Ds. J. Karels - Psalmen 106 : 4 - 5

Onderwerp

Psalmen 106
Een brandende begeerte en een troostvolle wetenschap
Een brandende begeerte
Een troostvolle wetenschap
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 25)

Psalmen 106 : 4 - 5

Psalmen 106
4
Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
5
Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 106: 2, 3
Lezen : Psalm 106: 1-23
Zingen : Psalm 89: 3, 9
Zingen : Psalm 63: 2
Zingen : Psalm 52: 7

Geliefden, met Gods hulp willen wij uw aandacht in deze dienst nader bepalen bij een gedeelte uit het Woord van God, wat u werd voorgelezen uit Psalm 106 en daarvan nader het vierde en het vijfde vers:

 

Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

 

Twee hoofdgedachten vragen onze aandacht:

1. Een brandende begeerte

2. Een troostvolle wetenschap

 

1. Een brandende begeerte

 

Wie de dichter van Psalm 106 geweest is, is niet bekend. Maar één ding is zeker, de spraak maakt hem openbaar: hij is versierd met genade. En wat dat is groot, want dat zijn we van nature niet. U en ik liggen van nature allen midden in de dood. En we kunnen in het rijk van God niet komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. Maar dan blijkt uit deze hele psalm dat dit grote wonder hem te beurt gevallen is. Al is dan de naam niet bekend, belangrijker is dat we weten dat ten diepste God de Heilige Geest de Dichter geweest is. Want al de Schrift is van God ingegeven.

Hier zien we het opzien van de dichter ten opzichte van de Heere. Hij weet zich afhankelijk van de Heere. En ook dat is groot, want van onszelf belijden we wel dat God regeert, maar we kunnen zo onze eigen gang gaan. Hier is er één die de Heere nodig heeft. Gedenk mijner! We kennen allemaal dat gezegde wel: ‘God is best, maar we houden Hem voor het lest.’ Maar deze dichter kan niet buiten de Heere.

Hoe ligt dat bij ons, gemeente? Kunnen wij het nog steeds buiten God stellen? Al zijn we dan geboren op het erf van het verbond, al zijn we dooplid of belijdend lid van de gemeente, maar kunnen we het buiten God nog stellen? Terwijl toch bij God alleen de bron van zaligheid is.

Gedenk mijner! Wat is toch feitelijk de aanleiding van de dichter om dit te roepen? Het staat niet in de tekst, maar er staat wel een aanwijzing in vers 6; daar lezen we immers: Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld. Dát is een belijdenis! Ja, het is meer dan een belijdenis, het is beleving van deze dichter.

De belijdenis hebben we allemaal, u en ik. Er is hier niemand die zal ontkennen dat we gezondigd hebben. Daar zijn we immers bij grootgebracht en dat horen we in elke dienst. Dat horen we thuis, vanuit Gods getuigenis: we hebben allen gezondigd. Maar wat zegt ons dat persoonlijk? Liggen we daar wel eens van wakker, dat we God op het hoogst misdaan hebben en dat we van het heilspoor zijn afgegaan? Deze dichter wel. Wij hebben gezondigd. En als dat innerlijk beleefd gaat worden, dan wordt het nog persoonlijker; dan wordt het: ‘Ik heb gezondigd. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog. Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig. Ik erken mijn schuld, die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

 

Gedenk mijner! We horen hier dezelfde smeekbede als van de moordenaar aan het kruis: Gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk.23:42). Die man was er ook – ter elfder ure – achtergekomen, gezondigd te hebben. ‘Wij toch lijden rechtvaardig, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.’

Wij hebben gezondigd. En daar waar een ziel gezondigd heeft en in de verlorenheid van zijn leven terechtkomt, daar kán het toch niet anders of er komt een roepen uit de diepte: ‘Is er nog enig middel om die welverdiende straf te ontgaan en om wederom tot genade te komen?’ En wanneer dán zielsbevindelijk vernomen mag worden dat er zulk een middel is, dat er onder de hemel geen andere naam gegeven is door welke wij moeten zalig worden, als we hebben gehoord dat de zaligheid buiten ons is, in Hem, Die blank en Die rood is en Die de banier draagt boven tienduizend, tot wie zouden we dan anders heengaan?

 

Gedenk mijner! O, de dichter weet het dus gezondigd te hebben. Maar dat doet hem niet van God weglopen. Het doet hem juist aan de voeten des Heeren terechtkomen. Want hij wist vanuit het verleden dat de Heere met zondaren van doen wil hebben. God woont wel in de hoogte en in het heilige, maar ook bij dien die van een verbrijzelde en nederige geest is. Die man heeft er wat van verstaan: ‘Heere, door goedheid aangedreven, zijt Gij mild in het schuld vergeven.’

Gedenk mijner! Zijn er ook hier mensen die hun ziel bij het leven niet houden kunnen, die zich vinden kunnen in de woorden van de dichter: Gedenk mijner? Mensen die in de nood van hun ziel het uitroepen: ‘Zie op Mij in gunst van boven; wees mij toch genadig, o Heere! Denk aan mij toch in genâ, om Uw goedheid eer te geven.’

 

En kijk dan eens tot Wie de dichter spreekt. Hij verwacht het niet van mensen. Hij verwacht het ook niet meer van zichzelf, maar hij verwacht het van de levende God, van de drie-enige Verbondsjehova. Want immers er staat hier: O Heere! Zelfs dat ene lettertje ‘o’ staat er niet zomaar; dat woordje ‘o’ laat ons als het ware zien tot in het diepst van de ziel van deze dichter. O Heere! Het is een ontboezeming. ‘k Heb voor Gods aangezicht mijn klacht in mijn benauwdheid voortgebracht.

O Heere! En dan staat ‘Heere’ met kapitale letters; dat ziet altijd op de Verbondsjehova. De dichter had niet alleen genade, maar hij had ook verdere genade. Hij is niet vreemd gebleven in zijn leven van de drie-enige Verbondsjehova. Die man mag met al zijn zorgen en al zijn nood en droefheid over de zonde bij de Heere terechtkomen: Gedenk mijner, o Heere! Want dat blijkt immers: Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.

 

‘Maar kan dat wel?’, vraagt u. ‘Als we gezondigd hebben, kán God dan een zondaar of een zondares gedachtig zijn? Kan Hij deze dichter genadig zijn? God kan met de zonde toch geen gemeenschap hebben, dat is toch een totaal onmogelijke zaak? Want de ziel die zondigt, die zal sterven. Hoe is dat dan mogelijk dat de dichter op deze wijze bidden mag: Gedenk mijner?’

Omdat hij geleerd heeft dat er een volk is wiens zonde gestraft wordt aan een Ander. Eer God de zonde ongestraft liet blijven, heeft Hij die gestraft met de bittere en smadelijke dood des kruises, aan Zijn lieve Zoon Christus Jezus.

Want dat blijkt uit het vervolg. Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk. Die man had geleerd dat er een welbehagen is. En als je iets van het welbehagen leert kennen, dan leer je ook wat kennen van de bron, van de oorzaak van dat welbehagen. Want immers, het welbehagen des Heeren gaat door de hand van de Middelaar gelukkiglijk voort.

En ik wenste wel dat dít  ons aller deel mocht zijn, geliefden, dat we niet alleen met één oog naar binnen leren zien, naar de grootheid van onze menigvuldige overtredingen, maar met dat andere oog zien op Hem, het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen. Dat welbehagen is die vrije gunst die eeuwig God bewoog. Omdat er een welbehagen is, dáárom kan God gedachten des vredes hebben en niet des kwaads. Dáárom zal er een volk zalig worden; omdat God het wil. Zonder enige verdienste onzerzijds, uit genade alleen. Dat belijdt de dichter hier en dat beleeft hij ook.

En vanzelfsprekend, we moeten oppassen om aan inlegkunde te doen, dat mag duidelijk zijn. Maar degenen die iets weten van dat welbehagen, die hebben er ook iets van verstaan: ‘Uit mij geen vrucht meer in der eeuwigheid.’ Die kunnen alleen nog zalig worden omdat er hulpe besteld is bij een Held, bij Eén Die machtig is om te verlossen, bij Eén Die rood is aan Zijn gewaad en Die voorttrekt in Zijn grote kracht.

Dan wordt het weleens waar: ‘Mijn ziel bepeinst Uw wonderdaân, zij zijn onmogelijk na te gaan.’ Want wie kan het bevatten dat God, reeds in de stilte der eeuwigheid, voor een Borg gezorgd heeft? Wie kan het bevatten dat die Borg Zich liet geboren worden in de allergrootste vernedering? Wie kan doorgronden Zijn gang naar Golgotha, om aan dat geschonden recht van God volkomen genoegdoening te schenken en om zo Zijn Kerk te zaligen? Met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt al degenen die geheiligd worden.

 

Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk. Dat is de brandende begeerte van deze dichter. ‘Als U mij niet aanziet, Heere, in dat welbehagen, maar U ziet me aan in mezelf, dan moet U mij voorbijgaan. Dan is het kwijt. Maar zie me aan in Hem, Uw lieve Zoon; zie me aan in Hem Die de Kerk zo dierbaar is, zo beminnelijk is, en bovenal zo noodzakelijk is.’

Het welbehagen tot Uw volk. Dat is nu vrije genade! Nóóit te verdienen. De doodssteek voor ons werkheilig bestaan. Zeker, we zullen naar dat nieuwe leven staan. Dit is de weg; wandel in dezelve. Dat is duidelijk. Bekeert u, bekeert u! Maar we zullen er toch achter komen dat we onszelf niet kunnen bekeren. Maar dat dan de bede van Augustinus de onze zijn mocht: ‘Wilt U ons geven, Heere, wat U ons beveelt? U beveelt ons dat wij ons bekeren zullen. Maar bekeer Gij ons, zo zullen wij bekeerd zijn.’

En die iets mag verstaan van het welbehagen des Heeren, die gaat inleven dat het zalig worden een rúim zalig worden is. Van ’s mensen zijde weliswaar onmogelijk, maar van Gods zijde zijn alle dingen onmogelijk. Het is door U, door U alleen, vanwege het eeuwige welbehagen! Als er dan iets van ons bij moest, dan was het voor eeuwig kwijt. Maar omdat het nu een volbracht werk is, omdat het een verdiende zaligheid is, kan het! En naarmate God ons daar het hart en het oog voor geopend heeft, wordt het ervaren: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr.2:7).

 

Naar het welbehagen tot Uw volk. Dat is de begeerte van de dichter. Kennen wij ook zo’n begeerte, gemeente? Of horen we er naar, maar beseffen we ten diepste niet waar het over gaat? Laten we eens eerlijk die vraag aan het hart leggen: Weten we nu waar het over gaat? Is het praktijk? Mag het waar zijn dat er in deze dienst mensen zijn (of die aan de kerktelefoon meeluisteren) die het zeggen: ‘O Heere, dat is bij U bekend: U weet álle dingen; U weet dat ik U liefheb! Gedenk mijner! Ik kán niet anders doen dan mezelf bij U aanbevelen, dan U bedelen om genade en geen recht.’

Hebt u ook die brandende begeerte of de Heere op u neer wil zien? Wat is dat een kostelijke begeerte. Van onszelf hebben we die niet. Want God heeft van de hemel neergezien of er één was die naar Hem zocht en Hij heeft er niet één gevonden. En als er dan hier in deze psalm een man aan het woord is die buiten de Heere niet leven kan, o, dan zien we hier zo duidelijk de genade verheerlijkt. Maar dit staat niet op zichzelf, want alles wat van tevoren geschreven is, dat is van tevoren tot onze lering geschreven, opdat we ons eraan toetsen zouden. Mag dat nu ook zo in ons leven zijn, onszelf de God aller genade aanbevelen? Ondanks onze boosheid, ondanks onze zonde, maar bedelend of Hij ons aan wil zien in Hem, Die met één offerande in eeuwigheid volmaakt heeft al degenen die geheiligd worden. Een brandende begeerte…

 

En dan gaat hij verder: Bezoek mij met Uw heil. Dat is zijn uitzien. Vertroost mijn ziel in al haar geween en zeg het haar: ‘Ik ben uw Heil alleen.’ Bezoek mij met Uw heil. In de grondtekst staat voor het woordje ‘heil’ een woord dat verschillende betekenissen heeft. Dat kan betekenen: ‘Bezoek mij met Uw hulp.’ Het kan betekenen: ‘Bezoek mij met Uw zaligheid.’ Het kan zelfs betekenen: ‘Bezoek mij met Uw Zaligmaker.’

 

Eerst: ‘Bezoek mij met Uw hulp.’ Dát is groot, als we in het dagelijks leven de Heere ook tot hulp nodig hebben. Dat we de Heere niet alleen nodig hebben straks om te kunnen sterven, maar dat we Hem nodig hebben voor de dingen van elke dag. Ook voor onze dagelijkse arbeid, in zoverre we nog arbeid mogen verrichten. ‘Bezoek mij met Uw hulp.’

 

Maar het tweede is groter als het de inhoud heeft: ‘Bezoek mij met Uw zaligheid.’ Want als we de zaligheid nodig hebben, dan weten we ook iets van onze rampzaligheid; de mate daarvan moeten we aan God overlaten. Maar als ik de zaligheid nodig krijg, dan weet ik dat ik niet anders kan zalig worden dan als een rampzalige. Dan zal er toch plaats in mijn leven voor de zaligheid moeten zijn.

En hoe word ik een rampzalige? In een weg van ontdekking, als de Heere me gaat leren wat er gebeurd is in het paradijs. Als ik erachter kom dat ik een schuldregister heb dat van de aarde naar de hemel reikt. En dat ik die schuld niet anders dan dagelijks meerder kan maken.

Als ik echt iets versta van mijn rampzaligheid – en we zeggen het woord met alle schuchterheid – weet u wat dat betekent? Dan ben ik rechteloos; dan heb ik ál mijn rechten verspeeld. Dan is God recht in al Zijn weg en werk. Dan zou het recht zijn als God mij voorbijging. Dan worden we helwaardig. Dat zou zo volkomen rechtvaardig zijn.

‘Bezoek mij met Uw zaligheid.’ Kan dat? Zo’n genade voor zo’n zondaar?  Ja, gemeente, dat kan! Denk eens aan Jakob. Op Uw zaligheid wacht ik, Heere (Gen.49:18). Denk eens aan Simeon. Mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien (Luk.2:30).

‘Bezoek mij met Uw zaligheid.’ Dan heb je zo’n genade in je ziel, dat het vrede vanbinnen is en vrede vanbuiten. In de stand of in de staat van het leven. Maar daar waar de zaligheid is, daar wordt de rust geschonken en het vette van Gods huis gesmaakt. En een volle beek van wellust maakt dan elk in liefde dronken. ‘Bezoek mij met Uw zaligheid.’

 

Maar nu bovenal de derde betekenis: ‘Bezoek mij met Uw Zaligmaker.’ ‘k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed, of zich Uw heil aan mij mocht openbaren. ‘Bezoek mij met Uw Zaligmaker.’ O, als we toch in hartelijke vereniging mogen leven in gemeenschap met Hem, Die Sions schuldovernemende en schuldbetalende Borg is, dan zak je zelf weg en dan blijft Hij over. Dan mag je weleens de Koning zien in Zijn schoonheid. Dan zou je wel willen dat de kerk nooit meer uitging. Dan heb je een voorproefje van de hemel.

En dat komt voor Sion hoor, straks, als je je ogen hier dicht mag doen om ze in de eeuwigheid te openen. O Kerk des Heeren, dan zullen we eeuwig bij de Heere mogen zijn! Dan wordt het zo waar wat Asaf zei: Het is mij goed en mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God. Als ik dan U heb, o Heer’ mijn, zou er iets anders dan mijn deel nog zijn?

‘Bezoek mij met Uw Zaligmaker.’ Als het waar is dat de Heere dat doet, als de Heere zó de hemel wil scheuren en af wil dalen, o, dan word je dat gewaar hoor. Dan gaat het weleens jubelen: ‘De Heere is mij tot hulp en tot sterkte. Hij is mijn lied en mijn psalmgezang. Hij was het Die mijn heil bewerkte. Dies loof ik Hem mijn leven lang.’

Die mijn heil bewerkte! Dat is de begeerte van de dichter: Bezoek mij met Uw heil. Dan kun je er toch niet van zwijgen, als de Heere het hart nog weer eens aanraakt. Wanneer het voor de eerste keer gebeurt, dan is het onvergetelijk. Maar als het daarna nog weer eens gebeurt, het wordt een steeds groter wonder. Een wonder als je na ontvangen genade je weg soms zo voor God verderft en dat je dagen zonder getal buiten het aangezicht des Heeren gaat en wanneer dan de Heere opnieuw tóch weer in je leven komt als de getrouwe Verbondsjehova, Wiens getrouwheid door de ontrouw van Zijn Kerk nooit tenietgedaan wordt. Die God is ons een God van heil. En Hij schenkt uit goedheid, zonder peil, ons het eeuwig, zalig leven.

 

Bezoek mij met Uw heil. O, konden we de woorden toch eens vinden, gemeente, om in uw midden neer te leggen dat er heil is. Want denk toch niet karig van God. God is het aan ons niet verplicht, maar Hij is het aan Zichzelf verplicht. Want Hij verkoor Zich van eeuwigheid een volk, waarvan geschreven staat: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes.43:21). En Hij zal dat volk getrouwelijk leiden. Ik zal u onderwijzen en u leren van de weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps.32:8).

Ga maar veel op de knieën en smeek: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Verlevendig mijn hart door Uwe wegen. Kom nog eens terug, Heere, op Uw eigen werk. En wees me ten schild in het strijdperk van dit leven.’ Want er zijn zoveel Mara’s. Om der zonden wil zijn we allerhande ellendigheid onderworpen; om der zonde wil brengt het aardrijk ons doornen en distelen voort, is het hier een huilende wildernis en een vreselijke woestijn. Maar God geeft in het woestijnleven van die Elims, van die plaatsen waarvan Hij zegt: ‘Kom eens een ogenblik bij Mij en rust een weinig, opdat de weg voor u niet te veel zou worden.’

 

Bezoek mij met Uw heil. En daarbij is het de eerlijke bekentenis van Sion tegenover de Heere: ‘Heere, ik ben onverbeterlijk, maar U bent onveranderlijk. O, maak Uw weldaân nog eens wonderbaar; Heere, betoon het nog eens, dat Gij van mij af weet. Want één blijk van Uw gunst sterkt me meer dan de uitgezochtste spijzen.’ Het heimwee klinkt door in deze brandende begeerte. Kennen we er wat van? Kunnen we de dichter volgen?

De dichter wist: als de Heere zijn gebed wilde verhoren en zijn begeerte zou vervullen, dan wist hij precies wat er daarna ging gebeuren. Weet u waarom hij dat precies wist? Omdat hij dat geleerd had in de tijd die achter hem lag. Die man had ook een troostvolle wetenschap. En dat is onze tweede gedachte. Maar eerst gaan we met elkaar zingen uit Psalm 63 en daarvan het tweede vers:

 

               ‘k Heb U voorwaar in ’t heiligdom

               voorheen beschouwd met vrolijk’ ogen,

               hoe zag ik daar Uw alvermogen,

               hoe blonk Uw Godd’lijk’ eer alom!

               Want beter dan dit tijd’lijk leven

               is Uwe goedertierenheid.

               Och, werd ik derwaarts weer geleid,

               dan zou mijn mond U d’ ere geven.

 

2. Een troostvolle wetenschap

 

We lezen van de dichter van Psalm 119, dat hij aan het eind van die psalm zegt: ‘Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stuur mij in rechte sporen.’ Hij vraagt daar niet om de levendmakende daad. Nee, dat lag achter hem. Maar hij vroeg om het leven der genade in de dadelijke beoefening.

En zo ligt het nu feitelijk hier ook in Psalm 106. Want als de dichter vraagt: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk; bezoek mij met Uw heil, dan weet hij uit voorafgaande tijden wat er plaatsvindt als de Heere nog weer opnieuw overkomt.

Dan staat er in het vijfde vers tot driemaal toe: ‘opdat’. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Vervolgens: Opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk. En ten slotte: Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. ‘Heere, als U mij met Uw heil bezoekt, dan gaat dit allemaal gebeuren. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volk, opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.’

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Aanschouwen, dat gaat verder dan zien. We kunnen ergens naar kijken, we kunnen iets zien en even later ergens anders naar kijken, weer ergens anders op zien. Maar ‘aanschouwen’ staat in de betekenis van ‘beschouwen’, van alle kanten bezien en van alle kanten bekijken, er gedurig mee bezig zijn.

Opdat ik aanschouwe. Wat? Het goede Uwer uitverkorenen. En dat goede voor de uitverkorenen, dat is onmetelijk groot. Hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen! (Ps.31:20).

 

Wat is dat: ‘het goede van de uitverkorenen’? Wel, gemeente, dat is Gods genade, bij aanvang, bij voortgang. Dat is Gods leiding in ons leven. Dat is Gods bewarende hand. Dat zijn de ondersteuningen, soms die verborgene ondersteuningen. Dat zijn de onderwijzingen. Kortom: het goede van de uitverkorenen aanschouwen omspant feitelijk het hele genadeleven. Maar bovenal is het God Zelf. God Zelf is ten diepste ‘het Goede’ van de uitverkorenen. ‘Wie heeft lust de Heere te vrezen, het allerhoogst en eeuwig Goed?’

Maar hoe kan dat? Wie zal God zien en leven? Want God is toch een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan? Zeker, wanneer God ons aanziet buiten Christus is dat zo. Maar ín Christus is Hij een vriendelijk Ontfermer. Jakob mocht het zeggen: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest (Gen.32:30).

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Als we het goede van de uitverkorenen mogen aanschouwen, dan zien we het werk van de drie-enige God. Dan zien we Gods gerechtigheid enerzijds, Die Zijn enige Zoon niet gespaard heeft, maar Hem heeft overgegeven tot een rantsoen voor velen. Het behaagde de Heere om Hem te verbrijzelen. Maar we zien ook Gods ondoorgrondelijke barmhartigheid, om nu – in Christus – met de grootste der zondaren van doen te willen hebben. Als ik dat wonder vatten wil, dan staat het verstand vol eerbied stil. Dan is er alleen ootmoed. Dan is er alleen maar een erkennen van de Heere. Als we iets van die Vaderlijke gunst zouden mogen opmerken, dan wordt het waar wat er ook staat in Psalm 25: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont. En het heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond getoond. De ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts, om op God te letten.’

 

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Maar dat is ook het aanschouwen van die dierbare Borg en Middelaar, van Wie we lezen in Johannes 1: En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid (Joh.1:14).

Als je iets ziet van de Koning in Zijn schoonheid, o, dan zou je wel duizend tongen willen hebben om Hem groot te maken, duizend voeten om naar Hem toe te lopen, duizend armen om Hem te omhelzen. Dan vindt de ziel tot Gods lof gedurig ruimer stof en klinkt de bede: ‘Heere, bezoek me toch met Uw heil. O, wilt U eens overkomen? Scheurt U de hemel. Mag Uw roem uit het stof klimmen?’

 

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Dat gaat ook gepaard met het werk van Gods Geest. Het is immers Gods Geest, Die levend maakt. En als je jezelf zo mag verlustigen en mag verblijden in ’s Heeren daden, dan zou je het iedereen wel gunnen. O, dan kán het niet anders of je spreekt ervan. En natuurlijk, de verstandige zal tijd en wijze weten. Maar als het voor jezelf kan, dan kan het voor een ander zeker. Dan is daar die diepe verwondering: Waarom was het nu op mij gemunt, in het voorbijgaan van zo velen, die Gij geen ontferming gunt? Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen.

 

Nu het tweede: Opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk. Er zijn weleens mensen die denken dat wij, die regelmatig naar de kerk gaan, dat wij, die tot de reformatorische gezindte van Nederland behoren, altijd met het hoofd naar beneden lopen. En ik weet, menig bekommerde ziel ziet nogal eens naar beneden en zucht: ‘Blijf niet wegens mijn gebreken ver geweken.’ Dat is waar. Maar het is ook wel eens anders. ‘Gij heft mijn hoofd omhoog en Ge doet me Uw gunst aanschouwen.’ Dan is er sprake van blijdschap. Er is niet alleen een hartelijke droefheid dat we zo gezondigd hebben, maar ook die hartelijke blijdschap in God door Jezus Christus. En dan zingen ze, in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen. Die Moorman reisde zijn weg toch met blijdschap? En kwam er in de velden van Efratha niet een bode uit de hemel met de boodschap: Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal (Luk.2:10)?

Ja, dan mag er een blijdschap zijn waar de wereld vreemd van is, die de oppervlakkige godsdienst niet kent, maar waar Gods volk haar verlustiging en heilig vermaak in heeft. Dan krijgen ze hier die voorsmaakjes van de hemel. Want het is hier, hoe groot de blijdschap ook is, toch maar ten dele. Maar dat wordt straks anders. ‘Hun blijdschap zal dan, onbepaald, door het licht dat van Zijn aanschijn straalt, ten hoogsten toppunt stijgen!’

Opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk. Dan weet je niet hoe laag je buigen moet. Wat geeft dát een knielen voor de Heere. Dan hoef je zelf helemaal niet mee te tellen. Maar dan is God alles en zelf ben je niets. Zalig, zalig, niets te wezen in het eigen oog voor God. Wat blijdschap smaakt dán mijn ziel, wanneer ik voor U kniel. Opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk.

 

En dan nog het allerlaatste. Want dan voegt de dichter eraan toe: Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Zo noemt hij de Kerk des Heeren: erfdeel, het deel dat God Zich van eeuwigheid verkoor. God is almachtig en Hij is vrijmachtig. Dat we hierin God maar lieten regeren. Maar welgelukzalig is het volk wiens God de Heere is.

Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Hier staat dus duidelijk dat het erfdeel des Heeren zich beroemen mag. Niet in zichzelf, niet in het gestaltelijke leven, niet in hetgeen ze doen en wat ze laten, maar in hetgeen God gedaan heeft. ‘Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gíj ’t hebt gedaan!’

 

Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Hier hebt u nu de vrije genade. Nee, de dichter wil niets op eigen rekening schrijven, hij mag reizen voor rekening van een Ander, Die hem kocht met Zijn dierbaar bloed. Waar hij ook – zoals we kunnen lezen in het verband van de tekst – geen vreemdeling van gebleven is. Want als je enerzijds moet klagen: Wij hebben gezondigd en je weet ook iets van die geestelijke blijdschap, o, dan weet je iets van de kracht der verzoening door het bloed. In Dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed (Kol.1:14). Dan geef je het graag toe: ‘Alle roem is uitgesloten. Maar onverdiende zaligheên, die heb ik van mijn God genoten. En dat geeft nu een roemen in vrije gunst alleen.’ En dan komt God aan Zijn eer en de ziel aan de zaligheid.

De Heere gedenke u, gemeente. Hij geve dat we in deze tijd, waarin de ongerechtigheid ten hemel klimt, tóch nog mogen zien dat de Heere Zijn hand niet ganselijk heeft afgetrokken. Maar dat Hij Zijn Woord gestand zal doen: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld (Matth.28:20). De profeet Jesaja zegt zo opmerkelijk: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve (Jes.65:8).

 

De dichter van Psalm 106 had genade. Hebben wij het ook gemeente, jongens en meisjes? Nog niet? Het is een zaak die te verkrijgen is. ‘Wendt u naar Mij toe, o alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer! Mijn zoon en Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ En wat is dat voor een hart? Geen heilig hart. Als de Heere een heilig hart vroeg, dan was het voor ons allemaal kwijt. Maar Hij vraagt uw hart zoals dat van nature is: onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Het hart van een mens, zegt de spreukendichter, is weinig waard. En dan vraagt díe God, Die het niet van node heeft om van mensenhanden gediend te worden: ‘Geef Mij uw hart!’ Is dat ons ook nog teveel? Tekent het niet onze vreselijke doodsstaat?

Jongens en meisjes, één raad: vraag maar: ‘Neig mijn hart, Heere, voeg het saâm tot de vrees van Uw Naam.’ Ouderen, dit is de weg, wandelt in dezelve. Beseffen we toch wel dat we hier geen blijvende stad hebben? Dat de gedaante dezer wereld voorbijgaat? En als we dan vandaag weer horen dat er meer genade is dan zonde en we gaan onbekeerd sterven, wat zál dat toch een ontwaken zijn, wat zal dat in de eeuwigheid een ontnuchtering zijn!

Nu is het nog voor u en voor jullie genadetijd. Elke dag is een ‘heden’ der genade. Mozes zei: Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (Ps.90:12).

 

En volk des Heeren. ‘k Hoef niet vooraan te gaan, zei Ledeboer, als ik dan maar mee mag gaan. De Heere geve het. ‘Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk. Bezoek mij met Uw heil. Opdat ook ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen, opdat ook ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk, opdat ook ik mij beroeme met Uw erfdeel.’ Dan is God drie-enig de roem van Zijn Kerk. ‘Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. En Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht.’ Dan mag het hoofd wel eens naar boven zien. ‘Wij steken ’t hoofd omhoog en wij zullen de eerkroon dragen. Door U, door U alleen, vanwege dat eeuwige welbehagen!’

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 52: 7

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
Omdat Gij ‘t hebt gedaan;
‘k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan;
Uw naam is voor ‘t oprecht gemoed
Van al Uw gunstvolk goed.

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 25)