Ds. H. Paul - Jesaja 32 : 2

De heerlijkheid van Christus

Jesaja 32
Een veilige schuilplaats
Een geopende fontein
Een verkwikkende schaduw
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 25)

Jesaja 32 : 2

Jesaja 32
2
En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 9
Lezen : Jesaja 31
: Jesaja 32: 1-8
Zingen : Psalm 72: 2, 7
Zingen : Psalm 65: 6
Zingen : Psalm 32: 4

De tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Jesaja 32, en daarvan het tweede vers, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.

 

Onze tekst is een profetie, die spreekt van: De heerlijkheid van Christus.

 

Daarin bezien we Hem als:

1. Een veilige schuilplaats. Die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.

2. Een geopende fontein. Als waterbeken in een dorre plaats.

3. Een verkwikkende schaduw. Als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.

 

1. Een veilige schuilplaats

 

Onze tekst is uit de profetie van Jesaja. Hij is één van de meest bekende profeten die onder Juda hebben geprofeteerd. Lange tijd is hij werkzaam geweest: onder de koningen Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia. Men zegt dat hij de marteldood is gestorven onder koning Manasse. Het was een donkere tijd. Een tijd waarin de dreigende macht van Assyrië de vrijheid van Juda scheen te niet te doen. Assyrië was een machtig rijk en Juda had te lijden onder de heerschappij en de dreiging van de koning van Assyrië. Tiglath-Pilézer en Sanherib waren machtige koningen. Waar zal Juda hulp zoeken?

Jesaja heeft de weg aangewezen, bij Wie voor hen hulp te verkrijgen was. In een voorgaand hoofdstuk, Jesaja 30, lezen we: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden. In stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn. Doch gij hebt niet gewild. Jesaja heeft Juda opgeroepen zich tot de Heere te bekeren en het van Hem te verwachten, van Hem Die wonderen doet. Maar ze hebben hun vertrouwen gesteld op Egypte. Ook een geweldig, een machtig rijk, met veel paarden, wagens en ruiters. Als Egypte aan hun zijde kwam, tegen Assyrië, dan zouden de vijanden niets meer kunnen doen, menen zij. Maar men gaat de Heere voorbij en verwacht het van mensen.

Daar waarschuwt Jesaja tegen: Wee degenen, die in Egypte om hulp aftrekken en steunen op paarden en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn; op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige Israëls en zoeken de Heere niet. Daar spreekt hij dus het ‘wee’ over uit. In feite zijn ze machteloos als de Heere hen niet helpt.

Dat lezen we ook in vers 3: Want de Egyptenaren zijn mensen en geen God en hun paarden zijn vlees en geen Geest; en de Heere zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal en die geholpen wordt, zal nedervallen. Zij zullen al tezamen te niet komen. Het zal niet baten als Egypte zou helpen. Niet van dat volk komt hun hulp, maar van de Heere. Ondanks hun zonden – denk daarbij aan het bewind van Achaz, waarbij de Heere getergd is – ondanks wat zij zich hadden waardig gemaakt, zou de Heere nog hulp en uitkomst geven. Jesaja mag dat profeteren.

 

Zo lezen we ook in vers 8 van hoofdstuk 31: En Assur zal vallen door het zwaard, niet van een man; en het zwaard niet van een mens, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden en zijn jongelingen zullen versmelten. De Heere is aan de spits getreden! We weten allemaal wel wanneer dat gebeurd is: de koning van Assyrië is verslagen in de tijd van koning Hizkia. Maar niet door het zwaard van een mens. In een nacht is een engel door het leger van de Assyriërs gegaan en honderdvijfentachtigduizend Assyriërs zijn toen gedood. Sanherib kwam niet meer terug, maar werd gedood in eigen land. Wat gaf de Heere een wonderlijke verlossing. Hij gaf nog uitkomst in Zijn lankmoedigheid.

 

Maar nu moeten we niet bij deze verlossing blijven staan, gemeente. Want deze verlossing is een heenwijzing naar, en een prediking van een veel heerlijker verlossing, die komen zou in de toekomst. De verlossing die door de Heere Jezus Christus zou worden aangebracht. Door die Koning, Die door God Zelf gegeven is.

Zo lezen we immers in vers 1 van hoofdstuk 32: Ziet, een Koning zal regeren in gerechtigheid; en de vorsten zullen heersen naar recht. Hier wordt dus gesproken van een Koning Die niet – zoals koning Achaz – tegen God vocht, maar een Koning Die regeren zal in gerechtigheid. Naar het recht van God. Naar de wil van de Heere. Naar Zijn heilige wet.

En dat is in de eerste plaats al vervuld in Hizkia. Want Hizkia was een man die God vreesde, die reeds jong de Heere diende. In zijn regering gaf hij gestalte aan de vreze Gods, die in Hem was. Het was een tweede David. Hij herstelde de dienst van de Heere in Juda, opende de tempel, regeerde naar Gods recht. Hij was een voorbeeld van godsvrucht. Hij was geen volmaakt mens, maar toch komen we onder de indruk van de oprechte godsvrucht van deze koning Hizkia. Dat is in de eerste plaats al vervulling van deze profetie.

 

Maar die profetie gaat verder. We kunnen bij Hizkia niet blijven staan. Want er zijn woorden in onze tekst en ook in het tekstverband, die de mens ver te boven gaan. Die kunnen niet van toepassing zijn op een aards mens. Die wijzen op de Messias, op de Christus Die komen zou, op Zijn heerlijkheid. We hebben daarvan gezongen uit Psalm 72. Dat is een psalm die in de eerste plaats gewijd is aan de koning Salomo. Toch gaat de inhoud de regering van Salomo te boven. Het is ook een profetie van de heerlijkheid van Christus. Want als er staat: Zo zal Hij Zijn volken richten met gerechtigheid, uw ellendigen met recht; Hij zal de armen en nooddruftigen verschonen, de zielen der nooddruftigen verlossen, dan gaat dat de aardse koning ver te boven. Dat is een profetie van de Heere Jezus Christus. Zo is ook deze profetie een profetie van dé Koning der gerechtigheid, Wiens dienaren, de apostelen, ook met Hem zullen heersen naar recht. Hij is dé Koning. De kanttekenaren wijzen er ook op. Weliswaar was Hij afgebeeld door Hizkia, maar Hij is dé Koning der gerechtigheid. Hij houdt Zich aan de normen van het recht van God.

Het woord ‘gerechtigheid’ heeft meerdere betekenissen. Het kan betekenen: de eisende gerechtigheid van God, Zijn rechtvaardigheid dus. Het kan ook betekenen: de gerechtigheid van Christus tot redding en zaligheid van zondaren. Maar hier betekent het woord: gerechtigheid overeenkomstig de wet. Hij zal regeren in gerechtigheid. Net als in Psalm 23. Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil, lezen we daar. Het is dus een heerlijke profetie van de Heere Jezus Christus en wijst op Zijn koningschap.

 

Maar de profetie gaat verder: onze tekst spreekt van de uitnemende heerlijkheid die in Hem te vinden is. Een volheid van genade wordt hier in deze drie onderscheiden zaken ons voor ogen gesteld. Zo lezen we allereerst: Die Man zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.

Het gaat hier over een veilige schuilplaats tegenover de vijandige machten en bedreigingen. Die machten en bedreigingen worden hier aangegeven met de woorden ‘wind’ en ‘vloed’. U weet, gemeente, dat dat inderdaad dreigende machten kunnen zijn. De wind kan wel eens een aangename koelte geven op een warme dag, maar kan ook aanwakkeren tot een storm of een orkaan. Zelfs tot een cycloon of tornado. We lezen in de kranten soms wel van de geweldige verwoestingen die ontstaan door deze windkrachten en welk een spoor van vernielingen ze achterlaten. Er is geen macht ter wereld die deze krachten tegen kan houden of kan voorkómen. Ook in ons land kan het soms zwaar stormen, zodat de bomen ontworteld raken en de daken van de huizen gerukt worden. Dan voel je je machteloos tegenover de kracht van de wind. Als je dan onbeschut bent, ben je aan allerlei gevaren blootgesteld.

Zo is hier de wind een beeld van de verdrukking, die in al zijn hevigheid kan worden ondervonden. Dan is een verberging tegen deze wind nodig. Die verdrukking gaat soms weer spoedig voorbij, want ook de stormwind gaat na verloop van tijd weer liggen.

 

We hebben ook een schuilplaats tegen de vloed nodig. De watervloed kan tot gevaarlijke hoogten komen. Dan is ook niemand veilig, wanneer het water opgezweept wordt door de storm. Denk aan de watersnood die we in een deel van ons vaderland gehad hebben in 1953. Toen braken de dijken door, huizen en boerderijen werden overspoeld door het water, veel mensen verdronken. Laten we dat maar niet vergeten. Wat kan een watervloed veel verwoestingen aanrichten en mensenlevens kosten.

De Heere Jezus spreekt ook van de kracht van de watervloed in de gelijkenis van de wijze en de dwaze bouwer. Die wijze bouwer bouwde zijn huis op een vast fundament. Als er een vloed komt, blijft zijn huis staan. Maar de dwaze bouwer bouwt zijn huis op het zand en het wordt door de vloed verwoest.

Ook in het geestelijke leven kan de macht van de zonde als een vloed over ons komen. Denk aan Psalm 65 vers 2: ‘Een stróóm van ongerechtigheden had de overhand op mij.’ Die stroom van ongerechtigheid kan ook in het leven van Gods Kerk worden ondervonden. Wat een vloed van zondige gedachten kan er opkomen, waartegen we in onszelf machteloos zijn om ze te weerstaan. Er zijn wat gevaren en grote bedreigingen die de Kerk van alle tijden benauwen kunnen. Ook thans kan de zichtbare kerk door een stortvloed van de machten van de wereld en van de zonde worden overspoeld. Wie zal staande kunnen blijven? Als we op de omstandigheden zien, dan moeten we ook nu zeggen: wat zijn de gevaren groot en de machten sterk, bijvoorbeeld van de verwereldlijking, in welke vorm ook. Die vloeden zijn schier onweerstaanbaar.

 

Maar nu spreekt onze tekst ervan, dat die Man zal zijn een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed. Die Man, dat is die Koning. In de grondtaal staat een woord waarmee ‘mannelijke kracht’ wordt aangeduid. We zouden kunnen zeggen: de Held. We hebben gezongen uit Psalm 89 dat God hulp besteld heeft bij een Held, Die verlossen kan. Dus tegen de machten van de verdrukking en allerlei krachten die zich opmaken om het werk Gods tegen te staan, is er een verberging en een schuilplaats. Die is bij Hem te vinden. Hij is machtig om bescherming te geven. Bij Hem is veiligheid. Als Hij beschermt, dan doet Hij ondervinden dat alle machten Hem onderworpen zijn.

Hij neemt de gevaren niet weg. Het is niet zo dat de Kerk op aarde zonder die dreiging door het leven gaat of die vloeden niet kent. Maar juist dán schenkt Hij hulp en verleent Hij door Zijn kracht redding. Hij bidt dat de Kerk niet uit de wereld wordt weggenomen, maar dat de Heere haar bewaart voor de boze. Dan is er te midden van gevaren en dreiging een schuilplaats.

Denk aan Paulus en Silas in de gevangenis in Filippi. Ze zaten daar met bebloede ruggen in de gevangenis opgesloten, de voeten in de stok. Wellicht leefde de vraag: ‘Heere, is dat Uw weg?’ Maar daar in die gevangenis toont de Heere van hen te weten. Daar was Hij voor hen een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed. Te midden van de gevaren is Hij tot een Toevlucht. Ook in het persoonlijke leven, te midden van alles wat ons overkomt, kan het wonder ervaren worden dat er bij de Heere een schuilplaats is. In Psalm 143 lezen we: Bij U schuil ik.

 

De gevaren zijn in de wereld gekomen na de zondeval. Die waren er in het paradijs niet. Nu staan we allemaal aan allerlei gevaren bloot. En weet u wat het grootste gevaar is, voor ons allemaal? Het grootste gevaar in ons leven is dat wij onbekeerd zijn, dat we onverzoend met God over de wereld gaan. Dat is het grootste gevaar dat ons allen bedreigt. Verstaan we dat ook? Is het ook voor ons een gevaar? Ziet u het ook als een dreiging die op ons afgekomen is? Beseft u de ernst ervan, zodat we een schuilplaats nodig hebben?

Waar zoeken we die? Eigengemaakte schuilplaatsen houden geen stand, gemeente. Adam zocht een schuilplaats in de hof, achter de struiken. Maar de Heere riep hem tevoorschijn: Waar zijt gij? (Gen.3:9). Daar kwam Adam, in zijn schuld stond hij voor God en niets kon hem baten. Maar dan wees de Heere de schuilplaats aan bij Hem. Adam zocht een schuilplaats tegen God, buiten God. Maar hij kreeg een schuilplaats bij God, tegen Gods toorn. Een schuilplaats in Hem, Die in het paradijs beloofd is en Die komen zou, om een verberging en een schuilplaats te zijn.

Jezus moest Zijn weg gaan zónder schuilplaats. Die was er voor Hem niet. In de gloed van Gods toorn hing Hij aan het kruis, zonder schuilplaats. ‘Ik heb geen rust, ook vind Ik geen ontferming in Mijn verdriet’, moest Hij klagen. Die toorn van God heeft Hij gedragen en weggedragen. Daarom is er nu in en bij Hem een schuilplaats voor zondaren bij God.

 

Wij worden genodigd om in die schuilplaats binnen te gaan. De noodzaak daarvan wordt ons in het Woord voorgehouden. De mogelijkheid wordt ons verkondigd. Daar is niemand van uitgesloten. Haast u om in die schuilplaats in te gaan! Er is geen groter gevaar voor een mens dan dat hij zonder en buiten God leeft. Daar overtuigt de Heilige Geest van. Nergens, waar ter wereld ook, noch bij onszelf, noch bij een ander, is een schuilplaats tegen de toorn Gods die op ons rust. Alleen wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet, maar de toorn Gods blijft op hem. Dat is een levensgroot gevaar dat ons allen bedreigt.

Maar er is een schuilplaats, door God in het Evangelie ons bekendgemaakt. Door Hem, in het paradijs beloofd, en gegeven in de volheid des tijds, Die Zijn werk volbracht heeft. Nu kunt u niet zo’n groot zondaar zijn of er is een schuilplaats bij God, waar u terecht kunt met al uw verlorenheid, met al uw schuld en dwaasheid.

Hoe zullen we ontvlieden, gemeente, indien we op die zaligheid geen acht geven? Zoek nooit in uzelf een schuilplaats. Verwacht ook daarin niets van een ander. Niemand kan ons helpen dan Hij alleen, Die die schuilplaats heeft geopend. In Hem is de deur ertoe geopend. Daar staat boven die schuilplaats: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Ons wordt die schuilplaats nog verkondigd en gepredikt. Niemand kan zeggen: ‘Daar ben ík niet toe genodigd.’

 

Hij zal een verberging zijn tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed. Dat is een schuilplaats die Gods Kerk leert kennen en ook steeds meer nodig krijgt. Dat ‘Bij U schuil ik’ wordt steeds meer praktijk in het leven. Tegen alles wat in ons hart leeft en tegen alles wat van buiten op ons afkomt. Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5), zegt de Heere. Het is wel waar dat de poorten der hel de gemeente Gods niet zullen overweldigen, maar satan zal het wel proberen! Hij slaat niemand over, hij probeert altijd iedereen ten val te brengen. Die gevaren en bedreigingen zijn er elke dag.

Gelukkig is hij of zij die steeds door het geloof in die schuilplaats mag gaan. Die geen gerechtigheid voor God heeft, dan alleen Zijn gerechtigheid. Geen heiligheid in zichzelf, maar die Zijn heiligheid bezit. Wijsheid en verlossing, alles is in Hem te vinden. Zo is Hij een verberging. Er is een zodanige ruimte in Hem, dat niemand kan zeggen: ‘Het kan voor mij niet meer.’

 

Hij is ook als waterbeken in een dorre plaats. In onze tweede gedachte staan we daarbij stil:

 

2. Een geopende fontein

 

Er waren gebieden in Israël waar het in de zomer zó dor en droog was, dat er niets groeide. Verschroeid door de hitte van de zon was het één dorre, kale vlakte, een dor en dorstig land. De woorden ‘dor’ en ‘dorstig’ worden in Gods Woord door elkaar gebruikt. Ook in hoofdstuk 35 vers 7 kunt u dat lezen: En het dorre land zal tot staand water worden en het dorstige land tot springaders der wateren. We moeten geen onderscheid maken tussen dor land en dorstig land. Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge, lezen we in hoofdstuk 44. Dus hier wordt een dor land mee bedoeld.

 

Juda was, geestelijk gezien, een dor land geworden. Het was er dor en droog, vanwege de afgodendienst en het verlaten van de Heere. Daar was schier geen vreze Gods meer.

Dat betekent niet dat er geen godsdienst was. Er was allerwegen veel godsdienst. Achaz liet zelfs een altaar bouwen in de tempel, een altaar voor een vreemde god.  Men offerde aan allerlei goden. Men nam ook wel allerlei plichten waar ten opzichte van de dienst van de Heere, maar zonder een oprecht hart. Men vreesde God niet.

In alle godsdienst buiten de vreze Gods is dorheid en droogheid. Daaraan ontbreekt het ware geestelijke leven. Al gaat het met nog zoveel enthousiasme en godsdienstig vertoon gepaard, zonder de vreze Gods is alles als een dor en droog land. De godsdienst waarin men zelf centraal staat met eigen keuzes en verdiensten, is dor en droog.

Ook de godsdienst van Gods kinderen kan zo dor zijn. Na ontvangen genade, na de goede tijd van de eerste liefde, kunnen we de Heere zo aan Zijn plaats laten. De wereld kan weer zo’n grote plaats in het hart hebben. De zonde kan zo’n plaats verkrijgen. Denk aan David; als hij gezondigd heeft, worden zijn beenderen verouderd in zijn brullen de ganse dag. Zijn sap werd veranderd in zomerdroogte. Zó dor was David gesteld. Zo was ook de aanblik van geheel Juda.

En is het zo ook niet in kerkelijk Nederland? Wat vertoont dat ook een dorheid en droogheid. Hier en daar is wel godsdienstigheid, hoewel dat ook veel minder wordt. De Bijbel blijkt steeds minder gelezen te worden. Bovendien is er zo weinig oprechte godsvrucht.

 

Maar hoor nu! Die Man zal zijn als waterbeken in een dorre plaats! Die dorheid is het laatste woord niet. Wanneer het water ontvangen wordt uit Hem, Die ‘waterbeken’ genoemd wordt, verandert die dorre plaats in een lusthof. Hetzelfde land in Kanaän kan in de zomer zo dor en droog zijn, maar in het voorjaar is het één groen tapijt. Wanneer de regens gevallen zijn, dan loopt alles opnieuw uit. Het gras gaat groeien, de bloemen gaan bloeien.

Dan lezen we in hoofdstuk 35: De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn. De wildernis zal zich verheugen en bloeien als een roos. Dus die dorre plaats, die wildernis, wanneer het water erop neerdaalt van de hemel, wordt een lusthof, één groen tapijt, met bloemen versierd. Dat komt door het water, dat verkwikt en vruchtbaar maakt.

Het dorre land bevat wel zaden en wortels, dus wanneer het water erbij komt, loopt alles uit. Dan kun je je verwonderen over de schoonheid van de natuur. In de zomer is het één dorre vlakte, maar in het voorjaar één bloemenpracht. Dat komt door het water. Dat brengt het teweeg.

En zo is het ook geestelijk, wanneer de Heere met Zijn Geest werkt. Want de Heilige Geest geeft het water dat leven brengt en zijn bron heeft in Christus. Hij is de Levensbron. Uit Hem vloeit het water voort: Hij brengt geestelijk leven tot stand.  

Wanneer in de natuur de eerste grassprietjes gezien worden, wordt het nieuwe leven zichtbaar. In het geestelijk leven zie je ook die eerste symptomen zichtbaar worden. Dat gaat soms langzamerhand, bij anderen in een kortere tijd. Waar de Heilige Geest het nieuwe leven schenkt, zien we geestelijke vrucht. Daar komt een droefheid naar God en een buigen voor Gods Woord en wet. Daar vinden we het vragen naar Zijn wil. De bekering tot God gaat gepaard met berouw over de schuld die we bij God hebben en er komt een heimwee naar de Heere, omdat er liefde in ons hart is gegeven. Dit alles is vrucht van het werk van de Heilige Geest. Dan is geen ding onmogelijk bij de Heere. Dan kan het niet zó dor en dood zijn, maar waar de Heere komt, brengt Hij alles mee. Dan brengt Hij de woestijn tot leven en de wildernis zal gaan bloeien als een roos.

 

Misschien zegt iemand: ‘Ik ben nu al zo oud en mijn hart is zó hard. Als ik denk aan vroeger, toen kon ik wel eens ontroerd zijn, toen had ik nog wel eens berouw over mijn zonde, toen kon ik wel eens niet slapen vanwege het gewicht van de eeuwigheid. Maar het lijkt allemaal steeds maar minder te worden. Ik ben zó dor en zó droog.’

Maar als de Heere komt, brengt Hij alles mee. Daar hoeft geen geschiktheid voor te zijn in de mens. Natuurlijk is ook die dorheid geen geschiktheid voor het voortbrengen van leven, maar dat doet het water. Dat doet de Heilige Geest, Die Heere is en levend maakt. Het is het water van de Levensbron, dat tot leven brengt.

 

Ook in het leven van Gods Kerk kan het zo donker zijn. Soms kan het langere tijd zo donker en duister zijn, dat je zegt: ‘Is er ooit wat gebeurd?’ Job zegt: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job 23:8). Maar als de Heere overkomt, dan doet Hij ondervinden dat Hij getrouw blijft aan Zijn werk. Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon.

Toen de Heere Jezus op aarde was, op het Loofhuttenfeest in Jeruzalem, heeft Hij uitgeroepen: ‘Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke!’ Men was opgetogen over het water dat uitgegoten werd uit de bron Siloam. Maar de Heere Jezus ziet al die uitwendige handelingen als een lege ceremonie en medelijden vervult Zijn ziel. Allerwegen is men geestelijk bezig, echter zonder oprechte begeerte naar hetgeen Hij alleen kon geven. Daarom zegt Hij ook: ‘Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke!’ Hier staat de geopende Fontein en Hij nodigt tot Zich. Eén van de laatste teksten uit Gods Woord luidt: En die dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet (Openb.22:17). Daarom, al klaagt ons alles aan en getuigt alles tegen ons, bij de Heere is er uitkomst. Er is redding en verlossing bij de Heere te verkrijgen.

 

Er staat hier in onze tekst: ‘waterbeken’. Dat is dus niet zomaar een klein beekje dat spoedig weer droog is en in een droge tijd geen water heeft. Maar het is een overvloedige hoeveelheid water. Het komt uit een fontein die nooit opdroogt. Die is in Hem te vinden. Daardoor brengt Hij dat dorre, dat droge land tot leven.

Waar het water komt, daar brengt het een diepgaande verandering. Dat is ook in het natuurlijke leven zo. Denk eens aan Ismaël; hij dreigde te sterven van dorst. Door Abraham was hij met zijn moeder Hagar weggestuurd. Hij zou omgekomen zijn van dorst, toen hij onder een struik lag, omdat hij niet verder kon lopen. Maar toen werden de ogen van Hagar geopend voor een put. Daar had ze voor die tijd geen oog voor gehad. Zij putte er water uit en gaf hem te drinken. Toen kwam zijn geest weder in hem en werd hij als levend.

Zo is het ook geestelijk. Alle dorheid en droogheid verdwijnt als de Heere overkomt en het Woord kracht heeft in ons leven. Dan wordt het allemaal anders. Dan is er vreugde en blijdschap in de Heere. Zo is deze Man, de Messias Die komen zou, een Fontein, geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Hij is de Bron van levend water. Dat vloeit voort uit het welbehagen Gods. Dat brengt de liefde van de Vader mee, de verdienste van Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest.

De Heere Jezus sprak tot de Samaritaanse vrouw: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh.4:14). Wanneer de Heilige Geest in ons woont en Zijn werk doet, openbaart Hij de kracht van Gods genade. En dat zal in de eeuwige heerlijkheid tot volle ontplooiing komen.

 

Hebt u last van uw dorheid, gemeente? Of bent tevreden met uw godsdienst en enige plichtplegingen? Met de uiterlijke vorm van een net kerklid zijn, zodat niemand iets op u aan kan merken? Op zichzelf een goede zaak natuurlijk, maar bedenk: geestelijk is er geen leven buiten de wedergeboorte en het ware geloof in Christus. Dan zijn we een dorre en een droge vlakte.

Maar er is een Levensbron, want er is een Fontein geopend! Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke! Hoe zullen we daaraan toch kunnen voorbijgaan? Hoe zullen we het ooit kunnen verantwoorden daar geen acht op te geven?

 

De Heere Jezus is de Levensbron, de Fontein van levend water. Het heeft Hem wat gekost; daarvoor heeft Hij dorst geleden; daarvoor riep Hij aan het kruis uit: ‘Mij dorst!’ Voor Hem was er geen verkwikking. De volle gloed van de toorn Gods heeft Hij gedragen, zonder enige verkwikking. Ten volle heeft Hij de ernst daarvan doorleefd, om nú te zijn de Fontein, om nu die waterbeken te zijn, waar een volheid van genade te verkrijgen is voor zondaren. Hij kwam om zondaren te behouden, om zulke dorre vlakten tot bloei te brengen, tot een vruchtbaar veld.

 

Nu zult u misschien zeggen: ‘Zou dat ook voor mij kunnen?’ U wordt er persoonlijk toe genodigd! Een ieder wordt geroepen er acht op te geven. Hij wordt u persoonlijk in het Evangelie gepredikt als Degene Die alles heeft wat tot uw behoud en zaligheid dient.

Bent u nog steeds tevreden met uw godsdienst? Of beseft u dat het zo niet kan? U bent van uzelf dor en droog. Maar u kunt een hof worden die vrucht draagt, waarin de Heere verheerlijkt wordt en waarin gezien wordt wat Zijn genade vermag. Leg het maar voor Hem neer. U kunt uzelf niet tot vruchtbaarheid brengen, maar Hij kan het! Hij is gewillig om zondaren te behouden, die het van Hem alleen verwachten. Want Hij is de Eerste en de Laatste. Van Hem zingt de dichter, zoals we nu samen willen zingen, uit Psalm 65, het zesde vers:

 

Daar zal ons ’t goede van Uw woning

Verzaden, reis op reis,

En ’t heilig deel, o grote Koning,

Van Uw geducht paleis.

Gij, Gij zult vreselijke dingen

Ons, in gerechtigheid,

Doen horen, en ons blij doen zingen

Van ’t heil, voor ons bereid.

 

3. Een verkwikkende schaduw

 

Onze derde gedachte is dat de heerlijkheid van Christus te zien is als een verkwikkende schaduw. Onze tekst zegt dat immers: Als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.

In warme dagen kan een schaduw verkwikkend zijn. Dan kun je het gewoon niet uithouden steeds in de zon te verblijven. In het bijzonder in het oosten, waar de zon zo kan branden, is de schaduw een verkwikking.

Denk aan Jona. Hij was in Ninevé geweest en na zijn prediking wachtte hij af wat er gebeuren zou met die stad. Hij zat daar in de zon. Nu laat de Heere daar een wonderboom opschieten, waardoor Jona in de schaduw zit. Dat is hem tot grote blijdschap. Hij verheugt zich over de schaduw van die boom. Maar dat is maar heel kort. De volgende dag is die boom verdord. Dan mist hij die schaduw. Als er dan een oostenwind komt, die nog meer warmte meebrengt, verlangt hij om maar te sterven. De Heere geeft hem daardoor evenwel onderwijs. Maar we zien ook in die geschiedenis hoe belangrijk de schaduw is.

Job zegt: Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw (Job 7:2). De dienstknecht die heel de dag op het veld gewerkt heeft, in de hitte van de zon, verlangt naar de verkwikking van de schaduw. De bruid in Hooglied 2 spreekt van haar Bruidegom als een appelboom.              Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet (Hoogl.2:3). Die bruid zit onder de schaduw van die appelboom en daar verblijdt ze zich in. Ze heeft een groot vermaak in Zijn schaduw. Ze mag ook van de vrucht van die appelboom genieten.

 

Zo is Christus een schaduw, waar vermoeide en uitgeputte zielen rust en vrede vinden. Want dat drukt een schaduw ook uit: rust en vrede. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Hij is de schaduw van een zware rotssteen. Dat beeld wordt niet zonder betekenis gebruikt. Je kunt een klein boompje hebben, dat geeft ook wel wat schaduw. Maar daar komt nog zoveel licht en warmte tussen die bladeren en takken door. Daardoor heb je nauwelijks schaduw. Maar de schaduw van een zware rotssteen is een dichte schaduw, een slagschaduw. Daar dringt geen straaltje zonlicht door. Daar komt geen warmte. Naarmate iets meer massief is en zwaar, komt er ook helemaal niets doorheen. Die koude steen aan de onderkant geeft een heerlijke koelte.

Zo is Christus als de schaduw van een zware rotssteen. Daar dringt niets van de toorn Gods meer doorheen tot hen die daar een schuilplaats onder vinden. Die is helemaal door Hem  opgevangen. Want de schaduw ontstaat doordat het voorwerp dat schaduw geeft zelf de zonnestralen opvangt. Denk aan een boom. Die vangt aan de bovenkant de zonnestralen op, laat ze niet door, zodat daarónder schaduw is. Zo is het ook met die zware rotssteen. Aan de bovenzijde kan hij zo heet zijn dat je er niet overheen kunt lopen, maar aan de onderkant is de rots koel.

Er zijn in het oosten ook van die overhangende rotsstenen, waaronder koelte en verkwikking is. Daarmee wordt de Zaligmaker vergeleken. Hij Zelf heeft de toorn van God moeten opvangen. Hij hing in de hitte van de toorn van God. ‘Wat hitte doet Mij branden’, zegt Hij. Die toorn heeft Hij gedragen. Voor Hem was er geen schaduw. Waarom niet? Om voor Zijn volk een schaduw te kunnen zijn, een plaats van verkwikking, van rust en vrede.

 

Die zware rotssteen betekent ook dat er ruimte onder is! Daar hoef je elkaar niet te verdringen. Daar is ruimte voor een groot aantal mensen, voor een schare die niemand tellen kan.

Die zware rotssteen betekent ook: iets dat bestendig is. Die is zomaar niet weg – zoals die wonderboom van Jona – maar die blijft! Abram, Izak en Jakob hebben van die schaduw genoten. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr.13:8). Eeuwenlang heeft Hij schaduw gegeven, is Hij een plaats van rust en vrede, waar schuiling is. Door het geloof alleen delen we in de genadeschatten die Hij verworven heeft.

Dan weten we ook wat het is die Schuilplaats te moeten missen. Maar dan wordt Hij onmisbaar en dan leren we de toevlucht tot Hem te nemen. In de beleving van het heilig ongenoegen Gods over onze zonden, wordt met een heilig verlangen uitgezien om daar te mogen schuilen. Want elk die aan zichzelf ontdekt wordt, ondervindt in meerdere of mindere mate de heilige toorn en het ongenoegen van God over de zonde. God is heilig en wij zijn onheilig. Wie kan voor God bestaan? Dat wordt gevoeld. Alles klaagt ons aan en getuigt tegen ons en we kunnen het zelf niet beter maken. Maar onder die rotssteen is plaats en ruimte voor rust en vrede. Daar is een schuilplaats. Daar is ook verkwikking.

 

Een rotssteen op zichzelf bezien geeft niets, dat blijft een koude steen. Maar deze Rotssteen heeft alles wat tot vrede en zaligheid dient. Wat een natuurlijke rotssteen niet kan, kan deze Rotssteen wel, namelijk datgene geven wat tot verkwikking, tot troost en vrede, tot verzadiging dient.

We lezen van Mozes, dat hij tot het volk Israël zegt: Hij deed hem honing zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei der rots (Deut.32:13). Dus Israël in de woestijn ontving honing uit de rotssteen en olie uit de kei der rots. Alles wat tot onderhouding van Gods werk nodig is.

Een rotssteen is een beeld om bestendigheid, vastheid en ruimte aan te duiden. Een ander beeld wijst erop welk een fontein Hij is van zaligheid. Zo tekent Hem ook de bruid in het Hooglied met het beeld van een appelboom: Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.

Deze Rotssteen is dus ook de Appelboom. Hij is ook de goede Herder, het Brood des levens en het Licht der wereld. In Hem is alles wat tot zaligheid en vrede dient, opdat we het bij Hem alleen zouden zoeken. Buiten Hem zijn de gevaren, daar is verdroging en verdorring. Daar is de hitte van de toorn van God.

Laat het uw gebed zijn of de Heere u daar licht over geven wil. Dan wordt Hij noodzakelijk tot zaligheid en wordt uit Zijn volheid genade voor genade verkregen. Zo wordt het waar: ‘Nu reis ik getroost onder ’t heiligend kruis, naar het erfgoed daarboven, in ‘t Vaderlijk huis.’ Dan wordt vervuld wat de Heere door Jesaja gesproken heeft: En de Heere zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogte en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof en als een springader van wateren, welker wateren niet ontbreken (Jes.58:11).

 

Zou je er geen zin in krijgen, jongens en meisjes, om onder die rots te schuilen, om dat water te drinken, om in die schuilplaats in te gaan? De Heere nodigt vandaag nog: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ Er is niemand te jong. Het is juist de beste tijd om de Heere te zoeken. Ook is niemands hart te hard. Want het water des levens verbreekt het hardste hart. Niemand te oud, al zijn we nog zo dor. Hij maakt van het dorre land een springader van levend water, zodat het vrucht draagt. Dan wordt gezien wat genade vermag. Alles wat ons ontbreekt is in Hem te vinden. Daarom, gemeente, haast u, ter wille van uw leven!

 

U, die de Heere kent en vreest, maak veel gebruik van Hem. Want zonder Hem kunt gij niets doen. Dit woord wordt ons juist voorgehouden opdat we tot Hem de toevlucht zouden nemen en bij Hem steeds zouden schuilen. Opdat we in al onze dorheid en droogheid tot Hem zouden uitgaan om het levende water te ontvangen. Om bij Hem te schuilen en verkwikking te ontvangen, in de ervaring van de ernst van de zonde en de toorn van God over onze schuld. Dat geeft een voorsmaak van de eeuwige zaligheid, waarin we eeuwig bij Hem zullen zijn. Dan zien we niet Zijn schaduw, maar Zijn aangezicht. Dat zal strekken tot roem van vrije genade en zal zijn tot blijdschap van onze ziel.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32: 4

 

Gij zijt mij, Heer’, ter schuilplaats in gevaren;

Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;

G’ omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,

Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

Mijn leer zal u, o mens, naar ‘t recht doen hand’len,

En wijzen u de weg dien gij zult wand’len;

Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,

Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 25)