Ds. C.G. Vreugdenhil - Jesaja 1 : 18

De weg van de verzoening met God

Jesaja 1
Een doodlopende weg vanuit de ijver van Juda
Een geopende weg door het werk van Christus
Een noodzakelijke weg voor ons allen
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 24)

Jesaja 1 : 18

Jesaja 1
18
Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 3
Lezen : Jesaja 1: 10-20
Zingen : Psalm 65: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 85: 1
Zingen : Psalm 103: 2

Gemeente, u kunt onze tekst vinden in het u voorgelezen hoofdstuk, Jesaja 1 vers 18, waar we Gods Woord lezen:

 

Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

 

Het gaat in deze tekstwoorden over: De weg van de verzoening met God.

 

Bij drie dingen staan we stil:

1. Een doodlopende weg vanuit de ijver van Juda 

2. Een geopende weg door het werk van Christus

3. Een noodzakelijke weg voor ons allen

 

1. Een doodlopende weg vanuit de ijver van Juda

 

Het valt niet mee, gemeente, om de rechte weg te houden, om in het rechte spoor te gaan, zoals de Heere ons dat voorschrijft in Zijn Woord. Dat valt niet mee. Waarom niet? Wel, omdat wij van binnenuit altijd geneigd zijn om af te wijken van de Heere en van de weg die Hij voorschrijft in Zijn Woord, hetzij ter linkerzijde, hetzij ter rechterzijde. Niet één kind van Adam loopt uit zichzelf in het rechte spoor. Niet één kind van God, door de Heere Zelf op die smalle weg geplaatst, houdt uit zichzelf dat rechte spoor.

Er zijn mensen die wijken af naar links. Dat zijn mensen die Gods Woord eigenlijk met een korreltje zout nemen. Die zeggen: ‘Nou ja, hoor eens, het staat er allemaal wel, maar een mens moet toch leven ook? En zo precies komt het toch niet, want God is toch een God van liefde? Je hoeft toch eigenlijk niet iedere zondag naar de kerk, een keertje overslaan is toch zo erg niet? En een paar afgoden, ach, het zijn toch eigenlijk geen afgoden?’ Het zijn mensen die met één hand de wereld dienen en in de andere hand nog wat godsdienst hebben.

Je hebt ook mensen die wijken af naar rechts. Een wettische godsdienst, vol geboden en plichten, houdt zo’n mens in zijn greep. Maar ook daar ontbreekt het belangrijkste, namelijk de liefde tot God en de waarachtige bekering tot God, het ware geloof en de boetvaardigheid. Met andere woorden: dat is ook maar een schijnheilige vormendienst. Daar staat geen kloppend hart achter.

Zo’n afwijking naar rechts vinden we hier in ons teksthoofdstuk bij het volk van Juda. Naar links was het volk al zo vaak afgeweken en uitgegleden. O, wat hebben ze de afgoden gediend, de Baäls en de Astoreths, en wat zijn ze vaak van de Heere afgeweken. Maar de Heere heeft ze daar ook zwaar voor gestraft. Dat lezen we ook in ons teksthoofdstuk. Oorlog is er geweest, de oogst is uit het land weggehaald en steden zijn verwoest.

Maar nu, als je dit leest, nu lijkt het toch al heel anders te gaan in Juda. Het volk lijkt te bruisen van ijver voor de dienst van de Heere.

 

Komt u maar eens even in gedachten mee de tempel binnen daar in Jeruzalem. Wat een drukte! Priesters lopen bedrijvig heen en weer; offers worden er gebracht aan de lopende band. Slachtoffers en spijsoffers en brandoffers en het smeer van vette beesten wordt geofferd aan God. Er is het bloed van varren en lammeren en bokken. En het reukwerk stijgt omhoog. Gebodsdagen en allerlei nieuwe feesten worden er ingesteld en gevierd. Je zou zeggen: ‘Het gaat  goed in Israël!’ En kijkt u daar eens in de voorhof van de tempel, daar staan al die mensen  met hun handen omhoog geheven naar de hemel. Wat doen ze daar? Ze bidden tot God. Wat een ijver om de Heere te dienen! Daar zou je toch jaloers op worden?

U zegt misschien: ‘Maar deze mensen, daar mankeert toch niets aan? Die lopen toch in het rechte spoor?’ Nee gemeente, het volk van Juda is afgeweken naar rechts. God moet  helemaal niets  hebben van die godsdienst! Hij noemt hun ijver onwaarachtig. De Heere zegt: ‘Ik word moe van die godsdienst van jullie. Volk van Juda, al uw godsdienstige feesten en al uw gebodsdagen en al die offers die u brengt en al die gebeden, Ik moet er niets van hebben, het is tevergeefs!’

 

Tevergeefs? Waarom? Dan moeten we even terug naar het begin van ons teksthoofdstuk in Jesaja 1. Daar lezen we dat de Heere Zijn volk heeft gestraft. Zijn volk was afgeweken, het had de afgoden gediend, het was van de Heere afgeweken. Ze waren naar de duivelskunstenaars en de waarzeggers gegaan in plaats van naar de Heere. En toen heeft de Heere Zijn volk zwaar gestraft. Hij heeft ze geslagen. U kunt dat lezen in vers 5 en 6. Daar zegt de Heere: Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank en het ganse hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. Zo heeft de Heere Zijn volk gestraft.

En toen? Toen wilde het volk weer in het reine komen met God. Toen hebben ze geprobeerd om de gunst van God weer terug te winnen met hun wettische ijver. Door middel van al die offers en die gebeden en die godsdienstige plichten wilden ze de Heere weer aan hun kant krijgen. Ze dachten: ‘Als we nu maar veel offers brengen, dan zal God ons wel niet meer straffen.’ Zo wilden ze de gunst van God kopen door middel van hun goede werken.

Dat is het meest kenmerkende van een wettische godsdienst: de gunst van God willen verwerven door je doen en laten. En die godsdienst heeft ons aller hart mee. Dat wettische heeft een bondgenoot in de oude mens, die werken wil en verdienen.

Denk maar eens aan Luther, vóór hij tot het licht kwam door Gods genade. Wat heeft hij geprobeerd vanuit die roomse zuurdesem, om te werken en te zwoegen en zichzelf te kastijden. Hij sliep soms in kettingen op zijn kamer in het klooster. Hij vastte, soms at hij dagenlang niet. Hij heeft de Pilatustrap er voor beklommen. Maar het was tevergeefs...!

Dat zegt de Heere hier ook tegen het volk van Juda: ‘Mensen, al die godsdienst van jullie is tevergeefs. Schijngodsdienst is dat. Het ware geloof is er niet. De waarachtige bekering ontbreekt en de ware levensheiliging is er niet van binnenuit, door het werk van de Heilige Geest. De liefde ontbreekt eraan. Het is maar schijnvertoning, het is maar vormendienst.’

Dat blijkt ook wel uit ons teksthoofdstuk. Op maatschappelijk gebied stonden ze nergens voor in Juda. Gewetensbezwaar kenden ze niet. De rechtszaken van de weduwe en de wees, van de vreemdeling en van de verdrukten behandelden ze niet, want daar verdienden ze niet genoeg aan. Ze waren keihard. En intussen probeerden ze hun zondige handelwijze te bedekken onder hun wettische, godsdienstige ijver. En daarom zegt God tegen Juda: ‘Mensen, ik moet er niets van hebben. Ik wil die lange gebeden van u niet eens meer horen. Als u uw handen opheft naar de hemel, ze zijn met bloed bevlekt.’ Het staat hier in vers 15. Onder de bloedschuld! Met andere woorden: ze dienden de Heere wel ijverig, maar ze hielden nog tegelijkertijd de zonde aan. En dat kan niet, gemeente, de Heere dienen en ook de zonde nog  aan willen houden.

Ze brachten al die offers dus met een bijbedoeling: ze wilden de Heere gunstig stemmen. Het was niet uit liefde en uit hartelijke genegenheid tot God. Het was puur egoïsme. Het geloof en de liefde ontbraken er aan. En dan is godsdienst huichelarij, dan is het onoprecht. Al stroomde er nog zoveel offerbloed, hun eredienst is God een gruwel. Hij wordt er moe van. God wil die opgeheven handen in de voorhof niet eens meer zien. Hij verbergt er Zijn ogen voor, want ze bekeerden zich niet.

 

Dit is natuurlijk wel een waarschuwing voor ons allemaal, gemeente. Want de Heere zegt in Zijn Woord: ‘Gehoorzamen is beter dan offerande.’ Al onze rechtzinnigheden zullen ons niet helpen, als ons hart de Heere niet liefheeft. Dan zegt de Heere: ‘Dit volk nadert Mij wel met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.’ Over God praten en over Christus praten en over de godsdienst praten, zonder waarachtige bekering, dat is de Heere een gruwel.

 

‘Ja’ zegt u, ‘maar moet ik dan niet trouw naar de kerk komen? En moet ik dan niet bidden?’  Jawel, dat moet u wel doen, maar dan uit liefde tot de dienst van de Heere en niet om de Heere gunstig te stemmen. Zonder waarachtige bekering is al mijn vermeende vroomheid de Heere een gruwel. Onoprecht! Huichelarij! De Heere zegt: ‘Tevergeefs!’

Zo komt het volk van Juda nooit met God verzoend. Zo komt het volk van Juda nooit met God in het reine. Die weg van wettische ijver is een doodlopende weg. De weg die Juda bewandelde om met God in het reine te komen, door middel van al hun godsdienst, is een doodlopende weg. Zo komen ze er nooit.

 

Gemeente, dat was onze eerste gedachte: de weg van de verzoening met God vanuit het volk van Juda met hun wettische ijver is een doodlopende weg. Maar in de tweede plaats zien wij hoe de Heere een weg opent in Christus.

 

2. Een geopende weg door het werk van Christus

 

Hoe zal nu dat volk van Juda, dat zo van de Heere afgeweken is en dat op zo’n totaal verkeerde manier probeert met God in het reine te komen, hoe zal dat volk nu ooit met God verzoend worden? Het lijkt wel of ze er verder van af staan dan ooit. De Heere noemt ze niet eens meer ‘Mijn volk’; Hij noemt ze niet eens meer ‘kinderen’. Weet u hoe Hij ze noemt in ons teksthoofdstuk? ‘Volk van Gomorra’! ‘Oversten van Sodom’! Jeruzalem was niet beter dan Sodom. En het volk van Juda was niet beter dan het volk van Gomorra.

En toch… Ja, nu komt het van God vandaan. Vanuit het volk kan het niet, dat hebben we gezien. Vanuit het volk kan het nooit goed komen met God. Maar God maakt het Zelf goed met Zijn volk. Want God wil dat afgedwaalde volk toch weer terug hebben. Hoe is het mogelijk! Straffen blijkt niets te helpen; ze hebben zich toch niet bekeerd. Maar wat dan? De Heere zal het doen, vanuit Zichzelf. Als dan de eis van de wet niet helpt en de straf niet, dan zal Hij het anders aanpakken: dan zal Hij het hart gaan verbreken onder Zijn vergevende liefde.

 

Mag ik u een voorbeeld geven, gemeente: een vader en een moeder roepen hun kind, dat al zo vaak dwars gelegen heeft en dat al zo vaak gestraft is, maar dat steeds niet gehoorzamen wil, ten einde raad bij zich en zeggen: ‘Kom nou toch eens even hier; waarom lig je nou toch zo dwars? Waarom doe je ons nou toch zo’n verdriet aan? Weet je dan niet dat ik van je hou, dat ik je liefheb? Ik wil je alles vergeven. Kom, begin opnieuw en wees toch gehoorzaam!’ Dat heeft meer succes dan de hardste klappen. Want wat zie je dan? Tegen die liefde kunnen ze niet op. Dan zie je dat hoofdje buigen en dan zie je de traantjes rollen en dan komen ze naar je toe met: ‘Papa, mama, wilt u het me alstublieft vergeven wat ik gedaan heb?’

Zo doet nu God met Zijn volk, gemeente. In het achttiende vers zegt de Heere tegen dat volk: ‘Komt dan, en laat ons samen rechten.’ De Heere zegt tegen Zijn onbekeerlijke volk: ‘Kom nu eens hier, laten we samen rechten.’ Vanuit het Hebreeuws betekent dat ‘rechten’: richten, overleggen, samenspreken. ‘Kom nu eens hier, laten we eens overleggen, wat hebt u eigenlijk tegen Mij? Waarom dien je Mij toch niet uit liefde?’

 

Hij gaat ze lokken, gemeente. En zo komt het dat we zo plotseling en onverwachts in deze felle beschuldigingsrede aan het adres van de oversten van Sodom en het volk van Gomorra horen over de vergevingsgezindheid van God als het krachtigste middel om Zijn afgedwaalde volk naar Zich toe te halen en ze te brengen op de weg van de waarachtige bekering. Dat is genade! Terwijl er nog geen spoor van bekering te vinden is in het volk, gaat de Heere hier naar ze toe en Hij komt met het aanbod van de volkomen vergeving van al hun bedreven kwaad. O, wat een genade! Hoe eenzijdig werkt de Heere, hoe overrompelend is Hij in Zijn liefde. Wie kan zich daar nu nog tegen verharden? Wie kan daar nu nog langer tegenop? Daar moet toch het hardste hart onder breken?

Komt dan, zegt de Heere, laat ons samen rechten. Ja, ze moeten komen voor het gericht van God, waar de Heere als beschuldiger optreedt en het volk als beklaagde staat. Dat is wel een ontzettende gedachte, gemeente, te moeten komen voor het gericht van God. Als een misdadiger, die voor het gericht moet komen. Er zal toch maar één rechtvaardig oordeel te vellen zijn, en dat is de doodstraf.

Maar wat valt het hier mee! Deze God velt niet de doodstraf! Wonder van genade: deze Koning beraadslaagt met de misdadiger! Hij zegt: ‘Kom eens hier, Wij gaan samen richten, heel persoonlijk, onder vier ogen, u en Ik, Ik en u.’

Hij beraadslaagt met de misdadiger en Hij spreekt vrij. Niet de welverdiende doodstraf, maar het leven wordt geschonken. En bij voorbaat belooft deze Koning aan allen die tot Hem komen de vergeving van hun zonden. Gemeente, dat is toch de duidelijkste waarborg dat deze Koning vrede met ons wil?

 

‘Kom maar zoals u bent, volk van Juda’, zegt de Heere, ‘laat die offers maar; kom maar zonder offers en zonder gebodsdagen; kom, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Waarom toch al die offers gebracht? Waarom toch met opgeheven handen al die lange gebeden in de voorhof opgezegd? Waarom toch? Zo komt u er nooit! Nee, poets uzelf maar niet op. Begin daar maar niet aan, want er is ook geen beginnen aan! Kom maar zoals u bent!’

 

Zo staat het in onze tekst: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, al waren ze rood als karmozijn...’ ‘Ja, volk van Juda, daar gaat het over: over uw zonden; daar wil Ik eens met u over spreken. Al waren uw zonden als scharlaken, als karmozijn…’ Beelden van de kleur van de zonde in haar volle omvang, de kleur van de schuld, de kleur van de  bloedschuld.

Wat is dat: scharlaken? Scharlaken is een rode kleur van dubbelgeverfde wol. Die verf was bereid uit de wortel van een bepaalde plant en dat gaf een vuurrode kleur. En scharlaken geverfd dat was dubbelgeverfd. Eerst werd de draad geverfd en daarna, als het kleed geweven was, dan werd die hele lap stof nog eens een keer in dat verfbad van scharlaken gelegd en daardoor kreeg die stof een dieprode kleur. Dat was kleurecht, dat kon nooit meer verschieten, dat kon je er ook nooit meer uit krijgen. Donkerrood, tot op de draad toe. Zo is nu de zonde, onuitroeibaar. We zijn zondig tot op de vezels van ons bestaan toe, gemeente.

En nu zegt de Heere tegen Juda: ‘O volk van Juda, u hebt het erg gemaakt, u hebt vreselijk gezondigd. Al waren uw zonden als scharlaken, ja nog erger, al waren ze als karmozijn...’ Karmozijn is ook een kleurstof; die werd bereid uit de eitjes van een bepaald insect, de schildluis. Die werden opgelost in alcohol en water en andere vloeistoffen en dat gaf een dieprode kleur, een donkerrode kleur. Een laken dat karmozijn gekleurd was, had zo lang in het verfbad gelegen, dat die kleur er ook nooit meer uit te krijgen was. Zo is die verf er ingetrokken.

Uw zonden zijn als scharlaken, als karmozijn, er nooit meer uit te krijgen! De zonde zit ons in het bloed, gemeente. Boezemzonden, die hun wortels zo diep hebben ingeslagen in de bodem van ons hart. Rood, de kleur van de zonde. Rood, de kleur van de schuld, van de bloedschuld.

En wat zegt God nu? Hij zegt: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, ja al waren ze als karmozijn zo rood, ze zullen wit worden als sneeuw, als witte wol.’ U ziet wel dat de zaak tweemaal wordt gezegd. Dat is een Hebreeuwse stijlfiguur: twee keer wordt hetzelfde gezegd. Eerst scharlaken, dat wordt wit als sneeuw. En dan karmozijn, dat wordt als witte wol. Zo’n herhaling is bedoeld om ergens de nadruk op te leggen, of om ergens zekerheid aan te geven.

Het is ook vast en zeker, gemeente! De Heere zegt: ‘Rood als scharlaken zal wit worden als sneeuw. Rood als karmozijn zal worden als witte wol.’ Tweemaal gezegd: waarlijk, u kunt er van op aan! Komt u maar zoals u bent, scharlakenrood van de zonde, karmozijnrood vanwege uw bloedschuld! Komt u maar met al uw zonde, noem ze allemaal maar op: overspel, diefstal, moord, bedrog, grofheid, huichelarij, leugen, uitbuiting, drankzucht, verslaafdheid en vult u maar in.

‘U bent rood van de schuld’, zegt God tegen Juda, ‘dubbelrood van de bloedschuld, maar kom toch maar met al uw zonden, met uw erfzonden, uw dadelijke zonden, uw boezemzonden, met heel uw zondige aard, met uw ‘oude mens’ die maar niet dood wil en met uw zondige ‘ik’ die maar niet van de troon af wil. Kom dan toch, volk van Juda, Ik wil u hebben zoals u bent. Want Ik ben barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid! Schuldig volk, rood van bloedschuld, kom, want Ik vergeef menigvuldig! Al uw zonden zullen wit worden als sneeuw, als witte wol!’

 

‘Ja,’ zegt u, ‘maar dat was toch onmogelijk? Die stof was toch zo lang geverfd en zo diep gekleurd, dat kreeg je er toch nooit meer uit?’ Ja, dat is waar. Dat is onmogelijk. Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Die scharlakenrode bloedschuld wil de Heere door Zijn genade maken tot het wit van de onschuld.

‘Als sneeuw, als witte wol.’ Hebt u wel eens een berghelling gezien, helemaal onder de sneeuw? Schitterend wit! Of een helling bekleed met een dichte kudde witte schapen? Al die witte ruggen, één wit wollen kleed. ‘Welnu,’ zegt God tegen Juda, ‘zo zult u worden, als u met al uw zonden tot Mij komt.’ David weet wat er mee bedoeld wordt. Hij zegt het ook: ‘Heere, was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw.’

 

Hier hebben wij dus een oudtestamentische beschrijving van de  rechtvaardiging van de goddeloze, uit loutere genade. De bloedrode schuld wordt tot sneeuwwitte onschuld. De Heere neemt de schuld van de zonde weg door Zijn vergeving. En Hij scheldt de straf op de zonde kwijt door Zijn genoegdoening. En Hij doet de heerschappij van de zonde teniet door de wederbarende en heiligende werking van Zijn Heilige Geest.

Hij maakt wit als sneeuw. Die mens, die even tevoren nog zo rood was als scharlaken en zo rood als karmozijn, maakt Hij zo wit als de witte fijne lijnwaadklederen van de bruid des Lams.

Wit als sneeuw… U hebt dat allemaal ‘s winters weleens gezien, onze kinderen ook: een dik pak sneeuw, dat is mooi! Dan is heel de wereld wit en stil. Je ziet geen modder meer, niets meer, alles is bedekt; alle viezigheid, alle vuil is bedekt onder de sneeuw. Eén witte deken. Niets meer te zien dan alleen die witte sneeuw. En wat is de wereld dan stil!

‘Zo’, zegt God, ‘wil Ik door Mijn vergevende liefde, door Mijn genade al uw zonden wassen, wit als sneeuw.’ En stil wordt het dan. Dat is de stilte van de verzoening met God. Als de storm geluwd is in onze ziel, vanwege al onze zonden waarmee we voor God niet kunnen bestaan. Als de verzoening met God wordt ervaren, door het bloed van de Heere Jezus Christus. De stilte van de verzoening. Alle schuld betaald. Dan ligt er niets meer tussen, tussen God en ons hart.

Als het in de natuur begint te dooien, dan komt alle vuil, alle modder weer tevoorschijn. Maar zo is het bij God niet, gemeente. Nee, de Heere zal op de zonden die Hij vergeven heeft nooit meer terugkomen.

 

Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. ‘Ja,’ zegt u, ‘maar hoe kan God dat dan doen? Dat is toch niet eerlijk? God moet toch de zonde straffen? De Heere is toch rechtvaardig? Hij heeft toch gezegd: ‘Ik houd de zondaar niet ongestraft?’ Ziet God dan de zonden door de vingers?’

Nee, gemeente, laten we de tekst nog eens lezen: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere. Zegt de Heere! Ziet u dat staan met hoofdletters? Jehova, de verbondsgod, de drie-enige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Jehova, ook wel de oudtestamentische naam voor de Borg van het verbond, voor de Heere Jezus Christus. En daar ligt het geheim. Want God is wel rechtvaardig en Hij straft ook de zonde, maar Hij heeft de zonde gelegd op Zijn eigen Zoon.

En nu treedt voor ons geestesoog een Ander naar voren. De Ander, de Heere Jezus Christus. En weer horen we het klinken uit de mond van God: ‘Komt dan, en laat Ons samen richten, de Vader en de Zoon.’ Maar hoor dan eens hoe het verder gaat: ‘Al was Uw gerechtigheid witter dan sneeuw, al was Uw gerechtigheid witter dan witte wol, Ik zal ze maken scharlakenrood, karmozijnrood.’ Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:21).

Hij, de Heere Jezus, werd tot dat gericht genodigd. En Hij liet Zich erin betrekken, uit liefde tot de deugden van Zijn Vader en uit liefde tot de zaligheid van Zijn Kerk. In de stilte van de eeuwigheid heeft Hij het al gezegd: ‘Vader, Ik zal dat werk doen, dat neem Ik op me. Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen; in de rol des boeks is van Mij geschreven.’

En dat heeft Hij gedaan. Daarom kwam Hij naar deze vervloekte wereld, die verloren lag in schuld. Daarom heeft Hij Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid.

Dat ‘kom dan’, o hoe dreigend klonk dat uit de mond van God tot Christus Jezus, de Heere. Gods toorn over onze zonde klonk daarin mee. Maar Hij kwam. Hij kwam! Wat groot: Christus komend naar deze wereld en buigend onder het recht van God, als het Lam Gods Dat de zonde der wereld heeft weggedragen. En daarom is in Hem nu een fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinigheid.

 

‘Kom dan’, zegt God. Nu is alle dreiging uit dat ‘kom dan’ voor een arme zondaar weggenomen! Want Zijn bloed reinigt van alle zonden. We kunnen het lezen in Romeinen 5: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus (Rom.5:1).

Daar ligt het geheim van de verzoening, gemeente: gerechtvaardigd uit het geloof! Houdt u deze twee zaken nog even vast: het geloof en onze Heere Jezus Christus. Daar ligt het geheim van die verzoening met God. Want de Heere keert het beeld om. Hij, Die zo wit was als sneeuw, als witte wol, zo zondeloos, zo zuiver, zo onschuldig, Hij werd rood, schuldig, schuldig verklaard. De schuld van Zijn hele Kerk is Hem toegerekend. Die heilige en reine Christus werd vrijwillig, uit eeuwige zondaarsliefde, zo rood als scharlaken en zo rood als karmozijn. Rood van de bloedschuld van Zijn Kerk. Daar stortte Hij juist Zijn eigen dierbare en kostbare bloed voor, om die bloedschuld  te betalen.

 

O gemeente, ziet u Hem gaan als Hij die weg van de verzoening met God gaat openen voor een arm verloren zondaar? Torst Hij daar ook uw zonden mee? Daar valt Hij neer in de olijvenhof. Het bloed parelt op Zijn gelaat en het drupt op de grond. Was dat ook voor een boezemzonde die u maar niet wilde loslaten? Ziet u Hem staan voor Pilatus, gekroond met een doornenkroon en Zijn rug opengereten door de harde geselslagen? Ziet u die pijnlijke trek om Zijn mond? Is dat ook vanwege de scharlakenrode bloedschuld van uw leven? Ziet u Hem hangen aan het vloekhout der schande, waar Zijn handen en voeten worden vastgeklonken? Zijn het ook uw zonden die daar als nagels door Zijn vlees geslagen worden?

O, gezegende Christus, zoals Hij daar hangt aan het kruis der verzoening! O hoofd, bedekt met wonden, belaân met smart en hoon, o hoofd, ten spot ombonden met ene doornenkroon, van al de last dier plagen, met Goddelijk geduld, o Heer, door U gedragen, heb ik, heb ik de schuld!’ Hebt u dat weleens gezegd: ‘Heb ik, heb ik de schuld’? Daar wordt onze zonde zo bitter, gemeente, gezien in het licht van Christus’ lijden. Ja, dat zegt het geloof: ‘Heb ik, heb ik de schuld.’ Want door het geloof eigenen we de schuld en door datzelfde geloof eigenen we de schuldvergeving.

 

En dan zegt Paulus: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven. Hij scharlakenrood onder mijn bloedschulden en ik zo wit als sneeuw door Zijn gerechtigheid.

Zo is er geruild; uit eeuwige zondaarsliefde heeft Hij met mij geruild. God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren. Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn (Rom.5:8-9). Want de hitte van Gods gramschap is geblust. Geblust in Christus Jezus de Heere, Die de weg van de verzoening met God geopend heeft.

 

Gemeente, laten we daar eerst samen van zingen uit Psalm 85, het eerste vers:

 

Gij hebt Uw land, o Heer’, die gunst betoond,

Dat Jakobs zaad opnieuw in vrijheid woont;

De schuld Uws volks hebt G’ uit Uw boek gedaan;

Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;

Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;

De hitte van Uw gramschap is geblust.

O heilrijk God, weer verder ons verdriet,

Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.

 

De weg van de verzoening met God  is een doodlopende weg vanuit de mens, vanuit de wettische ijver van Juda. Het is een geopende weg in Christus, Die daar Zijn leven voor gegeven heeft. Maar, gemeente, het is ook een noodzakelijke weg voor u en voor mij, voor ons allemaal. En daarop letten we in onze derde gedachte:

 

3. Een noodzakelijke weg voor ons allen

 

Onze tekst zegt: Komt dan. We moeten dat woordje ‘dan’ niet verkeerd opvatten. Dat is geen tijdsbepaling. De Heere zegt niet: ‘Ja, maar eerst moet u uzelf bekeren en zien dat uw zonden wat verminderd zijn, u moet proberen zo te gaan leven dat uw bloedrode schuld wat minder wordt, u moet uzelf eerst wat toonbaar maken...’ Nee, zo moet u dat woordje ‘dan’ niet opvatten. Het betekent eigenlijk ‘toch’. ‘Kom toch, kom maar, loop niet weg met uw scharlakenrode bloedschuld van de Heere vandaan, maar kom.’

Het klinkt zo overredend, gemeente. ‘Kom nu toch! Wij willen samen gaan richten, overleggen, over en weer alles met elkaar uitpraten, want zo kan het niet verder.’ Nee, dat is ook zo, gemeente, zoals we geboren zijn kunnen we niet sterven. Er ligt een kloof tussen God en onze ziel. Die is onoverbrugbaar. ‘Kom, dat moet in orde komen,’ zegt God. ‘Ik stel Mijn eis, maar houd u dan ook niets achter. Wij gaan samen richten, heel persoonlijk, onder vier ogen. U en Ik, Ik en u.’

 

Zo roept de Heere u heel persoonlijk om te komen. Bent u bang voor God? Jongens en meisjes, zou je liever voor God wegkruipen zoals Adam, toen de Heere sprak: ‘Adam, waar zijt gij?’ Denk je dat God alleen maar een toornend God is, een God Die alleen maar straft? Dan heb je een verkeerd beeld van de Heere! Want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

Zo straks hebben we gezien dat de weg van de verzoening  met God is geopend door het bloed van Christus, Gods eigen lieve Zoon. Die heeft Hij er voor over gehad. Zou dan de Heere ons behoud niet op het oog hebben? Welnu, daarom klinkt in deze uitnodiging uit de mond van de Heere, van de Jehova, van de drie-enige Verbondsgod, niets dreigends en niets uitdagends. Maar die uitnodiging klinkt welmenend en lieflijk. Met innerlijke ontferming is de Heere over uw leven bewogen en Hij nodigt u om te komen. Hij heeft uw behoud op het oog!

Zoals een moeder haar kind bij zich roept en zegt: ‘Kom nu toch eens hier en vertel nu eens alles wat er is’, zo zegt de Heere: ‘Kom nu eens hier, kom eens bij Mij. U kunt zo toch niet doorleven; kom eens bij Mij, er moet iets geregeld worden tussen u en tussen Mij. Kom maar met uw verontruste geweten. Leg dat het zwijgen niet op. Leef daar niet overheen. Al moet u het allerergste belijden, kom dan toch maar. Al moet u belijden voor Mijn aangezicht dat u zo zondig bent tot op de draad van uw bestaan, rood gekleurd vanwege uw bloedschuld. Houd dan geen zonde voor Mij achter’, zegt God.

 

Vertel dan alles maar, eerlijk en open. Al moet je zeggen: ‘Heere, van mij is ook geen verbetering meer te verwachten, ik heb het geprobeerd om mijn leven te verbeteren, maar het lukt me niet. Want hoe meer ik het probeer, hoe meer ik erachter kom dat ik schuldig sta aan al Uw geboden.’

De Heere zegt: ‘Kom dan toch maar. O, kom maar bij Mij en laat ons samen rechten. Ik vergeef menigvuldig. Ik delg uw overtredingen uit als een nevel. Daar heb Ik Mijn lieve Zoon voor over gehad. En nu ben Ik een gaarne vergevend God.’

Gemeente, durft u het niet aan? Loopt u liever hard weg? Maar dan hebt u nog nooit iets gezien van de genade en de lankmoedigheid  van God.

 

‘Ja,’ zegt u misschien, ‘maar mijn zonden dan?’ Ja, dat is het juist, daar wil de Heere het ook over hebben; dat zegt Hij ook: ‘Uw zonden... al waren uw zonden...’ Ziet u wel hoe persoonlijk dat is? Het gaat over uw eigen zonden. Hebt u er misschien nog nooit zo aan gedacht dat u zoveel zonden hebt? Hoeveel zijn het er? Ja, dat weet u misschien niet. Maar de Heere weet het wel; Hij heeft dat bijgehouden en opgetekend in het boek der gedachtenis; daar staat alles in... Hij is niets vergeten. Het getal van uw zonden is als een berg die rijst van de aarde tot de hemel.

En daar moet u uw ogen niet voor sluiten, gemeente. Laat toch niemand voor dat schreeuwende rood van zijn eigen zonde de ogen sluiten. Laat niemand weigeren zijn zonde te zien in haar ware gedaante, zoals God ze ziet: rood!

En toch, ga er nu toch maar mee naar God; verschijn er maar mee voor Gods aangezicht. Als u thuiskomt, gemeente, buig dan uw knieën eens in het verborgene. Ga dan eens naar je kamertje, jongens en meisjes, en val dan neer voor je stoel of je bed en ga het tegen God vertellen. Ga het eens zeggen: ‘Heere, nu hebt U mij genodigd om te komen, ja ik durf eigenlijk niet, maar Heere, hier ben ik dan.’ En noemt u ze dan maar op, al je zonden, voor het te laat is.

 

Want straks is het te laat. Straks komt die grote eeuwigheid. Dan komt dat eindgericht en dan zal de Heere Zijn feilloze gericht spannen over ons aller leven en dan vergeet Hij niet één zonde. Dan is er geen vergeving meer.

Nu moet u gaan. Nu! Erken uw zonden nu. Want de Rechter van straks is nog de Redder van nu! En Hij roept nog: ‘O, kom dan, kom dan toch, wat hebt u op Mij tegen? Wat hebt u er op tegen om tot Mij te komen?’

Ja, u moet uw zonden meebrengen, dat wel, en dat is tot uw diepe schaamte. Daar zult u schaamrood onder staan, dat wel. Maar wat hebt u erop tegen om te gaan, als Hij bij voorbaat vergeving belooft in de Heere Jezus Christus, Zijn Zoon? Waarom zou u dan in de zonde blijven, nu Christus het slachtoffer geworden is voor de zonde?

De Heere zegt: ‘Kom dan toch! En leg alles maar eerlijk op tafel, biecht alles maar op. Datgene wat je tegenover je naaste nooit zou durven vertellen, vertel het maar aan Mij. Die hele berg met zonde en die hemelhoge schuld, die bloedrode schuld, waar je misschien onder gebukt gaat, zeg het alles maar eerlijk tegen Mij.’

 

En wat doet de Heere dan? Hij zegt: ‘Ik was alles schoon! Wit als sneeuw, wit als witte wol. Ik spreek vrij van schuld en straf en Ik geef een recht op het eeuwige leven. Om Mijn lieve Zoon Jezus Christus’ wil, Die aan het kruis der verzoening gestorven is, schenk Ik u de volkomen vergeving van al uw zonden.’

Houd uw oog gericht op die dierbare Christus, Die blank is en rood en de banier draagt boven tienduizenden. Blank is Hij in Zijn onschuld en in Zijn gerechtigheid. Rood is Hij door Zijn bloed. De Heere zegt: ‘Kom dan toch, Ik meen het met u, betreed toch die weg van het geloof.’

Want dat ‘komen’ is een komen in het geloof. Misschien voor het eerst in uw leven, zwaar beladen onder uw bloedschuld. Misschien ook na ontvangen genade. Nadat pas sneeuw gevallen is in uw leven en de Heere dat alles heeft bedekt en vergeven en vergeten, maakte u opnieuw alles weer vuil met uw zonden. Na al uw struikelen zegt de Heere opnieuw: ‘Kom dan, in het geloof en door het geloof.’

Ja, ik weet het, uit uzelf kunt u dat niet en toch, en toch kunt u niet anders dan de toevlucht nemen tot die bloedrode Christus, Die blank is en rood. Blank door Zijn verworven gerechtigheid en rood vanwege de toegerekende schuld. Hoe meer die dierbare gestalte van Christus op ons toekomt, hoe meer die dierbare gestalte voorbij trekt aan ons geestesoog, des te meer we ook naar Hem getrokken worden. En dan komt er een moment, dan kun je niet langer meer blijven in je zonden, dan kun je niet langer meer de zonde vasthouden. Dan wordt de Heere Jezus zo dierbaar voor het oog van het geloof, dan ga je! Dan kun je het niet meer uithouden in je bloedrode schuld. Dan zeg je: ‘Heere, nu bent U mij te sterk geworden.’ Dan overreedt de kracht van de Heilige Geest u zo, dat u zomaar tot Hem heengetrokken wordt in het geloof. Dan zegt u: ‘Heere Jezus, hier kom ik, arm en naakt, tot de God Die zalig maakt.’ Dat is de taal van het geloof, geleerd door de Heilige Geest.

 

Hoe overredend kan de Heilige Geest ons zondaarshart bewerken, door ons de dierbaarheid van het offer van Christus en de vergevensgezindheid en de lankmoedigheid van God te binnen te brengen. Dan is het de Heilige Geest Die ons erheen trekt.

En dan gaan we het zeggen: ‘Heere, ik ben wel een zondaar, schuldig aan al Uw geboden; mijn zonden zijn zo rood als scharlaken, maar Heere, bij U is toch vergeving? Bij U, Heere, is toch de levensbron? U bent toch die goedertieren God en U hebt toch gezegd: ‘Wie tot Mij komt zal ik geenszins uitwerpen’? U vergeeft menigvuldig. U Heere Jezus, U bent dat Lam Gods Dat de zonde der wereld heeft weggedragen. En daarom durf ik het aan om mijn schuldige hand te leggen op dat volmaakte offer van U, o Lam Gods. Ja, ik geloof, Heere, maar kom mijn ongeloof te hulp, want mijn hart is zo geneigd om steeds weer van U af te wijken.’

 

Op die plaats zult u vrede ontvangen met God, door onze Heere Jezus Christus. Daar, aan de voet van het gezegende kruis van Christus Jezus de Heere, daar valt het pak van zonde van onze schouders af en daar horen we het uit Gods mond: ‘Ik zal niet meer op u toornen, noch op u schelden.’ Daar zullen onze scharlakenrode zonden en onze karmozijnrode schuld voor eeuwig weggedaan zijn.

O, wonder van genade, weer verzoend met God, weer in een goede betrekking met de Heere God! En zo dikwijls als ik die belofte van het Evangelie met een waar geloof aanneem, ervaar ik die vrede met God.

 

En gemeente, die verzoening kun je ook zien aan de buitenkant, aan iemands leven. Dat straalt hij uit. Dat werkt een waarachtige bekering uit tot zaligheid. En daar was het God nu juist met Juda om te doen. Dan bestaat onze godsdienst niet meer uit wat uitwendige plichten, maar dan komt het van binnenuit. Dan straalt de liefde van God door in onze handel en wandel, en dan doortrekt de reuk van Christus ons hele leven. Dan offeren we niet meer om Gods gunst te verwerven, maar dan offeren we onszelf als een levend dankoffer aan de Heere. En we roemen in God, door onze Heere Jezus Christus, in Wie wij nu verzoening gekregen hebben.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103:2

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;
Uw krankheên kent en liefderijk geneest;
Die van ‘t verderf uw leven wil verschonen,
Met goedheid en barmhartigheên u kronen;
Die in de nood uw Redder is geweest.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 24)