Ds. C. Harinck - Micha 6 : 9

De roede des Heeren

Micha 6
De stem van God die roept
De roede van God die spreekt
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 25)

Micha 6 : 9

Micha 6
9
De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 29: 2
Lezen : Micha 6
Zingen : Psalm 107: 12, 13, 15, 16
Zingen : Psalm 77: 8
Zingen : Psalm 80: 11

Gemeente, Israël was een volk dat dicht bij de natuur leefde. Daarom zagen zij in misoogst, in brandkoren en in veepest de hand des Heeren. Ze hoorden daarin God roepen en spreken. Wat leven wij thans daar ver vandaan! Wij hebben zo ongeveer overal een verklaring voor. Een vulkaanuitbarsting is een gevolg van de opgebouwde druk onder de krater; een aardbeving is het gevolg van over elkaar schuivende aardkorsten; een overstroming is een samenspel tussen vloed en wind, en ziekten onder mensen en vee zijn een gevolg van slechte hygiëne. Het gevolg is dat God wel spreekt, maar wij het niet meer horen. Het is waar dat niet alle kwaad in dit leven gestraft wordt. Er blijft veel liggen tot de dag van het oordeel. Het is ook waar dat we niet moeten denken dat mensen en volken die door Gods oordelen getroffen worden, slechter zijn dan wij. Aan de andere kant is het nodig een oog te hebben dat ziet en een oor te hebben dat hoort wat God door Zijn daden te zeggen heeft. God spreekt door Zijn daden. Hij roept ons daarin toe wat we lezen in onze tekst uit Micha 6 vers 9:

 

De stem des Heeren roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede en Wie ze besteld heeft.

 

Dit woord van God spreekt over: De roede des Heeren.

 

We letten op:

1. De stem van God die roept

2. De roede van God die spreekt

 

1. De stem van God die roept

 

Micha is een tijdgenoot van de bekende profeet Jesaja. Zijn optreden dateert dus uit de tijd van Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Micha heeft vooral te maken gehad met de goddeloze koning Achab. We lezen daarover in het zestiende vers: Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab. Het volk volgde deze goddeloze koningen na en diende de afgoden Baäl en Astoreth, waarbij ontucht en zedeloosheid een grote plaats innamen. In zo’n tijd en onder zo’n afgodisch volk moest de profeet Micha zijn werk doen en Gods Woord tot het volk brengen.

Hij krijgt van de Heere een opdracht om te twisten met de bergen en om de heuvelen zijn stem te laten horen. We lezen het: Hoort, gij bergen, de twist des Heeren, mitsgaders gij sterke fundamenten der aarde, want de Heere heeft een twist met Zijn volk en Hij zal zich met Israël in het recht begeven.

 

De profeet moet het volk verkondigen dat de Heere een twist met hen heeft. God treedt op als aanklager. Hij daagt het volk van Juda  voor Zijn rechtbank, en zegt: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.

Het is een heel bijzondere rechtbank waarvoor het volk van Juda wordt gedaagd. Welke rechter zal zich zo tot een gedaagde richten? We ontmoeten de Verbondsgod als aanklager van Juda. Het volk wordt aangeklaagd door een God Die bedroefd is over hun zonden. God vraagt het volk van Juda: ‘Waar heb Ik het aan verdiend dat jullie zo tegen Mij zondigen, dat je Mijn wetten vertrapt en Mijn inzettingen verlaat? Wat heb Ik u misdaan, dat u in plaats van Mij te dienen, u buigt voor goden die geen goden zijn? Wat heb Ik u misdreven? Waarin ben ik tekortgekomen? Waarin heb ik jullie benadeeld? Betuig tegen Mij!’

God wijst het volk op de vele zegeningen die Hij hen geschonken heeft. Er wordt door God gewezen op de uitleiding uit Egypte; op de vaderlijke zorg tijdens de woestijnreis; op de list van Bileam die de Heere verijdeld heeft; op de vijanden die God voor hun aangezicht uit Kanaän verdreven heeft.

De Heere vraagt in dit licht aan het volk: O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb ik U vermoeid? Betuig tegen Mij. ‘Ik heb u uit Egypte verlost en in Kanaän gebracht. Ik heb Mijn beloften gehouden en jullie dit vruchtbare land gegeven. Ik heb Mijn verbond met jullie gemaakt en jullie hebben beloofd Mij te dienen. Wie is daarom de schuldige? Wie heeft het verbond verbroken?’

 

Wie is de schuldige? Het is duidelijk dat Israël schuldig staat voor God. God heeft hen geleerd hoe Hij gediend wil worden en zij hebben Hem niet gediend. Hij heeft hen bekendgemaakt wat goed is en zij hebben niet naar Hem gehoord. God zal daarom nu met hardere middelen komen om hen aan hun plicht te herinneren. Hij zal Juda bezoeken met Zijn oordeel en gerichten.

We lezen daarover in het veertiende en het vijftiende vers. Het wijst op misoogst, op het ontbreken van Gods zegen over hun arbeid. Zij zullen zaaien maar niet maaien, zij zullen olijven treden maar zich met olie niet zalven. Er zal most zijn, maar zij zullen geen wijn drinken. En het overige dat er nog wel groeien zal op het land, zal door de oorlog vertreden worden.

 

Maar voordat het gericht komt, roept God hen op tot bekering en geeft Hij Zijn profeten bevel. Van dat bevel lezen we in onze tekst: De stem des Heeren roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede en Wie ze besteld heeft.

Voordat het oordeel komt wordt Israël opgeroepen tot bekering.

De vorm waarin de oproep tot bekering gevat wordt, is een bijzondere. We lezen: De stem des Heeren roept tot de stad. Er is een stem van God, die roept. Een stem die roept tegen de stad Jeruzalem. Wij zouden zeggen: Hoe kan dit? Er is toch niets te horen? En toch is er een stem die roept. Hoe moeten we dit verstaan?

In de Schrift wordt onder ‘de stem des Heeren’ soms verstaan de donder van de bliksem. Al zeggen wij in onze moderne tijd: dat is een gevolg van een elektrische ontlading, dan blijft toch de Bijbelse waarheid overeind dat God spreekt in donder en bliksem. De moderne mens kan zich bij een hevig onweer niet aan de indruk onttrekken van de majesteit die in het onweer spreekt.

‘De stem des Heeren’ wordt ook in de Bijbel wel genoemd de stem die klonk van de berg Sinaï. Daar klonk het: ‘Gij zult’ en ‘Gij zult niet’.

De stem des Heeren klinkt vooral in Zijn oordelen en gerichten. De oordelen en gerichten zijn niet stom. Zij spreken. Zij brengen ons de boodschap des Heeren. Daarom heten Gods oordelen ‘de stem des Heeren’.

 

Toch moeten we hier in de profeet Micha onder ‘de stem des Heeren’ verstaan de stem van de profeten. De stem des Heeren is hier de stem van de profeten. De stem van de profeten is Gods stem. De mensen dachten: o, het is Micha maar die het zegt. Achab zei tegen Josafat van de profeet Micha: ‘Ik haat hem omdat hij over mij niets goeds profeteert.’ Maar God stelt de stem van Zijn profeten en knechten gelijk met Zijn stem. Jezus zei tot de discipelen: Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene Die Mij gezonden heeft (Luk.10:16). Al zijn het maar zwakke mensen, al zijn het ook zondaren, maar door hen spreekt de stem des Heeren. Dus de stem van de profeten is de stem des Heeren.

 

God zegt dat hun stem roept. God roept door de profeten. Hij roept door hen tot de stad. De stad, dat is hier Jeruzalem; daar was de haard van de zonde. Daar was niet alleen het centrum van het volksleven, maar daar was ook dikwijls het centrum van de afval en van de ongerechtigheid.

De profeten moesten tegen de stad roepen. Zij moesten de stad de stem des Heeren laten horen. Eerst riepen de zonden van Jeruzalem tot God en nu roept God tot de stad. De profeten riepen in de naam van God het oordeel uit dat God over de stad zal brengen. De stem des Heeren riep: ‘Gods oordeel is op komst!’ De stem des Heeren riep: ‘Bekeert u, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.’ Zo riep de stem des Heeren. Door middel van Zijn profeten riep God tot bekering, tot verlaten van de zonde, tot wederkeer tot de rechte dienst des Heeren.

De stem des Heeren roept. God maakt bekend wat Hij zal doen. Het volk moet het horen. De profeten moeten roepen: ‘Gods oordeel komt!’ God waarschuwt voordat Hij slaat! Gods oordeel wordt nadrukkelijk voorafgegaan door de stem des Heeren die roept. God slaat er zomaar niet op los. God geeft eerst tijd van bekering, voordat Hij komt met Zijn gericht. Daarom lezen we hier: De stem des Heeren roept tot de stad. Voordat de Heere slaat, voordat Hij het oordeel zendt, laat Hij eerst roepen, oproepen tot wederkeer, tot verlaten van de paden der zonde. Hij heeft geen lust in de dood van de goddeloze, maar begeert dat hij zich bekeren zal van zijn boze weg en leven zal.

 

God roept eerst op tot bekering en geeft tijd en gelegenheid tot bekering. Zo deed de Heere dat met de eerste wereld. Noach riep 120 jaren lang: ‘Bekeert u, want er komt een zondvloed!’ Eerst na 120 jaren de gelegenheid tot bekering gehad te hebben, kwam het oordeel van de zondvloed.

Zo was het ook met Manasse en zijn volk. De Bijbel zegt dat de Heere wel sprak tot Manasse en zijn volk, maar zij letten er niet op. Daarop volgde de omverwerping van het koninkrijk van Manasse door de koning van Assyrië, die Manasse meenam naar Assyrië en daar in de gevangenis wierp. De Heere waarschuwt voordat Hij slaat. Hij geeft tijd van bekering.

 

De stem des Heeren roept. De stem des Heeren roept tot de wereld. God roept door aardbevingen, zeebevingen, epidemieën, ziekten en hongersnoden. Hij klopt daardoor op de deur van de volken, die zo luid roepen: Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen (Ps.2:3). Hij doet ons gevoelen dat wij slechts nietige mensen zijn. In al deze gebeurtenissen beluisteren we de stem des Heeren, die roept: ‘Bekeert u, gij afkerige kinderen!’

Zo roept de Heere ook in ons persoonlijk leven. Ook dan roept Hij door ziekten, door plotselinge sterfgevallen, door bepaalde gebeurtenissen die ons als het ware stilzetten op onze weg. Daarin horen we de stem des Heeren, die oproept tot bekering en tot wederkeer. We hebben niet te doen met een zwijgende God, met een God Die niets van Zich laat horen, maar met een God Die de volkeren der aarde Zijn stem laat horen. Hij laat Zijn stem ook horen in ons persoonlijk leven. Wat roept de stem des Heeren duidelijk als wij plotseling ernstig ziek worden en er een streep gaat door al onze idealen. Dan roept de Heere tot ons. Het is zo waar wat wij lezen in het boek Job: ‘God spreekt eens of tweemaal tot een mens.’ Helaas is hetgeen volgt ook dikwijls waar: ‘Doch men let er niet op.’ De stem des Heeren roept. De stem des Heeren zwijgt niet. God roept door al deze gebeurtenissen. Hij roept op tot bekering en geloof in Jezus Christus.

 

De profeet zegt verder: Want Uw Naam ziet het wezen. Het staat er als een tussenzin. Het is een moeilijk te vertalen tussenzin. De kanttekenaren zeggen dat het eigenlijk betekent: de Heere ziet en weet alles. Wanneer we met deze kennis de woorden nog eens lezen, dan kunnen we lezen: ‘Want Uw Naam ziet het wezen van de dingen.’ God ziet de werkelijkheid. Hij ziet de echte situatie. De Heere ziet wat er in de stad gedaan wordt.

 

Op het eerste gezicht lijkt de situatie in de stad Jeruzalem zo slecht nog niet. De offers worden nog gebracht; het avondoffer en het morgenoffer ontbreken niet; de priesters dienen nog bij de altaren; het gebedsuur wordt nog bezocht en er worden nog vrome gebeden tot God opgezonden.

Maar de Heere ziet het wezen. Hij ziet de werkelijkheid. Wat die werkelijkheid is, kunnen we lezen in vers 10: Zijn er niet nog in ieders goddelozen huis schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is? De rijken bedrogen de armen met een valse maat voor de tarwe en de gerst. Men gebruikte bedrieglijke manieren om zich te verrijken.

We lezen verder in vers 16 dat men de zonden van Omri en de ongerechtigheden van het huis van Achab achterna liep. Het wil zeggen dat hetzelfde volk dat de offers in de tempel bracht, zich ook overgaf aan de zonden die behoorden bij de dienst van Baäl en Astoreth. Het volk volgde Omri en Achab, koningen van wie gezegd wordt dat zij deden wat kwaad was in de ogen des Heeren, meer dan allen die voor hen geweest waren.

God zag dat alles. Want Uw Naam ziet het wezen. De Heere zag hoe het werkelijk gesteld was. Hij zag wat er in het verborgen gebeurde. Hij wist wat er leefde en zich afspeelde in het huis van Baäl, dat Achab te Samaria gebouwd had.

 

Gemeente, dat geldt nu ook voor ons. De Heere ziet de werkelijkheid. Wij bedekken vele dingen onder een kleed van godsdienst en vrome woorden, maar de Heere ziet de zonden van een land en de zonden van een kerk. Hij weet van het onrecht dat onder een godsdienstige vlag bedreven wordt. Hij weet van het zoeken van eigen eer onder het mom van het zoeken van Zijn eer. Ja, de Heere kent de verborgen zonden van ons hart en leven. Hij weet hoe het gesteld is in onze gezinnen en in ieders leven. Gods Naam ziet het wezen. God ziet het hart des mensen aan. Hij ziet naar waarheid in het binnenste.

De stem des Heeren roept tot een ogenschijnlijk vrome stad, die in het verborgene goddeloosheid bedrijft. En hoe zou dit met ons volk, onze kerk en ons persoonlijk zijn? Roept God dan ook niet tot ons volk, dat de naam heeft democratisch, christelijk, menslievend, gastvrij en tolerant te zijn, maar dat in werkelijkheid geen lust heeft aan de kennis van Gods wegen en zich in allerlei zonden uitleeft? Roept God dan ook nu niet tot een kerk die zich er op beroemt de zuivere waarheid te handhaven, maar waar zo dikwijls de liefde ontbreekt, waar slechts dorre rechtzinnigheid te vinden is, of waar het materiële het voornaamste is en waar vaak gestreefd wordt naar macht en eigen eer? Roept God dan ook nu niet tot zondaren die iedere zondag wel in de kerk zitten en de zuivere waarheid belijden, maar tegelijk allerlei goddeloze praktijken aan de hand houden en het evangelie van Gods genade verwerpen?

Als we daar op zien, gemeente, wat is het dan een wonder dat God nog tot zo’n wereld, zo’n volk, zo’n kerk en zulke mensen roepen wil.

 

En wat roept de stem des Heeren? We lezen het: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. We letten daarop in de tweede gedachte:

 

2. De roede van God spreekt

 

Hoort de roede. Kan men een roede dan horen? De profeet zegt van wel. Hij bedoelt dan met horen ‘gehoor geven’. In de Naam des Heeren roept hij de stad Jeruzalem en de inwoners van Juda op om te horen naar de stem des Heeren en gehoor te geven aan de roede. Hij wil dat ze zullen begrijpen wat God met Zijn oordeel te zeggen heeft.

Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. De profeet kondigt Gods straffen aan onder het beeld van een roede. Het Hebreeuwse woord komt van het uitstrekken van de hand. Wie met een roede of een stok wil slaan, strekt zijn hand uit om de roede op iemand te laten neerdalen. Het gaat dus over het dreigend opheffen van de hand. Voordat men de klap uitdeelt, wordt de hand immers dreigend opgeheven. De roede is hier dan ook de uitgestrekte hand van God, die gereed is om te slaan.

Gods oordelen zijn de stok waarmee Hij de onboetvaardige volken slaat en kastijdt. Gelijk een roede uit toorn wordt opgeheven, zo komt het oordeel van een God Die vertoornd is over de zonden van een volk of een persoon. Zoals de roede neerdaalt op iemand die dikwijls gewaarschuwd is, zo daalt Gods roede neer op volken en mensen die dikwijls gewaarschuwd zijn, maar hun nek hebben verhard. Gelijk de roede pijn doet en smart brengt, zo brengt Gods roede, Gods oordeel smart met zich mee.

 

Maar, gemeente, het voornaamste doel van de roede is bedoeld is om te kastijden, om tot beterschap, tot bekering te brengen. Mensen gebruiken de roede om iemand pijn te doen en meer niet; ze gebruiken de roede uit wraak en scheppen genoegen in het pijnigen en vernederen van de naaste. Maar zo gebruikt God de roede niet; Hij slaat er niet zomaar op los en slaat ook niet uit lust tot plagen. De roede des Heeren is ten goede bedoeld. Gods bedoeling is om door de roede mensen en volkeren tot bekering te brengen. Daarom roept de profeet: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft.

Hoort de roede, dat wil zeggen: geef er acht op. Let erop nu de hand wel dreigend is opgeheven, maar de hand u nog niet slaat. ‘Wordt wakker!’, zegt de profeet. Bekeert u, voordat de roede op u neerdaalt, voordat de Heere de roede van Zijn verbolgenheid zal gebruiken. Hoort wat de Heere er mee te zeggen heeft. Hoort waarom de Heere de roede wil gebruiken. Hij zoekt bekering, Hij zoekt een breken met de zonde, Hij zoekt de wederkeer tot Hem en Zijn dienst.

 

Hoort de roede, zegt de profeet, en Wie ze besteld heeft. De profeet wil zeggen: ‘Let er op van Wie de roede komt, namelijk van God.’ Dat allereerst. God heeft de roede tevoorschijn geroepen. Van God komt de roede. De profeet Amos zegt: Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? (Amos 3:6)

Wij belijden dat God alle ding regeert. We zeggen niet: ‘Het goede komt van God en het kwade komt van de duivel.’ Nee, de Schrift kent zo’n dualisme niet. Wij zeggen daarom niet: ‘God heeft niets te maken met aardbevingen, overstromingen, ziekten en plagen.’ De wereld spreekt van toevalligheden, de wereld zoekt er allerlei verklaringen voor, maar wij belijden met de catechismus ‘dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen’.

Dat wil niet zeggen dat wij alles begrijpen en alles kunnen verklaren. We moeten ook voorzichtig zijn in het trekken van conclusies. Ook hierin moeten wij Bijbels blijven denken en niet direct klaarstaan met ons oordeel en zeggen: ‘Die mensen zijn grotere zondaren dan wij, en daarom zijn zij met deze rampen bezocht.’ Jezus heeft ons geleerd hoe verkeerd die gedachte is. Toen de toren van Siloam omviel en achttien mensen doodde, zei Jezus: ‘Dacht u dat deze mensen grotere zondaren waren dan de mensen die in Jeruzalem wonen?’ Nee, Hij maakte een heel andere toepassing en zei: ‘Ik zeg u, indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.’

Omdat op ons zondigen niet direct de straf volgt, moeten wij niet denken dat wij beter zijn dan andere mensen. Het zijn gevaarlijke profeten die direct met hun oordeel klaar staan. Zodra er iets gebeurt, zeggen ze: ‘Dat komt vanwege deze zonde of dit kwaad.’ Maar aan hun eigen zonden denken zij niet.

 

De Heere leert ons naar onszelf te kijken. Hij leert ons inzien: indien God mensen wilde slaan met Zijn roede, ben ik de eerste die dit verdien. Zulke mensen zeggen met David: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps.130:3) Het is hen wel eens een wonder, dat ze bij het wakker worden het licht van een nieuwe dag nog mogen aanschouwen. Wanneer er ziekte of rouw is bij anderen, verwonderen zij zich er over dat het hun deur voorbij is gegaan.

Maar van één zaak moeten we overtuigd zijn: de Heere regeert. Jezus sprak zelfs over de haren van ons hoofd, die geteld zijn. De grote reformator Johannes Calvijn oordeelde dat wie we met de bril van de Schrift de wereldgeschiedenis leest, daarin de hand des Heeren ontdekt. Het is een hand die ons dikwijls met Jozef doet zeggen: Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht (Gen.50:20).

 

Zo is het ook met de roede des Heeren. Daarom roept de profeet: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. De roede komt van God, Die geen lust heeft in onze dood, maar daarin dat wij ons bekeren en leven. De profeet wil dat we anders oordelen zullen over de roede des Heeren. De roede wordt gezonden om ons tot inkeer te brengen. Om ons te bekeren van bepaalde zonden. Om ons te waarschuwen niet op een verkeerde weg verder te gaan. Om ons stil te zetten op de brede weg.

God heeft een bedoeling met de roede. De roede wordt gehanteerd uit liefde. Velen denken dat de roede alleen van toorn spreekt. Maar een vader gebruikt de roede omdat hij zijn zoon liefheeft. Iedere vader, zegt Salomo, die zijn zoon liefheeft, bezoekt hem vroeg met tuchtigingen. Zo is het ook met Gods roede.

Wij denken dat liefde en de roede niet bij elkaar horen. Wij zien in de roede waarmee God volkeren en mensen bezoekt, alleen Gods toorn, maar de roede getuigt van liefde. God heeft een mens – en ook een volk – nooit méér lief, dan wanneer Hij hem tuchtigt en kastijdt.

Het ergste is wanneer God Zijn hand totaal van een volk of een mens aftrekt en zegt: Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen! (Hos.4:17) Het ergste is als God een mens niet meer corrigeert en tuchtigt en zegt: Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken (Jes.1:5). God laat dan een mens aan zichzelf over.

 

Het is genade om van de Heere getuchtigd te worden. We lezen verkeerd, indien we in kruis en leed alleen toorn lezen. Al is het geschrift van ramp en kruis met donkere letters geschreven, al doen de slagen pijn en al verstaan wij Gods bedoeling niet aanstonds, toch luidt het geschrift: Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijke zoon die Hij aanneemt (Hebr.12:6).

De Bijbel gebruikt hier een apart woord voor kruis en lijden. De Schrift spreekt van ‘kastijding’. De Heere zoekt er onze genezing door; Hij wil niet dat wij bastaarden zullen zijn. Hij corrigeert ons, Hij roept ons daardoor terug van de verkeerde weg. We lezen inderdaad het goddelijke geschrift verkeerd, wanneer we in kruis, ziekte, ramp en onheil alleen maar toorn lezen. Gods gerichten kunnen vreselijk zijn, maar het geschrift spreekt van liefde. Want God straft en kastijdt de mensenkinderen niet van harte, maar opdat zij het in Zijn hand zouden geven.

In dat licht roept de profeet: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. God heeft ze besteld. God, Die geen lust heeft in onze dood.

 

Let er toch op, gemeente, om welke reden God de roede zendt. Zeker, het is vanwege onze zonden, vanwege het verlaten van Zijn wegen, maar vooral om tot bekering te brengen. God klopt daardoor op de deur van een natie en op de deur van ons hart. 

De stem van God is in tegenspoed, in kruis en in ziekte. De stem des Heeren roept: ‘Keer weder tot Mij, afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.’ Van God Zelf is de roede gezonden om te waarschuwen, om op te roepen tot bekering, om ons te genezen en van het verderf te redden. Daarom, hoort de roede en Wie ze besteld heeft. Luister ernaar, merk erop, wees wijs, geef er acht op, en laat het dienen tot uw bekering, tot wederkeer tot de Heere.

 

Salomo bad bij de inwijding van de tempel: ‘Heere, wanneer Uw volk zal zondigen en U hen zult slaan met brandkoren en met misoogst, en de vijanden komen en alles verwoesten zullen, en Uw volk dan in deze tempel tot U zal roepen en zich zal verootmoedigen, hoor dan naar hun gebed, en vergeef hun ongerechtigheid.’ En wat lezen we dan verder? De nacht daarop verschijnt de Heere aan Salomo en zegt tot hem: ‘Indien Mijn volk, over hetwelk Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken en zich bekeren van hun boze wegen, zo zal Ik uit de hemel horen en hun zonden vergeven en hun land genezen.’

Gemeente, dat hebben we nodig. We hebben geen behoefte aan oordeelsprofeten. We hebben ook geen behoefte aan mensen die een beschuldigende vinger naar anderen uitsteken. Wij hebben zeker geen mensen nodig die met een beschuldigende vinger in de richting van God wijzen. Wat we nodig hebben is wat de Heere hier tot Salomo zegt: een volk dat zich vernedert en verootmoedigt voor de Heere. Want de Heere zegt het, en dat geldt ook nu: ‘Zo zal Ik uit de hemel horen en hun zonden vergeven en hun land genezen.’

 

Daarom, hoort de roede en Wie ze besteld heeft. Let er op van Wie de roede komt. De roede komt van God Die de bekering zoekt. De roede komt van de God Die de roede van Zijn toorn over Zijn Zoon deed gaan. Zij komt van dezelfde God Die Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, om goddelozen en overtreders te kunnen sparen. De roede komt van God, Die in het Evangelie roept: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden van de aarde, want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22). Hoort daarom de roede en Wie ze besteld heeft.

Ja, wie heeft de roede besteld? Wie heeft de roede bevel gegeven om te slaan? Ware gelovigen begeren dat te weten. Zij verlangen te weten waarom de Heere met de roede slaat. We lezen van David, toen er een driejarige hongersnood en droogte was in Israël, dat hij het aangezicht des Heeren zocht om te weten waarom de Heere Israël met de roede sloeg. En de Heere zei het: ‘Om de bloedschulden van Saul.’ We horen Job vragen: Doe mij weten waarover Gij met mij twist (Job 10:2). En denk maar aan Asafs psalm: ‘En mijn ziel doorzocht de reden waarom God die tegenheden toch in zulk een mate zond.’

 

Het is moeilijk om je aan de roede te onderwerpen zolang je niet weet en niet ziet waar de roede vandaan komt. Het is belangrijk om te zien Wie ze besteld heeft, waar de roede vandaan komt.

De Heere laat dat zien in de dag van de bekering. Dan laat de Heere ons zien waar Zijn roede vandaan komt, waarom al die tegenspoeden en al die ellenden ons zijn overkomen. We lezen het in Jeremia 30 vers 14 en 15: Ik heb u geslagen met eens vijands plaag, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheden, omdat uw zonden machtig veel zijn (…), heb Ik u deze dingen gedaan.

Wat een ontdekkende boodschap! Wat een beschuldiging als die boodschap klinkt in ons leven! God legt dan Zijn vinger op de zonde van ons hart en leven en zegt: ‘Daarom heb Ik u al deze dingen gedaan.’ Dan weten we waarom al die rampen en ellenden ons overkomen zijn. God stelt ons schuldig en wij moeten belijden: ‘Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, dies ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waardig.’

Maar God laat ons in de dag der bekering nog meer zien. Hij laat ons zien dat Hij ons uit liefde heeft geslagen, tot ons nut, tot onze bekering, om ons te reinigen en dichter tot Hem te brengen. Dan valt er licht over de donkere voorzienigheid. Dan zien we Wie de roede besteld heeft: een God Die geen lust had in onze dood, een God Die uit liefde ons geslagen heeft, een God Die daarin roept tot wederkeer en bereid is ons te ontvangen en genadig te zijn.

 

Gemeente, dan wordt er gebogen onder de roede. Dan zien we Wie de roede besteld heeft. Dan zien we achter de roede de liefde van God schijnen. Dan mogen wij het zien dat de Heere ons uit getrouwheid verdrukt heeft. Ja, dan wordt de roede zelfs gekust. We zien dan Gods wijsheid en liefde in de roede en zullen belijden: ‘Zonder die roede, zonder die tegenspoeden en moeiten, zou ik nooit naar U gezocht hebben. Ik zou Christus nooit begeerd hebben en nooit van de brede weg zijn afgebracht.’ Dan lezen we liefde in het kruis.

Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. Dan zien we er God in Die ons redden wilde, Die ons tot bekering wilde brengen, Die ons tot Zijn Zoon wilde brengen, Die Zijn Zoon voor ons geslagen heeft, om ons te kunnen genezen. Dan horen we de roede en Wie ze besteld heeft. Dan lezen we liefde in het kruis en zeggen we: Ik dank U, Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij (Jes.12:1).

 

Laten we nu eerst zingen uit Psalm 77 vers 8:

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen;

Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij?

Ja, Gij zijt die God, Die d’ oren,

Wond’ren doet op wond’ren horen;

Gij hebt Uwe roem alom

Groot gemaakt bij ‘t heidendom.

 

Gemeente, Micha moest het volk van Juda vertellen dat de Heere een twist met hen had. Ik denk dat wij thans Nederland moeten vertellen dat God ook een twist met ons land heeft. Er gebeuren zoveel dingen waarvan je moet zeggen: De stem des Heeren roept tot de stad. Het houdt niet op. Het ene probleem volgt op het andere en de ene tegenslag volgt de andere na. De Heere heeft een twist met ons volk.

 

Het is aan de ene kant nog een zegen dat God twisten wil met een volk en met een mens. Het betekent dat de Heere ons nog niet heeft overgegeven aan het goeddunken van ons eigen, boze  hart. Steeds gebeuren er dingen die ons terug roepen tot God en Zijn dienst.

Maar wat doen we ermee? De stem des Heeren roept, roept op tot bekering, roept op tot het breken met het kwade en tot het zoeken van de Heere. Wat moet de Heere echter van velen zeggen: ‘Ik heb u geslagen maar gij hebt geen pijn gevoeld.’ Behoren wij onder die velen? Heeft God geslagen, is er geklopt op de deur van uw hart en van uw leven? Zijn er bepaalde gebeurtenissen geweest die u hebben stilgezet, waarvan u weet: dat is de stem des Heeren die roept? Hebt u Zijn roede gezien en gevoeld, maar moet de Heere toch van u blijven zeggen: ‘Ik heb u geslagen, maar gij hebt geen pijn gevoeld’?

Of hebben wij de pijn wel gevoeld? Kennen we de pijn van tegen God gezondigd te hebben? In de bekering wordt die pijn gevoeld. Wanneer de Heere ons laat zien: Omdat Uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan (Jer.30:15). Dan begint het pijn te doen. Het wordt dan gevoeld hoe bitter het is om tegen de Heere gezondigd te hebben.

Wat is dat een gezegende pijn! Het is een pijn die ons doet zoeken naar Christus, de Heelmeester in Gilead en de balsem aldaar. Het maakt Jezus zo noodzakelijk en dierbaar voor het hart. Want van Christus staat geschreven: Door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

 

Hoort daarom de roede en Wie ze besteld heeft. Laat u corrigeren en keer weder tot de Heere. Laat het op u niet van toepassing zijn wat Hosea van Israël zegt: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart (Hos.7:11). God moest constateren dat Efraïm door niets te bewegen was om de afgoden vaarwel te zeggen. Er vallen dan wel slagen in ons leven, maar er volgt geen bekering tot God. Wat een oordeel: geslagen te zijn en geen pijn te hebben gevoeld.  

 

Het ergste oordeel echter, is wat we lezen in Jesaja 1 vers 5: Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afval des te meer maken. God slaat dan een volk niet meer en roept de zondaar niet meer tot bekering, omdat de mens daardoor alleen maar erger zondigt en goddelozer wordt.

Helaas moet dat van Nederland worden gezegd! De slagen hebben een tegenovergesteld effect gehad. De afval is er groter door geworden. Reformatie is geworden tot deformatie, tot een verlaten van God en van Zijn gezegende geboden. De roepstemmen hebben de verharding alleen maar groter gemaakt.

Moet de Heere dit ook van u zeggen? Is de roede er wel geweest, maar hebt u er niet op gelet? Hebben de tegenslagen u niet verbeterd, maar slechter gemaakt?

Wanneer we naar de stem des Heeren niet horen en als de opgeheven hand van God niet opgemerkt wordt, zal God een strengere prediker zenden. Het gedreigde oordeel zal dan komen. De opgeheven hand van God zal dan slaan. En er zal geen genezing zijn. In Spreuken 29 vers 1 lezen wij het: Een man die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

 

De profeet zegt: Want Uw Naam ziet het wezen. God ziet hoe de dingen er werkelijk voorstaan, in ons land, in de kerk en in ons leven. God is niet te bedriegen met vrome woorden en uiterlijke schijn. Hij ziet het hart des mensen aan. Daarom: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft. Zie toch vooral Wíe de roede besteld heeft. Liefde staat achter de roede. Een God Die Uw behoud zoekt, Die u toeroept: ‘Waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? Er is toch een andere en een betere weg dan de weg van doorgaan in het kwade?’

 

Zo pleitte en twistte de Heere met Israël. En zo pleit en twist hij met u, gemeente. Wanneer we dat zien, namelijk Wíe de roede heeft besteld, zal de zonde ons tot smart worden. De zonde komt dan in een geheel nieuw licht te staan, namelijk bedreven tegen een God Die nog steeds geen lust heeft in onze dood. Dan zullen we de roede kussen. Het zal ons tot bekering brengen, tot verootmoediging en schulderkentenis. Maar dan kan de roede ons ook tot Christus brengen, Die geslagen is door God om ons te genezen, Die door God in de dood is overgegeven om ons van de dood en de vloek te redden.

 

De stem des Heeren roept! God roept! In rampen, ziekte en tegenspoed. Maar Hij roept vooral in het Evangelie. In het Evangelie is de roepende God! Hoor hoe Christus aan ons wordt voorgesteld in Spreuken 9: De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd, Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen. Zij heeft Haar slachtvee geslacht, Zij heeft Haar wijn gemengd, ook heeft Zij Haar tafel toegericht. Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden, Zij nodigt, op de tinnen van de hoogten der stad: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn die Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in de weg des verstands (Spr.9:1-6).

Het is een stem van wijsheid, die ons hier tegemoet klinkt. Wil dan toch niet stug, gelijk een dwaas, weerstreven. Want wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd van Zijn weldadigheên. Daarom: ‘Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden.’

Bedenk: wanneer niets helpt, dan komt God ten slotte met de roede van Zijn verdelging. De Heere heeft niet alleen een gouden scepter van genade voor de boetvaardige, Hij heeft ook een ijzeren roede voor de zondaar die niet buigen wil. Dan zal het klinken: ‘Dezen, die niet gewild hebben dat Ik Koning over hen zou zijn, breng ze hier en sla ze voor Mijn voeten dood.’

 

Gemeente, kent u de zegen van de roede, de zegen van het kruis? Gods kinderen kennen de zegen van de roede. Velen van Gods kinderen moeten zeggen: ‘Indien dit toen niet gebeurd was; indien God mij toen niet tegengekomen was, zou ik doorgegaan zijn in mijn verkeerde weg.’

Gods kinderen weten Wie de roede besteld heeft: een God Die hen liefhad en daarom kastijdde, tuchtigde, corrigeerde, een God Die hen ook blijft kastijden en blijft corrigeren, opdat zij Zijner heiligheid deelachtig zouden worden. Zij mogen zeggen: ‘Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.’

Daarom: Hoort de roede en Wie ze besteld heeft.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 80: 11

 

Behoud ons, Heer’ der legermachten,
Zo zullen w’ ons voor afval wachten;
Zo knielen w’ altoos voor U neer.
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons ‘t lieflijk licht
Van Uw vertroostend aangezicht.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 25)