Ds. W. Harinck - Jeremia 31 : 3

Gods liefde

Jeremia 31
Een eeuwige liefde
Een trekkende liefde
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 24)

Jeremia 31 : 3

Jeremia 31
3
De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 74: 11, 12
Lezen : Jeremia 31: 1-20
Zingen : Psalm 44: 11, 12, 13
Zingen : Psalm 8: 4, 9
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, de tekst voor deze dienst is uit het gedeelte van Gods Woord dat ons werd voorgelezen, Jeremia 31, daarvan het derde vers:

 

De Heere is mij verschenen van verre tijden. Ja, ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

 

Deze woorden bepalen ons bij: Gods liefde.

 

In deze tekstwoorden zien we die liefde als:

1. Een eeuwige liefde

2. Een trekkende liefde

 

1. Een eeuwige liefde

 

De profeet Jeremia is niet alleen de profeet van de Klaagliederen. Hij is niet alleen de man Gods die geroepen werd om oordelen aan te kondigen. Hij heeft ook verlossing en herstel en genade mogen prediken. Hij heeft ook op de fluit van het Evangelie mogen spelen. Hij heeft het volk dat in ballingschap was, mogen prediken van de hulp die komen zal, van het heil dat God weer aan zal brengen. Hij mag verkondigen de trouw en de liefde van God, dat God nog aan Zijn verbond zal gedenken en dat Hij Zijn hand tot dat volk in de ballingschap weer zal wenden. Dat er aan die lange, bange tijd van die Babylonische ballingschap weer een einde zal komen. God zal Zijn toorn afwenden en het verbond met Zijn volk weer vernieuwen.

Hij mag met die heerlijke boodschap naar buiten komen. Niet alleen het oordeel moet hij prediken, niet alleen het gericht Gods aanzeggen, dat zeker komen zal, maar hij mag ook de belofte van herstel en genade voorzeggen. En daar is niet alleen hoofdstuk 30 vol van, maar ook hoofdstuk 31 is vol van die prediking van genade, van verlossing voor dat volk in de ballingschap.

 

Terzelfder tijd, zo begint ons hoofdstuk. Terzelfder tijd, spreekt de Heere… Welke tijd is dat geweest? Kijkt u dan even naar het laatste vers van het voorgaande hoofdstuk. Daar wordt gesproken van de hittigheid van de toorn des Heeren die zich niet af zal wenden, totdat Hij gedaan en totdat Hij daar gesteld zal hebben de gedachte van Zijn hart. Dat betekent: God zal het gericht doen komen. De ballingschap komt en ook stad en tempel zullen verwoest gaan worden. Gods toorn zal komen over Israël. Maar in diezelfde tijd, spreekt de Heere, zal Ik alle geslachten Israëls tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Ziet u wel, gemeente, zo dicht staan gericht en genade hier bij elkaar!

 

Dan mag Jeremia hier in dit 31e hoofdstuk verder gaan spreken van die genade van God. En wat voor een boodschap heeft hij dan? Laten we proberen die boodschap eens goed in ons op te nemen.

In de boodschap die Jeremia hier brengt, gaat het over een volk dat op weg is naar huis. Een volk op weg naar de rust. Ze hebben nog niet veel rust gehad. Ze komen uit een ver en uit een vreemd land. En natuurlijk denken we dan aan het land van de ballingschap, aan Babel. Daar hebben ze vele jaren gewoond. En in dat vreemde land was geen rust, daar was geen thuis. Het is een opgejaagd, een gesmaad en een gehoond volk. Het zijn mensen die weten wat heimwee is. Het zijn mensen die ook weten wat moedeloosheid is.

Die mensen ziet Jeremia komen. Het zijn ontheemden. Het is een schare van daklozen, van thuislozen. Ze keren terug, ze zijn nu op weg naar huis, op weg naar de rust.

Nee, het is niet zo’n indrukwekkende stoet die de profeet op ziet trekken naar Sion, naar Jeruzalem. Hoe tekent hij ons die schare?  Ziet u het maar in het tweede vers: het is het volk der overgeblevenen van het zwaard. Zo tekent hij die schare: overgeblevenen van het zwaard. Nauwelijks ontkomenen van het zwaard. Het is een groep vluchtelingen, ternauwernood aan de dood ontsnapt. Ze zijn als degenen die van het slagveld terugkeren, aan het zwaard, aan de dood ontsnapt.

Zo ziet de profeet ze komen. Hun kleren zijn gescheurd en ze zijn vuil en ze zijn vermoeid. Uiterst schamel zijn hun bezittingen. Eén lange rij van mannen, vrouwen en kinderen. Moeders wellicht met de zuigelingen op de arm. We lezen in vers 8 dat er blinden bij zijn en verlamden, kreupelen en zwangere vrouwen.

Zie, dat is nu het armzalige overblijfsel van wat eens dat grote en heerlijke volk van Israël was. Israël, weleer genoemd ‘het hoofd der heidenen’, keert nu uit de ballingschap terug. Het is maar een armzalig overblijfsel.

 

De profeet ziet ze komen met smeking en met geween (vers 9). Ja de exodus, de uittocht, uit Babel is wel heel anders dan de uittocht uit Egypte. Want toen het volk van Israël eenmaal uittoog uit Egypteland, toen toog het verkoren volk des Heeren al juichend uit op Gods begeren. Maar de uittocht uit Babel is een heel andere. Dan is er geen gejuich, maar smeking en geween.

Goed beschouwd is die wederkeer uit Babel maar een droevig gebeuren. En die wederkerenden hoeven zich geen illusies te maken over de staat en de toestand van stad en land, zoals ze het straks terug zullen gaan vinden. Nee, want de boodschap heeft hen in Babel immers al bereikt dat de stad gevallen is en dat de tempel, het huis Gods, verwoest is. O, wat heeft de vijand huis gehouden, gemeente! De wijngaarden zijn omgekeerd en de akkers zijn vernield. En het heerlijke Jeruzalem is verwoest. Maar het allerergste is wel: dat schitterende huis van God, de tempel van Salomo, er is geen steen op de andere gebleven!

Smeking en geween. Al die mensen die terugkeren naar hun thuis, wat hebben ze nog voor verwachting? Het zal nooit meer worden als vroeger, nooit meer! Want ze hebben gezondigd, ze hebben God verlaten en het verbond is verbroken. God is op hen vergramd. Zo keren ze uit Babel terug. Zo ziet de profeet hen komen, het volk der overgeblevenen van het zwaard. 

 

Maar dan het wonder, gemeente: God gaat hen ontmoeten! Dat schuldige, dat onwaardige volk heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om hem tot rust te brengen, zo lezen we in vers 2. Ja, dan gaat er een wonderlijke ontmoeting plaatsvinden, een ontmoeting zo groot en zo rijk, dat die ontmoeting al de smart en al het leed zal gaan overschaduwen. Een ontmoeting in de woestijn.

En we voelen weer de overeenkomst met de uittocht uit Egypte. Toen immers wilde God Zijn volk ook ontmoeten in de woestijn. En zo is het ook hier in de profetie van Jeremia. Weer wil God dat volk ontmoeten en Zijn  genade doen vinden in de woestijn.

Dan verschijnt de Heere aan dat volk. Dan komt Hij hen tegemoet en sluit Hij hen in Zijn liefdesarmen. Hij trekt hen aan Zijn liefdeshart en doet hen Zijn stem weer horen: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

Zo komt de Heere terug. Zo neemt de Heere de scheiding weg. Zo vernieuwt Hij het verbond met Zijn volk. Hij omhelst hen, Hij spreekt hen van Zijn liefde, Hij betoont hen Zijn onbezweken trouw. En dat doet het volk van Israël zeggen: De Heere is mij verschenen van verre tijden.

 

Van verre tijden! Het was zo lang geleden. Die ballingen moesten wel zo ver teruggaan in hun gedachten om zich verschijningen van de Heere te kunnen herinneren. Van verre tijden. Het was zo lang geleden. Maar nu, nu verschijnt de Heere weer in Zijn liefde en in Zijn trouw aan Zijn volk. Dat doet hen zeggen: ‘Hij is mij verschenen van verre tijden.’

 

Verschijningen van God, kunnen wij daar ook van spreken, gemeente? Gods kinderen kunnen daar van spreken. God is verschenen in hun leven, in hun schuldverslagenheid, toen ze zo ongelukkig, als een in zichzelf verlorene, over de wereld gingen. Toen zij uitriepen: ‘Het is verloren, het is voor eeuwig verloren, want ik heb gezondigd, ik sta schuldig voor de Heilige, voor de God van hemel en van aarde’, is de Heeren hen verschenen.  In die nood en verlorenheid verscheen God in hun leven en sprak Hij tot hen door de prediking van Zijn Woord. Hij troostte hen door de beloften van het Evangelie, door hun een geloofsgezicht te geven op Christus Jezus, Zijn Zoon.

Wonderlijk zijn die verschijningen van de Heere. Dat de Heere aan de engelen verschijnt hoeft geen wonder te zijn, want de engelen zijn staande gebleven, zijn niet bezoedeld door de zonde, staan niet schuldig aan de geboden van God. Ze staan gedurig voor Zijn aangezicht en gehoorzamen Hem op Zijn wenken en zijn gereed om Hem te dienen. Maar dat God Zich wil openbaren aan zondaren, aan mensen die van Hem afgevallen zijn, die schuldig staan aan al de geboden van Zijn heilige wet, die midden in de dood liggen, die verdoemelijk zijn voor God, is dat geen wonder dat God aan zulken verschijnt?

O, wat een wonder! Wat een eeuwig wonder als God verschijnen wil in mensenlevens, als Hij die grote kloof, die grote afstand, gaat overbruggen, zodat het waar is geworden in ons leven: De Heere is mij verschenen. De Hoge, de Verhevene, is aan mij, arme, verloren zondaar, verschenen.

Ga het dagboek van uw leven toch eens na, gemeente; kunnen we er van spreken, van die verschijningen van de Heere aan ons hart? De Heere is mij verschenen van verre tijden. Dat was de klacht van die wederkerende ballingen. Het was zo lang geleden, ze moesten zo ver terug gaan om zich verschijningen van de Heere te kunnen heugen. Hoe vaak is dat ook niet de klacht in het leven van Gods kinderen. Zeker, de Heere is hun wel verschenen, geen leed zou het ooit uit hun geheugen kunnen wissen, het staat opgetekend in de schatkamer van hun herinnering: daar en toen is Hij aan hen, als aan een arme zondaar, verschenen. Maar… het is al zo lang geleden. Zij moeten zo ver terug gaan in hun gedachten. Het is bij hen net als bij koningin Esther die zeggen moest: ‘Het is nu dertig dagen en ik heb de koning in al die tijd niet gezien.’

En als ze dan zien op hun hart, als ze dan zien op hun leven en zichzelf zo waarnemen in hun onvruchtbaarheid, in hun ongelovigheid, als ze voelen dat de wereld nog zo’n grote plaats heeft, als ze zien dat er nog zoveel zonde in hen woont, weet u wat ze dan vrezen? Dan vrezen ze dat de Heere nooit meer terugkomen zal. Als het zo koud vanbinnen wezen kan, dan vrezen ze dat het misschien wel geen waar geweest zal zijn. Want als ze werkelijk tot de wedergeborenen gerekend zouden kunnen worden, zou het dan zo zijn in hun leven zoals het er nu bij ligt?

 

Verre tijden. Misschien moet u ook wel zo ver terug gaan in uw gedachten om u te kunnen heugen dat de Heere is verschenen. De Heere is mij verschenen van verre tijden.

Maar nu is het wel zo: die oprechte zielen kunnen niet leven van verschijningen van verre tijden. Nee, ze zoeken verschijningen van God in de tegenwoordige tijden. Het is hen immers om de gemeenschap en de liefde van God te doen, om die te mogen ervaren, om zich te mogen verblijden in de ontmoeting van de genadige, de verzoende God, in het aangezicht van de Heere Jezus Christus. Want daar hongert het naar in hun ziel, daar dorst het naar in hun ziel, naar die Zon der gerechtigheid, dat Die over hen op mag gaan en dat ze de kracht van Christus’ bloed en offerande nog eens bij vernieuwing aan hun hart ervaren mogen. Dat ze die zoete werkingen van de Geest des Heeren mogen proeven. Dat ze weer eens bij vernieuwing ingesloten mogen worden in de beloften van het Evangelie. Dat ze troost mogen scheppen uit die wateren des levens om niet. Dat ze zich daaraan laven mogen en dat ze voedsel voor hun ziel mogen vinden in de grazige weiden van Gods dierbaar Woord.

Verre tijden. O nee, ze zullen ze niet vergeten, maar ze kunnen er niet van leven. Ze zoeken God in de tegenwoordige tijd. ‘Spreek nog eens tot mijn ziel: Ziet, Ik ben uw heil alleen! O Heere, dat ik U nog eens ontmoeten mocht. Het ligt wel geheel en al verzondigd, Heere, maar wees mij, arme zondaar, toch nog genadig!’

 

Zo gaat nu het hart van Gods lievelingen uit naar verschijningen van de Heere in hun leven. En wat een wonder als de Heere dan bij vernieuwing verschijnen wil, als de Heere hen dan weer ontmoeten wil en tot hen spreken wil. Van verre tijden komt Hij hen weer tegemoet en dan roept Hij hen toe: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

‘Ja’, zegt de Heere – en zo verzekert Hij het plechtig – ‘Ja, Ik heb u van verre tijden liefgehad. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Letterlijk staat er: ‘Ik heb u liefgehad met een liefde van eeuwigheid.’ Met een liefde dus die tot in de eeuwigheid terug gaat. Met een liefde van vóór de grondlegging van de wereld. Met die eeuwige liefde heeft God nu de Zijnen lief.

Hoe oneindig diep is toch dit woord van onze tekst, gemeente. En wij zullen u geen genoegzame verklaring van dit Godswoord kunnen verschaffen, want wie zal die duizelingwekkende diepte van de liefde Gods ooit kunnen bevatten?

 

Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Zo ver gaat de Heere dan terug als Hij spreekt van de liefde tot Zijn volk.

Zijn volk roept uit: De Heere is mij verschenen van verre tijden. Het was al zo lang geleden, ze moesten zo ver terug gaan in hun gedachten. Maar als de Heere komt, dan zegt Hij hoe ver Híj terug gaat. Dan gaat Hij terug tot die verre tijden van de nooit begonnen eeuwigheid. Dan roept Hij het hen toe: ‘Van toen af heb Ik u liefgehad. Van toen af heb Ik hulp besteld bij een Held Die machtig is om te verlossen. Ja, van eeuwigheid heb Ik u liefgehad.’

Een eeuwige liefde, dat is een liefde zonder begin en zonder eind. Een eeuwige liefde, dat is ook een onveranderlijke liefde. Dan zegt de Heere tot de Zijnen: ‘Al uw oude liefhebbers hebben u verlaten, maar Ik zal u nooit begeven en Ik zal u nooit verlaten. Ik ben en Ik blijf Dezelfde, want Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Eeuwige liefde, dat kan niet groter en dat kan niet minder.

 

En weet u wanneer God nu juist zo rijk van Zijn liefde spreekt? Juist in de donkerste tijd van Israëls geschiedenis. Juist in het grootste dieptepunt van Israëls beproeving. Als dat volk in Babel is, als stad en tempel verwoest zijn, als alles zo afgesneden is en alles zo hopeloos er bij staat. Juist dan zendt Hij door Jeremia de boodschap dat Hij hen liefheeft met een eeuwige liefde. Dan is het alsof de Heere zeggen wil: ‘O Mijn volk, jullie hebben Mij zo veel smart aangedaan door al jullie zonden, door de afgoden te dienen, door het verlaten van Mijn wet. Wat waren jullie verdwaald in dat doolhof van de zonde. Op de stem van Mijn knecht hebben jullie geen acht gegeven. Jullie hebben Mijn toorn wakker gemaakt en daarom heb Ik u bezocht met plagen. Maar dat alles heeft Mijn liefde niet kunnen doven, want Ik heb u liefgehad van verre tijden. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’

 

Zo spreekt de Heere tot die ballingen, gemeente. Hij spreekt tot hen van Zijn onbevattelijke en eeuwige liefde. Maar misschien zegt u wel: ‘Hoe is die liefde van God dan te rijmen met het handelen van God tegenover dat volk, want Hij toornde toch op hen? Hij gaf hen toch over in de ballingschap van Babel? Hij liet hen toch wegvoeren naar een ver en naar een vreemd land? En de stad en de tempel werden toch verwoest? Hoe kan de Heere dan verzekeren dat Hij hen lief heeft gehad met een eeuwige liefde?’

Hoe tegenstrijdig schijnt dat in onze ogen: Gods liefde tegenover Zijn toornen, Gods trouw tegenover Zijn handelen, als Hij Zijn volk bezoekt met plagen en overgeeft in slavernij. En dan het spreken van Gods hart: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, hoe tegenstrijdig schijnt dat in onze ogen.

Maar, gemeente, als we dat zeggen, dan dwalen we. En zo vaak dwalen we in het waarnemen van de liefde van God. Omdat een paard onwillig, ongehoorzaam en wederstrevig is, wederspannig is, denkt het dat zijn berijder hard is. Zo ook hier: omdat wij zo eigenzinnig zijn, zo ongehoorzaam en onwillig, denken wij dat God streng is als Hij ons kastijdt, als Hij ons bezoekt met plagen en bittere tegenheden. Maar dan vergissen we ons. Want Gods liefde is erin. Daarmee zoekt Hij ons  weder te brengen. Daarmee zoekt Hij ons tot inkeer te brengen. Tuchtigingen zijn bewijzen van de liefde van God. En wij maar denken dat het kruis in ons leven en de liefde van God, dat die zaken niet samen kunnen gaan. Wij maar denken dat kruis en beproeving bewijzen zijn van de toorn van God. O nee, gemeente, dan vergissen we ons, want God heeft lief, ook als Hij de zondaar kastijdt. God heeft lief als Hij Zijn volk in de ballingschap overgeeft. Dan bezoekt Hij hen met Zijn krachtige hand, opdat ze tot inkeer zullen komen, opdat ze tot wederkeer zullen komen.

Wee de mens die zonder kastijdingen is. Wee de mens die door God overgegeven is om te wandelen naar het goeddunken van zijn eigen hart. Het is door de kastijdingen heen, het is door de beproevingen heen dat God verloren zonen en dochters van Adams geslacht tot inkeer en tot omkeer en tot wederkeer zoekt te brengen. Opdat we, net als die ballingen, weder zullen komen, als overgeblevenen van het zwaard, als mensen die ternauwernood aan de dood ontkomen zijn. Om zo weder te keren, door de woestijn van onze verlorenheid, weder te keren tot God.

En o wonder, dan wil God dezulken in de woestijn van hun verlorenheid ontmoeten en hen toeroepen: ‘Ziet, hier ben Ik!’ Dan verschijnt Hij met Zijn liefde. ‘Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Ik heb u niet vergeten. Geen ogenblik was u uit Mijn gedachten, want Ik had u lief met een eeuwige liefde en daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.’

Dat is onze tweede gedachte, als we letten op Gods trekkende liefde.

Maar we zingen er samen eerst van, uit Psalm 8, de verzen 4 en 9:

 

Mijn God, wat is de mens dan op deez’ aarde!

De broze mens, hoe klimt hij tot die waarde,

Dat Gij aan hem in zoveel gunst gedenkt,

En ’s mensen zoon Uw teerste liefde schenkt!

 

Heer’, onze Heer’, grootmachtig Opperwezen!

Hoe billijk wordt Uw grote naam geprezen;

Hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond,

Die grote naam door ’t ganse wereldrond!

 

2. Een trekkende liefde

 

Het laatste gedeelte van onze tekst begint met ‘daarom’. Daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Omdat Ik u lief heb gehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u niet losgelaten, maar u weer tot Mij getrokken en u gebracht tot wederkeer, tot boete, tot berouw. Ik heb u getrokken tot het zoeken van Mijn genade en Mijn vergevende liefde. Daarom! Dus Gods trekken met goedertierenheid, anders gezegd: Gods trekken met genegenheid is het bewijs van Zijn eeuwige liefde.

Zie het maar in de geschiedenis van het volk van Israël. Hebben die ballingen gezegd: ‘Wij moeten tot de Heere wederkeren, koste wat het kost’? Hebben die ballingen gezegd: ‘Heere, wij kunnen zonder U niet gaan, wij kunnen zonder U niet leven; wij hebben gezondigd; wees ons, arme zondaren, verloren ballingen, toch genadig’? Nee, gemeente, dat hebben ze niet gezegd. Maar God heeft wat gezegd: ‘Ik heb u liefgehad en daarom trek Ik u.’ Dat trekken van God wortelt echt niet in het karakter van het volk, maar dat trekken van God welt op uit God Zelf, uit Gods heilige liefdeshart, uit Gods eeuwig beminnen van verloren zondaren. Gods eeuwige liefde is er de oorzaak van dat een om der zonde wil verloren en verbannen volk van ballingen, weer kan en mag wederkeren tot God. God trekt hen met Zijn genegenheden, met Zijn goedertierenheden.

Zo bewijst Hij Zijn liefde. God trekt met goedertierenheid. En allen die tot Hem komen zijn door Hem getrokken.

 

Eigenlijk is dat toch zo’n vernederende waarheid, gemeente. Een waarheid die ons leert dat we getrokken moeten worden, want anders komt er niemand. Zijn we dan zo van God vervreemd? Is er dan zo’n kloof tussen God en ons? Zijn we dan zo geheel onwillig om tot Hem weder te keren, dat we alleen door Goddelijke trekking tot Hem komen? Jawel, zo onwillig zijn we! En ook zo onmachtig zijn we, want we zijn gebonden in de macht van de zonde, in de macht van de satan, in de macht van de wereld, in de macht van ons boze vlees. En al die machten heersen over ons en doen ons zeggen: ‘Wijk maar van ons, Heere, in de kennis van Uw wegen hebben we geen lust.’ Dan willen we niet en dan kunnen we niet wederkeren tot God, tenzij Gods Geest ons wederbaart. Zonder die wederbarende genade van God de Heilige Geest keert niemand weder tot God. Het is – zeggen de Dordtse Leerregels – een gans bovennatuurlijke, zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking, welke God zonder ons in ons werkt.

Welnu, het is die almachtige kracht van God, die trekkende kracht van God welke nodig is om ons tot God weder te doen keren. Want nooit kwam een zondaar tot God en tot Christus, of God en Christus waren eerst tot die zondaar gekomen. Dan is God de eerste en daarom staat Hij voorop in onze tekst. Die grote Ik, Hij staat voorop. ‘Ik heb u getrokken!’ Hij is het Die trekt.

 

En waar trekt Hij dan uit? Hij trekt uit de duisternis en uit de verlorenheid en uit alles waar een mens in verstrikt en verward kan zijn. Hij trekt Abraham uit het Ur der Chaldeeën waar hij de afgoden diende. Hij trekt Levi uit het tolhuis, waar hij voor zijn geld en zijn goed leefde. Hij trekt de een uit zijn eigen gerechtigheid en de ander uit zijn ongerechtigheid.

Hij trekt! Hij trekt de zondaar tot Zichzelf, tot Zijn gemeenschap. Vanuit de duisternis naar het licht. Vanuit de dood naar het leven. Vanuit de armoede naar de rijkdom. Hij voert met smeking en met geween. Hij brengt schuldverslagenen tot Jezus Christus en Dien gekruisigd. Hij brengt de boeteling aan de voeten van Jezus’ kruis. Hij brengt tot dat zalige zien op de Gekruisigde, tot het vinden van het leven buiten onszelf in Jezus Christus. Ja, Hij trekt met goedertierenheid, dat is met liefde, met goedheid, met genade.

 

Als God zondaren trekt, weet u wat er dan aan het werk is, gemeente? Dan is het Evangelie aan het werk. Dan is de barmhartigheid van God aan het werk. Dan is vrije ontferming op zoek geweest naar het verlorene en heeft vrije ontferming het verlorene gevonden. Dan trekt God met Zijn goedertierenheid. Zo brengt Hij de zondaren tot Zich.

 

Maar misschien zegt u: ‘Ik voel meer de slagen van de wet Gods in mijn leven. Ik hoor meer de donder van de Sinaï in mijn leven. Ik zie steeds mijn hemelhoge schuld. Ik beef voor God en ik roep tot God of er nog een weg en of er nog een middel is om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. Is dat nu ook de trekking van Gods liefde? Ik zie alleen maar verlorenheid. Ik gevoel mijn ongeluk, ik ben onbekeerd en ik kan voor God niet bestaan. Is dat dan ook de trekking van Gods liefde?’

Weet u, gemeente, als God de zondaar trekt, dan trekt Hij met Zijn goedertierenheid, dan is het Evangelie aan het werk. Maar het Evangelie heeft een dienstmaagd. De wet is de dienstmaagd van het Evangelie. De wet is de wegbereider tot Christus. Want door de wet is de kennis van de zonde. Door de wet slaat God hoogmoedige, trotse zondaren met hun waardigheden, aan stukken. Met de wet laat Hij ons zien hoe hoog de schuld van ons leven is. Met de wet voedt Hij ons op, om als een arme zondaar te hongeren en te dorsten naar Jezus Christus en Dien gekruisigd. Met de wet, de dienstmaagd van het Evangelie, bindt Hij het heilige van God en het rechterlijke van God op het overtuigde zondaarshart. En wat is dat noodzakelijk! Want het zijn de vluchtelingen van de Sinaï die tot Sion komen.

De boodschap van de wet brengt schrik en vrees; die boodschap werpt ons neer in schuld en verlorenheid voor God; die boodschap doet ons gevoelen hoe verwond we zijn, hoe dodelijk verwond, hoe innerlijk veroordeeld ook voor Gods heilig aangezicht. En dat doet de zondaar Christus zoeken. Dat doet de zondaar het aanbod van genade in het Evangelie zo op hoge prijs stellen.

De wet is in dat trekken de dienstmaagd van het Evangelie. En zo is het toch ten diepste enkel en alleen goedertierenheid, die de zondaar trekt. Dan verwondt Hij om te helen. Dan doodt Hij om levend te maken. Dan ontneemt Hij al onze waardigheid en al onze verdiensten en maakt Hij ons arm om ons rijk te gaan maken door de Zoon van Zijn liefde.

Ja, in de overtuiging van schuld en van zonde is er toch goedertierenheid, is er toch de liefde van God. Het is de liefde van God die het ontleedmes hanteert, die ons afsnijdt van al onze waardigheden en van al onze eigen gerechtigheden. Dan is het toch Gods goedertierenheid die een dodelijke kerf zet in ons leven, een kerf waaraan ons oude ik sterven moet omdat we stervend het leven verliezen en ons tot Jezus zouden wenden om in Hem het leven te gewinnen.

 

Hij trekt met goedertierenheid, dat is met Zijn liefde, met Zijn genade. Dan maakt Hij ons over de zonde bedroefd, maar dan verwekt Hij ook een stille hoop op Zijn genade. Dan doet Hij je komen met smeking en met geween, maar Hij ontdekt tevens de Christus in Zijn dierbaarheid en Zijn schoonheid aan je hart. Hij laat ons zien Wie Jezus is, Wie Hij is in Zijn persoon, wie Hij is in Zijn werk. Een Zaligmaker, zo uitnemend, dat de schuldigste van de schuldigen behouden kan worden. Hij doet ons Zijn liefdenodiging horen: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes.55:1).

 

Wat een zoete, alles inwinnende liefdestrekking gaat er uit van Christus, die gezegende Zaligmaker. Dan trekt Hij hen met Zijn goedertierenheid, als door de wet geknakten, maar door Zijn liefde gedrevenen. Zo trekt Gods liefde tot de Zoon van Zijn eeuwige welbehagen. O gemeente, dan vinden we in deze Jezus alles wat tot onze zaligheid dienen moet. Hoe zalig zijn ze die door dat koord van Gods goedertierenheid gevangen, tot de Christus worden getrokken.

Dan zijn in hun leven wet en Evangelie geen vijanden, maar vrienden. In het leven van allen die tot Christus getrokken zijn, zijn wet en Evangelie vrienden geworden. De wet toonde hun de zonde en het Evangelie het geneesmiddel. De wet predikte hun een hemelhoge schuld en het Evangelie de verzoening van hun schuld in het bloed van het Lam. Het woord van de wet wekte vrees, het woord van het Evangelie hoop. Het woord van de wet legde de vinger bij hun diepe nood en het Evangelie wees hun de redding aan. De wet was als de bloedwreker die hen opjaagde, en het Evangelie was het die hun de vrijstad voorstelde. Zo is het einde van de wet nu Christus.

En zo is het van begin tot het einde enkel goedertierenheid, waarmee God de zondaar trekt. Al striemt Hij je met de wet, al schuurt Hij je oude mens met een ruw houten kruis, het is enkel goedertierenheid. Want God bedoelt ons aan Zijn voeten te trekken, opdat we het in Christus zouden zoeken.

 

Trekken met goedertierenheid. Gemeente, wat is dat trekken van God toch een dringende noodzakelijkheid. Beseffen we dat eigenlijk wel, hoe noodzakelijk dat trekken van God in ons leven is? Niemand kan tot Mij komen, zei Jezus, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke (Joh.6:44). Wat behoort het ons dagelijks gebed eigenlijk te zijn: ‘Trek mij, Heere, dan zullen wij U nalopen.’

 

Kennen we iets van die trekkingen? Die trekkingen van Goddelijke goedertierenheid zijn de bewijzen van de eeuwige liefde van God. Kunnen wij zulke bewijzen vinden in ons levensboek?

Er zijn mensen die wel in de hemel zouden willen opklimmen om in het boek van Gods verborgen besluit te lezen of hun naam opgetekend is in de Goddelijke verkiezing. Maar als je weten wilt of je verkoren bent, dan moet je maar zoeken naar de bewijzen van Gods verkiezing in je leven. En wat is nu het bewijs van Gods verkiezing? Dat lezen we in Romeinen 8 vers 30: Die Hij tevoren verordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen. Die trekt Hij met de koorden van Zijn goedertierenheid. Eeuwig liefhebben. En daarom dat gezegende trekken van God.

Kennen we iets van die trekkingen? En waar brachten die trekkingen van God ons dan? Als God trekt, dan doet Hij de zondaar vroeger of later aan Jezus’ voeten komen. Daar brengt Hij de veroordeelde, in zichzelf stukgeslagene, de bedroefde zondaar. Hij brengt die aan de voeten van de Heere Jezus Christus. En kennen we die plaats al, gemeente? Die gezegende plaats aan de voeten van de Heere Jezus Christus? Alleen daar raak je het pak van je zonden kwijt. Want als de Heere trekt, dan trekt Hij je toch niet tot de werken van de wet, dan trekt Hij toch niet tot de verdienstelijkheden in eigen gerechtigheid. Nee, dan trekt Hij met smeking en met geween tot de Zoon van Zijn liefde. Dan maakt Hij Jezus rijk in je verloren leven.

 

Kennen jullie die plaats al, jongens en meisjes? O, zoeken ook jullie toch die plaats te kennen. Bid toch of de Heere trekken wil. Of Hij je tot de Zoon van Zijn liefde brengen wil. Er wordt in de wereld zo veel aan jullie getrokken door de satan en door ons boze, zondige hart. Wat wordt er toch getrokken! Maar hier, in de prediking van het Woord, wil de Heere trekken. In de nodigingen van Zijn Evangelie wil Hij je trekken.

En jonge vrienden, wie zal het nu gaan winnen in jouw leven? Wie zal dat trekken nu gaan winnen? Laat de Heere het toch winnen in je leven. Laat je toch jong tot Hem trekken, want Hij is het zo waard, geloof me toch! Hij is het zo waard om geëerd en om gediend en om gevreesd te worden. Bij de Heere is het leven, bij de Heere is de zaligheid. Bij de Heere is er toekomst. Voor morgen en overmorgen. En voor de grote eeuwigheid. Laat je dan toch vroeg tot de Heere brengen. Zie hoe Hij in het Evangelie van Zijn liefde horen laat. Zou je die liefde dan niet willen gewinnen? Je hoeft er geen duizend doden voor te sterven om die liefde van God te gewinnen. Alles wat nodig is, is te bukken, te buigen; als een arme zondaar je ongerechtigheden te bekennen, je lege hand op te houden. Dat is nu alles wat er nodig is. Zo gemakkelijk is zalig worden!

 

Nu, gemeente, laat u dan toch trekken. Geef dan toch uw tegenstand eens op en verneder u toch onder de Heere.

 

En volk des Heeren, we mochten spreken over een trekkende God, een God Die van eeuwigheid lief wilde hebben. O, dat ons hart er onder weg mocht smelten en dat we Hem al onze liefde waardig zouden schatten.

 

De bekende George Whitefield ontmoette eens een rijk man en die rijke man vroeg hem: ‘Whitefield, zie hier mijn rijkdom, aan wie zal ik nu eens weldoen, wie zal ik er nu wel mee doen?’ En weet u wat Whitefield antwoordde? ‘Doe dat maar aan zulken die u niets terug kunnen doen!’ Kijk, gemeente, dat is het nu wat de Heere heeft gedaan. Hij heeft welgedaan aan dezulken van wie Hij wist dat ze niets terug zouden kunnen doen. Hij heeft ze lief willen hebben met een eeuwige liefde. En daarom zingen ze: ‘Het is door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 24)