Ds. R. Kattenberg - Zondag 40

Het zesde gebod en de doodslag

Tot welke mensen richt God Zich in dit gebod?
Wat is de inhoud van dit gebod?
Wat betekent de verdere uitbreiding van dit gebod?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 101: 1, 8
Lezen : 1 Johannes 3: 1-18
Zingen : Psalm 5: 4, 6, 7
Zingen : Tien Geboden: 1, 7
Zingen : Psalm 86: 3
Zingen : Psalm 64: 1

Gemeente, wij geven in deze dienst onze aandacht aan Zondag 40 uit de Heidelbergse Catechismus, de vragen 105, 106 en 107 met de daarbij behorende antwoorden.

 

Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?

Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; ook mijzelf niet kwetse of moedwillig in enig gevaar begeve; waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren.

 

Vraag 106: Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?

God, verbiedende de doodslag, leert ons dat Hij de wortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.

 

Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?

Neen; want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onze vijanden goed doen.

 

Het thema van de preek is: Het zesde gebod en de doodslag.

 

Drie gedachten:

1. Tot welke mensen richt God Zich in dit gebod?

2. Wat is de inhoud van dit gebod?

3. Wat betekent de verdere uitbreiding van dit gebod?

 

Gij zult niet doodslaan; het zesde gebod.

Gemeente, leg dit naast de krant van gisteren en je zit midden in de problemen. Als er één gebod is dat in onze tijd met voeten getreden wordt, dan is het wel dit gebod.

En dan moet u van meet af aan één ding heel goed weten en vasthouden: dat het woordje doodslaan de betekenis heeft van moorden. Wilt u het anders omschreven hebben? Doodslaan is wederrechtelijk iemand van het leven beroven. Dat is best een moeilijke uitdrukking misschien. Wederrechtelijk van het leven beroven wil zeggen: tegen het recht in.

Er zijn omstandigheden dat iemand terecht gedood wordt, maar het zesde gebod heeft het oog op diegenen die ten onrechte van het leven beroofd worden. De voorbeelden daarvan kunt u vrijwel dagelijks in de krant vinden. Hoeveel mensen zijn er op verschillende manieren het slachtoffer van moord, gijzeling, doodslag en terreur?

Ja, zelfs kinderen zijn soms niet veilig bij hun eigen ouders! En dan denken we ook aan de abortusklinieken, waar het ongeboren leven gedood wordt.

Voor de dieren is er inmiddels een aparte partij in ons politieke bestel. Maar diezelfde volksvertegenwoordigers vinden dat het bij de beschaving hoort dat je ongewenst menselijk leven voor de geboorte kunt doden. Maar een spin niet. Waar zijn we mee bezig? Dit is wel de werkelijkheid! We rijden langs ziekenhuizen waar euthanasie moet worden toegepast, als het de wens van de mensen is om uit het leven te stappen.

 

In deze donkere wereld vol van haat van de ene mens tegenover de andere, klinkt het gebod: Gij zult niet doden.

 

Gemeente, de dingen die we zo samen kort noemden, maken je bezwaard en zwaarmoedig. Maar nu dit gebod! Dat laat God horen als een schild dat Hij over ons opheft. Of, mag ik dat beeld gebruiken voor de kinderen: een tent die Hij over ons leven uitspreidt. Dan zeggen de kinderen wel eens: ‘Wat zit je hier lekker hè, lekker veilig!’ Dat is de bedoeling ook van dit gebod. Dat de Heere een schild opheft over het leven van de mens. Over ons eigen leven en ook over het leven van onze medemens.

Het woord klinkt ook vandaag als een late uitloper van Gods spreken aan de Sinaï: Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. En luister: Gij zult niet doodslaan.

 

Allereerst vragen we:

 

1. Tot welke mensen richt God Zich in dit gebod?

 

Voor wie geldt dat nu? Gemeente, het antwoord is niet moeilijk. God richt Zich met dit gebod tot alle mensen. Tot die mensen die vanwege moord en doodslag in de gevangenis zitten, maar ook tot de mensen die in vrijheid rondlopen. Tot die laatste categorie behoren wij. Tot alle mensen. Het zesde gebod komt tot ons allen!

 

Kinderen die al langer op school zitten, hebben vast wel eens het verhaal gehoord van hun meester of juf, dat de Heere de wet afkondigt op de berg Sinaï. Alle mensen moesten daar bij zijn. Je ziet moeders komen met een baby op de arm. Ja, die moeten er ook bij zijn. Ook zie je mensen komen die haast niet meer lopen kunnen. Die moeten er ook bij zijn. Alle mensen moeten er bij zijn, jong en oud, klein en groot.

Gemeente, dan klinkt het vanaf de Sinaï als één grote bazuinstoot: Gij zult niet doodslaan. Jij niet, klein kind, jij niet, oude man, niemand! Het is een woord voor allemaal.

Ook voor Mozes en Aäron? Of zegt de Heere: ‘Mozes en Aäron, gaan jullie maar aan de kant staan, want voor jullie geldt het niet hoor. Maar wel voor al die anderen!’ Nee, Mozes en Aäron moesten er ook bij staan. Want wie van de twee was er nu een moordenaar? Was dat Mozes niet? Is het thuis al gelezen uit de kinderbijbel dat Mozes een Egyptenaar doodsloeg? Hij keek links, hij keek rechts, niemand te zien… en hij heeft zich gauw verstopt. Mozes, een kind van God? Jawel, maar ook Mozes de moordenaar! Hij hoort er ook heel nadrukkelijk bij, dus geen enkele uitzondering.

 

Gemeente, dat betekent heel wat. Met dit gebod verklaart God dat Hij heel Zijn volk aan de Sinaï houdt voor moordenaars. En dan komt de Heere met dit gebod ook tot ons.

Nou, denkt u, waar loopt dat op uit? Wat is de conclusie? Die is helder: u hoort daar ook bij. En ook jullie, meisjes en jongens, en de mensen die met ons meeluisteren. Iedereen! Dat zegt God Zelf.

We kunnen onszelf afvragen hoe het toch komt dat we zo slecht bij de Heere, onze God, staan aangeschreven. Hoe komt dat nou? Het kan een vraag zijn uit nieuwsgierigheid, maar het kan ook een vraag zijn die we stellen met een bijbelwoord erbij: Met een doodsteek in mijn beenderen (Ps.42:11). Ik bedoel daarmee dat u zich daar op een bijzondere wijze door aangesproken voelt.

 

Wat hebben wij mensen gedaan met de Heere onze God? Wat hebben wij met onze Schepper gedaan? Zo komen we het antwoord op het spoor. Wat hebben wij met Hem in het paradijs gedaan?

Toen de Heere al de schatten van Zijn vriendelijkheid, van Zijn goedheid en van Zijn hart voor ons opengelegd heeft, zijn wij de Heere gaan wantrouwen. Er zijn in ons hart verkeerde gedachten opgekomen over de Heere. We gingen Hem verdenken van kwade bedoelingen.

We mochten alles, behalve één ding. En we gingen zeggen: ‘Je mag ook niet veel in het paradijs, je mag niet eens eten van die verboden vrucht.’ Die slang heeft gezegd: ‘Doe het maar hoor, deze boom hoort er toch ook bij?’

Zo is het gebeurd: eerst de verkeerde gedachte in ons hart en toen de zondige daad naar buiten. Toen hebben we de band met God verbroken. We hebben daar allerhande termen voor: gezondigd, de band verbroken of de gemeenschap verbroken.

Maar nu in het kader van dit gebod: gemeente, we hebben met een dolk gestoken naar het hart van God. We zijn er op uit geweest om God te doden. Als de Schrift zegt dat wij allemaal moordenaars zijn, net als alle mensen bij de Sinaï, dan moet u zich goed voor ogen houden dat wij samen begonnen zijn bij God. Wij hebben God naar kroon en troon gestoken, maar we hebben God ook naar Zijn hart gestoken.

Als je eenmaal je hand hebt uitgestoken naar God, als je zegt: ‘Dood aan God!’, is het dan vreemd dat je de neiging voelt opkomen ook je hand uit te steken naar je naaste? Als God niet veilig voor je is, is dan de omgeving waarin je leeft wel veilig voor jou? Als God niet meer heilig is voor je, hoe zul je dan je naaste heilig achten?

Ziet u waar het begin ligt?

Als het gaat om doodslag, dan kijken we vaak naar degene die het doet. Nu wordt u er zelf op aangesproken.

Wat is dan dit gebod een onthullend spreken, als het gaat over uw, jouw en mijn schuld. Mijn schuld! Heel persoonlijk. Dat treft toch?

Het antwoord staat in de ‘ik-vorm’. Wat eist God in het zesde gebod? Dat ik mijn naaste niet kwetse of dode. Merkt u? Dat heel persoonlijke komt naar ons toe.

Dat diepen we verder uit in de tweede gedachte als we vragen: Wat is de inhoud van dit gebod?

 

We zingen eerst uit de berijmde Tien Geboden, het eerste en het zevende vers:

 

Mijn ziel, herdenk met heilig beven,

Hoe God, met majesteit bekleed,

Zijn wet op Horeb heeft gegeven,

Waar Hij deez’ woorden horen deed:

 

Gij zult niet doodslaan, noch u wreken.

Breekt nooit de echt; steelt niemands goed.

Gij zult geen vals getuig’nis spreken,

Bemint elk met een vroom gemoed.

 

Het zesde gebod en de doodslag. We zagen in de eerste plaats tot wie God dat woord richt. In de tweede plaats staan we stil bij:

 

2. Wat is de inhoud van dit gebod?

 

‘Wat eist God in het zesde gebod? Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge.’

Nou, daar staan nogal wat woorden in, gemeente. Een zwaar beladen antwoord.

 

Allereerst gaat het dus over de naaste. Als ik het kort samenvat, staat er dat ik mijn naaste geen kwaad doe.

Mijn naaste, wie is dat? Wie is je naaste? We denken aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Toen heeft de Heere Jezus de vraag ‘Wie is mijn naaste?’ bijgesteld. En toen kwam het hier op neer, dat je moet vragen: ‘Voor wie ben ik nu de naaste?’ De kinderen weten het, er lag een man halfdood op de weg. De priester kwam langs – nee. De Leviet kwam langs – nee. De Samaritaan kwam langs en stapte af van zijn rijdier en vroeg zich af wat hij voor de halfdode man kon doen: ‘Wat zou ik voor hem kunnen betekenen?’

‘Voor wie ben ik de naaste?’ wil dus zeggen: waar word ik geroepen om te helpen?

 

Gemeente, als u vandaag de vraag stelt wie uw naaste is, dan kun je vanuit de woorden van de Heere Jezus zeggen: dat is diegene die op uw weg ligt, vol wonden. Dat is diegene die niet verder kan, als u er niet bij komt. Dat is degene die omkomen zal, als u of jij je hand niet uitstrekt. Dat is degene die u misschien helemaal niet mag. Dat is degene voor wie u uw neus ophaalt. Voor die? ‘Ja’, zegt God, ‘voor die!’ Uitgerekend díe is nu voor u de naaste. U en jij zeggen: ‘Ja, maar die niet!’ Maar God zegt: ‘Juist die wel!’ Je naaste is dus degene die je pad kruist en je hulp en aandacht nodig heeft, hoe dan ook.

 

We lezen: ‘Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode.’

U leest hier twee keer vier woorden die bij elkaar horen; twee woordparen. Het eerste woordpaar is: gedachten, woorden, gebaar en daad. Het tweede woordpaar is: onteren, haten, kwetsen of doden.

Dus je kunt niet zeggen dat de catechismus daar makkelijk over doet of daar makkelijk omheen gaat. Nee, het steekt af naar de diepte. Er zou toch wel heel wat moeten gebeuren, voordat u iemand zou vermoorden. Wacht, zegt de catechismus, denk eens even met mij mee. Als we nu eens beginnen met onze gedachten... We kunnen met onze gedachten iemand onteren, haten, kwetsen of doden. Dan zegt God dat dat zonde tegen het zesde gebod is. Doodslag!

 

Kun je iemand doden met je gedachten? Een bijbels voorbeeld. Denk aan Haman en Mordechai. Wat had Haman zijn hart vol met haat tegen Mordechai. De oudere kinderen kennen dat verhaal ook wel. Haman is in zijn gedachten een galg aan het bouwen en een poosje later staat die galg er echt. Dat is de galg waaraan Mordechai hangen moet. Een dodelijke haat in het leven van Haman.

Een dodelijke haat ook bij de Hamasbeweging. Haat tegen Israël en de God van Israël.

Uitroeien, dat was een term in de Tweede Wereldoorlog met betrekking tot het Joodse volk. De geschiedenis herhaalt zich in dit geval.

 

In de geschiedenis van Haman en Mordechai gaat het om één persoon. Haman wilde Mordechai niet. Weg met die man, die wil ik niet!

En nu de vraag: wie wilt ú niet? Wie wilt u in uw gedachten niet? Wie wilt u graag kwijt? Voelt u: Gij zult niet doodslaan. Wie wilt u kwijt? Die rechtvaardige soms, dat kind van God dat u steeds weer aan uw verkeerde leven herinnert? Meisje, jongen, iemand die wat gewicht legt op je geweten? Ach, je denkt: ‘Daar is die man weer!’ Of: ‘Dát mens weer gezien!’ Je wílt niet aan je verkeerde leven herinnerd worden.

‘Moordenaar!’, zegt God.

 

De catechismus zegt verder: woorden. Doden met woorden. We kennen de uitdrukking: woorden als doodsdolken, woorden die door je hart heen gaan.

Doden met gebaren. We kennen de uitdrukking: als ogen konden doden, als blikken konden doden… Daar zijn wat boze gezichten, gramstorige gezichten, waaruit zich ten diepste de doodslag openbaart.

‘Moordenaar!’

 

En dan staat er ten slotte ook dat je het niet door de daad zelf mag doen. Dat is het allerlaatste, dat mag al helemáál niet. Waarom niet, gemeente? We komen daar op de diepste diepte, op de bodem van dit gebod. Ook hier geldt dat dit gebod moet worden gelezen in samenhang met de aanhef van de wet: Ik ben de Heere uw God. En dan zegt de Heere: Gij zult niet doodslaan. Je mag niet aan het leven komen. Het leven is een kostbaar geschenk.

 

Meisje, jongen, van wie heb je het leven uiteindelijk gekregen? Van God. Als het daarover gaat, moet je voor jezelf, of samen, Psalm 139 eens lezen. Dat gaat over het ontstaan van ons leven. Kinderen zien mama misschien wel eens borduren. Dat is een heel priegelwerk. Het moet heel mooi worden. Als er een steekje fout gaat, moet dat bijgesteld worden. Nu zegt David in Psalm 139: Zo ben jij nu ook gemaakt door God. Toen jij bij mama groeide in haar buik, toen was God bezig.

Zouden wij daar nu aan mogen komen, om te zeggen: ‘De dood erin’? Het is wat cru omschreven misschien, maar hoe mooi je het ook zegt, gemeente, abortus blijft abortus! Afgezien van een spontane abortus, dat begrijpt u wel. De daad stellen in het borduurwerk van God…

 

God heeft de mens geschapen van meet af aan en voor Zijn aangezicht. We zijn geroepen naar ziel en lichaam om eerbied te betrachten. Ziel en lichaam beide, ja, zo heeft God ons voortgebracht in een wonderlijke twee-eenheid. Die eenheid die God tot stand gebracht heeft, daar moeten wij met onze handen afblijven. Want we zijn als twee-eenheid geschapen, maar niet alleen geschapen voor de tijd, dat je zegt: ‘Nou ja, als iemand vermoord is, dan is hij er niet meer.’

Gemeente, wij weten dat we mensen zijn voor de eeuwigheid, eeuwigheidsgangers. Wie zal zeggen hoe het is, als iemand zijn ogen opslaat, zijnde in de pijn, buiten het bereik van Gods genade, daar waar de duivelen en zijn trawanten zijn? Meisjes en jongens, vlied de toekomende toorn! Denk aan je Schepper als je jong bent, voordat de kwade dagen komen waarin je zegt: ‘Nu hoeft het niet meer voor mij.’ Heden komt God voorbij, opdat je niet voor eeuwig zult omkomen!

 

Merkt u de grond ook van hemelswege als het om dit gebod gaat: Gij zult niet doden? De eeuwigheid is er aan verbonden en daarom mogen we niet aan het leven komen. Niet aan het leven van een ander, maar ook niet aan het leven van onszelf. Want dat geeft de uitleg van de catechismus erbij: dat ik ook niet mijzelf kwetse of moedwillig in enig gevaar begeve. Dus we zijn ook zelf bij dit gebod betrokken. God heft het schild op, ook over ons eigen leven. De tent over ons eigen bestaan.

 

Dan moeten we hier ook denken aan de ergste vorm van het kwetsen van zichzelf. Wat is het ergste, gemeente, dat een mens zichzelf kan aandoen? Dat is zelfmoord, dat is zelfdoding. Zonde tegen het zesde gebod? Ja, alleen het woord zegt het al.

Als ik hier wat met u over nadenk, dan zal het duidelijk zijn dat dit met de grootste voorzichtigheid moet gebeuren. Het wegen van woorden is hierbij belangrijk, maar er kan toch nog wel eens een woord verkeerd overkomen. En we zijn er niet om elkaar te kwetsen (om in de woorden van de catechismus te blijven), maar om elkaar zo mogelijk het spoor te wijzen vanuit het Woord van God.

Als alle zelfmoorden in de krant gepubliceerd zouden worden, zou je een hele rij krijgen. Hoeveel mensen zijn er niet die de hand aan zichzelf slaan. Voor sommigen heeft dat de dood tot gevolg, voor anderen gelukkig niet. Soms komt een ander tussenbeide of er gebeurt iets waardoor de dood toch niet intreedt.

 

Zelfmoord, zelfdoding, is zonde. Zeker ook als we letten op wat het woord vertolken wil. Hoe vreselijk zelfmoord is, weten met name die mensen die zoiets van nabij hebben meegemaakt. Want op afstand kun je er wat over denken of over zeggen, maar als je het van dichtbij hebt meegemaakt, dan is het toch heel anders.

Er moet een diep medelijden zijn in ons hart met hen die zulke gedachten in zich omdragen en die zulke gedachten ook tot werkelijkheid gemaakt hebben. Zou u de diepte kunnen peilen van de moeite waarin zo iemand zich bevindt? Zou u aan kunnen geven wat er omgaat in het hart van zo iemand die komt tot de ontzettende daad van het ongeroepen verschijnen voor het aangezicht van God?

Onze tijden, zegt de dichter uit Psalm 31, zijn in Gods hand. En menselijk gezegd: als je zelf een einde maakt aan je leven, zegt God: ‘Maar Ik heb je toch niet geroepen?’

 

Alle rechtzinnige theologen zijn het erover eens dat zelfmoord of zelfdoding zonde is. Maar de Heilige Schrift zegt niet dat het een onvergeeflijke zonde is. Sommige mensen zijn dat oordeel wel toegedaan. Die zeggen dat er voor die mensen geen genade is en dat zij daarom verloren zijn. Een zelfmoordenaar is in de ogen van sommigen per definitie een verworpene en een verlorene.

Iemand die deze mening ook was toegedaan, is Bunyan. Daar heb je vast wel eens van gehoord en hopelijk ook wel eens wat van gelezen. Bunyan zei: ‘Gewis, zelfmoordenaars kunnen niet naar de hemel gaan.’

Als we zien wat er in de Heilige Schrift staat met betrekking tot zelfmoordenaars, dan moet je het ergste vrezen wat hun eeuwige staat betreft. Dan kun je weinig hoop  hebben. Denk aan het bijbelse voorbeeld van Saul.

Toch gaan velen van onze oudvaders niet zo ver als Bunyan. Ik noem u de naam van Voetius, hoogleraar in die tijd in Utrecht. Die kende ook deze vraag. Op de vraag of zelfmoordenaars allemaal, zonder onderscheid, verloren gaan, geeft hij een ontkennend antwoord. Dus volgens Voetius zijn zelfmoordenaars niet per definitie verloren. In dat geval heeft hij het over een acuut berouw. De meisjes en jongens kennen dat woord acuut ook. Bijvooorbeeld: er moet acuut iets aan gedaan worden, onmiddellijk, direct. Nu, een acuut berouw is dus een onmiddellijk, snel berouw.

 

Ik las in dat verband, niet bij Voetius maar bij iemand anders, het volgende voorbeeld: iemand springt van de brug over de Seine, een rivier in Frankrijk. Je ziet hem springen. Dan zegt de schrijver dat er tussen het moment van springen en het verdrinken in het water nog tijd is om te roepen: ‘Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden.’ Wie zal kunnen bepalen wat er die laatste momenten omgaat in het hart van zo iemand? Het acute berouw kan er onmiddellijk na de daad zijn. Dus vóór de dood en ná de daad. Tussen het ogenblik van de daad, in dit geval dus het springen, en de dood ligt zoveel tijd, dat er de roep kan zijn om genade.

 

Afsluitend, gemeente, we moeten nooit een oordeel vellen over wie dan ook. We moeten ook geen oordeel vellen over iemand die zelf het leven heeft beëindigd. Dat komt ons niet toe. Het oordeel is alleen aan God. God is Rechter Die het beslist en Hij is de grote Hartenkenner en Hij zal Zich in Zijn oordeel niet vergissen.

 

Bent ú levensmoe? Dat kan, gemeente! Mensen die zo met het leven te tobben hebben, dat ze er moe van zijn, en dat de gedachte binnenkomt in het hart: ‘Zou het maar niet beter zijn om dood te zijn, dan om verder te leven?’ Ja, wat kan het een klemmende gedachte worden, wat kan zo’n gedachte een mens achtervolgen!

Satan heeft zijn klauwen daar zeker ook in. Satan, die je aanraadt om het maar te doen. Satans handen zijn vol met list en bedrog om te zeggen dat je er alleen maar op vooruit kunt gaan. ‘Dit is toch geen leven? Nou, stop er dan mee, beëindig het dan!’

Als zulke gedachten in uw hart of in jouw hart zijn, vlucht dan tot de Heere Jezus Christus, van Wie we aanstonds het nodige mogen horen in verband met het zesde gebod. Vlucht tot Hem, Die op Golgotha tussen moordenaars gehangen heeft. Vlucht tot Hem, van Wie wij lezen: ‘Wie Mij aanroept in de nood (ook in die nood!), vindt Mijn gunst oneindig groot.’ Dat is Psalm 86, het derde vers, wat wij nu zingen:

 

Heer’, door goedheid aangedreven,

Zijt Gij mild in ‘t schuldvergeven.

Wie U aanroept in de nood,

Vindt Uw gunst oneindig groot.

Heer’, neem mijn gebed ter ore;

Wil naar mijne smeking horen;

Merk, naar Uw goedgunstigheên,

Op de stem van mijn gebeên.

 

Het zesde gebod en de doodslag. Tot wie richt de Heere Zich met de woorden van dit gebod, wat is de inhoud daarvan, en nu de derde vraag:

 

3. Wat betekent de verdere uitbreiding van dit gebod?

 

Gemeente, nadat de catechismus heeft gewezen op de taak van de overheid, namelijk om de doodstraf te handhaven, zoals dat staat in het slot van antwoord 105, lezen we vraag 106: ‘Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?’ De catechismus neemt onmiddellijk de gedachte weg dat dit gebod alleen maar zou spreken van het daadwerkelijk iemand van het leven beroven. En zeker, er wordt alleen gesproken van doden, moorden, het wederrechtelijk van het leven beroven. De catechismus zegt ons echter dat we niet alleen naar die hand moeten kijken, maar eerst naar het hart.

De catechismus is heel praktisch, maar ook heel onthullend, en heel ontdekkend. De geboden van God zijn nooit oppervlakkige aangelegenheden, maar die steken af naar de diepte. Dat wil zeggen: naar ons hart. De Heere Jezus heeft het gezegd: uit het hart zijn de uitgangen van het leven. Uit het hart komen voort boze bedenkingen, hoererijen, doodslagen en moord. Ja, uit het hart!

 

Weet u, we kunnen heel vroom en verontwaardigd zijn over wat er allemaal in de wereld gebeurt. We kunnen onze afkeuring uitspreken over wat mensen doen. Denk nog eens aan het begin van de preek. We zijn het er allemaal over eens dat terroristen en moordenaars ver over de schreef gaan en dat hun slachtoffers vreselijke dingen hebben meegemaakt.

 

Maar hoe is het nu met uzelf? Hoe is het nu met uw, jouw en mijn hart? Kennen wij nu ons eigen hart? De catechismus klaagt ons hier allemaal aan en zegt dat het in ons hart niet klopt. Je hart klópt wel, gelukkig, anders ben je er niet meer. Maar het klopt niet in uw hart, daar deugt het niet. Uw hart, zegt God, is een moordenaarshol. Het zal je maar gezegd zijn, en het wórdt u gezegd. Het wordt u door God gezegd.

 

Let eens op alle gevoelens die hier genoemd worden als haat, nijd, toorn en wraakgierigheid. In de ogen van God is het allemaal doodslag! Merk op, gemeente, hoe wij vanuit onszelf blind zijn voor de misdaden van ons hart.

Als er een onderzoek wordt ingesteld naar een misdadiger uit de wereld, dan zeggen we: ‘Ja, dat is goed hoor!’ Bij bijvoorbeeld onderzoek naar oorlogsmisdadigers zeggen we: ‘Dat is akkoord!’ Maar als het nu gaat om het onderzoek van ons eigen hart, dan houden we de boot af.

Laat ik het zo zeggen, bij het geopende Woord van God: wat is het een zegen, wat een genade, wat een wonder, dat de Heere ook daarin werken wil. En dat de Heere daarin werken wil tot heil en zaligheid.

 

Vijandschap, wraak en tegenstand tegen God… De Heilige Geest weet die vijandschap en die tegenstand te doorbreken met Zijn allesoverstijgende werking.

Dan komt de Heilige Geest in je leven met allemaal bewijzen. Boos geweest op die en kwaad gedaan tegen die. ‘Ik wil mijn misdaan die u tergen, niet verbergen, Heere.’ En elke overtreding naar de mens toe is een overtreding naar God. Bij een overtreding is ook altijd een mens betrokken. De Heere komt met Zijn bewijzen en u gaat toestemmen.

Ook het zesde gebod, waarvan je misschien zult denken: ach, dat schikt wel, laten we maar naar een volgend gebod gaan… Nee, u komt openbaar als doodslager, door het onthullende werk van de Heilige Geest.

 

Gods Geest neemt de mens in de weg van bekering mee naar het verloren paradijs. In die weg wordt ons de wortel van de doodslag aangewezen en de kern ervan. Waar komt het nu vandaan, waar komt het nu uit voort? Gemeente, terug naar het paradijs, het gaat om onze afval van God. Daar begint de werkelijkheid; een zaak van wantrouwen, een aanslag op God. De schuld bij dit gebod doet elke keer weer belijden: ‘Ik ben een kind des doods.’

 

Wie kan die prijs der ziele, wie kan dat rantsoen aan God in tijd of eeuwigheid voldoen? Wie? Weet u het, gemeente? Eén! Namelijk, de Heere Jezus Christus! Er is er Eén Die u behouden kan, de Zoon van God, de Middelaar Gods en der mensen, de Zaligmaker der wereld.

Hij heeft Zich ook onder dit gebod gesteld. En Hij heeft ook de last van dit gedeelte van de wet gedragen op Zijn middelaarshart. Was er ooit een verkeerde gedachte in het leven van de Heere Jezus? Als we het aan de kinderen vragen: Heeft de Heere Jezus ooit iets gezegd waarvan jij zou moeten zeggen: ‘Dat mag U niet zeggen, Heere Jezus’? Heeft de Heere Jezus ooit een kwade gedachte gehad, of geprobeerd iemand te doden? Haat of nijd? Nee!

Jezus’ leven is te karakteriseren door dat ene woord: liefde! Liefde tot God en liefde tot de naaste. Liefde tot Zijn Vader en liefde tot degenen die Hij ontmoette, als Hij met innerlijke ontferming bewogen was. In alles heeft Hij dit gebod vervuld.

 

We zien het ook als we Hem volgen op Zijn lijdensweg. Heeft Hij tegengestribbeld bij Pilatus? Heeft Hij teruggeslagen toen Hem Zijn haar werd uitgeplukt en toen Hij kinnebakslagen kreeg? Is Hij tegen Judas uitgevaren? Het laatste wat Hij tegen Judas zegt is: ‘Vriend, waartoe ben je hier?’ En op het kruis bidt Hij voor de vijanden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34).

En toch, kijk eens wat voor een plek Hij krijgt aangewezen? Een moordenaarsplek, als overtreder van het zesde gebod. Want daar hangt Hij tussen twee moordenaars. En nu zegt de Heere van de hemel: ‘Dat is nu het evangelie, dat is nu de blijde boodschap, dat is nu de raad van God, de opzet van God, de wil van God: dat de Zoon van God in de menselijke natuur zal hangen tussen de moordenaars. Opdat moordenaars zalig kunnen worden!’

Mozes, wat was er van u geworden, als Golgotha geen werkelijkheid geworden was? Wat was er van uw leven terechtgekomen, David? David, de moordenaar van Uria, u weet het wel. En Petrus, met de woorden die hij uitgesproken heeft?

O, ziet u niet hoe hier juist tussen de moordenaars de Heere Jezus hangt met uitgebreide handen? Nodigend, naar een wereld vol beste mensen? Nee! Nodigend naar een wereld vol moordenaars! Vol van mensen die afgevallen zijn van God, de Allerhoogste.

 

Laat het ook vandaag een bemoediging zijn voor allen die met het oordeel van moord en doodslag in het hart lopen. De duivel zegt: ‘Zie je, het kan niet meer voor jou!’ Maar de Heere zegt: ‘Het kan wel! Zie op Mij en uw ziel zal leven. In de weg van Mijn bloed is er vergeving, ook voor moordenaars!’ Het gaat om Hem Die geen zonde gehad of gedaan heeft, maar zonde voor ons is geworden.

 

En dan staat er: ‘Is het genoeg, dat wij onze naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden? Nee; want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade zoveel als ons mogelijk is afkeren, en ook onze vijanden goed doen.’

Ja, als je dat leest, gemeente, dan denk je aan Zondag 1. Dat klopt, dit is een klein stukje van Zondag 1. Het lied van Zondag 1 wordt hier gezongen, als er staat: ‘Om voortaan voor Hem te leven.’ Het leven van de dankbaarheid.

Dan is er warmte in het leven, betrokkenheid en liefde. En waar warmte in het hart is, daar komt dat ook naar buiten toe. Daar is geen stugheid, en hardheid, en zich afzetten, maar daar is betrokkenheid, bewogenheid en liefde om naast de ander te gaan zitten, en als het nodig is een helpende hand te bieden en alle liefde te openbaren. De liefde tot de naaste. Vanuit de liefde tot God!

 

En zo heeft dit gebod een heel positieve weerslag in negatieve omstandigheden. Denk aan een woord van de Heere Jezus en dan snapt u het direct: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doe wel degenen die u haten (Matth.5:44). Hebt uw vijanden lief, geef je vijanden te eten, zorg voor je vijand, voor degene aan wie je een hekel hebt. Je mág aan niemand een hekel hebben, maar heb er wel erg in dat dít er naast staat.

Misschien dat het u zó aanspreekt, dat u zegt: ‘Ja, er moeten dingen anders in mijn leven.’ Niet je vijand haten en je naaste liefhebben. Nee, je naaste liefhebben én ook je vijand. Want dat is ook je naaste.

 

Het wordt misschien wat warm onder de voeten, bij ons allemaal. Want er komt in deze dienst niemand zonder schuld uit. Maar er hoeft ook niemand zonder de boodschap van Gods genade naar huis te gaan!

Je vijanden liefhebben, dat is het zwaarste stuk van de wet. Gemeente, God moet Zelf in je leven gekomen zijn, wil er echte liefde tot de naaste kunnen zijn. God moet ons aan Zijn kant getrokken hebben met koorden van goedertierenheid, willen ook wij de naaste liefhebben.

Daar zit dus geen algemene mensenliefde achter. Nee, weet u wat hier nu achter zit, achter die waarachtige liefde tot de naaste? Daar zit uitverkiezing achter. Dat is nu uitverkiezing! Daar zit welbehagen achter, Gods welbehagen. Daar zit de eeuwigheid achter. De eeuwigheid is de achtergrond van die liefde. De liefde uit God van vóór de grondlegging der wereld.

 

Wie niet diep ontroerd kan zeggen dat de Heere barmhartig en genadig is en groot van goedertierenheid, die kan ook niet barmhartig zijn voor zijn medemens. Het één ligt in het verlengde van het ander. De Heere is groot van goedertierenheid. Dat wordt zichtbaar in uw leven naar uw naaste toe, die uw pad kruist, of op uw werk, of in de straat, of hoe dan ook.

Echte, waarachtige menselijke liefde wordt ontstoken door de liefde van God in Jezus Christus. En dan voelt u wel: dat geeft een afhankelijk leven, een leven dicht bij de Heere. Als u de klop van het hart van God hoort in de weg van het geloof, dan hoort de naaste ook weer de klop van úw hart, om zó voor de Heere te leven, dat Zijn naam wordt grootgemaakt.

 

Afhankelijkheid dus. Niet in eigen kracht, maar alleen door het geloof in Jezus Christus is er de kracht om dit te doen uit dankbaarheid, zoals we zongen: ‘Heerst de hovaardij in mij niet meer, dan leef ik tot Uw eer, van grote zonden vrij.’

Dan is het: de Heere liefhebben met alle krachten, van ganser harte, van ganser ziele, en de naaste als jezelf.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 64: 1

 

’t Behaag’ U, mij gehoor te geven;

Ik zend mijn klaagstem tot Uw troon;

O Heer’, dat zich Uw hulp vertoon’;

Laat mij voor ‘s vijands macht niet beven;

Behoed mijn leven.