Ds. R. Kattenberg - Openbaring 4 : 2 - 3

Het hemels troongezicht

Wie zit er op de troon?
Wat is er rondom de troon?
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Openbaring 4 : 2 - 3

Openbaring 4
2
En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.
3
En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien der steen Smaragd gelijk.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 97: 1, 7
Lezen : Openbaring 4
Zingen : Psalm 103: 6, 7
Zingen : Psalm 7: 4
Zingen : Psalm 132: 5

Als de onderstreepte gedeelten worden weggelaten, is de preek ook geschikt om op een ander moment te lezen.

 

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in Openbaring 4, daarvan de verzen 2 en 3. Johannes schrijft daar:

 

En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel en er zat Eén op de troon. En Die daarop zat, was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien der steen Smaragd gelijk.

 

Het thema van de preek is: Het hemels troongezicht.

 

Twee aandachtspunten daarbij, in de vorm van twee vragen:

1. Wie zit er op de troon?

2. Wat is er rondom de troon?

 

1. Wie zit er op de troon?

 

Gemeente, dat was een onverwachte, genadevolle en bijzondere verrassing voor Johannes. Wat dan? Wel, een open deur in de hemel! Na dezen zag ik en ziet, een deur was geopend in de hemel. Johannes zit verbannen op Patmos. De duivel heeft zijn hand op hem gelegd en gezegd: ‘Weg jij, niet meer dienstdoen in het Koninkrijk van God; je zult je laatste dagen in eenzaamheid slijten.’ Maar dan gaat de hemel open en laat God het horen: ‘Denk erom, Johannes: Ik ben er ook nog! Sterker nog: Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde. Zou nietig stof Mij het hoog gezag ontwringen?’

Dan blijkt de deur open. En in de duisternis en verdrukking van zijn leven mag Johannes dingen zien die nauwelijks door een mens zijn uit te spreken. Wat een genadevolle toewending van de hemel, wanneer de Heere zegt: ‘Mijn kind, Ik weet wat u nodig hebt. En Ik wéét dat niet alleen, Ik laat dat ook merken. Kom, Johannes, Ik zal u eens gaan vertroosten. Kom hier op en Ik zal u tonen hetgeen na dezen geschieden moet.’

En als Johannes dan opkomt en als hij dan rondkijkt in de hemel, waarvan de deur geopend is, dan blijkt de hemel niet leeg te zijn. Nee, daar is gelijk iets dat zijn aandacht trekt. In het centrum van de hemel ziet hij een troon en op die troon zit er Eén. Wie is dat? Dat is God. Nader bepaald: God de Vader. God zit daar als Rechter om te oordelen, maar Hij zit er vooral ook om als Koning Zijn gemeente te regeren en te beschermen.

 

En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel en er zat Eén op de troon. Wilt u wel een streepje zetten onder dat woordje ‘zat’? Daar zit er Eén. God de Vader zit. Dan moet je in zo’n rusteloze wereld zijn als Johannes. Dan moet je vervolgd worden en verdrukt, gemangeld aan alle kant, onrust en stress en noemt u maar op. En dan mag je zien dat er Eén is Die zit!

Wat een stilte gaat daarvan uit, wat een rust, wat een vrede! Maar ook: wat een troost houdt dat in voor Johannes. Leeft hij niet in een wereld vol van dreiging en vol van verdrukking en van moeite? Schijnt de vorst der duisternis het uiteindelijk niet voor het zeggen te hebben? Zet satan niet de toon in de wereld waarin Johannes leeft? En kijk nu, terwijl de wereld raast, terwijl de kerk wordt opgejaagd door de overste der wereld, terwijl het rumoer der volken gehoord wordt en terwijl de slagen vallen links en rechts, zit daar de Heere!

Het lijkt allemaal wel chaotisch, het lijkt allemaal wel vreselijk, en het is ook vreselijk, maar ondertussen laat de Heere het zien: Johannes, heb er erg in: Ik houd de teugels van het wereldgebeuren in handen. God, de Heere, regeert! De Heere zit. Daarin wil God openbaren: Zie je het, Johannes? Ik kan het zittende af. Ik kan het zittende aan.

 

Gemeente, kennen we in de verbijsterende wereld van vandaag ook niet vragen die je zo terug kunt brengen naar dit schriftgedeelte? Meisjes en jongens die zich afvragen: waar is God nu? Waar is God nu, als zulke vreselijke dingen gebeuren in de wereld waarvan jullie deel uitmaken? Waar is God, als vreselijke dingen gebeuren, soms ook in jonge levens? Een ander zegt: Wat doet God nu? Laat God nu eens wat doen! Nu, zegt Johannes, kijk eens mee: God doet wat. Wat dan? God zit.

 

Misschien is dat een heel teleurstellend antwoord. Want je zou zeggen: ik had veel liever dat God dit of dat deed. O jonge mensen, wat een zegen dat we het vanmorgen, op de nieuwjaarsmorgen, bij het begin van het nieuwe jaar, zo mogen zeggen: God, de Heere, zit. Dat wil niet zeggen dat het God onbewogen laat, wat er passeert op deze wereld. Helemaal niet! Maar als jij nu ook zoekt naar iets van rust in deze wereld, als je het er thuis misschien over hebt met je vader of je moeder: ‘Wat voor vastheid is er nu in deze wereld?’, dan kunnen ze je maar op Eén wijzen. Dat is op God, Die zit. Hij laat niet varen de werken van Zijn handen.

Wat denk je, als mensen door het geloof, zoals Johannes, op die zittende God mogen zien, zouden ze dan niet zingen, ook in de onrustige wereld van vandaag: ‘Rust, mijn ziel, uw God is Koning, heel de wereld Zijn gebied. Alles wisselt op Zijn wenken, maar Hijzelf – de Onveranderlijke – Hijzelf verandert niet!’

 

Ik zit, zegt God. Johannes, het loopt Mij niet uit de hand. En wat eeuwen geleden gold, gemeente, dat geldt ook in de wereld van vandaag. In wat voor wereld leven we toch! Een wereld die vol is met kinderen die van honger dreigen om te komen of die metterdaad van honger omkomen. In wat voor wereld leven we! Bommen vallen, dan hier, dan daar. Troepen rukken op van alle kanten. In wat voor wereld we leven? In een wereld waarin zelfmoordaanslagen plaatsvinden.

O gemeente, wat is er hier, vanwege de zonde, een onstellende chaos. Laten we eerlijk zijn, wij kunnen het allemaal ook niet meer volgen. Maar ondertussen: de chaos is er. De wereld laat zich aan ons zien als een zee van wanhoop, als één grote aangelegenheid van moeite, ellende en verderf.

De Heilige Geest zegt: Als deze moeitevolle tijd niet verkort zou worden, dan zou het zelfs voor de uitverkorenen ondraaglijk zijn. Zo’n wereld kunnen we ons niet te chaotisch voorstellen.

Maar toch: er is rust, rust hierboven. God de Vader zit. De stilte van de Vader in het huis met zijn vele woningen. Hij zit op Zijn troon en het is alsof de Heere zegt: Johannes, kijk nu eens – want het is tot uw bemoediging – zie je de troon van Gods genade, met daarop de God van alle genade? Al is nu heel de wereld er op uit om het Koninkrijk van God tegen te staan, al is heel de wereld er op uit om de troon van God naar beneden te halen, Johannes, Ik, de Heere, ken geen onrust.

 

Gemeente, Hij is zeker van Zijn zaak. Hij is ook zeker van Zijn overwinning. Hij regeert en Hij doet dat al eeuwenlang. Hij doet alles wat Hem behaagt. Hij volvoert Zijn eeuwige raad. Slaan we zo de krant wel eens open? Gaan we zo het nieuwe jaar in?

Misschien durf je het niet hardop te zeggen, meisjes en jongens, want ze mochten eens denken dat je vroom bent, maar misschien zeg je: ‘Heere, U regeert toch?’ Als er één ding is dat rust geeft in deze wereld, dan is dat het. Dan gaat het er natuurlijk wel om dat je Hem ook kent. Dat we ons één weten met de Koning van het Koninkrijk. Dat we wederom geboren zijn tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Dat we ons één weten met het Lam van God. Dat we weet hebben van Gods genade in Jezus Christus. En daarom, altijd, vanuit elke invalshoek van het Evangelie, is er de roepstem, de aandrang, dat we ons tot Hem zullen wenden en dat we het van Hem zullen verwachten, door de Heilige Geest. Vandaag staat de deur open en heden laat God het horen: ‘Zie, daar is een plaats bij Mij!’

Vraag het aan Johannes. Hij zal zeggen: ‘Ja hoor, ik heb het gezien, het Vaderhuis met zijn vele woningen, en de Vader zit!’ Wie zo, door het geloof, zich één mag weten met de Heere Jezus Christus, die zal éénmaal ingaan in deze rust.

Zouden we elkaar dan niet opwekken om het bij deze Heere te zoeken? Sterker nog, gemeente, roept de Heere Zelf ons daartoe niet op? ‘Zoek Mij en leef!’ In deze wereld is toch een vast punt van rust! Augustinus heeft gezegd: ‘Onrustig is ons hart in ons, totdat het rust vindt in U, o God.’

 

Als we zo een klein beetje zicht hebben op de gebeurtenissen die zich afspelen in deze grote wereld, maar ook op onbegrijpelijke gebeurtenissen in onze familie of vriendenkring, dan kan dat alleen vanuit Hem, Die op de troon zit. Dan hoeven we de Heere niet na te rekenen. Dan hoeven we niet te zeggen: ‘Kijk, dit is daarom zus en dat is daarom zo, snap je het nu?’ Nee, gemeente, zo werkt het niet. Of liever: zo werkt de Heilige Geest niet.

Meisjes en jongens, er zullen ook bij het geopende Woord van God vragen overblijven. En dan moeten we ook eerlijk zijn en zeggen: ‘Ja, dat weet ik ook niet, dat begrijp ik ook niet.’ Maar dat is niet zo erg. Veel erger is het als je, koste wat kost, toch een antwoord wilt construeren. Gemeente, het is zo erg niet om te zeggen: ‘Ik weet het ook niet.’ Zullen we het overgeven in Gods hand? Zullen we het aan Hem toevertrouwen?

 

Jonge mensen, nogmaals: dan ben je van je vragen niet af. Maar dat vind je meer in de Bijbel: mensen die met hun vragen bleven zitten en die ermee worstelden voor het aangezicht van God.

Ik geef u een voorbeeld uit Psalm 44. Daar zegt de dichter dingen waarvan je zegt: mag je dat eigenlijk wel zeggen? Ik zal het u voorlezen uit Psalm 44. Daar wordt God aangesproken en dan zegt de dichter: Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere? Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid (Ps.44:24). En dan gaat het vooral om dat eerste: Waak op, waarom zoudt Gij slapen? Durft u, durf jij dan te denken of te zeggen dat de Heere slaapt? Maar dan hebben we gelijk het antwoord bij de hand, want dan moet je Psalm 121 lezen: ‘Hij, Israëls Wachter, slaapt niet en sluimert niet.’ Maar voor de man Gods lijkt het of God slaapt. ‘Waarom, Heere, waarom zoudt U slapen? Ziet U dan niet wat er gebeurt? Merkt U dan niet hoezeer we U nodig hebben?’ Wat een worsteling!

Nog zo iemand, één van de kleine profeten: Habakuk. Hij begint er zijn profetie mee, als we lezen: Heere, hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet? Hoe lang roep ik geweld tot U, en Gij verlost niet? Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist en men neemt gekijf op (Hab.1:2-3). U ziet het, de man Gods zit er middenin. Hij roept, hij roept, en God zegt niets.

Merkt u die worsteling? Ik zou zeggen: was er maar meer die worsteling met God. Was er maar meer die worsteling om God. We zouden ook meer de vertroosting ontvangen van de God van alle genade.

 

Misschien zit u ermee, ook vanuit uw eigen leven. Heb je je vragen en raadsels meegebracht naar het huis van de Heere? Als ik sta voor het Woord van God, dan weet ik me veroordeeld aan alle kanten. Wat kan ik nu anders verwachten dan dat God me wegstuurt en zegt: ‘Mens, Ik wil nooit meer met je te doen hebben!’ Dat is ook een worsteling.

Aanvallen van satan: ‘Zou je wel naar de kerk gaan vanmorgen? Het helpt immers toch allemaal niks. Hoe lang roept u, roep jij al en God antwoordt niet?’ Wat een wonder, maar ook wat een zegen, gemeente, dat we vanmorgen, op de nieuwjaarsmorgen, mogen horen wat Johannes ziet. Iemand die voortgedreven wordt door onweer, verdrukt aan alle kanten, iemand die zegt: ‘Wanneer zal ik voor Gods aangezicht verschijnen?’, zo iemand mag vanmorgen hier houvast vinden, troost en sterkte. Johannes mag het Woord van de Heere doorgeven, ook in de wereld van vandaag.

 

Johannes ziet Hem, de Heere der heerscharen, Die op Zijn troon zit. En hoe maakt hij ons nu duidelijk wat hij ziet? Met woorden die tegelijkertijd beelden aangeven. We lezen: Er was een troon gezet in de hemel en er zat Eén op de troon en Die daarop zat was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk.

Maakt Johannes een tekening van God, de Heere? Nee. Geeft hij een bepaald beeld aan, zodat je zegt: ‘Ik zie wat contouren, wat omtrekken’? Ook niet. Wat doet hij eigenlijk? Wel, hij geeft alleen maar een spel van kleuren aan en een glans van edelstenen.

En Die daarop zat was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk. Dat staat er natuurlijk niet voor niets; dat heeft wel zijn bedoeling. Wat is dan de bedoeling?

 

Allereerst gaat het hier over de majesteit en de hoogheid van God. God is omringd door een schitterende glans. Johannes ziet daar in de hemel een stralend licht, want het aanzien van de Heere is als de steen Jaspis. Bij Jaspis zullen we moeten denken aan kristal of aan diamant. En dan niet zomaar een klein stukje, maar een zee, een volheid van Jaspis, van diamant, van kristal. Een volheid van verblindend licht. Het gaat om God, de Heilige, de vlekkeloos Heilige. ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere der heerscharen!’ Denk daar maar aan als u dat woordje Jaspis leest.

En Sardius? Dat is een edelsteen van een rode kleur. Rood is in de Heilige Schrift meer dan eens een teken van Gods toorn over de zonde. Rood, dat heeft iets dreigends. De toorn van God over alle ongerechtigheid. De apostel zegt het ons: ‘God is een verterend vuur.’ U kijkt naar die edelsteen Sardius. Grijpt het u aan? Met deze God worden we geconfronteerd. En met deze God staan we ook oog in oog op de eerste morgen van het nieuwe jaar, in de dienst der verzoening.

Wat doet die heiligheid van God? Die verteert een zondig mensenkind. Kunt u wonen bij de hoogheilige God? Hebt u iets wat opweegt tegen de heiligheid van de Almachtige? Wie kan bestaan voor Hem? Komt het ineens op u af, ontmaskerend, ontdekkend? Meisjes, jongens, doet het je zeggen: ‘Wie ben ik eigenlijk? Wie ben ik voor God? Wie ben ik voor de Hoogheilige?’ Zonde hier en ongerechtigheid daar in je jonge leven. Wat klopt er van me voor God?

Wie zou niet vrezen? Wie is niet ontsteld als de heiligheid van God op je afkomt, ook door middel van deze paar woorden? Er mag dan een open deur zijn in de hemel en je mag dan binnen kunnen gaan in de hemel, maar als het dan uitloopt op de ontmoeting met de hoogheilige God, wat dan? Als je dan komt te staan tegenover de rechtvaardige God, klemt dan niet de vraag: wie, wie kan voor God bestaan?

 

Misschien denkt er iemand: hoe is het toch mogelijk dat Johannes daar zomaar naar binnen kan gaan? De heiligheid van God en de hoogheid van God en al de deugden van God en dan toch binnengaan? Hoe kan dat? Wie kan er staan voor het aangezicht van God? Weet u wie? Een ieder die in Jezus Christus is. Want wie in Christus is, die is een nieuw schepsel en die kan voor God bestaan.

Weten we dat wel zeker? Ja, gemeente! Hoe dan? Rood is ook de kleur van de gerechtigheid die Christus verworven heeft! Rood is de kleur van de gerechtigheid van het Lam van God! En dan denkt u met mij aan het bloed van het Lam van God. Johannes geeft het ons door: Rood – God toornt ten allen dage over de zonde. Rood – God openbaart Zijn genade in de Heere Jezus Christus. God de Heere is in Christus de God van alle genade. Hij, van Wie de bruid zegt: ‘Hij is blank en Hij is rood en Hij draagt de banier boven tienduizend.’

Gemeente, zo legt God in Christus ook vanmorgen Zijn hart open. God ziet geen zonde door de vingers. God zegt niet: ‘Meisje, jongen, ach, je bedoelt het wel goed en laten we er dan maar een streep door geven.’ Dat zeggen wij wel eens in het dagelijks leven: ‘Nou ja, we praten er verder niet over; zand erover!’ Maar zo is het bij God niet. God legt er wel iets over in je leven, als het goed is: geen zand, maar bloed. God zegt: Bloed erover! Nee, God kan en wil geen zonde door de vingers zien. God wil veel méér: God wil zonden vergéven! Vergeven! Hoort u dat? En daartoe brengt Hij Zijn genade nabij u in het Woord van Zijn genade en zegt Hij: ‘Weet het, bij Mij is alles te vinden wat u nodig hebt tot een getroost leven en tot een zalig sterven.’

Bij Hem is de genade van de wedergeboorte. Bij Hem de genade van de bekering. Bij Hem de genade van het geloof. Bij Hem de genade van de rechtvaardiging. Kortom, zó veel, dat de Heere zegt: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen (Ps.81:11). Want er is overvloed bij Hem. ‘Kom tot de troon van Mijn genade’, zo nodigt God. Kom tot Hem Die daarop zit en Die Johannes ons hier tekent.

 

De Heilige Geest wil ook vandaag overredend en overtuigend werken in zondaarsharten. U zegt: ‘Ja, maar moet je eens kijken wat voor leven ik heb! Als alles je aanklaagt, als er niks goed is, als je alleen maar schuld hebt en ongerechtigheid...’ ‘Kom dan’, zegt de Heere, ‘en laten we samen richten.’ U zegt: ‘Maar dat is mijn dood!’ Luister: ‘Al waren uw zonden rood als karmozijn, ze zullen worden wit als sneeuw. Al zijn ze bloedrood, ze zullen worden wit als de wol.’

De Heere wacht. Hij wacht om genadig te zijn. En aan de waardigheid en de waarachtigheid van Zijn spreken en de hartelijkheid van de nodiging wil de Heere kracht bijzetten, als Johannes ons opmerkzaam maakt op nog iets wat hij ziet. Wat ziet hij dan nog meer? Daarover straks, maar eerst zingen we uit Psalm 7 vers 4:

 

Zo zullen zich gehele scharen

Van volken om U heen vergaren.

Beklim dan, boven dit gewoel,

Uw hemeltroon, Uw rechterstoel.

De Heer’ zal al de volken richten

En ‘t onrecht voor het recht doen zwichten.

Geef dan, o Heer’, dat voor elks oog

Mijn recht en vroomheid blijken moog’.

 

2. Wat is er rondom de troon?

 

En een regenboog was rondom de troon, in het aanzien de steen Smaragd gelijk. Het zal ons waarschijnlijk allemaal wel eender vergaan, gemeente; als we dat woordje ‘regenboog’ horen, denken we tegelijk aan Noach. Ja toch? En de kinderen zeker wel. Dat verhaal kennen jullie toch, van Noach en de ark? Dat mooie verhaal, maar tegelijkertijd ook dat moeilijke verhaal. Mooi, als Noach behouden blijft en gespaard wordt, maar moeilijk als al de mensen die toen leefden omkwamen in de zondvloed. Wat waren de zonden van de mensen groot geworden. Zo groot, dat de Heere gezegd heeft: ‘Het kan zo niet langer.’ God maakte er een einde aan. Mensen en beesten kwamen om in de grote vloed. Dat betekent namelijk het woordje zondvloed: grote vloed. Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren. Hij was veilig in de ark.

En toen hij uit de ark kwam, heeft de Heere hem wat beloofd. Toen heeft de Heere gezegd: ‘Noach, luister, dat zal nooit meer gebeuren, dat de aarde zal vergaan door een watervloed.’ En toen heeft de Heere gezegd: ‘Ik geef bij dat woord ook een teken. Kijk, Noach, Ik geef Mijn boog in de wolken. Wat Ik beloofd heb, zal Ik ook doen. Je kunt het zien.’

Gemeente, daar mogen ook wij aan denken, zo vaak als we de regenboog zien. Als die boog heel mooi is, roep je ook de ander die thuis is erbij en zeg je: ‘Moet je nu eens kijken, heb je ooit zo’n prachtige regenboog gezien? Moet je die kleuren zien!’ En als hij er helder uitkomt, dan zie je soms wel een dubbele regenboog. Wat majesteitelijk en wat indrukwekkend!

 

Maar er is nog iets. Ik zei u al: waarom is die boog er? Waar houdt dat verband mee? Het brengt ons ook terug bij de zonde van de mensheid van toen. U moet bij die boog dus ook denken aan de zonde en aan het feit dat de Heere God de zonde niet ongestraft laat. En dan komt er iemand naast je staan, die zegt: ‘Heb je nu zó ook wel eens naar de regenboog gekeken?’ Zeker, die kleuren zijn prachtig en het is de boog van Gods trouw – daar kom ik zo nog wel op terug – maar heb je nu in die regenboog ook je zonde afgelezen? Want dat die regenboog er is, dat gaat terug op het feit dat de mensheid het verzondigd had.

Betrek het eens op uw eigen leven, gemeente. Wie moet er dan niet omkomen in de vloed van de toorn van God? U niet? Jij niet? Bent u, ben jij zonder zonde? Wie redt zich, als God Zijn toorn openbaart? Zit u er mee? Zit u er mee, als het gaat om de boodschap van de regenboog? Wat een veroordelend spreken over het leven van de mens! Je zult je zonden maar zien in het licht van de regenboog. En het zal je maar brengen bij de vraag: wie kent Gods toorn? ‘Wie kent Uw verbolgenheid,’ zegt Mozes, ‘naar dat Gij te vrezen zijt? Wij worden verschrikt door Uw grimmigheden.’

 

Dat is één, gemeente. En het tweede is die andere kant: de kant van de genade van God. Want in de vloed van de toorn van God is er Eén vrijwillig afgedaald. Hij liet Zich leggen in de kribbe van Bethlehem. Hij liet Zich nagelen aan het vloekhout der schande. Het is onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. In de vloedgolven van Gods toorn is die Ene ingegaan, van Wie wij belijden: ‘Nedergedaald ter helle.’ Hij roept het ons vanuit Zijn werken, vanuit Zijn verdienste, zó toe, dat het geloof zich er aan mag optrekken: ‘Ik heb voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven, Mijn lichaam overgegeven in de vloedgolven van de toom van God.’

En let er dan goed op, gemeente, dat het oude en nieuwe verbond hier elkaar de hand reiken. Want als je de geschiedenis van Noach leest, zijn er dingen die opvallen, ook in verband met Openbaring 4. Die sluiten nauw op elkaar aan. Weet u wanneer Noach de boog in de wolken zag? Het was toen hij het offer bracht, toen de Heere de lieflijke geur rook van dat offer. En dat was een prediking van wat komen zou, een prediking van het offer van Golgotha. Een prediking van hét Offer, van het Lam van God.

 

Kijk eens, Johannes, kijk eens hier, in de hemel: een troon en Eén op de troon en rondom de troon een regenboog. De regenboog, een prediking van Gods gericht. De regenboog, ook een prediking van Gods genade.

Gemeente, in Christus is de troon van het gericht van God de troon van Gods ontfermen. Genade door recht! Christus boog tot in de diepten van de dood en van de hel. Hij heeft de hitte van Gods gramschap geblust. En nu is het: ‘Gij vindt in gunst en niet in wraak Uw lust.’

 

En de diepgang van dat woord wordt onderstreept door het feit dat de boog door Johannes wordt gezien rondom de troon. Rondom! Gods troon wordt erdoor omringd aan alle kanten. We hebben zo nodig te weten dat die regenboog rondom de troon is. Wij zeggen vaak van de regenboog: ‘Kijk, daar leunt hij op de aarde – naar ons menselijk spreken – en zo loopt hij rond langs de hemel en daar leunt hij weer op de aarde.’ Maar Johannes ziet een boog rondom de troon. Daar is dus geen einde aan.

Zou dat ook wat te betekenen hebben? Nou en of! Wat dan? Wel, dat tekent ons de rijkdom van Gods genade. Dat predikt ons de nodiging van deze Heere en Koning. Een nodiging naar heel de wereld toe.

In die boog rondom de troon laat God het wereldwijd horen: ‘Ziet, daar is een plaats bij Mij!’ Daar is geen einde aan de kracht van het bloed van het Lam van God, tot vergeving van de zonde. Want de boog is rondom! Waar u ook woont, wat u ook gedaan hebt, wat u ook niet gedaan hebt, hoedanig uw leven ook is, wat u ook aanklaagt, gemeente, jonge mensen, altijd is er die boog. En overal is die boog. Rondom! En straks zal Johannes het zien en zeggen: Ze komen uit alle geslachten, volken, talen en natiën. Filistijnen, Tyriërs en Moren. En Handelingen 2 zegt het ons: Kretenzen en Arabieren en mensen uit Mesopotamië en zoveel anderen meer.

Hoe velen leerden reeds om met hun zonden en ellenden tot Hem zich te wenden tot genezing! Wat een krachtig werk van de Heilige Geest! Zo velen! En nog is er plaats. Kwam u al? Kwamen jullie al? Hij, Die op de troon zit, zal straks de Rechter zijn, om te oordelen de levenden en de doden.

 

Gemeente, nu krimpt ook vanmorgen het Evangelie van Gods genade samen tot één woord: Heden! God spreekt niet over gisteren, God spreekt ook niet overmorgen, maar: Heden! Nu! Nu is het de welaangename tijd en nu is het de dag van zaligheid. Hoog is de boog van de vrede en de Heere nodigt en Hij zegt: ‘Kom dan en kniel onder deze boog van vrede!’ De boog is het teken dat de wateren van Gods toorn zijn gezakt en dat God de God van vrede wil zijn voor verloren zondaren, door het bloed van het Lam.

Deze wereld is vol van lijden en geweld, vol van oorlog. Bommen vallen, troepen rukken op. Maar, gemeente, hier is het Evangelie van de vrede, van de Vredevorst. En wie gezeten is in de Schuilplaats van de Allerhoogste, die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige.

Waar is er een plek waar je veilig bent, meisjes en jongens? Waar kun je bestaan in het oordeel van God? Wel, hier alleen! O, gemeente, de nodiging gaat uit, onbeperkt en onbepaald, tot zondaren uit het menselijk geslacht. Laat niets en niemand u weerhouden, en uw zonden wel het allerminst. Ik meen dat het één van de Erskines was die gezegd heeft: ‘Je zonden zijn nu juist je aanbevelingsbrieven.’ Wat hebt u meegebracht? Je kunt toch met lege handen niet bij de Heere komen? ‘Hier, Heere, heel mijn verzondigde leven!’ O, weet het: hier wordt de rust geschonken. Hier is het bloed van het Lam. Hier openbaart God Zijn trouw, tot in het laatste nageslacht, ook in de wereld van vandaag. Hoor je het, meisjes en jongens? Allerlei sekten en stromingen zeggen: je moet dit en je moet dat. Ze werpen je terug op jezelf. Alles moet dan van jouw kant komen. Maar God laat genade prediken.

 

Let maar eens op de kleur van de boog. Er staat dat die boog in het aanzien de steen Smaragd gelijk was. Smaragd is groen. Die boog rondom de troon van God heeft een zachtgroene kleur. De regenboog in de natuur heeft een heleboel kleuren. Maar de boog die Johannes ziet heeft één kleur: zachtgroen.

Er zijn uitleggers die een link leggen naar de tijd van Noach. Die zeggen: ‘Dat zachtgroen wijst op het nieuwe leven; alles gaat weer uitbotten en alles gaat weer uitlopen, de aarde wordt als het ware vernieuwd.’ Er zijn anderen die zeggen: ‘Dat zachtgroene is de kleur van de trouw van God.’ Wij kennen de groene kleur als de kleur van de hoop, nietwaar? Ik denk niet dat we moeten kiezen tussen deze twee mogelijkheden, maar dat we ze veel beter samen kunnen voegen. De Heere maakt alle dingen nieuw en God openbaart zich in Zijn trouw. Dat betekent het groen van de boog: de trouwe God, de onveranderlijke God.

Johannes mag het zien. Johannes was een man die uit de Schrift geleefd heeft. En als wij hem daarin mogen volgen, dan weten we ook dat de Heere gezegd heeft: ‘Hetgeen uit Mijn lippen ging blijft vast en onverbroken.’ Kijk maar, Johannes, zie je die boog van smaragd, diepgroen? Zo trouw ben Ik nu. Ik houd getrouw Mijn Woord, het oude jaar uit, het nieuwe jaar in.

 

Gemeente, wat een tegenstelling als we het leven van ons mensen daarnaast zetten. Wij veranderen zelf keer op keer. Onze gedachten veranderen o zo dikwijls. De ene keer is het zus en de andere keer is het zo. En met de wereld waarin wij leven is het niet anders. Waar is nu zekerheid en waar is nu veiligheid te vinden? Alleen hier. En nog onderstreept die boog, bij alles wat er gebeurt, ook vandaag: de vastheid en de trouw van God.

Ik herinner me een lichtreclame van een verzekeringsmaatschappij: ‘Koop op tijd uw zekerheid.’ Zo gaat het niet in het Koninkrijk van God. Daar kóóp je geen zekerheid. God laat echter wel zekerheid prediken, in het bloed van het Lam. Dat is een onwrikbare zekerheid. Alles stort ineen, wat van deze wereld is. Maar God houdt Zijn Woord. De Heere zegt: ‘Ik ben de onveranderlijke God van het verbond.’

Dat laat de Heere ook zo vaak horen als het gaat om ons heil, als het gaat om onze zaligheid. De Heere zegt niet: het ene jaar is het zus en het andere jaar is het zo. Nee, God is niet een God van ja en nee, maar een God van ja en van amen. God is getrouw aan Zijn Woord. Als we de ernst daarvan toch eens beseften! Welke ernst? Wel, zoals onze belijdenis het zegt: ‘Als u genodigd wordt, dan wordt u ernstig genodigd.’ Serieus, staat er. We zouden dan niet zo snel zeggen: ‘Bedoelt de Heere ook mij?’ Gemeente, je zou overrompeld zijn, je zou overweldigd zijn: ‘O God, bedoelt U ook mij?’ Het zou je raken tot op de bodem van je hart, dat God nu tegen u en jou niet zegt: ‘Ga maar weg, Ik heb geen boodschap meer aan u.’ Maar de Heere zegt: ‘Kijk eens rondom Mijn troon; daar is de boog, een teken van de trouw van Mijn verbond, ook in deze wereld.’

Dan is het zo’n wonder dat je er nog bent, dat je nog in de kerk mag zitten op deze nieuwjaarsmorgen. Dan heeft God gezegd dat er doen aan is, al zou ik ook de grootste van de zondaren zijn! ‘Heere, U had voleinding met mij kunnen maken. U had mijn levensdraad kunnen afsnijden. U had kunnen zeggen: Ik wil je nooit meer zien. Maar dat U nu weer zegt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, al gij einden der aarde!’

Wat een trouw van God aan Zijn verbond! Gemeente, het is dan ook bevestigd in het bloed van het Lam. Het is een zeker verbond, in de dood van de Testamentmaker. Weet het: God kan van Zijn Woord niet af. Is dat uw en jouw troost? Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw (2 Tim.2:13). Deze God is onze God (…); Hij zal ons geleiden tot de dood toe (Ps.48:15).

Als u deze God tot uw Heere en tot uw Koning en tot uw Toevlucht niet hebt, gemeente, wordt het dan geen tijd? Straks komt de Koning om te oordelen de levenden en de doden, als alle onheilen zullen losbarsten, zoals de Openbaring daar verder ook van spreekt. Wat deze wereld in dit jaar allemaal te wachten staat, weten we niet. En daarom, voordat het gericht losbreekt, komt de Heere ook vanmorgen, op de eerste morgen van het jaar en Hij zegt: ‘Zie je nu met Johannes die boog in de hemel?’

Zeker, God is een heilig God. God ziet de zonde niet door de vingers. Maar God laat Zijn genade verkondigen, opdat u het weten zou: in een weg van recht en van gerechtigheid is er doen aan bij deze Heere en Koning.

Wat een troostvol woord in het strijdperk van dit leven. Als alles dreigt te vergaan en als alles omkomt, is nochtans die boog er om Gods troon.

 

Gemeente, dat geldt ook in het persoonlijk leven. Als u misschien verdriet hebt of rouw, als u ziek bent, ongeneeslijk ziek misschien, psychisch lijden misschien. Wat kan er niet allemaal omgaan in een mensenleven. Wat kan er allemaal niet spelen in je hart. Van wie moet u het dan verwachten? Waar kunnen we er mee terecht? Gód legt de weg open. Ook in stille nachten, als de slaap niet komen wil. Als moeiten en zorgen u overvallen. Als je tobt over je kinderen of als je tobt over het feit dat je geen kinderen hebt. Als je tobt over deze wereld. Als je tobt over je verloren leven.

De Heere zegt het tegen Zijn kinderen: ‘Als u zult gaan door het vuur, het zal u niet aansteken. Als u zult gaan door het water, het zal u niet overstromen.’ De Heere heeft niet gezegd: ‘Mijn kind, nu is het wel goed met je, nu hoef je nooit meer door het water en je hoeft nooit meer door het vuur.’ ‘Nee’, zegt de Heere, ‘áls je er door gaat, en u gáát er door, dan zal het water u niet overstromen en het vuur zal u niet aantasten, want Ik ben met u.’

 

De psalmen zijn vol van de aanvechtingen van de heiligen Gods. Ik noemde u er straks al een paar. En in dit verband kun je weer aan andere woorden denken: Al Uw golven en al Uw baren zijn over mij heengegaan. En toch: ik zing ‘s Heeren lof in het nachtelijk uur. Heere, ik roep U aan, in al mijn ellende en in al mijn nood en Gij verhoort mij.

De boog rondom de troon staat er borg voor dat de Heere het bevestigt in het leven van al Zijn kinderen: ‘Ik zal u niet begeven, écht niet, en Ik zal u niet verlaten.’

En dat blijkt ten volle en ten laatste als Gods kinderen voorgoed dit tranendal achter zich laten. Dan zal het vervuld zijn: De Heere is zo getrouw als sterk. Hij heeft Zijn werk voor mij voleindigd. Gemeente, dan zit de reis erop. Dan is het niet meer: ‘Hij zal het voleindigen’, maar: Hij hééft het voleindigd!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132: 5

 

Wij zullen in Zijn woning gaan;
Ons buigen, waar Zijn troon zal staan,
En bidden voor Zijn voetbank aan.
Sta op tot Uwe rust, o Heer’,
Met d’ arke van Uw sterkt’ en eer’.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)