Ds. L. Huisman - Lukas 15 : 3 - 7

Het verloren schaap

Lukas 15
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).

Lukas 15 : 3 - 7

Lukas 15
3
En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:
4
Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?
5
En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.
6
En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.
7
Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 1, 5
Lezen : Lukas 15
Zingen : Psalm 23: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 118: 10
Zingen : Psalm 68: 10, 17

Geliefden, het Woord van de Heere dat wij u willen prediken staat in Lukas 15 vers 3 tot en met 7:

 

En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: Wat mens onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt? En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen tezamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.

 

Dit is de gelijkenis van de Goede Herder, overbekend natuurlijk. Maar om twee dingen toch altijd weer nieuw. In de eerste plaats omdat wij altijd weer dwalende schapen blijken te zijn, zolang we hier in de wereld zijn. In de tweede plaats omdat Jezus Christus een Herder blijft, Die het verlorene zoekt, totdat het laatste schaap de schaapskooi zal zijn binnengedragen.

Dan blijkt deze oude waarheid altijd weer nieuw voedsel te zijn voor het hart dat naar genade dorst, voor degene die hongert en dorst naar gerechtigheid, voor de mens die verzoening zoekt met God, voor die ziel die vrede zoekt in de vergeving der zonden en de gemeenschap met God.

O, dat Woord van God, dat ons het diepste geheim van Gods han­delen openbaart en daarin Zijn glorie en Zijn eer aan zondaren bekendmaakt. De vreugde, aan Christus voorgesteld, was een kudde schapen te ontvangen, die Hij wast en reinigt met Zijn bloed en maakt tot Zijn bruid.

 

Gelukkig is er geen scheiding tussen de eer van God en de zaligheid van de zondaar. Dat ziet u duidelijk in deze gelijkenis. Sommige mensen stellen het wel eens zo voor, alsof Gods kinderen daar moeten komen dat de eer van God boven hun zaligheid ging. Dat heeft de schijn van rechtzinnigheid. Maar door het zo te stellen, willen wij rechtzinniger zijn dan God Zelf. Want juist de eer van God wordt het meest verheerlijkt in het zaligen van zondaren. Het is niet óf óf. Het is niet: óf God Zijn eer óf ik zalig. Maar het is én én. God wordt verheerlijkt in de zaligheid van zondaren, meer dan dat Hij ooit verheerlijkt zal worden in de straf die de ongelovigen zullen ontvangen, wanneer zij van Hem zullen worden weggedaan. Ook daarin zal God verheerlijkt worden. Verheerlijkt in Zijn rechtvaardigheid. Maar nooit zal Hij zo verheerlijkt worden door degenen die verloren gaan, want zij zullen de deugd van Gods rechtvaardigheid nooit voldragen. Ze zullen eeuwig schuldenaar blijven. Ze zullen nooit tegen God kunnen zeggen: ‘Nu hebben wij onze schuld afbetaald en nu hebt U Uw gerechtigheid gekregen.’ Ze zullen eeuwig schuldig blijven door hun zonden tegen God. Daarom zal de toorn van God eeuwig op hen blijven rusten.

 

Maar met de gelovigen is het anders. Met de schapen, door Christus bijeenver­gaderd, gewassen en gereinigd door Zijn bloed, gezaligd door Zijn Heilige Geest en samengebracht in het Vaderhuis, met die zal het anders zijn. Zij zullen al Gods heerlijke deugden, al Gods vol­maaktheden, tot in alle eeuwigheid bezingen. Want de eer van God bestaat in de handhaving van Zijn gerechtigheid en in de openbaring van Zijn liefde, barmhartigheid, goedertierenheid en genade, die vervuld zal worden in de gezaligde zondaar.

Als wij straks bij Jezus zijn, dan zijn wij daar overeenkomstig Gods heilig recht. Dan zijn wij daar op een rechtmatige wijze. Dan kan God niet anders. Het is Gods wil geweest dat Hij, nadat Hij het offer van Christus aanvaard heeft, ook degenen die van Christus zijn, als Zijn lieve kinderen en erfgenamen aanneemt.

Hij wil ook niet anders. Want het welbehagen is van de Vader uitgegaan. Hij heeft het plan des vredes uitgedacht. In Zijn hart vernachtte het welbehagen. Hij heeft het geopenbaard, omdat Hij de wereld liefgehad heeft, omdat Hij het mensdom niet voor eeuwig heeft laten verloren liggen, maar gedachten des vredes gehad heeft over mensen zoals u en ik.

 

Dat komt inzonderheid in het vijftiende hoofdstuk van Lukas zo heerlijk openbaar, waarin Jezus Zijn bediening verheerlijkt, ondanks alle opstand die daartegen gekomen was. Er staat in het begin van dit hoofdstuk: En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te horen. U kent die benaming natuurlijk: ‘tollenaars en zondaars’. Dat waren al degenen die niet behoorden tot de farizeeën en de schriftgeleerden, die niet behoorden tot de geestelijke elite, tot de mensen die de wet van Mozes stipt onderhielden, die hoopten op hun wetsbetrachting eeuwig leven te ontvangen.

Deze tollenaars en zondaars vormden een grote groep in de dagen van de Heere Jezus. Zij zagen het niet meer zitten. De lasten die de dominees van die dagen de mensen oplegden, waren zo enorm zwaar, dat ze volkomen verslagen uit de kerk gingen. Er was nooit enige oorzaak van vreugde voor deze mensen. Immers, zij konden toch niets volbrengen van wat hun gevraagd werd. Al probeerden zij het toch en waren zij halverwege, dan mislukte het, want de lasten, hun opgelegd, waren zo onnoemelijk zwaar, nog veel zwaarder dan dat de Heere ooit van een mens geëist heeft.

Want de oversten van het volk waren er in doorkneed om de wet des Heeren zo uit te rafelen, dat er van elk gebod wel zestig andere geboden gemaakt werden. Die beheersten het leven van de mensen van de morgen tot de avond. Velen in die dagen zagen het niet meer zitten. Zij geloofden het wel, maar dan met een kleine letter. Zij lieten het maar aan die anderen over, die meenden het wel te kunnen. Maar daarmee was hun leven dan ook een grauwe, troosteloze warboel. Want een mens zonder God heeft ten diepste toch geen leven? Die heeft geen uitzicht en toekomst.

Dat komt inzonderheid openbaar als het tegen gaat lopen in dit leven. Als onze zaak niet meer zo marcheert als vroeger, als onze bankrekening wordt ingekort, of als onze vrouw, onze man of ons kind wordt weggenomen, waar blijven wij dan met ons genoeglijk leven? Waar blijven wij met onze vrienden, vriendinnen en onze gezellige avondjes, als we God niet hebben? Ik zeg niet dat u dat allemaal niet mag hebben. Ik gun u van harte veel aardse rijkdom, maar dan niet zonder God, maar in de vreze des Heeren. Niet in de plaats van God, want dan ware het beter dat u de armste van de armen was die vrede vond met God, dan dat u rijk en verrijkt was en meende geens dings gebrek te hebben, maar leeg was van God en van de zaken van Zijn genade.

Ik zeg: een mens zonder God is ten diepste een ongelukkig mens, hoeveel plezier hij ook maakt in deze wereld. Maar als hij nog iets van de waarheid afweet, als hij onder het Woord van God is grootgebracht en hij legt zijn hoofd op zijn kussen en hij komt tot bezinning, dan moet hij zeggen: ‘Och, wat baat het mij, Heere, als ik de wereld gewin en ik lijd schade aan mijn ziel? Wat voor vreugde is er in de opeenstapeling van mijn goederen als ik geen toekomst heb? Als mijn toekomst niet meer is dan mijn pensioentje tot mijn tachtigste jaar, en dan, en dan, en dan?’

 

De tollenaars en de zondaars, dat waren van zulk soort mensen die zeiden: ‘Pluk de dag, haal wat er te halen is, leef vrolijk zolang als je leeft en laat voor de toekomst God maar zorgen.’

Ze werden ook niet aangesproken door de geestelijke leidslieden van die dagen, want die zeiden: ‘Dat is de schare die de wet niet kent, die is vervloekt.’ Die waren afgeschreven. Zij hebben het toch zelf gedaan? Zij waren toch uit eigen beweging weggegaan? Zij weigerden toch hun hals te buigen onder het juk? Welnu, dan moesten zij het zelf maar weten. Zo werd er over de tollenaars en de zondaars geredeneerd.

 

Nu komt Jezus, die vreemde Rabbi uit Nazareth, Die heel anders sprak en dacht en met Zijn hele leven Zich in een heel ander milieu begaf dan waarin de farizeeën en de schriftgeleerden zich begaven.

Wonderlijk, dan zie je toch gebeuren dat bij deze harde knoesten, deze ruwe bonken, deze zedeloze vrouwen en wat voor mensen er nog meer onder die tollenaars en zondaars, onder die verzamelnaam voor de ongerechtigen en de verlorenen behoorden, hun ogen beginnen te glanzen. Dat woord van Jezus bekoort hen. Dat hebben zij nooit gehoord.

Hier komt er Eén Die de blinden tot ogen is en Die tegen de lammen zegt: ‘Steun maar op Mijn arm.’ Die ze draagt en Die zegt: ‘Als je dan niet verder kunt, Ik zal je dragen.’ Die tot de armen zegt: ‘Leef maar van Mijn geld. Ik zal je bekleden met nieuwe klederen. Kom, Ik zal je brengen in de bruiloftszaal.’ In het vorige hoofdstuk staat het. ‘Ik zal de blinden leiden en Ik zal de armen met Mijn heil bekleden. Ik zal de lammen dragen.’

Ze kunnen het niet geloven. Van verbazing hangen zij aan Zijn lippen en ze zeggen: ‘Zou het, zou het dan ook voor ons kunnen? Zou God ons werkelijk bedoelen? Wij, die onszelf eigenlijk al hebben afgeschreven, omdat het toch niet meer kan?’

 

Ook in onze dagen zijn er velen die leven zoals deze mensen. Ze hebben door een verkeerd verstaan of een verkeerd gebruik van het Woord van God – om niet erger te noemen – verleerd te hopen op Gods genade. Ze durven zelfs niet meer te denken aan het woord ‘verbond’. Dat is voor velen een vies woord geworden.

Geliefden, ik geef onmiddellijk toe dat er duizenden zijn die op een valse wijze hun natuurlijk, aardsgezind leven uitleven onder de dekmantel van hun zogenaamd verbondskind zijn. In onze gemeenten ligt dat niet zo. Wij moeten niet vechten tegen windmolens. We moeten niet vechten tegen een geest die onder ons niet heerst. Onder ons heerst een andere geest. Wij zijn het verbond vergeten.

Laten wij het maar eerlijk zeggen. Ach, theoretisch niet natuurlijk; we leren het nog wel op de catechisatie en we spreken er over als het zo te pas komt bij de catechismus. Maar we leven er niet meer uit. Het heeft in de praktijk van ons leven zijn betekenis verloren. En daarom is er onder ons zo’n schare mensen die zegt: ‘Voor mij hoeft het niet meer hoor. Ik weet het toch wel. God heeft verkoren en verworpen, daar kom je niet onderuit. Wat zul je maar blijven tobben? Je ziet het toch? Als God je niet hebben wil, dan kom je er toch niet! Je kunt doen wat je doen wilt.’

Die geest leeft bij velen van ons. Dat komt omdat wij geen recht inzicht meer hebben in het verbond dat God met ons is aangegaan. Het teken van het verbond, dat we als een zegel dragen.

 

Hiermee bedoel ik natuurlijk niet dat alle gedoopte mensen in Christus zijn ingeplant door een levend geloof. Het zij er verre van dat ik zoiets zou bedoelen. Maar God heeft ons, omdat Hij ons onder de band van het verbond gebracht heeft, een plaats gegeven onder Zijn volk. Hij heeft Zijn genade betekend en verzegeld. Hij zweert met een eed dat Hij onze God wil zijn. Hij heeft geen groter verlangen dan dat wij Zijn volk zouden zijn. Wij zijn geheiligd door het bloed van het Nieuwe Testament.

Dat is onze plaats! En als je dat niet wilt zien, dan blijf je God verdenken. En als je dat niet wilt zien, dan zie je ook je zonden niet van ongeloof, van verharding. Maar pas als je gaat zien welk een plaats God je gegeven heeft in de wereld, dat Hij in zekere zin u verkoren heeft, dan wordt het anders.

 

Calvijn spreekt ook over graden der verkiezing. In de eerste plaats zegt hij: ‘Wij zijn mensen en geen duivelen. De duivelen gaan allemaal verloren, maar uit de mensen worden er behouden.’ In de tweede plaats: ‘Wij zijn mensen die onder het christendom mogen leven.’ Wij zijn mensen die het teken van het verbond dragen. We mogen leven met het volk van God.

En dan moet deze verkiezing – die buitenste ringen, laat ik maar zeggen – ons drijven, zodat we zeggen: ‘O God, dan ook dat laatste; als U me nu zo gezegend hebt dat ik een mens ben en geen duivel en als U me nu zo gezegend hebt dat ik een christen ben en geen heiden, zult U me dan niet zegenen zodat ik een kind ben en geen huurling?’

Geliefden, dat zien wij duidelijk in deze gelijkenis, hoe dat tot stand komt, hoe dat plaatsvindt. Die schare van tollenaren en zondaren staat daar en hoort hier dat zij kinderen der beloftenis zijn. Die schare hoort dat zij Abrahams zaad zijn. Die hoort hier dat God een eeuwig verbond met hen heeft. Dat God Zijn Zoon gezonden heeft om hen zalig te maken. Want de Heere wil niet dat zij verloren zullen gaan. Dat horen zij weer!

 

Dat woord van Jezus wekt geloof in hun ziel. Aan de andere kant wekt het verbittering. Dat is altijd zo. De farizeeërs en de schriftgeleerden murmureerden. Zij zeiden: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen. Zij kunnen het niet verkroppen en het niet klein krijgen, dat zij ten diepste geen haar beter zijn. Dat ook zij door de poort der bekering moeten binnengaan. Zij kunnen het niet klein krijgen dat zij ten diepste toch maar op één lijn staan met die tollenaren en zondaren. Dat Jezus van Nazareth geen onderscheid maakt tussen hen en deze massa. Dat Hij tot hen allen zegt: ‘Indien gij u niet bekeert, dan zult gij desgelijks vergaan.’

Zouden dan al hun gerechtigheden voor niets zijn? Zou dan hun ijver ten opzichte van de onderhouding van de wet van God hun geen stap nader gebracht hebben tot God?

 

O, die geest leeft ook bij velen die altijd trouw aan het Woord van God gebleven zijn. Die vastgehouden hebben aan hun belijdenis, die vastgehouden hebben aan de waarheid die naar de godzaligheid is, maar zonder dat zij die waarheid bekend hebben! Zonder dat zij de gemeenschap met God ervaren hebben. Mensen die de dienst van God altijd gebruikt hebben als een ladder om tot God op te klimmen. In plaats dat de dienst van God hen gebracht heeft aan de voeten van Jezus en hen heeft doen bekennen hun grote schuld en ongerechtigheid en hen deed roemen in de verlossing die in Christus is, hebben zij de godsdienst gebruikt, zeg ik, als een ladder om tot God op te klimmen.

Als God die ladder omstoot en Hij zegt: ‘Je ligt ook maar in de modder van je zonden en onder je eigen gerechtigheid bedolven. Je kunt ook niet zalig worden, tenzij je Mijn vlees eet’, zegt Jezus, ‘en Mijn bloed drinkt’, dan gaan velen terug en beginnen Hem te lasteren. En dan zeggen zij: ‘Wat wil die profeet uit Nazareth? Waar bemoeit Hij Zich mee? Waartoe is Hij gekomen? Hij heeft geen aanstelling van ons.’

En ze maken Zijn leer bespottelijk. Straks gaan ze Hem doden, met een beroep op de heilige wet dat Hij een godslasteraar is. Zij geven Hem over in de handen van moordenaars. Zij hangen Hem aan het hout. Het is afgelopen, zeggen zij. Zij kunnen het niet verkroppen dat hun gerechtigheden tekortschieten. Dat ze zondaren zijn en dat zij ook niet anders dan door genade kunnen zalig worden.

 

Anders is het met die tollenaren en zondaren. Jezus zegt: Wat mens onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?

Hij zegt tegen de farizeeën en schriftgeleerden: ‘Waarom bent u toch zo boos op Mij? Waarom spuit gij uw woede tegen Mij? Wat heb Ik nu verkeerd gedaan? Doet u het zelf zo ook niet? Als er onder u een mens is, een herder, die honderd schapen heeft en hij weidt die honderd schapen…’ Een mooie trek in deze gelijkenis is dat het maar honderd schapen zijn. Abraham wist niet hoeveel schapen hij had, hij had er duizenden, maar hier stelt de Heere Zich voor als een herder met honderd schapen. Hij kent elk schaap. Hij overziet ze. Hij kent al hun behoeften. Hij kent het leven van die schapen. Nu, zegt Jezus, zo is het onder u, als iemand honderd schapen heeft en hij weidt die schapen op een weide zoals in het oosten. Dat was niet ongevaarlijk. Daar waren nog wilde dieren en rovers die het op de schapen hadden toegelegd. Daar waren ravijnen waar het schaap, vooral het afgedwaalde schaap, gemakkelijk in kon terechtkomen.

‘s Avonds komt hij terug en hij telt de schapen. Hij laat ze onder de roede doorgaan en hij telt ze één voor één. Hij mist een schaap. Wat zal de rechte herder doen? Zal hij zeggen: ‘Nu ja, ik heb er toch nog negenennegentig?’ ‘Nee’, zegt Jezus, ‘zo zal hij niet doen.’ Want immers, de kudde is geschonden. De kudde bestaat uit honderd, en de kudde is het huis van God. Het zijn de kinderen des Heeren. Het is het gezin van de levende God. U weet wel, als er uit een gezin één weg is, dan zegt vader of moeder niet: ‘Nu ja, vooruit…’ Als het donker wordt en één van de kinderen is nog op straat, misschien in gevaar, terwijl het binnen had moeten zijn, dan zegt vader of moeder niet: ‘Nu ja, vooruit, wij hebben tien kinderen, er zijn er in ieder geval negen binnen. De meesten zijn er toch.’

Zo redeneert geen vader, zo redeneert geen moeder, zo redeneert ook God niet. Het gezin bestaat uit tien. Vader en moeder, broeders en zusters, zij zullen niet rusten of dat gezin moet compleet zijn. Al de kinderen moeten binnen zijn, anders is de rust in het gezin opgezegd.

De herder heeft honderd schapen, daar moeten er honderd binnen komen, anders heeft God Zijn zin niet, dan is het gezin van God niet compleet, dan is er een kind weg. Welke ouder zal er rusten, als er nog een kind over de straat dwaalt, misschien wel verloren is in de zonde, in de kaken van de vorst der duisternis?

 

Nu goed, van de farizeeën en de schriftgeleerden mocht het dan wel zo. Als er dan toch iemand was die zich over de verlorenen ont­fermde… Als Jezus, de Profeet, de Herder, dan één procent van Zijn tijd wijdde aan de verlorenen, maar dan toch negenennegentig procent aan de negenennegentig…

Daar hadden zij toch recht op? Als er toch een profeet opstond in de naam van de Heere, dan waren zij toch de aangewezen mensen om het onderwijs van die profeet te ontvangen? Zo meenden zij.

 

Dat zegt Christus niet. Christus zegt niet: ‘Negenennegentig behouden, dus aan negenennegentig schapen wijd Ik negenennegentig procent van Mijn krachten, van Mijn arbeid, van Mijn liefde, en één procent aan het verlorene.’ Ach, dat hadden de farizeeën en de schriftgeleerden ook nog wel goed gevonden. Dat vinden al die beste brave mensen in onze gemeente ook nog wel goed. Maar er moeten er niet te veel komen. De prediker, de ouderling, de zielzorger, moet niet te veel bezig zijn met de verlorenen. Stel je voor dat zij meer van hun tijd besteden aan die jongen, die toch... en vul dan maar in. Het was zijn eigen schuld toch zeker? Hij had toch ook bij de kudde kunnen blijven? Hij hoefde toch niet weg te gaan? Hij is toch vrijwillig afgedwaald? En dan tenslotte: de deuren staan toch open? Als hij terug wil komen, dan komt hij maar terug.

Hebben wij vaak ook niet zulke gedachten ten opzichte van het evangelisatiewerk? Ik heb het wel ouderlingen woordelijk horen uitspreken. ‘Ach dominee, we moe­ten niet te veel aan evangelisatie doen, want de deuren van de kerk staan toch open?’ Ik zei: ‘Lieve man, als Jezus zo over mij gedacht had, dan was ik nog onbekeerd. Als Hij mij niet gezocht had als een verlorene, dan was ik voor eeuwig verloren gegaan.’

Zo was het ook met u, omdat er een Herder is Die zó niet redeneert, omdat er een Herder is Die zegt: ‘Ik besteed al Mijn kracht, al Mijn liefde en al Mijn arbeid aan de verlorenen.’

 

Hoe doet Hij dat? Wel, zoals de herder het doet. Hij gaat het verlorene zoeken. En één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene? En wat er nu met die negenennegentig gebeurt, dat weet ik ook niet. De kanttekenaar weet het ook niet en er is geen enkele verklaarder die met zekerheid kan zeggen wat hiermee be­doeld wordt.

Het komt er ook niet op aan. Het gaat in deze gelijkenis om dat éne punt: God is Herder, Die het verlorene zoekt, daar gaat het om. De rest is entourage, dat hoort er bij, maar heeft geen speciale betekenis. Dat is de aankleding van het verhaal, om tot het binnenste van de boodschap door te dringen. Of dat die negenennegentig nu mensen waren, zoals de kanttekening zegt, die deze bekering niet nodig hadden. Of dat het nu eigengerechtige mensen waren, die meenden dat zij allang bekeerd waren, dat doet niet ter zake. Daar gaan we niet over praten, daar gaat het niet om, daar behoef je niet over te denken, daar móet je zelfs niet over denken.

De Heere wil zeggen: Die anderen verlaat Hij – wie of wat ze ook zijn – die laat Hij alleen. Of dat nu reeds de geredden zijn, die niet opnieuw verloren geraakt zijn, die niet opnieuw in de zonden gevallen zijn. Of dat dat nu die mensen zijn, zoals de farizeeën en de schriftgeleerden – ik hel eigenlijk meer over tot die laatste gedachte; het zijn de mensen die van zichzelf menen dat zij geen bekering nodig hebben. Maar dat doet in deze niet ter zake.

 

De Heere laat ze los, Hij laat ze alleen, Hij laat ze daar. Ze zijn gearriveerd of hoe dan ook. Waar het wel op aankomt, dat is dit: En gaat het verlorene na, totdat Hij het vindt. Hij gaat het verlorene achterna. Dat is het werk van God dat Hij op aarde doet. Dat is de prediking van het Evangelie. Het verlorene achternagaan op de weg der zonde.

Net zo lang het pad volgen waarin het schaap is weg gedwaald, totdat Hij hetzelve vindt, staat er. Hoort u het? O, Gode zij dank, als u zulke ouderlingen en diakenen hebt, zulke kinderen van God, zulke herders en leraars. Dan behoeven ze niet zoveel te weten. Ze behoeven niet zo geweldig ontwikkeld te zijn, als ze dan maar schouders hebben om te dragen en als ze maar een hart hebben om lief te hebben. Dat is het voornaamste. Als ze zelf maar luisteren aan het hart van Jezus en als ze maar weten: ik word zelf ook gedragen vanuit mijn verlorenheid naar het Vaderhuis. Dan gaan we ook anderen zoeken. Dan buigen we ons neer bij de last van die ander. Dan is die ander niet te diep gevallen om de hand te worden toegestoken.

 

Zie wat Jezus gedaan heeft. Hij gaat het verlorene na. De weg om het verloren schaap te vinden, is een verschrikkelijke weg geweest. Daartoe moest Hij van de hemel komen. Daartoe moest Hij het pad van het schaap volgen tot daar, waar het schaap verloren ligt. U begrijpt die beeldspraak wel. Hij moest Zichzelf ontledigen. Hij moest doen alsof Hij geen God meer was. In de brief aan de Filippenzen staat dat Hij Zichzelf vernietigd heeft tot de dood, ja tot de dood des kruises. Dat doornige pad dat Hij gaan moest om de wet te vervullen en de straf te dragen.

Maar Hij is dat pad gegaan. Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts (Jes.50:5). Hij heeft Zijn aangezicht gesteld als een keisteen. Hij heeft de weg bewandeld die de Vader Hem voorgesteld had, het kruis verdragen en de schande veracht, en Hij is doorgegaan, totdat Hij uitriep: Het is volbracht (Joh.19:30). Daar heeft Hij het verlorene gevonden.

 

Geliefden, dat is de liefde van Christus, dat is de liefde des Vaders, die in Christus geopenbaard wordt tot zaligheid van zondaren. O, denk daar diep over na. Als u ooit twijfelt of God uw zaligheid zoekt, als u ooit twijfelt of God u wel hebben wil, als u ooit twijfelen mocht of u van God verkoren zijt, bedenk dan dat Hij in dat eeuwig genadeverbond ons die Herder voorgesteld heeft, Jezus Christus, Die van de troon waar Hij met eer en heerlijkheid bekleed was, is afgedaald in de kribbe van Bethlehem, in doeken gewonden lag en kroop in Gethsémané’s hof, als het met bloed bevlekte Lam, om u te vinden, om u te halen uit de ruisende kuil en het modderig slijk van uw zonde, om de hardigheid van uw hart te verbreken en om de zondelust in uw leven weg te nemen.

Opdat gij in de aanschouwing van deze zoekende liefde van God, in strijd zou komen met uzelf, met uw zonden en uw wellust, met de wereld en met de boze. En dat u door die blik uit Gods oog, verbroken van hart en verslagen van geest over uw zonden zou wenen, en uw verlorenheid zou belijden voor het aangezicht van God.

 

Kom, o, als dit Evangelie uw ziel niet verbreekt, dan zal er tot in eeuwigheid geen stem bij machte zijn om uw hart tot God te bekeren. Als deze liefde van God u niet tot Hem trekt uit de zonde en uit de wereld, uit uzelf en uit uw eigengerechtigheid, om voortaan uw leven te geven in de dienst van de Heere, dan zal er tot in eeuwigheid geen ander evangelie zijn.

Als de wenende Jezus voor de poort van uw leven u niet bewegen kan tot Hem te komen, dan zal er in eeuwigheid geen Evangelie meer aan u gepredikt worden. Maar ik waarschuw u, dat gij deze stem van Jezus niet versmaadt en dat gij het woord van Jezus niet voor uw buurman houdt en zegt: ‘Het zal mij wel niet gelden.’

Want ik verkondig u in de naam van de levende God dat er heden niemand is, of Jezus verkondigt u Zijn liefde, opdat gij in Hem geloven zou. Wie gij dan ook zijt. Want Hij zoekt uw dood en ondergang niet, maar Hij zoekt uw redding en eeuwig heil. Heden, indien gij Zijn stem hoort, terwijl Hij zoekende tot u afdaalt, zo verhardt uw harten niet, maar laat u leiden.

 

Hij gaat het verlorene na, totdat Hij hetzelve vindt. En als Hij het gevonden heeft, legt Hij het op Zijn schouders, verblijd zijnde. En thuiskomende roept Hij de vrienden en geburen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.

Hoe vindt Jezus de Zijnen en wat doet Hij met de Zijnen wanneer Hij ze vindt? Daarvan wil ik nog een enkel woord spreken, als we gezongen hebben uit Psalm 118, het tiende vers:

 

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal ’t rechtvaardig volk door treên,

Om hunnen God ootmoedig t’ eren,

Voor ’t smaken Zijner zaligheên.

Ik zal Uw Naam en goedheid prijzen;

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,

Door Uw ontelb’re gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

 

En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. Dat is weer zo’n typische trek, waardoor Jezus Christus, de Herder Zijner schapen, aan ons wordt voorgesteld. En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders.

Dat hadden we niet verwacht. Als wij soms kortere of langere tijd in het besef van onze zondigheid en verlorenheid over de aarde gaan, als we onze zonden zien die wij tegen God en de mensen bedreven hebben, als we soms een hoop in ons hart gekregen hebben op die goddelijke verlossing, en de barmhartigheid van de Heere ons vertederd en vernederd heeft, dan hebben wij soms een gedachte over de weg der bekering en verzoening die als volgt is.

Dan zeggen wij: ‘Heere, o, als U me ooit verlossen zult, dan zal ik het zeker eerst weten wat ik misdaan heb. Dan zal ik zeker eerst moeten gevoelen hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Dan zal ik aan mijn lichaam en ziel Uw straf ervaren.’

Het kan, als wij in zulk een wettische gestalte zijn. Want dat kan. Wij kunnen bekeerde mensen zijn die aanvankelijk het nieuwe leven van God gekregen hebben en toch in een zeer wettische gestalte leven.

Ik weet dat uit mijn eigen leven, dat ik wel eens gezegd heb: ‘Heere, het zou zelfs enige genoeg­doening geven in mijn hart, als ik de straf van mijn zonde zou gevoelen. Als ik gevoel dat Uw hand mij straft, dat zal nog enig gevoel geven van rechtvaardigheid en enig gevoel van voldoening.’

Maar, geliefden, dat is een wettische gedachte. Door deze weg kunnen wij niet zalig worden. Kijk nu eens wat God zegt van Zijn schapen.

O, ik weet, mensen die op een wettische wijze denken over de bekering, staan ook menigmaal zo’n weg voor. Als zij dan iemand horen vertellen dat hij een indruk ontvangen heeft in zijn hart van de genade van God ten opzichte van zijn grote schuld, dan werd er nogal eens gezegd: ‘Ja maar, dat heb je nu wel gekregen, dat heb je nu wel ervaren, maar er zullen nog wel eens andere tijden komen.’

O, ik heb het meegemaakt, dan krijg je een heel verhaal van wat iemand meegemaakt heeft, toen hij onder het recht van God door moest. Zo’n ijdel verhaal, waarin niet Christus, waarin niet Zijn gerechtigheid, waarin niet Zijn wonden en striemen uitblinken, maar waarin de wonden en striemen van de geslagen zondaar uitblinken, en het zwaartepunt van mijn rechtvaardiging verlegd wordt vanuit het offer van Christus naar de beleving van het recht van God in mijn ziel.

Fout, mensen. Helemaal naast de zaak. Dat is het Evangelie omkeren. Dat is weer een wet maken van het Evangelie. Dat is – mogelijk onbedoeld, maar je doet het wel zo – weer jezelf op de troon zetten en enig gevoel van verge­noeging ontvangen omdat je toch zoveel geleden hebt, eer dat God Zijn gunst aan je bewees.

Fout! Helemaal fout. Dat is een roving van de kroon van Christus. Dat is een roving van het werk dat Hij gedaan heeft. Want als ik bloed moet zweten om voor God recht­vaardig te zijn, dan hoeft Jezus het niet. En als ik naar de hel moet, dan is Hij tevergeefs naar de hel gegaan. Maar omdat Hij naar de hel ging en omdat Hij bloed zweette en omdat Hij van God verlaten werd, word ik nimmermeer van God verlaten.

 

En hoe maakt God mij en u dan zalig? Hij maakt mij zalig door me te vinden waar ik ben. In mijn verlorenheid, in mijn afgedwaaldheid, in mijn zondigheid en in mijn verstoktheid en in mijn hardheid.

En wat doet Hij dan? Dan breidt Hij Zijn zegenende handen over het verlorene uit en Hij buigt Zich onder de last van mijn leven en Hij legt mij op Zijn schouders. Dat is alles wat Jezus doet. Maar dat is dan ook mijn zaligheid. Daarvan zal ik eeuwig zingen, van die goedertierenheid van God, dat ik straf verdiend heb en vergeving kreeg. Dat ik de hel verdiend heb en Hij mij de hemel binnendraagt. Dat ik in de godsverlating behoorde weg te zinken en dat Hij mij op Zijn schouders gelegd heeft. Dat is genade van God, daarvan zal ik roemen tot in der eeuwigheid.

Voelt u dan niet, begrijpt u dan niet, beleeft u dan niet, dat zo alleen God groot wordt, en tot in eeuwigheid de zondaar zijn hand niet krijgen zal achter het genadewerk van God, als iets verdienend. Dit is eer voor God! Dat is genade, dat is vrije genade! Daarvan zullen we zingen: ‘Het is door U, door U alleen, om het eeuwige wel­behagen.’

 

Heeft u die handen van Christus onder uw leven nog nooit gevoeld? Als u viel, als u wegzonk, als u de moed opgaf, als het niet meer kon, als u zo ver weg dwaalde dat u met de dichter zei: Van het einde des lands roep ik tot U (Ps.61:3)?

Dan was daar de Herder, Die het verlorene naging, Die afdaalde in de beestenstal, Die hing aan het vloekhout, Die nederdaalde in de hel. En ach, er is geen zondaar dieper gevallen dan dat Jezus is afgedaald. Geen zondaar verder bij God weg, dan dat Jezus gegaan is, toen Hij aan het uiterste des lands uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46).

Weet u wat er dan gebeurt? Dan is de Herder blij, al schreit het schaap, al wenen wij nog. Want als je op de schouders van de Herder getild wordt, als Hij Zijn erbarmende handen legt onder jouw verloren leven en als Hij je toeroept: ‘Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven’, als Hij u bij de hand vat en wenende Maria’s, wenende Magdalena’s, wenende zondaressen toeroept, die wenend aan Zijn voeten liggen, die wenend op Zijn handen, op Zijn schouders gedragen worden, als Hij ze toeroept, zeggende: ‘Vrouw, groot is uw geloof, uw zonden zijn u vergeven, uw geloof heeft u behouden’, o, dan kunnen we zo hartelijk verbroken zijn over onze zonden. Dan kunnen we het niet op, dat God genadig is, barmhartig en groot van goedertierenheid. Dan wenen wij soms nog, terwijl Hij al blij is. Want er staat dat wij geen last zijn voor Jezus, dat wij geen moeite zijn voor Jezus.

 

Er staat: En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. Kunt u dat geloven, dat Christus verblijd is als Hij een zondaar vindt? Ja, zelfs in de hemel zal er blijdschap zijn.

In Mattheüs, waar deze zelfde gelijkenis met andere woorden verhaald wordt, staat dat God de Vader daarin Zijn genoegen vindt en daarin verblijd is. Hier staat dat Jezus verblijd is. Verblijd zijnde. Terwijl het schaap nog schreit. Terwijl wij nog op weg zijn naar huis, onze weg nog met doornen omtuind is, en onze weg nog is een weg van vallen en opstaan, dan is Hij reeds verblijd.

En ook in de hemel is er blijdschap. Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen die de bekering niet van node hebben.

Daar is blijdschap bij God over de ontferming waarmee Hij Zich ontfermt over een zondaar. O, dat ge deze gedachte van Christus in uw hart weglegt, dat het Hem erom te doen is u te vinden, dat Hij waarlijk uw zaligheid en uw heil zoekt, dat Hij, waar gij ook heen gedwaald zijt, u zoekt om u te vinden.

Ik zou zeggen: laat Hem dan het geblaat, laat Hem dan uw stem horen ter plaatse waar gij verloren zijt.

 

Kinderen, roep tot de Heere, als je nog jong bent. Roep tot Hem op grond van Zijn getuigenis en zeg: ‘Heere Jezus, hier staat het, toen U nog op aarde was heeft U de kinderen zonder uitzondering tot U doen komen en U heeft ze de handen opgelegd en gezegend en U heeft gezegd: Derzulken is het Koninkrijk Gods.’

Kinderen, dat zegt de Heere ook van jullie. Jullie zijn kinderen des Koninkrijks, geheiligd door het bloed van het Nieuwe Testament. O, ga dan niet moed­willig verloren, scheur je niet los van God, verbreek het verbond niet zoals velen in Israël gedaan hebben, die het verbond Gods hebben verbroken en die als kinderen des Koninkrijks zijn buitengeworpen.

Zoek de Heere vroeg, je zult Hem zeker vinden. Jongens en meisjes, verantwoord je voor Gods aangezicht. Ik weet hoe zoet het is de zonde te dienen, maar ik weet ook wat een bittere nasleep het bedrijven van de zonde heeft. Bovenal weet ik hoe zoet het is het juk van Christus te aanvaarden en te dragen, en wat een heerlijke vrucht voor ons leven daarin ervaren wordt.

Want als je Zijn eigendom bent, dan is God je Vader, dan is Kanaän je vaderland, dan is deze hele wereld van jullie. Want de zacht­moedigen zullen het aardrijk beërven. De ongelovigen zullen op deze wereld geen plaats hebben. Die grijpen nu naar het goed van de aarde en daarmede verwerpen zij God en Zijn Christus. Straks zullen zij alles missen. Zij zullen God en de wereld missen. Zij zullen in het eeuwig, naar verderf neerstorten, waar geen vreugde meer zal zijn, maar eeuwige jammerklachten.

En daarom zeg ik, jongens en meisjes hoor toch de stem van Hem Die je zoekt in de schuilhoeken van je zonden. Roep vandaar tot de levende God. Hij zoekt je nog.

Kom, heb je nooit eens nood in je leven gehad? Denk je dan nooit eens aan God? Denk je nooit eens aan sterven? Denk je er nooit eens aan voor Gods rechterstoel te moeten staan? Denk je er dan nooit eens aan dat de zonden gestraft zullen worden? Onthoud: óf je moet zelf de straf dragen, óf je vlucht tot Christus, Die de straf der zonden gedragen heeft voor allen die tot Hem komen. En als deze gedachten in je zijn, laat ze dan niet overgaan. Roep dan tot God, opdat Hij kome ter plaatse waar je bent.

 

Als je zegt: ‘Ik kan mijzelf toch niet bekeren, dominee?’, dan zeg ik: ‘Dat hoeft ook niet, maar laat God het dan doen.’ Want Hij wil je daar halen waar jij weggezonken bent. Hij wil je uit die kuil van… Ach, laat ik geen zonde noemen. Ieder heeft zo zijn eigen zonden en ieder heeft zo zijn eigen verderf en ieder heeft zo zijn eigen begeerlijkheden, waarmee hij verloren gaat.

Je moet het zelf weten en God weet het ook. Maar zeg het aan God. Belijd aan God, na ernstig overleg, je boze daden. Dan zal ook voor u gelden: Hij neemt die gunstig weg. Want Hij zoekt het verlorene. Hij gaat het na, totdat Hij hetzelve vindt. Dat geldt voor u, die al oud geworden zijt onder de prediking van het Evangelie van Gods genade.

O, hoe weinigen zijn er die zoeken hetgeen dat van Christus is. Hoe weinigen zijn er die op Zijn Naam betrouwen. Hoe komt het toch, dat er zoveel mensen onbekeerd zijn in onze Gereformeerde Gemeenten? Wij pretenderen de waarheid te hebben zoals geen andere kerk, en als het Avondmaal bediend wordt, of als u rekenschap gevraagd wordt van uw geloof in Jezus Christus, dan zijn het misschien één, twee of drie op de honderd, die zeggen: ‘Ik ben des Heeren.’

Moet dat zo doorgaan? Bent u dan de kerk van Christus, de gemeente van de levende God? Zijn er dan zo weinig die begeren Hem te dienen? Zijn er dan zo weinig die begeren op Zijn schouders naar huis gedragen te worden? Ziet u dan zo weinig in Zijn dienst? Is Hij dan zo onbeminnelijk en verwerpelijk? Is Hij dan niets voor u waard, dat u voortgaat u in ongeloof tegen dit woord te verharden?

 

O, ik raad u een weg aan die beter is. Ik raad u aan dat u vandaag uw stem tot Hem opzendt en zegt: ‘Heere, hier ben ik, ergens onder de doornhagen van mijn begeerlijkheden, of ergens in de ravijnen van mijn trots, van mijn geldzucht of van mijn ijdele eer en van alles wat ik zoek buiten God en Christus. Ik heb al tien keer geprobeerd om uit die kloof te komen, maar het is een ravijn, Heere, waar ik niet meer uit kom. Ik zie het niet meer. Ik weet het niet meer.’

Welnu, Hij gaat het verlorene na. Hij komt tot u. Hij reikt u de hand in de diepte van uw verlorenheid. Nee, Hij werpt u niet vanuit de verte een touw toe dat te kort is. Hij is geen tiran. Hij gaat niet op de kant staan als u midden in het water ligt en u roept van ellende. Dan zegt Hij niet: ‘Kom naar Mij toe, dan zal Ik je helpen’, maar Hij is je nage­sprongen, als ik het zo eens mag zeggen.

Hij is in het ravijn van uw dood en uw verdoemenis afgedaald en Hij zit aan het water waarin u ligt om voor eeuwig te verdrinken. Daar is Hij in gesprongen en het heeft Hem het leven gekost. Hij is u nagegaan, totdat Hij u vindt.

 

Laat u dan vinden! Strek dan uw armen hulpeloos naar Hem uit en roep dan tot die God Die u genadig wil zijn. Opdat gij ook de kracht, die opbeurende kracht, die levenwekkende kracht, die vernieuwende kracht van Zijn gerechtigheid zult ervaren, wanneer gij in de armen van die grote Herder gedragen wordt.

Waarheen? Ach, we hadden het verdiend dat Hij ons heen droeg naar de plaats waar wij eerst zouden boeten voor onze ongerechtigheden en voor onze afval. Maar Hij draagt naar huis. Daar hoort het schaap; in Vaders huis, aan Vaders zijde, aan Vaders dis.

Laten dan de oudste zoons toezien, wanneer zij, murmurerend, niet kunnen begrijpen dat wij ‘zomaar’ zalig worden. Uit genade, door de liefde van God, om het offer van de Heere Jezus. Maar het zal ons genoeg zijn om voor eeuwig te zingen, wanneer wij voor Gods aangezicht, voor de troon van het Lam, zullen zingen: ‘Het was door U, Heere Jezus, het was door Uw bitter lijden en sterven, het was door U, om het eeuwige welbehagen.’

  

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68: 10 en 17

 

Geloofd zij God met diepst ontzag!

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen.

Die God is onze zaligheid;

Wie zou die hoogste Majesteit

Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ‘t eeuwig, zalig leven;

Hij kan, én wil, én zal in nood,

Zelfs bij het naad’ren van de dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

Hoe groot, hoe vrees’lijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd’lijk Opperwezen!

‘t Is Isrels God, die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).