Ds. P. Mulder - Johannes 5 : 14

De wondere genezing in Bethesda

De genezing zelf
De prediking naar aanleiding van deze genezing
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 25)

Johannes 5 : 14

Johannes 5
14
Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 49: 1
Lezen : Johannes 5: 1-18
Zingen : Psalm 14: 2, 3, 4
Zingen : Psalm 81: 12, 15
Zingen : Psalm 95: 5

Gemeente, onder de inwachting van het licht en de leiding van ‘s Heeren Geest willen we met u spreken over het Schriftgedeelte dat u is voorgelezen. Het tekstwoord vindt u daartoe in het bijzonder in Johannes 5 vers 14:

 

Daarna vond hem Jezus in de tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

 

Wij overdenken: De wondere genezing in Bethesda.

 

1. De genezing zelf

2. De prediking naar aanleiding van deze genezing

 

1. De genezing zelf

 

Er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort een badwater. Deze Schaapspoort was vlakbij de tempel. Waarschijnlijk heeft deze poort de naam van Schaapspoort gedragen omdat dit de poort was waardoor de schapen binnenkwamen die in de tempel geslacht werden vanwege de offerdienst.

Onze geschiedenis voltrekt zich dus dichtbij de tempel. Over dat badwater is verder niet zoveel bekend. Het zou kunnen zijn dat het een water was dat nog herinnerde aan de vijver die Hizkia aangelegd heeft.

Andere verklaarders menen dat het een vijver was waar de schapen in gewassen werden, voordat ze naar de tempel gingen om geofferd te worden. In elk geval moeten we aannemen dat het niet een vijver was van stilstaand water. Dat zou zeker in het warme klimaat in Israël veel stank gegeven hebben. Nee, het zal wel een vijver geweest zijn, behorend bij een stromend water. Zo had Hizkia het ook aangelegd.

Dit badwater wordt in het Hebreeuws ‘Bethesda’ genoemd. Bethesda betekent letterlijk: huis der weldadigheid. Het was niet een ziekenhuis. Ziekenhuizen, zoals wij die kennen, waren er nog niet in die tijd. Die zijn later hoofdzakelijk gekomen door de christelijke barmhartigheid.

Het gaat hier niet over een ziekenhuis, maar we hebben hier te maken met een wachthuis. In dat huis waren vijf zalen; waarschijnlijk gegroepeerd rond deze vijver. In grote aantallen zijn de mensen daar naar toe gekomen. Er lag een grote menigte van kranken. Daar moet u allerlei soort van zieken onder verstaan. Verder waren er blinden, kreupelen en verdorden. Met verdorden werden waarschijnlijk mensen bedoeld die een herseninfarct gehad hadden, waardoor ze hun ledematen niet meer konden gebruiken. Die ledematen zijn als het ware verdord; vandaar die benaming.

 

Deze zieken lagen daar, wachtende, staat er. Waar wachtten die mensen dan wel op? Op de roering van het water! Want, staat er in vers 4, een engel daalde neer op zekere tijd. Dat betekent: af en toe, van tijd tot tijd, maar niet regelmatig. Maar wel, dat is duidelijk, zó vaak dat de mensen er op bleven wachten.

Is die engel zichtbaar geweest? Dat weten we niet. Waarschijnlijk niet. Een engel is een geest en een geest is niet zichtbaar. Tenzij een engel een mensengedaante aan moest nemen naar het bevel des Heeren, zoals de engelen bij het graf van de Heere Jezus. De vrouwen zien hen. Maar – daar moeten we goed op letten – het geloof zag die engel. In Bethesda zullen, naar te denken is, ook veel niet waar-gelovigen geweest zijn. Of die engel dus zichtbaar geweest is, weten we niet. Het kan heel goed zijn dat de engel niet zichtbaar was en dat we het ons moeten voorstellen als op de Pinksterdag. Ineens het geluid van een geweldige gedreven wind, ineens verdeelde tongen als van vuur op de hoofden van de apostelen. Dus tekenen. Maar de Geest Gods werd niet gezien. Zo was het met Pinksteren, zo zou het hier ook geweest kunnen zijn.

Wel zichtbaar was de roering van het water. Men schreef dat niet toe aan een natuurgebeuren. Men zei niet: een geneeskrachtige bron, maar: een engel. Het komt van God, deze weldadigheid en barmhartigheid.

Hoe doen wij dat, gemeente? Misschien bent u wel ziek geweest, lange tijd ziek geweest. Misschien hebt u wel veel medicijnen moeten gebruiken, misschien bent u wel geopereerd. Misschien heb jij wel een ongeluk gehad, je been gebroken. En wat zeggen we dan? ‘Gelukkig dat die dokter er zo vlug bij was.’ Of: ‘Goede medicijnen gehad.’ We mogen ook alle middelen waarnemen. Zeker! Alle geoorloofde middelen móeten we zelfs gebruiken. Maar geven we God de eer? Zeggen we: ‘Ik ben beter geworden dankzij dé Medicijnmeester, dankzij de Heere, Die de medicijnen zegende, Die de doktoren met wijsheid bedeelde’? Johannes schrijft het aan een engel, ten diepste aan God toe.

 

Wie dan het eerste in dat water kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. Dat is een gedrang geweest! De engel roerde dat water aan en ineens al die zieke mensen in beweging. Naar het water toe! Want wie er het eerste is, die is beter.

We zouden kunnen denken: kon dat niet beter georganiseerd worden? Was dat niet iets geweest voor de farizeeën, voor de priesters of de levieten die er toch zo rijk in getal waren daar vlakbij de tempel? Hadden die er niet wat orde in kunnen aanbrengen? Bijvoorbeeld door het zo te regelen dat wie het eerste in Bethesda gekomen was, vooraan zou komen te liggen en dan het eerst aan de beurt zou zijn als het water in beweging kwam.

Heeft men dat niet gewild omdat men hier een rechtstreeks ingrijpen van God in zag? Dat kan. Heeft men dat niet gedaan omdat de farizeeën, de overpriesters en de levieten druk waren met hun godsdienstig bedrijf in de tempel? We weten het niet.

We moeten hieruit afleiden dat als er een roering van het water kwam door de engel, heel de groep wachtenden in beweging kwam. Dat zal wel betekend hebben dat men elkaar verdrong. Een mens denkt dan immers het eerst aan zichzelf. Zo zijn wij mensen en dat is nog te begrijpen ook. Het moet maar eens om je gezondheid, om je leven gaan. Zou je dan niet, ook al ben je kreupel of blind, al je best doen om als eerste bij dat water te komen?

 

Er staat in Gods Woord van een Fontein, Die is geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. De Fontein van levend water. En die Fontein komt niet af en toe in beroering, nee, Die is vierentwintig uur per dag, alle dagen van het jaar geopend. Hij is er! En Hij biedt Zich aan: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Hij nodigt, jongens en meisjes: ‘Mijn zoon, Mijn dochter...’ Zo noemt Hij je, want je bent Zijn schepsel, je bent gedoopt. Zo noemt Hij je, want je leeft op het erf van Gods verbond. ‘Mijn zoon, Mijn dochter.’

En hoe is het nu bij die Fontein? Is daar een gedrang? Is daar een gedrang omdat er zo veel mensen zijn die gereinigd zoeken te worden van de schuld der zonde en van de smet van het verderf? Heb jij, hebt u al behoefte aan het levende water? Weet jij al dat je dodelijk ziek bent, dat je elk ogenblik verwezen kunt worden naar de eeuwige ondergang? Dat is de werkelijkheid. Gevoelt u dat? En daarom: Haast u en spoed je, want nu nog is het het heden van genade!

Heb je je Rechter al gebeden om genade? Het is vandaag zondag. Dat is de dag bij uitstek om de Heere te zoeken. Hebt u al op uw knieën gelegen? Heb jij al geworsteld vanwege je onsterfelijke ziel? Hebt u de Heere al beleden dat uw hart een bron van vuile wanbedrijven is? Heb jij de Heere al beleden, met smart in je hart, dat je een verloren mens bent, dat je een zondaar bent? Hebt u de Heere al beleden vandaag dat u er één bent uit Adams geslacht, een opstandeling, een woeste zondaar, een mens vol eigenliefde? Zulke mensen zijn wij. Blind in ‘s hemels wegen, kreupel om de weg van Gods geboden te lopen.

 

Of is dat in uw leven anders? Hebt u Gods geboden zó lief dat de betrachting van Gods gebod uw vermaak is, de ganse dag?

Of moet u eerlijk zeggen: ‘Ach nee, van dat hoogste gebod – God liefhebben boven alles en de naaste als mezelf – daar komt niet zoveel, daar komt ten diepste helemaal niets van terecht.’

Moet u dat eerlijk zeggen? Zo is het toch? Wáárom laat u die Fontein dan met rust? Waarom zoekt u Hem dan niet terwijl Hij te vinden is? Bidt en u zal gegeven worden! Hebt u de hemel al bestormd, vanuit de nood van uw leven, omdat u verloren bent en op weg bent om verloren te gaan?

Nee, gemeente, het gaat niet over heidenen. Het gaat ook niet over mensen die op het voetbalveld zitten. Het gaat over óns, over onze onsterfelijke ziel, zoals we hier bij elkaar zitten of aan de kerktelefoon. O, bedenk toch in deze uw dag wat tot uw vrede dient.

Want we zijn ziek, we zijn wachtend. Waarop eigenlijk? Op de roering van het water? Maar dat gebeurt niet. Want die Fontein is alle dagen geopend. Het Woord ligt er vierentwintig uur per dag. De troon der genade staat open voor zondaren uit Adams geslacht. Weet u wat er gebeuren moet? Ons hárt moet geroerd, ons hárt moet levend gemaakt worden. Zonde moet zonde worden in ons leven. We moeten leren dat we God kwijt zijn. O, bedel toch om de Geest der genade en der gebeden. Nog eenmaal: de Heere zegt bij monde van Salomo: ‘Gij slechten – en dat zijn wij! – hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, de zonde vasthouden, je eigenliefde voortzetten, de Heere laten roepen en niet luisteren? Keert u tot Mijn bestraffing’, zegt de Heere, ‘en Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten en Mijn woorden u bekend maken.’ Dat hebben wij zo nodig: Gods Woord en Gods Geest in ons hart, tot bekering, tot verootmoediging, opdat we God zullen zoeken in waarheid en met ernst, alle dagen van ons leven.

 

En er was een zeker mens, die achtendertig jaar krank gelegen had. Een mens, hij was niet achtendertig jaar oud, maar had al achtendertig jaar daar liggen wachten. Dat is toch haast niet te geloven? Denkt u eens in: achtendertig jaar in een ziekenhuis, achtendertig jaar in een verpleeghuis… Achtendertig jaar heeft die man daar liggen wachten.

 

En dan lezen we in vers 6: Jezus, ziende deze liggen. Jezus zag alles in Zijn Goddelijke alwetendheid. Maar deze man zag Hij aan met een blik van ontferming, met iets van ontroering. Hij is in Zichzelf bewogen geweest en Hij zag hem liggen. Achtendertig jaar lang daar gelegen.

En wetende dat hij nu lange tijd gelegen had, zei Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? We zouden misschien, met eerbied gezegd, denken: dat is toch geen vraag om te stellen aan een mens die achtendertig jaar ziek is? Maar, gemeente, zou het niet dit zijn: de Heere Jezus heeft hem even willen laten voelen: ‘Beste man, zou u dat willen?’ En misschien is er iets in die man opgekomen: ‘Natuurlijk, dat zou ik graag willen.’ Maar wellicht is er gelijk ook iets in die man opgekomen van machteloosheid, iets van doffe berusting: ‘Dat kan toch niet meer. Achtendertig jaar hier gelegen, het is voor mij voorbij.’ Trouwens, dat zegt hij ook. De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt. En wanneer ik kom, zo daalt een ander voor mij neer. Dat is het verdrietige verhaal van deze man. Wat in- en intriest.

 

Hij zegt: Ik heb geen mens. Laten we daar eens even op letten. Geen familie. Misschien zijn z’n ouders al overleden. Dat kan wel, want die man is al achtendertig jaar ziek. En hoe lang is hij gezond geweest voordien? Tien jaar, twintig jaar? Dat weten we niet. Maar in elk geval: de man is ouder dan achtendertig jaar. Dus dat hij geen ouders meer heeft, is zeer wel denkbaar. Maar heeft hij broers en zussen gehad? Dat weten we niet. Maar hij heeft toch ongetwijfeld wel wat familie gehad? Of buren, bekenden, vrienden? Niets! Ik heb geen mens. Een puur eenzaam mens. In zijn ellende. Niet in zijn narigheid of in zijn rijkdom of in zijn hoogmoed. Nee, in zijn ellende. Achtendertig jaar ziek, en dan te moeten zeggen: Ik heb geen mens. Hij ligt daar maar. Af en toe zal iemand hem wat te eten gegeven hebben. En verder niks. Wat een ontzaglijke eenzaamheid.

Gemeente, gaan wij zo met onze eenzamen, met onze zieken om? Hebben wij niet een beetje meer barmhartigheid? Gelukkig gebeuren er veel goede dingen. Door familieleden en ook door vrijwilligers in de gemeente. Maar laten wij niet te snel onze goede daden opsommen. Laten we het ook eens omdraaien. Komen we hier en daar toch ook in dezen niet tekort naar onze eenzamen, naar onze ouden, naar onze zieken? Deze man moet zeggen: Ik heb geen mens.

 

Dat is ook een beschuldiging geweest! Want weet u waar hij lag? Op steenworp afstand van de tempel! Dagelijks passeerden hier tientallen, honderdtallen, misschien wel duizendtallen priesters, farizeeën, wetgeleerden en levieten. Mensen die lange gebeden deden op de hoeken der straten, mensen die hun mond vol hadden van de wet: die vervullen we zo goed. Maar het zwaarste der wet, zegt de Heere Jezus, is barmhartigheid. Dat verstonden ze niet! Ze kwamen niet bij deze man. Ze kwamen niet bij deze berooide, eenzame stumper op bezoek. En ze namen niet de moeite om bij deze man te gaan zitten, al zou het een week moeten duren, totdat het water beroerd wordt om hem er het eerste in te brengen. De barmhartigheid van deze godsdienstige Joden was wreed. Aangrijpend is dat!

Wat een aanklacht! Toch niet tegen ons, gemeente? Onze gehandicapte mensen, onze mensen die niet zo gemakkelijk meer zijn in hun ouderdom of misschien dement aan het worden, wij laten ze toch niet maar zitten? Onze barmhartigheid betrachten we toch hopelijk wel? Niet als een verdienste, o, verre van dat. Maar wel als een goede plicht, als een liefdedienst.

 

Deze man zegt: Ik heb geen mens. Misschien verwachtte hij toch nog een heel klein beetje na achtendertig jaar, dat hij een keer in dat badwater zou komen. Want hij heeft het vaak genoeg voor zijn ogen zien gebeuren dat iemand die in het water kwam, gezond werd. Maar nu moet hij zeggen: Ik heb geen mens.

Eigenlijk zegt hij ook: ‘Ik heb geen God, want er is niemand die me helpt.’ Dát is erg, gemeente! Als we geen God hebben in onze nood. Als wij eens ziek worden? Als wij eens de dood in het aangezicht moeten kijken? Jonge mensen, ouderen, oude mensen, als wij eens de dood in het aangezicht moeten kijken, dan moet u misschien zeggen: ‘Ik heb een goede familie.’ Dan mag u misschien wel zeggen: ‘Ik heb goede vrienden.’ Maar ze kunnen ons niet helpen. Dan moet u met recht zeggen: ‘Ik heb geen mens die me door deze doodsrivier heen helpt.’ En dan? Of mag u dan door genade zeggen: ‘Ik heb een God’? Mag u dan door de ontfermingen des Heeren in het geloof zeggen: ‘Ik heb gedronken uit de Fontein van levend water en mijn ziel is gered geweest’? Mag u dan zeggen: ‘Ik heb een God voor mijn hart en een Borg voor mijn ziel’? Dan zult u Hem in dit leven gezocht hebben, gesmeekt hebben, nodig gekregen hebben.

 

Deze man zegt: Ik heb geen mens. Eigenlijk zegt hij ook: ‘Ik heb geen God.’ Wat erg, gemeente! En dat is nu ook ons beeld. Wij hebben geen God, we zijn God kwijt, we hebben God verlaten. We hebben God de rug toegekeerd. Dat is ons beeld. ‘Ik heb geen God.’ Leerden we dat echt verstaan. De ernst daarvan gevoelen. Want dat is onze grootste nood. Geen God te hebben.

 

Maar nu gaat de Heere Jezus spreken: Sta op, neem uw bed op en wandel. Dat is God in Zijn barmhartigheid, in Zijn ontferming, in Zijn mededogen over deze man. Deze zieke man beseft het niet, maar dat is dé Mens! Dit is de volmaakte Mens, de Heere Jezus Christus, de tweede Adam. Hij zegt hier, waar alle mensen het af laten weten: ‘Ik ben de Mens, met innerlijke ontferming bewogen, vol barmhartigheid. U, achtendertig jaar zieke, sta op, neem uw bed op en wandel.’ Hij zegt niet: ‘Word genezen!’ Dat zegt de Heere Jezus niet. Dat slaat Hij als het ware over. Hij zegt: Sta op, neem uw bed op en wandel. De genezing slaat Hij als het ware over. Maar de genezing ligt er meteen in. Want de Heere Jezus zegt: Sta op! En het gebeurt! Er is geen revalidatie nodig. Deze man hoeft niet eerst te oefenen om zijn spieren in beweging te brengen. In één wenk is hij genezen. Helemaal.

 

En gemeente, dat gebeurt nog. Vers 25 zegt het ons: in de prediking van het Woord komt de stem van de Zoon van God tot doden. En die deze stem gehoord hebben, die zullen leven! Heeft u wel eens die stem gehoord van de Zoon van God in de prediking? ‘Bekeert u, gelooft het Evangelie; sta op uit uw zondeslaap, sta op uit uw verdwaasde zondaarsleven, sta op uit uw opgaan in de wereld, sta op uit uw vasthouden aan geld, genot en muziek; sta op uit het graf van het verderf, sta op uit de doden!’ Hij zegt: ‘Leef in uw bloede, leef.’ En waar de Heere zo spreekt, daar gebeuren wonderen. Daar wordt een dode zondaar inwendig geroepen en levend gemaakt. Uit de kracht van de opstanding van Christus. Want Hijzelf is de dood ingegaan en heeft de dood overwonnen. Daarom kan Hij als machthebbende spreken tot geestelijk doden en hen tot het leven roepen.

 

Gemeente, zo is nog de prediking. Tot mensen die aanleg hebben? Tot mensen die al een streepje voor hebben omdat ze verbondskinderen zijn? Tot mensen die zo vol belangstelling de dingen van de kerk volgen en die zo belangstellend zijn naar het Woord en naar de uitleg van het Woord? Allemaal goede zaken. Waren wij allemaal maar meelevende, betrokken mensen. Laten we het alstublieft zoeken. Maar toch, hoe godsdienstig ook, hoe meelevend; dood zijn we in de misdaden en de zonden.

Hebben we dat wel eens ingeleefd? Zijn we daar wel eens achter gekomen? En hebben we de stem van de Zoon van God wel eens gehoord, zodat we de knellende banden gingen voelen? Zodat we gingen roepen: ‘O Heere, bekeer me, zo zal ik bekeerd zijn’? Zodat we de zonde gingen gevoelen en bestrijden? Zodat we om God verlegen werden, werkelijk en krachtig?

 

En terstond werd de mens gezond en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op die dag. De Joden dan zeiden tot degene die genezen was: het is sabbat, het is u niet geoorloofd het bed te dragen.

Wat een vrome Joden! In hun sabbatsbetrachting, in hun eigen uitleg van het gebod Gods, zien ze alleen maar dat deze man een bed draagt. Een matras, een deken was het eigenlijk, waar hij op gelegen heeft. Maar dát was voor de Joden een zonde! Kennelijk mocht je op sabbat wel in Bethesda op bezoek gaan. En het zal mogelijk ook wel eens op sabbat gebeurd zijn dat die engel het water roerde. En dan mocht je ook wel iemand helpen om in het water te komen. Maar dat bed dragen, nee! Wat een dwaze Joden. Er staat inderdaad in de Bijbel, bij Ezra en bij Ezechiël, dat men geen last mocht dragen op de sabbat. Maar dat heeft daar de betekenis van: geen last dragen naar de stad toe om vervolgens hetgeen men droeg te verkopen. Men hield markt op sabbat en daartegen waarschuwen de profeten scherp. Maar zo’n bed dragen, en dan wel juist na deze genezing, daarover moet men deze man toch niet lastig vallen. De Heere Jezus geneest op sabbat meerdere keren. In Lukas 13 en Lukas 14 lezen we er ook voorbeelden van. Als de Joden Hem daarover lastig vallen, dan laat de Heere Jezus hen zien wat het eigenlijke doel van de sabbat is.

Dat houdt ook voor ons een les in. Het gaat niet om het stipt naleven van wetten en regels. Maar het eigenlijke doel van de sabbat is bezig zijn in de dingen Gods.

 

De Heere Jezus geneest vaak op sabbat. Waarom toch? Kon Hij dat niet op een andere dag? Natuurlijk kon Hij dat op een andere dag. Maar Hij deed het op sabbat, omdat Hij op sabbat wilde bezig zijn in de dingen van Zijn Vader. En dat is de prediking van het Woord. Want de genezingen waren ook prediking. Leest u maar Mattheüs 8. Daar wordt de genezing van een mens onmiddellijk verbonden met de vervulling van Jesaja 53: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen. De genezing is een prediking van het Evangelie, is een teken van de prediking, is een onderstreping van de prediking. Dat wil de Heere Jezus laten zien. Zoals een mens nu naar het lichaam genezen wordt, zo kan een mens ook naar zijn ziel genezen worden. Zoals een mens naar het lichaam niets kan tot zijn eigen genezing, zo kan een mens naar zijn ziel niets tot zijn eeuwig behoud. Eén machtswoord van God, dat is de prediking uit de genezingen. Dat wil de Heere Jezus laten zien.

Op sabbat gaat het niet om menselijke opvattingen en regels, maar het gaat om de werkelijke dienst van God. Op sabbat moest men ook dieren slachten om ze te offeren in de tempel. Dat deed men toch ook? Dat hoorde toch bij de dienst des Heeren? Wel, zo geneest de Heere ook op sabbat. Om te laten zien: het is de dienst van God.

 

Hoe is dat onder ons, gemeente? Veel wettische dingen hebben niet meer zo’n plaats onder ons, denk ik. Maar hebben we het positieve wel overgehouden? Jonge mensen, hoe zie je de zondag? Vind je het jammer dat je niet kunt bezig zijn met je eigen dingen? Of denk je: gelukkig, het is een voorrecht dat er één dag in de week is dat je niet zo druk hoeft te zijn met je huiswerk, niet zo je best hoeft te doen voor je baas, maar dat je een dag in de week hebt, niet om lang te slapen, niet om je met allerlei ijdele dingen bezig te houden, maar een dag in de week met dit doel: dat we Hem zouden zoeken. Besteed die dag toch goed, jonge mensen, lees je Bijbel, buig je knieën. Ouderen, lees een goed boek. Heeft u ‘De Christenreis’ van Bunyan wel eens gelezen? Jonge mensen, heb je wel eens een ander goed boek in de hand op zondag? Je catechisatiewerk maken, of leren, er eens wat omheen lezen, dáár is de zondag voor, dáárvoor heeft God die dag gegeven.

Op die dag hoeven we tenminste niet bezig te zijn met ons werk; ook niet met de computer en de mobiele telefoon. Laat die dingen maar rusten. Eén dag voor het Woord Gods en voor Zijn dienst.

Heb je de Nederlandse Geloofsbelijdenis wel eens gelezen, jonge mensen? Neem de moeite eens om elke zondag drie, vier artikelen te lezen. Doe het eens, echt, dat is de moeite waard. Heb je de Dordtse Leerregels wel eens bestudeerd? Dat is echt iets om op zondag te doen. Je verdiepen in de dingen van het Koninkrijk Gods. Niet in ijdele waanwijsheid, zoals de Farizeeën: ‘We hebben al zoveel gedaan in de dienst Gods.’ O nee, maar biddend, smekend. Want al heb je nu heel de zondag in de dienst Gods doorgebracht en je hebt dat met een eigengereid hart gedaan, dan ben je nog een onnutte dienstknecht. Maar wat is het een zegen als je het doen mag, bedelend om de bediening van Gods Geest. Want in de weg van Zijn instellingen wil Hij Zich laten vinden.

Nee, de sabbat is geen doel op zich. Toen niet en nu niet. De sabbat is een middel om de dienst Gods te vervullen en om daarmee bezig te zijn. Onze catechismus zegt dat het ook wezenlijk tot het sabbatsgebod behoort om al de dagen van ons leven van onze boze werken te rusten en de Geest Gods in ons te laten werken. Laten we dat toch ter harte nemen. De vreze des Heeren in praktijk brengen, dat is een beginsel van de eeuwige sabbat.

 

Er ontstaat een heel gesprek tussen deze genezen man en de Joden. En later komt er een twistgesprek van de Joden met de Heere Jezus. Maar de Heere Jezus wil dat eigenlijk niet. Hij laat de genezingen op de sabbat niet na omdat de Joden zich er aan ergeren. Hij gaat door in het uitdragen wat het beginsel is van het gebod Gods: de liefdevervulling in de dienst van Zijn Vader. Maar Hij zoekt ook het conflict niet. Hij gaat het conflict feitelijk uit de weg. Eerst is Hij de genezen man ontweken; straks komt Hij hem weer tegen, dat hopen we zo te zien. Ook is Jezus het conflict met de Joden uit de weg gegaan. Uiteindelijk krijgen ze een conflict, niet alleen over het sabbatsgebod, maar vooral hierover, dat de Heere Jezus zegt: ‘Ik moet bezig zijn in de dingen van Mijn Vader.’ Dat is voor Hem belangrijk. Daarover zal ten diepste in de nacht van Goede Vrijdag ook de strijdvraag lopen voor het Sanhedrin. ‘Is dan God Uw Vader en bent U de Zoon van God?’ Daar gaat het uiteindelijk om. Zo is Hij bezig om de mens heen te wijzen, om de dienst Gods te vervullen van ganser harte.

 

Zingen wij nu eerst uit Psalm 81, de verzen 12 en 15:

 

Opent uwe mond

Eist van Mij vrijmoedig

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt

Schenk Ik zo gij ‘t smeekt

Mild en overvloedig

 

Och, had naar Mijn raad

Zich Mijn volk gedragen!

Och, had Isrels zaad

Op Mijn effen paan

IJv’rig willen gaan

Naar Mijn welbehagen.

 

2. De prediking naar aanleiding van deze genezing

 

In onze tekst, vers 14, lezen we: Daarna vond hem Jezus in de tempel. Hij vindt Jezus niet, maar Jezus vindt hem. Deze man die in Bethesda genezen werd, heeft de Heere Jezus blijkbaar niet gekend. Hij wist niet Wie Hij was.

Jezus vond hem in tempel. De man is kennelijk vanaf zijn genezing uit Bethesda meteen naar de tempel gegaan. Of hij nog een huis had? Mogelijk niet. Maar daar in de tempel, wat is hij daar gaan doen? Wat zou een Jood in de tempel doen? Het eerste wat hij behoorde te doen als hij was genezen, was zich aan de priester vertonen. Die moet vaststellen dat iemand werkelijk genezen was en dan moest degene die genezen was, een offer brengen. Zo ging hij daar in de tempel zijn dankbaarheid tonen. Dat is een goede plek.

 

Maar laten we er niet teveel aan verbinden. Want als we verder lezen, merken we niets van waar geloof, oprechte dankbaarheid en ware liefde tot de Heere.

Als de Heere Jezus hem vindt, zegt Hij tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden. Hij benadrukt wat er gebeurd is. Het is alsof Hij zeggen wil: bedenk dat goed, u bent achtendertig jaar ziek geweest en nu bent u gezond geworden. Laten we dat eens naar ons eigen leven toepassen, gemeente. Een ongeluk gehad – gespaard. Ernstig ziek geweest – weer opgeknapt. Een hartinfarct gehad – weer beter mogen worden. Misschien wel andere ingrijpende dingen gebeurd – toch weer goed gegaan, in elk geval bij het leven bewaard. De Heere bepaalt er u bij. Merkt u het? Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Het is nog het heden van genade.

 

Zie, gij zijt gezond geworden. En dan volgt er: Zondigt niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. Dat moeten we niet zo opvatten alsof de man vroeger gezond was en toen gezondigd heeft en als gevolg van die zonde achtendertig jaar ziek geworden is. Het zou kunnen dat iemand door een zondig leven te leiden een ziekte opdoet. Maar hier moeten we het ons zo niet voorstellen. Als de Heere Jezus zegt: ‘Zondig niet meer’, dan betekent dat: ‘Breek met de zonde, bekeert u!’

Opdat u niet wat ergers geschiede. Wat kan nu erger zijn dan achtendertig jaar ziek? Negenendertig jaar? Dat kan natuurlijk de bedoeling niet zijn. Nee, de bedoeling is: ‘U bent wel genezen van deze ziekte, maar bekeert u, opdat u niet voor eeuwig verloren gaat!’ Want wat is er erger dan achtendertig jaar ziek? Dat is de dood, de eeuwige dood!

 

Dat is de prediking, ook tot ons, gemeente. Gods goedertierenheden, we zijn er vandaag toonbeelden van. De zon schijnt nog, we hebben eten en drinken, kleding, deksel, wat moeten we eigenlijk nog meer? We hebben misschien veel wensen, maar hebben we ook nooddruft? Eigenlijk toch nauwelijks? En dan al die goede gaven, wat doen we ermee? Gij zijt gezond geworden. De Heere bepaalt er ook ons bij: Denk er aan, mensen, zoveel goede dingen uit Gods hand ontvangen. Maar Jezus voegt er wel een ernstige prediking bij: Zondigt niet meer, ‘Breek met je zonde.’

Welke zonde? Vult u zelf maar in. Hebt u uw geld zo lief? Ga jij zo op in de sport? Ga je op in de moderne muziek, jonge mensen? Gaat u op in… vult u zelf maar in. U vraagt: ‘Is dat dan verkeerd, dat ik m’n werk graag doe?’ Zeker niet! Het zou eerder een schande zijn als het anders was. Maar wat neemt eigenlijk in ons leven de eerste plaats in? Daar gaat het om, gemeente.

Zondig niet meer. Dat betekent: breek met de zonde, de fundamentele zonde van het hart: de eigenliefde, de zelfhandhaving tegenover de Heere. En zoek de Heere terwijl Hij te vinden is. Breek met uw zelfzuchtige bestaan, breek met uw wereldsgezinde leven, met uw rebellie tegenover uw Schepper en val de Rechter te voet, terwijl Hij te vinden is. Dat is het! Zoek de Heere!

Wat een boodschap naar deze man – en naar ons. Hij is voorheen gezond geweest, onbekeerd gebleven. Hij is achtendertig jaar ziek geweest, onbekeerd gebleven. Hij is door een wonder beter gemaakt, onbekeerd gebleven. Hij krijgt een heel persoonlijke preek. Onbekeerd gebleven. Want wat doet die man? Er staat in vers 15: Hij gaat terstond heen naar de farizeeën en gaat hen vertellen dat het Jezus was. Dus er is helemaal geen sprake van geloof, geen sprake van ootmoed, helemaal geen sprake van liefde. Deze man heeft nu de kennis dat het Jezus is Die hem beter maakte.

Is dat geen waarschuwing voor ons? We kunnen de kennis hebben van: ik moet bekeerd worden; en: het krijgen van de weldaden uit Gods hand! We kunnen de kennis hebben van: ik ben door een wonder genezen! Wat zullen we nog meer zeggen? Maar als er bij die kennis geen liefde is, geen geloof en geen ootmoed, dan gaan we door, dan gaan we desnoods aan de oppervlakkige, wettische godsdienst de Zaligmaker verraden. Dan bevorderen we een conflict tussen de Christus der Schriften en de wereldse, wettische, oppervlakkige godsdienst. Dat zijn wij, dat bent u, dat ben ik als God het niet verhoedt.

 

Het thema van deze preek luidt: ‘De wondere genezing in Bethesda’, want het is niet zomaar een genezing geweest in Bethesda. Er gebeurde wel vaker een genezing door de roering van dat water. Maar dit is een wondere genezing in Bethesda. En die is deze man te beurt gevallen. En toch is hij niet bekeerd. Een zeer persoonlijke prediking.

Misschien hebt u die ook wel eens gehoord. Dat u in de kerkbank zat en dat u wist: die preek is voor mij. Dat is precies mijn situatie, dat is precies mijn hart, dat is precies mijn leven. Bekeerd geworden? Of hebt u zich verhard? Bent u doorgegaan? Misschien heeft u weleens een sterfgeval van één van uw vrienden meegemaakt. Die man of die vrouw was ineens weg, of soms na een ernstige ziekte. En u bent er nog. Zo gewaarschuwd. Misschien hebt u wel eens een begrafenis meegemaakt, dat u zei: ‘Het Woord kwam zo indringend naar me toe, dat ik met een gebogen hoofd wegliep en dat ik wist: die waarschuwing is voor mij.’ Maar nu, gemeente, hoe is het nu? Hoe is ons leven? Moet de Heere zeggen: ‘Ik heb ze geslagen, maar ze hebben geen pijn gevoeld. Ik heb ze getuchtigd, maar ze hebben niet op Mijn hand gemerkt’?

We weten allemaal wel van één of andere tegenslag of teleurstelling, zo is het toch? En als we daar niet van weten, dan moesten de goedertierenheden des Heeren ons toch tot bekering leiden?

 

Een aangrijpende prediking, gemeente. Laten we nog een paar zaken kort mogen noemen. De ziekte van deze man is een gevolg van de zondeval, dat weten we allemaal. Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden. Maar zo is de ziekte van deze man ook een beeld van onze natuurstaat: dood in de misdaden en de zonden. En weet u, als dan de Heere Jezus tot ons komt – er zijn er vast onder ons die daar weet van hebben – dan stelt Hij die wondere vraag: Wilt gij gezond worden? Wanneer de Heere in een mensenleven komt, dan doet Hij gewoonlijk een mens eerst gevoelen dat hij een zondaar is; dat hij onmachtig is om zichzelf te bekeren, ja zelfs dat hij onwillig is om de zonde te verlaten. Dat is vaak de praktijk in het leven van iemand die onrustig gemaakt wordt, die zondaar voor God gemaakt wordt, dat Hij eerst als het ware die vraag krijgt: ‘Wilt u gezond worden?’

Dan gaan we inleven – met smart en met pijn, met schrik en met smeking – Heere, ik ben onbekeerd, een totaal onbekeerd mens. En als het aan mij ligt, wordt het nooit anders. Ik ben een zondedienaar. O nee, misschien niet grof en bruut, misschien heel netjes met de Bijbel open, maar toch: ik ben een zondedienaar. En als het aan mij ligt, doe ik het niet anders en wordt het niet anders. Daarom die wonderlijke vraag. Opdat we onze nood zullen leren kennen en gevoelen.

 

En dan komt de stem van de Zone Gods: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben zullen leven (Joh.5:25). Doden zullen horen! Als u die stem hoort, o ja, dan gaat u inleven: ik ben ziek, ik ben dodelijk verwond, ik ben bezet met de zonde, de kwaal van mijn hart. Dan gaan we onszelf bij de Heere aanklagen. Dan ben je God kwijt en je kunt niet zonder Hem door het leven. Dan wordt het Godsgemis ingeleefd, want dan kunnen we Hem niet meer missen. Dan gaan we de Heere zoeken, Zijn Woord lezen…

Als de Heere in je leven komt, dan legt Hij wat liefde in het hart, zodat je Hem zoekt, bij dagen en bij nachten. Dan komt u er achter dat er een kloof is tussen de Heere in de hemel en uw arm zondaarshart. Maar dan zou je wel alles willen doen om die kloof te overbruggen, om bij de Heere te komen. Dan gaan we ons bekeren. Dan wordt de strijd tegen de zonde gestreden. Want dan zou je graag willen dat de zonde je leven uit, je hart uit, je huis uit zou gaan. Dan gaan we God zoeken met smeking en geween. Hem nawandelen. Dan is geen preek te lang en geen boek te moeilijk. Dan krijg je te doen met de zondekwaal van je hart. Dan kan er een tijd zijn dat we denken dat de zonde er wel uit gaat en er onder ligt. Maar er komt ook een tijd dat we moeten inleven geheel melaats te zijn, van top tot teen. En zelf kun je geen enkele verbetering aanbrengen.

Dan komt u erachter: ik heb een Heelmeester nodig, een wondere Medicijnmeester uit de hemel Die mij geneest. Dan gaan we leren dat het leven niet is: te zien dat ik midden in de dood lig. Dat leert een mens wel hoor. Maar daar kan ik het niet mee doen, daar ben ik niet mee behouden. Maar dan ga ik ook ervaren dat de Heere leidt en trekt uit mijn duisternis. Want dan ervaar ik dat ik blind ben in ‘s hemels wegen. Wat zou het dan een wonder zijn als de Heere naar mij zou willen omzien. Dat heb ik niet verdiend. Hij zou geen onrecht doen als Hij mij voorbijging en wegwierp. Maar dan wordt het tevens het uitzien dat de Heere zal trekken uit mijn duisternis naar Zijn Licht.

 

Wat een wonder als we voor het eerst de Evangelieweg mogen zien in het Woord. Wat een wonder, want dan gaan we ervaren dat het leven niet ligt in onszelf, maar in Hem. Wij brengen het leven nooit aan door onszelf, maar dat is en wordt aangebracht door Hem. Het leven ligt niet in onszelf, maar in Hem. Dat moeten we steeds weer en steeds meer leren. Juist door de ontdekking aan onze dwaasheid. Leven is er wanneer we in Zijn wegen mogen wandelen. Door Hem lief te hebben en Zijn geboden te betrachten. Door naar Zijn Woord te handelen en te wandelen.

 

Gemeente, wat zegt ons dit Woord? Een wonderlijk woord, zegt u. Het gaat over een man die te midden van alle weldaden toch onbekeerd gebleven is. Ja, dat is de aangrijpende prediking. Je kunt tachtig jaar onder de zuivere waarheid zitten, je kunt alle jaren van je leven dagelijks uit de Bijbel gelezen hebben en toch onbekeerd gebleven zijn.

Dat is wat, gemeente. Dat is onze doodstaat. Hebben we daar wel eens indrukken van? Zijn we daar welk eens werkelijk aan ontdekt? Zodat we wel op de grond wilden vallen en de hemel wilden bestormen: ‘Heere, verlos me toch uit deze nood en dood waarin ik door eigen schuld verkeer. Als U me niet redt, ga ik voor eeuwig verloren.’

 

Wel, dan mag ik u verkondigen: er is een Fontein van levend Water, er is een Zaligmaker! Want het ging in deze dienst niet om een man die onbekeerd was en onbekeerd bleef. Het ging ten diepste over de Zaligmaker, Die zo’n onbekeerde man, ja zo’n onbekeerlijke man, toch nog wilde genezen. Het gaat over de Zaligmaker, Die het u laat bidden: Laat u toch met God verzoenen. De Heere geeft ons dag uit, dag in zoveel goede gaven. Merkt u het op? Daarenboven roept Hij welmenend een ieder van ons toe: ‘Zo gij Zijn stem dan heden hoort, verhardt u toch niet.’ Wie u ook bent: een wettisch mens of een oppervlakkig christen, een stoere zakenman of een toegewijde moeder, jong of oud: de Heere roept u.

In deze geschiedenis zien we de Zaligmaker naar een mens toe gaan om hem te genezen. En later zien we opnieuw de Heere Jezus tot hem komen en hem aanspreken, hem waarschuwen. De Heere maakt Zijn bemoeienissen met mensen. En Hij maakt Zich vrij.     

Er ligt ten slotte ook nog een geweldige troost in voor Gods kinderen. De Heere was in Bethesda de Eerste. En in de tempel was Hij opnieuw de Eerste. Hij maakt het begin en Hij houdt in stand. Hij zal nooit laten varen het werk dat Zijn hand begon. Daarover zullen de ware gelovigen zich tot in eeuwigheid verwonderen. De Heere zocht op en Hij bleef de Getrouwe. Daarom zal straks gezongen worden: ‘Mijn God, ik zal U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 95: 5

 

Verhardt u niet; neemt Zijn genâ

Ootmoedig aan. Laat Meriba,

Laat Massa u ten afschrik wezen,

Waar ‘k door uw vaders ben verzocht,

Toen alles, wat Mijn almacht wrocht,

Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 25)