dan zeggen ze, ja, dan zingen ze:

 

In de grootste smarten

Blijven onze harten

In de Heer’ gerust.

‘k Zal Hem nooit vergeten,

Hem mijn Helper heten,

Al mijn hoop en lust.

 

Alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging. Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards. Letterlijk staat er: door de mond van het zwaard, zonder verschoning, meedogenloos. Als we het helemaal letterlijk nemen staat er hier eigenlijk maar één woordje: doodbijten. Dat is de wraak van God ten opzichte van Zijn vijanden. Zo rekent de Heere eens af met alle vijanden van Zijn Kerk.

 

En dan zegt de Heere tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.

Jozua mocht overwinnen, maar steunend op en gedragen door de eeuwige Rotssteen Christus. In deze overwinning is Jozua een beeld van de meerdere Jozua, de Heere Jezus Christus. Hij is het Die door de strijd van Zijn bitter lijden en sterven de helse vijand de kop vertreden heeft. In 1 Johannes 3 vers 8 lezen we: Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. Door Zijn overwinning aan het kruis heeft Hij over al Zijn vijanden getriomfeerd en heeft Hij voor al Zijn kinderen de weg gebaand door de woestijn van dit leven naar het eeuwig zalig leven, naar het Kanaän der rust.

En om Gods grote daden niet te vergeten moet Mozes deze overwinning optekenen in een boek. Waarom? Opdat heel Israël, tot in alle nageslachten, weten zou Wie de Heere voor Zijn volk was en is en eeuwig zijn zal. En ook dat Amalek, ja, dat alle vijanden eens zullen verdelgd worden.

 

Deze woorden staan ook opgetekend tot troost en bemoediging van Gods strijdende Kerk op aarde. Want u hebt er op te rekenen: hier is het en blijft het de strijdende Kerk! Al is satan een overwonnen vijand, toch verheffen de vijanden zich steeds weer. Satan heeft meerdere pijlen op zijn boog; steeds gebruikt hij weer ander wapentuig. Het is een bijzondere genade om onze vijanden te kennen en te onderkennen.

Toen Christus door satan verzocht geweest was in de woestijn, staat er zo heel opmerkelijk bij in het evangelie van Lukas: En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem – let wel – voor een tijd (Luk.4:13). O, als de strijd des geloofs u niet vreemd is, hebt u daar op te rekenen. De duivel zal nooit aflaten!

Thomas Manton, een Engelse oudvader, heeft een schitterend boek geschreven over de verzoekingen van Christus in de woestijn. Daarin schrijft hij onder meer: ‘De duivel is net als een wolf die Gods volk maar achterna jaagt, om het te verscheuren en te verslinden; als hij weggejaagd wordt komt hij toch steeds weer terug, totdat hij denkt ten slotte zijn prooi te kunnen verslinden.’ Hier op aarde zal de strijd nooit ophouden. Daarom leert Christus ons in de strijd van het leven: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt (Matth.26:41).

 

Eenmaal zal Amalek geheel en voor eeuwig overwonnen zijn! Dan zal het zijn:

 

‘k Heb d’ overhand verkregen!

Gij, Heer’, alleen, Gij zijt

Verwinnaar in de strijd

En geeft Uw volk de zegen.

 

O, wat gunnen ze Hem de eer van harte!

 

Ten slotte lezen we nog: En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde zijn naam: de Heere is mijn Banier. Genade geeft God de eer; genade gunt God ook de eer. Hij steekt boven allen uit. Hij is hun Banier, hun Vaandel waar dat volk zich omheen schaart.

Zo mocht Mozes eindigen in de Heere. Zo is en blijft Hij ook de enige roem voor een strijdende zondaar, die mag overwinnen in Hem. Daarom zegt Paulus: Die roemt, roeme in de Heere (1 Kor.1:31).

 

Gemeente, jongens en meisjes, een vraag: Hebben wij van deze geschiedenis iets verstaan? En dan bedoel ik het niet alleen geschiedkundig, maar hebben we er ook zielsbevindelijk betrekking op gekregen? Hebben wij in deze geschiedenis onszelf herkend? De apostel zegt: Strijd de goede strijd des geloofs, grijpt naar het eeuwige leven (1 Tim.6:12). Aan welke zijde staan wij? Aan welke zijde strijden wij? Wees eens eerlijk met uw hart voor God. Strijden we misschien nog tégen de Heere? Strijden we misschien nog voor onszelf? Die strijd verliezen we vroeg of laat. Het is nu nog het heden der genade. Bij de Heere is goedertierenheid en veel verlossing. O, leg toch uw wapens eens neer aan de voeten van die grote Koning. Hij is een goedertieren Koning. Laat u overwinnen door Hem. Want die overwint zal alles beërven; hier reeds de vrede met God en straks de zaligheid voor uw ziel.

Zijn deze wegen u niet vreemd? Wel, het geheim van uw strijd is dit: verliezende zult u steeds meer overwinnaar zijn. Christus zegt het Zelf: Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden (Luk.9:24). En: Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn (Joh.12:26). En voordat Hij scheidde uit deze wereld heeft Hij gezegd: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33). Dan doet Hij in alle strijd ervaren: De jongelingen zullen gewisselijk vallen; maar die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen (Jes.40:30-31).

 

De meerdere Mozes leeft! Hij is dood geweest, maar ziet, Hij leeft tot in alle eeuwigheid. Hij leeft om voor de Zijnen te bidden: Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt (Joh.17:11).

Dan is de strijd straks voor eeuwig gestreden. In het hemels Kanaän is de Vader voor eeuwig bevredigd met Zijn kinderen. Dan is de Bruidegom, Christus, voor eeuwig verblijd met Zijn bruid, die Hij verkreeg met Zijn bloed. Dan rust de Heilige Geest van alle arbeid. Dan zal het zijn: En de liefde is Zijn banier over mij (Hoogl.2:4).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 3: 4

 

Sta op, verlos mij, Heer’!
Gij hebt, o God, weleer
Getoond voor mij te waken,
Mijn haters onderdrukt;
En mij ‘t gevaar ontrukt;
Gij sloegt hen op de kaken,
Verbrekend onverwacht
Hun tanden door Uw macht;
‘k Heb d’ overhand verkregen.
Gij, Heer’, alleen, Gij zijt
Verwinnaar in de strijd,
En geeft Uw volk de zegen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)