Ds. L. Huisman - Ruth 2 : 13 - 14

Boaz' milddadigheid

Ruth 2
Deze milddadigheid wekt een heilige verlegenheid
Deze milddadigheid opent de weg naar rijke zegeningen
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).

Ruth 2 : 13 - 14

Ruth 2
13
En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een uwer dienstmaagden.
14
Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 6, 7
Lezen : Ruth 2
Zingen : Psalm 116: 7 t/m 11
Zingen : Psalm 147: 5, 6
Zingen : Psalm 108: 2

Geliefden, het Woord des Heeren dat wij u op deze dankdag willen prediken, staat in het u voorgelezen hoofdstuk, Ruth 2 en daarvan de verzen 13 en 14:

 

En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben gelijk een uwer dienstmaagden. Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hierbij, en eet van het brood en doop uw bete in de azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at en werd verzadigd en hield over.

 

Deze tekst spreekt ons van: Boaz’ milddadigheid.

 

1. Deze milddadigheid wekt een heilige verlegenheid

2. Deze milddadigheid opent de weg naar rijke zegeningen

 

Psalm 116, waaruit we enkele verzen zongen, spreekt ons van een man die in doodsnood was en zei: ‘Ik was uitgeteerd.’ Dat is wat, ‘uitgeteerd’ te zijn. Dan ben je volkomen aan het eind van je krachten gekomen. Je glans en je heerlijkheid is vergaan. Iemand teert niet in een uur of in een dag uit. Men zegt niet: ‘Hij is uitgeteerd’, wanneer iemand vreselijk geschrokken is door iets dat als een kruis op hem neergedaald is, plotseling, in een ogenblik. Maar wel als iemand een lange weg van ellende doorgemaakt heeft, van dagen, weken, ja misschien wel van jaren. Aan het eind van zo’n weg zeggen we tegen elkaar: ‘Hij teert er onder weg.’

 

Zo’n lange weg heeft ook David meegemaakt en aan het eind van die lange weg hoort God zijn stem. Dan redt God hem uit de benauwdheid en geeft God hem Zijn vreugde weer. Dan zingt deze dichter: ‘Ik was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.’ Voorts zingt hij: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? (Ps.116:12) Dat is een toestand van de ziel, een gevoelstoestand, die ons doet uitroepen: ‘Hoe zal ik God Zijn weldaden vergelden?’ Niet in de zin van: hoe kan ik God iets teruggeven, want dan wordt het gewoon een ordinaire ruil. Ook niet zoals Israël het vaak verstaan heeft: God krijgt van alles tien procent. Daarvan zegt de Heere: Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken (Amos 5:21). Men wilde God afbetalen voor hetgeen Hij aan hen gegeven had, om van God af te zijn! Nee, dat bedoelt David niet als hij zegt: Wat zal ik de Heere vergelden? Dan is dat een heilige verlegenheid in zijn ziel. Onder de grootheid van Gods zegen was zijn vraag: Moet ik het eerst in mijn gezin, of moet ik het eerst met mijn persoon ten opzichte van God, of moet ik het eerst in het midden van de gemeente aan de Heere uitzingen? Dat bedoelt David met: Wat zal ik de Heere vergelden?

Hij koos in dit geval voor het laatste. En vervolgens zegt hij: ‘Ik zal met vreugde in het huis des Heeren gaan, om daar met lof Gods grote Naam te danken.’ Dan heeft hij zijn harp teruggevonden.

 

Kijk, dat is nu het kenmerk van het ‘christen zijn’. Daarin is een christen onder­scheiden van de wereld. Want van de wereld zegt Paulus, dat de heidenen, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. (Rom.1:21). Ze hebben God niet gediend en ze hebben God niet gedankt. Dat doen de heidenen, die door een natuurlijke, inge­schapen Godskennis weten dat zij hun gaven van hogere machten ontvangen. Zij hebben God niet erkend en zij hebben God niet gedankt. Daar zijn het heidenen voor.

Maar dít is het kenmerk van een christen: dat hij met de weldaden tot de Weldoener mag wederkeren. Dat hij verstaat dat uit Hem (dat is God) en door God en tot God alle dingen zijn.

 

Zo lezen wij in de Heilige Schrift dat als Mefiboseth beweldadigd werd vanuit het verbond dat David met zijn vader Jonathan gesloten had, hij, nadat hij de zegeningen van David om dat verbond ervaren mocht, in heilige verlegenheid aan Davids voeten neerboog en zei: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? (2 Sam.9:8).

Dat deed ook die Samaritaan, één van die tien genezen melaatsen, die tot Jezus om redding riepen; negen gingen naar huis, naar hun familie, naar hun vrouw, stad of dorp, maar één kwam er terug en die ene was een Samaritaan, die met grote stem God loofde, omdat hij Gods goedertierenheid in zijn genezing gezien had.

Datzelfde deed Abraham, de vader der gelovigen – om niet meer voorbeelden uit de Schrift aan te halen – op de top van de berg Moria, toen hij het ge­heim van de verlossing van Izak zag in de ram die met zijn hoornen in de struiken verward was en daar door God als aangewezen werd: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden (Gen.22:14). Hierin beluisteren we de lofprijzing en de dankzegging voor de menigvuldige bewijzen van Gods goedheid aan Abraham getoond.

 

Denk er om, geliefden, dat wij hierin niet ‘wereldgelijkvormig’ zijn. U weet, dat woord wordt nogal eens gebruikt. Wat is in wezen ‘wereldgelijkvormigheid?’ Is het u nooit opgevallen, dat het ook in onze gesprekken thuis, ons zo vaak zo gemakkelijk afgaat, wanneer het gaat over dure artikelen, hoge prijzen, zware belastingen, of over alles wat weer duurder geworden is? Daar kunnen we avonden mee doorbrengen; daar kunnen we uren over bezig zijn en het is allemaal waar. Politieke leiders, vooral in onze dagen, kunnen zich zeker weten van een grote aanhang, vooral als ze dat met een puntige vinger kunnen aanwijzen, dat dit duurder en dat hoger geworden is en dat is zwaarder geworden en daar geeft de regering te veel aan uit en dat doen ze niet goed. Dat spreekt de mensen, de massa, aan.

Niet alleen in onze gezinnen, niet alleen in de politiek, maar u kunt er ook zeker van zijn dat velen in de kerk daar naar luisteren. En die prediker die telkens opnieuw kan zeggen hoe erg het toch is en hoe ver we van de Heere afgeweken zijn en wat er toch allemaal verkeerd is in de kerk en in de wereld, die kan rekenen op de gunst van zijn hoorders en die wordt voor een ernstige en een getrouwe boodschapper aangezien. Ook zelfs als al deze klachten ontaarden in een klacht over God. Erger nog, tegen God! Dan is de slotzang van zulk een treurlied: ‘Ach, mensen, de Heilige Geest werkt niet meer, en waar worden er nog mensen bekeerd? Waar hoort u nog het echte werk van de Heere, zoals in vroeger dagen?’ Wie is dan de schuldige? Dan is Gód de schuldige! Dan werkt God niet meer door Zijn Geest. Dan laat God Zijn Kerk zakken. Dan houdt God Zijn Woord niet. Dan is de Heere van ons geweken. Dan heeft de Heere het gedaan.

Heimelijk zijn we dan diep in ons hart toch weer slachtoffer geworden. Heimelijk zijn wij dan toch mensen die het allemaal zo goed zien en die het allemaal zo graag anders zouden willen. Maar ja, het ontbreekt ons aan het werk van de Heilige Geest.

Nu, geliefden, als we zo denken, en als we zo spreken, en als dat nu het middelpunt is van onze gesprekken, dan zijn we en in ons huis, en in de politiek, en in de kerk ‘werelds’. Dat is nu wereldgelijkvormigheid!

 

Vaak worden dan ook de Paulussen, die getuigen: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13) en de Habakuks, die belijden: ‘Goed, al zijn die prijzen dan duur en al loopt het me dan allemaal tegen en al komen er dan bergen van zorgen op me of en alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in de Heere van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God van mijn heil (Hab.3:17)’ vaak maar als ‘lichte mensen’ gezien, die het allemaal maar van de oppervlakkige kant bezien, maar die de ernst van de tijd niet inzien en die aan het grote verval zomaar voorbijgaan!

 

Nee, geliefden, op een dag als deze, wanneer wij dankdag houden, willen we in het bijzonder gedenken aan wat God gedaan heeft, ondanks wat wij verdiend hebben. Want als we ons op deze dag gaan meten aan hetgeen we ons misschien voorgesteld hadden te verkrijgen, dan kan het best zijn dat u vandaag zegt: ‘Ach, ik heb niet veel te danken. Want het is in mijn zaak niet best gegaan, mijn salaris is niet veel opgetrokken; ik kan niet veel méér doen, ik heb tegenslagen gekregen, ik tob met moeite en ziekte, ik tob met rouw en verdriet, ik tob met mezelf, ik tob in mijn gezin’, of op welke manier we dan ook meten.

Maar als u nu vandaag met Paulus en Habakuk en met alle christenen, die door de Geest van Christus leven, mag zien wat u ontvangen hebt ten opzichte van hetgeen u verdiend hebt, dan wordt het toch dankdag. Dan zal het vandaag, ondanks alles wat ons drukt, toch dankdag worden. Dan zal vandaag die danktoon van David ook onze ziel bezetten: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? (Ps.116:12). Moge het Woord van God dat we speciaal kozen als het woord van onze tekst, ons daartoe vandaag aansporen.

 

We komen in gedachten op de akker van Boaz, bij Bethlehem. Het gaat in deze geschiedenis om de ontmoeting tussen Boaz en Ruth als een voorbeeld, als een profetie van de ontmoetingen tussen de meerdere Boaz, de Heere Jezus Christus, en die andere Ruth, de kruiskerk, de gemeente der gelovigen, en zo ook als een ontmoeting met de Heere Jezus Christus in ons persoonlijk leven. Daar gaat het in deze geschiedenis om. De rest is entourage, aankleding. Die aankleding staat er niet voor niets, want er staat geen woord in de Bijbel voor niets; het is alles rijk aan onderwijs. Maar het gaat om die ontmoeting. Want die ontmoeting, die doet ons dankdag houden. Die ontmoeting doet ons, overladen van zegeningen, uitroepen: ‘Heere, wat zal ik U vergelden? Ik heb over, Heere. Ik heb over!’ En om die ontmoeting gaat het nu.

 

Het oogsten op het land van Boaz is in volle gang. God heeft het koren rijk, honderdvoud, doen opschieten. De sikkels blinken in het rijpe graan. De gerst valt reeds ter aarde, straks de tarwe. In deze dagen is het dat een vrouw, genaamd Ruth, eenzaam in Bethlehem gekomen uit de landen van Moab, zich begeeft op een van de velden van Boaz, om daar haar zo noodzakelijke leeftocht te mogen vinden. Deze Boaz had veel knechten in zijn dienst. Mogelijk waren het Israëlieten die op de een of andere manier verarmd waren en hun eigen goed hadden moeten verkopen en nu als knechten werkten bij Boaz tot het jaar van hun vrijlating.

God had aan elke Israëliet zijn eigendom gegeven, maar door de zonde kon het gebeuren dat sommigen of soms velen hun bezittingen tijdelijk hadden moeten afstaan, om op deze wijze te kunnen leven in dienst van anderen. U weet, dat was nooit blijvend. Kreeg men in het zevende jaar, het sabbatsjaar, zijn vrijheid niet, dan kreeg men toch zeker in het jubeljaar zijn vrijheid en zijn bezitting terug.

Dat is een beeld van het hemelse Kanaän, waar al Gods kinderen eeuwig zullen neerzitten, een iegelijk onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom. Maar zolang we in deze bedeling zijn, is daar nog steeds die disharmonie door de zonde.

Het kan ook zijn dat het knechten geweest zijn uit andere volken, die Boaz als slaven op zijn land deed werken. Hoe het ook zij, ze zijn aan de arbeid op de velden van Boaz. Ook Ruth is daar gekomen om aren te lezen achter de maaiers.

 

Aren lezen, weten de kinderen nog wat dat is? Wij – ouderen – natuurlijk wel, maar weten de kinderen het ook? Het woord ‘lezen’ moet je natuurlijk niet zien, jongens en meisjes, in de zin van een boek lezen, maar aren lezen betekent dat zij die op een afgemaaid korenveld rondlopen, de aren die achtergebleven zijn bij elkaar zoeken, meenemen en straks uitslaan, om dan het koren dat daar nog uitkomt, te gebruiken. Ook in ons land hebben sommige mensen dit in de laatste oorlog nog wel gedaan, om op deze manier een paar kilo tarwe of gerst te kunnen verkrijgen om in leven te blijven. Welnu, dat is dus aren lezen. Dat is over het algemeen het werk van de armsten van de armen.

 

Nu, deze Ruth was als een arme Moabitische weduwe met haar arme schoonmoeder, Naomi, meegekomen naar Bethlehem. En ze moesten toch eten? Naomi had geen bezittingen meer. Zij was alles kwijtgeraakt door die gang naar het vreemde land Moab. Ze had getracht om het oordeel van de honger dat in Bethlehem gekomen was, te ontgaan. Nu is er echter in Bethlehem weer volop koren. En Naomi is verarmd. Zij is een verkeerde weg gegaan. Toch heeft God haar niet voor eeuwig verlaten. Hij heeft ze weer teruggebracht in Bethlehem en daar moet Naomi nu leven van hetgeen Ruth gaat oplezen op de akker van, ja, van wie? Ze wist het zelf niet. Ze zou maar uitgaan en dan zou ze wel zien waar ze terechtkwam; of ze misschien ook ergens toegelaten werd om als een Moabitische, die niet behoorde tot het volk van Israël, toch met de arme vrouwen, de arme weduwen van Bethlehem, te mogen mee oplezen op het veld. Ze zou wel zien van wie ze die genade zou verkrijgen.

Zo is ze gegaan en zo is ze, door God besteld, terechtgekomen op de akker van Boaz. Dát ze daar gekomen is, heeft een duidelijk aanwijsbare reden. Zij is daar namelijk gekomen door het Woord van God. Dat is punt één.

 

Voor iedereen die op de akker van Boaz komt - en dan denkt u wel even verder aan Boaz die het type, het voorbeeld is van Jezus Christus – is die akker de plaats waar God Zichzelf in het bijzonder verheerlijkt, namelijk in de gemeente des Heeren. Dat zijn de velden van Boaz, het Woord van God, de grazige weiden.

Ruth is op die akker van Boaz gekomen door het woord dat moeder Naomi tegen haar gesproken heeft. Het is dus gewerkt door het Woord. Het is in het leven van Ruth in de keus openbaar gekomen. Want als God het Woord tot ons brengt, dan is dat nooit vrijblijvend. God vraagt altijd een antwoord. We gaan nooit uit de kerk, of God luistert aan de deur van ons hart wat we terugzeggen. Daar moet u goed om denken! En we geven ook altijd een antwoord. Ook al is het er ons helemaal niet om te doen, ons duidelijk en klaar tegenover God uit te spreken. Maar met ons leven geven we een antwoord.

 

Niemand kan neutraal blijven tegenover het Woord, net zomin Ruth als Orpa, de twee schoondochters van Naomi, altijd tussen Moab en Bethlehem konden blijven leven; er kwam een tijd van ‘kiezen’. Het heeft misschien wel één of twee of vijf, het kan wel ongeveer tien jaren geduurd hebben, want zolang is Naomi in het Moabitische land geweest, maar dan komt het toch een keer tot een ontknoping. En u weet de uitkomst: Orpa heeft geweend, hartelijk geweend, bij het afscheid van haar schoon­moeder. Ze vond het zo’n edele vrouw. Ze vond het zo’n tedere vrouw. Ze vond het zo’n oprechte vrouw. Ze vond het zo’n lieve schoonmoeder. Maar hoe ze ook weende, Orpa vond háár volk en háár goden toch verkieslijker en daarom is zij teruggegaan.

 

Met Ruth viel het de andere kant heen. In het leven van Ruth zien we dat ook zij tot een keus komt. O, niet omdat zij haar volk niet liefhad. Niet omdat haar ouders, broers en zusters haar niets meer schelen konden. Want denk er niet gering over wanneer iemand naar een ander land gaat. Men wordt als het ware helemaal ontworteld. Oude banden met familie en kennissen worden als het ware allemaal doorgesneden. Denk er niet licht over. Maar er was in het leven van Ruth iets dat ze door genade had mogen vinden en dat ruimschoots opwoog tegen al datgene wat ze daarvoor los moest laten. En ze heeft gekozen, onvoorwaardelijk gekozen, zoals haar grote vader naar de geest, Abraham, niet wetende waar ze komen zou. Ze is het Woord van God gevolgd!

Straks zegt Boaz tegen haar: De Heere vergelde u uw daad, en uw loon zij volkomen van de Heere, de God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen (Ruth 2:12).

Haar gaan uit Moab was ook een vlucht, een vlucht van de afgoden, een vlucht uit de wereld. Het ging niet zonder strijd. Het was wel een vlucht, maar een eerbare vlucht. Het was een gezegende vlucht. Het was een vlucht in de schaduw van de Almachtige, onder de vleugels van de God van Israël. En niemand zal zo tevergeefs tot God vluchten. En deze ‘tot God vluchtenden’ worden ook door God geleid, geleid in het effen spoor der gerechtigheid. Zie het maar, want in Bethlehem is brood.

 

Het zou toch gemakkelijker voor Ruth geweest zijn om aan te kloppen op de deur van de rijke Boaz en zich bekend te maken als de schoondochter van moeder Naomi, met wie ze meegekomen is uit het land van Moab. Ze zou zichzelf dan kunnen voorstellen aan Boaz als een vrouw die de goede keus gedaan had en die dan toch zeker wel rekenen mocht op wat medelijden en mededeelzaamheid van de rijke Boaz. Want deze Boaz was toch in de verte nog familie. Hij was toch eigenlijk nog een van de lossers van de arme Naomi!

Nee, geliefden, hoewel dat misschien een gemakkelijker weg was, heeft Ruth dat niet gedaan, maar Ruth heeft zich gericht naar het Woord van God. Het Woord van God gaf aan Boaz en aan Ruth ‘een richtsnoer’ ten opzichte van haar handelen op zijn akkers.

 

Dat Woord van God zei tot Boaz: ‘Als u gaat maaien, mag u de hoeken van uw land niet afmaaien. U mag de aren, die door de bindsters tijdens hun werk achtergelaten zijn, niet opzamelen.’ Als de wagens straks van het land zijn en het blijkt dat er nog wat schoven achtergebleven zijn… Dat kan op zo’n oosterse akker nogal makkelijk gebeuren, want hier en daar zijn nogal wat steenhopen en op zo’n akker staan nog wat verdwaalde bosjes. Dan kan het heel gemakkelijk gebeuren dat men bij het oogsten hier en daar zo’n garf heeft laten staan. Nu zegt de Heere: ‘Denk erom, dan mag u niet terugkomen om de vergeten garven toch nog in te zamelen, die zijn dan voor de weduwen en voor de vreemdelingen en voor de wees.’

Dat was de boodschap die God aan Boaz gegeven had – aan al Gods kinderen, aan het hele volk van Israël – maar dat was ook de boodschap die voor Ruth het richtsnoer van haar handelen moest zijn. Want zij was een vreemdeling en daarenboven ook nog een weduwe. Zij mocht dus krachtens ‘het recht des Heeren’ gaan op de akker van Boaz. Zij mocht daar gaan, omdat zij een vreemde en een weduwe was en in die weg heeft zij zich gesteld.

Ook dit moeten wij niet voorbijgaan in deze geschiedenis. Iemand die tot een keuze gekomen is om toevlucht te nemen onder de vleugels van de God van Israël, die verbindt God ook aan Zijn Woord en leert Hij leven naar de eenvoud van Zijn getuigenis.

 

En als zij daar gaat lezen, dan valt het bij Boaz – dus bij de Heere – altijd mee. Zij heeft slechts recht op die aren die achtergebleven zijn. Maar als Boaz op zijn akker komt en Ruth ziet, vraagt hij aan zijn jongen die over de maaiers gesteld was, wie zij is, en dan hoort Boaz van zijn jongen het relaas van haar leven. En dan krijgt ze méér dan wat God in Zijn wet voorgeschreven had. Dan zegt Boaz tegen de maaiers, let wel, tegen de maaiers, ook daar ligt lering in: hij zegt niet met een gul gebaar: ‘Zeg Ruth, luister eens, ik heb zo-even geboden dat er wel wat meer zal blijven liggen voor jou hoor.’ Nee, geliefden, hij zegt het tegen de maaiers. Ruth hoeft niet met beschaamde kaken haar aren op te rapen. Wat u van God krijgt, of het nu veel is of weinig, krijgt u altijd eerlijk. U krijgt het uit Zijn hart. Hij zegt tegen de maaiers: Laat haar ook tussen de garven oplezen en beschaamt haar niet, laat allengskens van de handvollen voor haar wat vallen en bestraft haar niet (Ruth 2:15-16). ‘Dan behoeft ze niet zo dikwijls te bukken, dan heeft ze wat meer als ze vanavond naar huis gaat.’ En dat hebben de maaiers gedaan. Ze mochten het ook eens anders durven doen, dan de grote Boaz gezegd had! Hij was toch beschikker over zijn goederen? Hij deelt toch uit naar dat hij weet wat elk nodig heeft?

 

We willen ook nog even notitie nemen – en dat is ook hard nodig voor ons in deze tijd – van de verhouding waarin op het veld ge­werkt werd. De arbeidsverhouding tussen Boaz en zijn knechten. Als Boaz op het veld komt, dan is het niet zo – zoals het zo vaak gaat in onze vermaterialiseerde tijd, als de baas de scheepswerf op komt of de fabriek binnenkomt, of het land op komt – dat hij vaak niet eens meer ‘mensen’ ziet; maar dat hij alleen naar de grafiek op zijn programma kijkt, of de taak toch wel behaald is die hij zich voorgesteld had. De arbeidsverhoudingen, hoe juridisch geregeld ook in allerlei haarfijn uitgeknobbelde contracten, verstenen de verhouding tussen heer en knecht; tussen werkgever en werknemer. Van de kant van de werkgever zijn de werknemers vaak alleen maar nummer zoveel uit loods zoveel; hebben ze nauwelijks meer een naam. Omgekeerd is het bij de knechts ook vaak zo, als ze de baas op het werk zien komen, dat ze niet anders denken dan: Daar heb je die kapitalist, die van ons werk rijk geworden is. Wat interesseert hen die baas, als hun loonzakje aan het eind van de week of maand maar gevuld is.

Zo ontstaat een arbeidsverhouding waarin de menselijke verhoudingen van beide kanten volkomen zoek zijn. Ach, ik ben heus niet van plan om te spreken over die ‘goede, oude tijd’. Er was bijzonder veel, dat weten we allemaal wel, wat in die oude tijd ook niet goed was. Naar die tijd behoeven we niet terug te verlangen. We willen zelfs die verhouding van toen niet meer terug. We willen naar deze verhouding terug, dat zowel de heer als zijn knechten ‘christenen’ zijn. Al zou dan die baas een heer zijn als Boaz en al zouden dan die knechten niet meer zijn dan slaven, maar dan toch zo, zoals Paulus het zegt: Want gij dient de Heere Christus (Kol.3:24). Dienen met het oog op Hem Die en heer en slaaf tot Zijn kinderen heeft aangenomen. Dan gaat het goed.

 

Als Boaz het veld op komt, dan is niet de eerste vraag: ‘Hoe ver zijn we met de oogst?’, maar dan groet hij zijn maaiers, dan spreekt hij hen vriendelijk toe, dan ziet hij mensen aan het maaien, dan ziet hij zelfs een vreemde Ruth, met wie hij toch feitelijk niets te maken had, die hem geen voordeel en geen nadeel kon toebrengen, maar hij ziet haar en zijn oog is op haar. Omgekeerd zien de maaiers in hun baas ook hun vader, die voor hen zorgt, naar het goddelijk bestel, met wie te spreken is, die om inlichtingen vraagt, aan wie ze hun wensen vertellen kunnen, hun verlangen, hun bezwaren, hun zorgen en hun moeiten.

 

Zo was de verhouding, geliefden, en dat is die ‘goede, oude tijd.’ Daar zou ik wel weer naar terug willen, daar gebiedt God ons naar terug te keren, daar is ook een weg toe, om daar naar terug te keren. Dat is dit Woord, als we ons als heer en knecht, als werkgever en werknemer, in onze dagelijkse arbeid weer laten leiden door het Woord van God. Ik weet het, dan zullen we alleen staan, dan zijn we een apart volk, maar dan zullen we toch ervaren dat Die met ons is, meer is dan die met hen zijn. Dan zullen we toch ervaren dat de zegen des Heeren rijk maakt, alléén rijk maakt en Hij voegt er geen smart bij. Dan mogen we onze weg de Heere bevelen en dan maakt Hij het wel.

In Bethlehem is het zo, zoals het hier staat. Waarom? Omdat daar de vreze des Heeren woont, omdat de baas weet dat de aarde des Heeren is, mitsgaders haar volheid, en omdat de knechten weten dat ze mogen dienen uit kracht die God verleent.

 

Boaz informeert naar Ruth. Ze is op zijn weg geplaatst, dat ziet hij. En dan moet u ook hieraan denken, dat het contact tussen Boaz en Ruth in de weg van het Woord tot stand gekomen is. Er zijn geen bijzondere dingen gebeurd. Er zijn geen wonderen, geen opzienbarende dingen gebeurd. Ruth is naar het Woord van Israëls God op de akker van Boaz gekomen en Boaz is naar de staat die hij van God gekregen heeft, naar zijn akker gegaan. Zo ontmoeten deze twee elkaar.

Het werk van God is eenvoudig. Het is wel een heerlijk werk. Het is een werk waarvan je overstelpt wordt, waar je van zegt: Wat zal ik de Heere vergelden? Maar het is anderzijds toch ook een eenvoudig werk. En die ontmoeting, die komt tot stand in de weg die God Zelf gegeven heeft.

 

O, misschien bent u hier vandaag ook zo gekomen. Ik ken u niet allemaal, zoals Christus u kent. Ik ken niemand van u, zoals Hij u kent, laat ik het zo zeggen, want zo is het. Maar Boaz kent u wel, Christus kent u wel, God kent u wel en als u vandaag hier op Zijn akker gekomen bent, dan heeft Hij ook oog voor u. Niet alleen voor de maaier, niet alleen voor degene die het Woord bedient, niet alleen voor de ouderlingen en diakenen, die van God een bijzondere taak gekregen hebben ten opzichte van Zijn gemeente, maar dan kent Hij ook de bindsters, die garven binden, de vrouwen die Hij aangenomen heeft om in de oogst mee te helpen, maar Hij kent ook de weduwen en de vreemdelingen en de wees. Hij kent zelfs deze Moabitische, deze vreemde. Hij doet er naarstig navraag naar. Hij bemoeit Zich met haar. Hij heeft er een nauw oog op.

O, laat dat uw hart nu vandaag tot Hem mogen trekken. God vergeet u niet. God ziet u zitten in uw bank. God weet waarom u hier gekomen bent. Hij kent u ook als u een vreemdeling voor Hem bent. Een buitenstaander misschien, die niet tot het volk van God behoort, die vandaag hier zomaar eens in de kerk komt. Dan kent Hij u ook en Hij weet waarom u hier gekomen bent. Hij behoeft het zelfs niet te informeren bij Zijn meesterknecht, want Hij kent uw hart, Hij kent uw zorgen, Hij kent uw weduwschap of weduwnaarschap, Hij kent uw eenzaamheid. Hij kent u naar ziel en naar lichaam en Hij houdt nauw Zijn oog op u. Ja, Hij heeft het al tegen Zijn maaiers gezegd: ‘Als er vreemden zijn, als er weduwen zijn, als er ‘Moabitischen’ zijn, die de naam van Israëls kinderen niet dragen en die toch komen op Mijn erf, in Mijn huis, onder Mijn volk, laat dan allengskens wat handvollen vallen. Laat ze ook lezen tussen de garven, want Ik heb van haar gehoord.’

Wat heeft Boaz gehoord? Boaz heeft gehoord van haar keus. Boaz heeft gehoord van haar zorg voor haar schoonmoeder. Boaz heeft gehoord dat haar thuisblijven weinig is. Dat is allemaal aan Boaz verteld. Hij weet waar het Ruth om te doen is. Hij weet ook waar het bij u om gaat.

 

En kijk nu eens, dan gaat hij haar zelf ontmoeten. Dan vraagt hij haar en hij spreekt met haar. Hij zegt: ‘Blijf maar hier; uw ogen zullen zijn op dit veld dat ze maaien zullen.’ Ze moet achter hen aan gaan. ‘Ik heb de jongens geboden dat ze u geen kwaad doen. Als ge dorst hebt, kom dan naar de vaten en drink maar van hetgeen de jongens zullen geschept hebben.’

Toen viel Ruth op haar aangezicht en zij boog zich ter aarde en zeide: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben? (Ruth 2:10)

Boaz zegt: ‘Ik weet het wel, het is me allemaal verteld, hoe u hier gekomen bent, hoe u voor uw schoonmoeder zorgt, hoe u hier op het veld gekomen bent, ik heb het allemaal gehoord.’ Dan spreekt hij haar toe, dan zegent hij haar met geestelijke zegeningen. Hij zegt: De Heere vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen van de Heere, de God van Israël, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen (Ruth 2:12). Hij zegt niet in de eerste plaats: ‘Ruth, ik zal voor je zorgen; ik zal zorgen dat je gerst en koren genoeg hebt; ik zal zorgen dat je een ander en beter huis krijgt, waar je met moeder Naomi wonen kan.’ Nee, hij spreekt haar in de eerste plaats toe in datgene wat voor Ruth het voornaamste geworden was. Het voornaamste voor haar was niet in de eerste plaats veel koren, niet een gemakkelijk leventje, of een betere positie. Het voornaamste in haar leven was dat zij gekomen was om onder de vleugels van de God van Israël een toevlucht te verkrijgen.

 

Geliefden, stemt dat ook uw hart tot dankbaarheid, dat de meerdere Boaz u daarom zegent? Of laat ik het zo zeggen: is dat ook de begeerte van uw hart, dat u die toespraak, die zegen van de Heere zou krijgen? Dat u niet met de wereld koren en most haalt om het in wellust door te brengen, maar dat u zegt: ‘O Heere, een toevlucht onder Uw vleugelen. Een plaats met Uw kinderen onder Uw opzicht. U tot mijn God te hebben, tot mijn Goed, tot mijn Deel in der eeuwigheid.’ Is dat ook de begeerte van uw hart?

 

Nu vernedert Ruth zich nog dieper en zegt: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt (Ruth 2:13). Hoort u, daar ging het om. Dewijl gij mij getroost hebt en dewijl gij naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben gelijk een uwer dienstmaagden (Ruth 2:13). Dat was het voornaamste. Hij verstootte haar niet. Hij sprak haar niet hard aan. Hij verweet haar niet haar afkomst. Hij heeft ze met de zegeningen van Israëls God gezegend. Hij heeft het goede voor haar gezocht en dat deed haar ‘dankdag’ houden, daar op het veld van Boaz. Dat deed haar met David jubelen: ‘Wat zal ik de Heere vergelden, dat Hij mij vriendelijk toegesproken heeft?’

 

Kom, waar gaat het u om, op deze dankdag? Al had u al het goed van de wereld en u kent niet het vriendelijk toespreken door God, u kent niet het ontvangen worden door Hem op Zijn akker, het gezegend worden door Hem, opdat u door genade die keus mocht doen om Moab, de zonde, de wereld, uzelf en uw boze lusten te verlaten, om te komen onder de vleugels van de God van Israël… Zie, als zo uw hart breekt, als dit het doel van uw leven is, dat u zeggen moet: ‘Al had ik een huis vol met koren en most en ik had God niet en ik kende Zijn stem niet en ik had geen troost uit Zijn Woord, dan was ik nog de armste van alle mensen. Daarom zal ik de Heere prijzen, omdat Hij Zich in Zijn Woord over mij nederboog. Omdat Hij mij als een vreemde, komende op Zijn akker, waar Zijn kinderen zijn, niet verstoten heeft.’

 

Ach, het valt bij Boaz zo mee. U krijgt van de Heere altijd meer dan wat u ooit heeft kunnen bidden of kunnen denken, want de velden van Boaz zijn zo onmetelijk groot en het hart van Boaz is zo teder over vreemdelingen. Ach, Hij kan niet anders, want zo is Hij en daarom openbaart Hij Zich zo. Hij heeft Ruth niet weggestuurd. Hij heeft haar zelfs geen verwijt gemaakt, dat kan Boaz niet en dat kan God ook niet.

Weet u waarom niet? Omdat zij naar Zijn Woord op de akker van Boaz gekomen was. God kan geen zondaar van Zich stoten. Waarom niet? Omdat Hij Zelf gezegd heeft: En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). God kan geen mens die zich oprecht aan Zijn voeten neerwerpt, zonder hulp laten gaan. Want Hij is aan Zijn Woord gehouden te doen wat Hij beloofd heeft. Die zijn zonde voor Mij belijdt, die zijn zonde voor Mij uitschreit, die zal Ik de zonde vergeven naar Mijn waarheid en gerechtigheid. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Joh.1:9).

Kijk, daar mag u hoop op hebben. Ruth heeft geen hoop gehad uit hetgeen zij opgelezen heeft. Daar lezen we niet van, want dat zou gauw genoeg opgegeten zijn. Maar zij heeft hoop gehad op het woord dat Boaz gesproken heeft.

 

Nu vraag ik vandaag niet of u hoop hebt uit iets wat u voor God presteren kan, of wat u God kan aantonen, uit Zijn volheid te hebben ontvangen en dat u van Zijn akker hebt opgeraapt, want dat hebt u er gauw genoeg doorgebracht. Onze bekering en de zegeningen die God ons gegeven heeft, ach, die hebben we zo opgegeten en dan blijft er toch niets dan schuld over, want we kunnen toch niet anders dan zondigen zolang we in dit leven zijn. Maar ik vraag u, of u wel eens hoop gehad hebt uit Zijn Woord. Dat Woord, dat Hij u toegesproken heeft, toen Hij tot u gezegd heeft: ‘Ge zijt gezegend, want ge zijt tot God gekomen, tot de God van Israël.’ Dat geeft u hoop, daar hebt u troost uit!

 

We zingen nu eerst Psalm 147 vers 5 en 6:

 

God wil al ‘t vee steeds spijzen, laven;

Hij hoort de stem der jonge raven.

Hij heeft geen lust aan ‘s mensen krachten,

Aan hen, die daaruit heil verwachten;

De macht van ‘t paard en ‘s mans vermogen

Zijn beide nietig in Zijn ogen;

Aan die vertrouwen op hun benen,

Wil Hij geen gunst of hulp verlenen.

 

               De Heer’ betoont Zijn welbehagen

Aan hen, die need’rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

Gestadig op Zijn goedheid hopen.

O Salem, roem de Heer’ der heren;

Wil Uwen God, o Sion, eren!

 

Ruth zegt: ‘Gij hebt mij getroost, want gij hebt naar het hart van uw dienstmaagd gesproken, hoewel ik niet ben als een uwer dienstmaagden.’ In het tiende vers zegt ze: ‘Ik ben een vreemde’, en nu zegt ze: ‘Ik ben een dienstmaagd, maar niet gelijk een uwer dienstmaagden.’

Dan gaat Boaz voort om haar zijn gunst te bewijzen en zijn goedertierenheid aan haar te schenken. Want zie eens, wie zo tot de Heere komt, die zal de Heere verzadigen met het goed van Zijn huis. Als het dan etenstijd is, zegt Boaz tot haar: Kom hierbij en eet van het brood en doop uw bete in de azijn (Ruth 2:14), de zure wijn, hier vertaald door het woord ‘azijn’.

Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde – een ouderwets Hollands woord voor ‘hij gaf’ – haar geroost koren. Dat is een soort toebereid koren, wat dus enigermate toebereid is om zo gegeten te worden. En zij at en werd verzadigd en hield over. Dat was de nadere weldaad die ze van hem ontvangen mocht, toen ze deemoedig boog aan zijn voeten. Want nadat Boaz tot haar gesproken heeft, heeft ze zichzelf geen plaats gegeven onder de maaiers, is ze ook niet opgehouden met het aren lezen. Nee, ze is gebleven wie ze in eigen ogen was: ‘een vreemde,’ maar dan toch een vreemde aan wie God Zijn Woord kwijt was. Dan toch een vreemde, maar een vreemde die hoop had op God! Zo is ze verder gaan lezen, hoort u. Ze heeft de maaiers niet voorgeschreven wat ze doen moesten. Ze is heel gewoon doorgegaan als een vreemde arenleester.

 

En dan gaat Boaz ook voort om haar zijn genade te bewijzen, daar kunt u vast van op aan. Wanneer u niet meer bent in de ogen van God dan een mens die uit genade zalig wordt, dan gaat de Heere voort om Zijn genade aan uw ziel te openbaren. Dan zult ge zalig worden ‘uit geloof tot geloof’.

Want zie maar: als het dan etenstijd is en Ruth moe is van het bukkend werk op de akker, dan mag ze rusten aan het eind van die dag. Dan mag ze rusten, eten en drinken. Dan hoeft ze niet te eten van hetgeen zij bijeen heeft geraapt. Dan mag ze eten van hetgeen waar ze niet voor gewerkt heeft. Dan mag ze drinken van hetgeen ze niet geschept heeft. Dan mag ze haar bete dopen, niet in het water, maar in de wijn, in de zure wijn, die men op het veld gebruikte, waardoor de kracht vernieuwd werd, de kracht van de maaiers en de kracht van de bindsters, maar ook de kracht van de vreemde Ruth. Dan mag ze met hen aan één tafel zitten. Het zal wel wat provisorisch geweest zijn daar in het veld. Maar de spijze was goed, omdat het hart van Boaz goed was en omdat de gaven van Boaz menigvuldig zijn, rijkelijk tot verzadiging van de noden van de vreemdelingen.

 

Ze heeft dezelfde spijs gegeten en de maaiers hebben het haar niet misgund. Daar was een heilige, christelijke harmonie. Zij hebben niet gezegd: ‘Zit jij daar aan het eind van de tafel. Wij zijn tenslotte de maaiers en jij bent maar een Moabitische.’ Maar zij heeft – en dat blijkt uit het verband van de tekst – aan de zijde van Boaz gezeten, want die gaf haar geroosterd koren. Ze mocht uit de hand van Boaz haar spijze ontvangen.

Heeft Jezus dat zelf niet gezegd? Heeft Hij niet gezegd dat Hij Zijn lammeren in Zijn armen draagt en dat Hij de zogenden zachtkens leidt? Heeft Ruth dan geen stof tot dankzegging?

 

Dan staan er drie dingen:

Zij at. Ja, geliefden, daar houdt het werken op. Daar wordt u verzadigd met het goede van Gods huis. Daar mag u alleen maar neder zitten, uw mond opendoen en eten van hetgeen u van Boaz krijgt. Dan mag u rusten van al uw arbeid. Dan mag u God, God laten. Dan mag u uw arbeid de Heere overgeven. Dan mag u rusten in Zijn trouw en dan eet u, dan hoeft u niet alleen maar te redeneren en dan hoeft u niet alleen maar te spreken over de genade, maar dan mag u van die genade proeven, dan mag u van die spijze van Boaz eten.

Er staat: Zij werd verzadigd. Dat is het bijzondere van het werk Gods. Want al heeft u heel deze wereld bij elkaar geschraapt en al heeft u een driedubbel salaris dat u nu verdient en u hebt verder niets meer, dan wordt u toch nooit verzadigd. Nooit, al had u de ganse wereld om te eten met al haar goud en zilver, er blijft nog een leegte in uw ziel, zo groot, groter dan de afstand tussen hemel en aarde. Maar als u van deze spijze die Boaz bereid heeft uit Zijn milde hart gegeten hebt, dan wordt u verzadigd. Dan mag die arme Ruth, die hier als een vreemde zit, zeggen: ‘Ik roem in God, ik prijs het onfeilbaar Woord, want ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord, wat sterveling zou mij schenden?’ Daar heeft God haar hoofd verhoogd boven ‘s vijands benden. Daar mag zij het goede des Heeren genieten in het land der levenden en God prijzen en met David zeggen: Ik zal de beker der verlossing opnemen en ik zal Zijn Naam aanroepen (Ps.116:13).

En zij hield over. Elke weldaad die God aan een van Zijn kinderen of aan Zijn kinderen te zamen geeft, daar is zulk een overvloed van, daar mogen anderen ook van meedelen. Want: ‘Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen. Ze is als de olie die van Arons hoofd gedropen, zijn baard en klederzoom doortrekt.’ Als God ons genadig is, dan merken onze buren het ook. Dan merkt onze knecht het, dan merkt de baas het, dan merkt onze vrouw het, dan merken onze man en kinderen het. Ze houdt over! En wat zij over heeft, geeft ze aan Naomi, aan haar schoonmoeder, dat neemt ze mee. Daar mag zij van genieten. Zo wordt Gods lof vergroot. Zo wordt zij bediend uit Boaz; een man machtig van vermogen, die rijke akkers bezit, en wat meer zegt: die een christelijk hart heeft.

 

Welnu, hij was maar een afgezant van zijn Meester. Hij was maar iemand die de beeltenis vertoont van Hem Die duizendmaal meer heeft en duizendmaal meer is. Als nu Ruth door Boaz niet beschaamd geworden is – en daarmee eindig ik – hoeveel temeer zal Hij, van Wie Boaz milddadigheid geleerd heeft, uw arme ziel verzadigen met het goede? Zodat u heden nog door Hem genodigd wordt om te rusten van al uw arbeid, om de bete te nemen uit Zijn hand, en om bij de volle beker Gods naam met dankzegging aan te roepen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 108: 2

 

Ik zal, o Heer’, Uw wonderdaân,

Uw roem de volken doen verstaan;

Want Uwe goedertierenheid

Is tot de heem’len uitgebreid;

Uw waarheid heeft noch paal noch perk,
Maar streeft tot aan het hoogste zwerk.
Verhef U boven ‘s hemels kringen,
En leer al d’ aard’ Uw grootheid zingen

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 4) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2003).