Ds. L. Huisman - Psalmen 73 : 23 - 24

't Is goed nabij God te wezen

Psalmen 73
Wij bij God
God bij ons
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).

Psalmen 73 : 23 - 24

Psalmen 73
23
Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
24
Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 93: 1, 2, 3
Lezen : Psalm 73
Zingen : Psalm 25: 7, 8
Zingen : Psalm 73: 12
Zingen : Psalm 68: 10

Gemeente, het Woord des Heeren dat wij u heden willen ontvouwen staat geschreven in Psalm 73, de verzen 23 en 24:

 

Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

 

We willen twee gedachten uit de tekst naar voren brengen:

1. Wij bij God

2. God bij ons

 

1. Wij bij God

 

Als u het boek van de Openbaring aan Johannes wel eens met nadruk leest, zult u merken dat, naarmate de wederkomst van Jezus Christus, de dag des Heeren, nader komt, het ongenoegen Gods over de ongebondenheid en de zonden van de mensheid zich steeds krachtiger zal openbaren.

Als de bazui­nen geblazen zullen worden en de fiolen, dat zijn de schalen, van Gods gramschap over deze wereld zullen worden uitgegoten, dan zullen de sla­gen die de mensheid treffen, steeds zwaarder drukken. Ze zullen de mond van de mens steeds verder openen in zijn lastering tegen God.

Elke keer wanneer er een bazuin geblazen had, er een fiool was uitge­goten en de smart onder de mensen vergroot werd, werden ook de lasterin­gen tegen God vergroot. Maar, en dat is de andere kant, naarmate God Zijn toorn steeds heviger uitgiet over de zonden van de mensen, en de dag van Christus nadert, zo stort Hij ook Zijn liefde en barmhartigheid steeds inniger, rijker en hartelijker uit over Zijn volk. Want op de catechisatie hebben wij het al geleerd, dat in de deugden van God eigenlijk geen scheiding is. De eigenschappen van God zijn in God ondeelbaar.

 

U kent misschien het voorbeeld van de zon. De stralen van de zon zijn op zichzelf gezien allen hetzelfde. Alleen was smelt en klei wordt hard. Zo is het nu ook als God steeds dichter bij de mensen komt. Dan is dat een oordeel voor de goddelozen, maar voor het volk van God is het tot inniger vreugde. Want tegen de tijd dat Christus terugkomt en de nood van de vele mensen zo groot is dat ze God lasteren vanwege de plagen, begint de Kerk te zingen: ‘Kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk!’ De band, het verlangen en het heimwee naar de gemeenschap wordt zo sterk, dat ze zeggen: ‘Heere, scheur toch de hemel, kom toch neer, verlos toch Uw erf en sterk haar, want zij is moe geworden.’

 

Wat zich nu in het groot afspeelt in de wereld, dat speelt zich in het klein af in het hart van een gelovige. Dit gebeurt zo vaak, wanneer wij ons door onze zonden Gods toorn en ongenoegen waardig maken. Want dat doen ook Gods kinderen! Het ongenoegen van God blijft branden over de zonden, zolang we op deze aarde zijn. Ook als God ons niet meer verdoemt om onze overtredingen. Nochtans zullen wij in dit leven de tuchtroede van God over onze afdwalingen steeds opnieuw naar de mate van ons afwijken, harder en zwaarder op ons voelen drukken. Want de Heere kastijdt degene die Hij liefheeft (Spr.3:12).

Hij bezoekt onze ongerechtigheden en stelt onze heimelijke zonden in het licht van Zijn aangezicht. Dan is het ook waar naarmate Hij nader tot ons komt om dit aan ons te bezoeken en voor ogen te stellen, dat Hij Zich daarna in inniger ontfermen over ons neerbuigt. En zo troost Hij ons!

 

Dat zien we duidelijk in deze geschiedenis van Asaf, of – zoals Calvijn denkt – van David. Maar dat doet er ook eigenlijk niet toe of het nu een psalm van David is, die aan Asaf is overgegeven ter wille van de zang, of dat het nu oorspronkelijk een psalm van Asaf is. Calvijn helt ertoe over om te zeggen: het is een psalm van David; maar wij zijn gewoon om te zeggen: het is een psalm van Asaf, zoals Asaf het ervaren heeft. Laten we het bij dat laatste dan maar houden. Zo staat het tenslotte ook hier in de psalm: een psalm van Asaf. We houden het er dus op dat het een psalm is van Asaf en die strijd, die ik zojuist zo met een enkel woord tekende, is ook in het hart van de gelovige Asaf.

Dat blijkt uit het verdere van deze psalm, hoe verkeerd hij ook van God gedacht heeft en welke opstand er in zijn leven tegen Gods bestel ook geweest is.

 

Is het u nooit opgevallen dat de mens die niet gelooft dat God hemel en aarde gemaakt heeft, die niet gelooft dat God alle dingen regeert, dat die er zich weinig over bekommeren zal dat de ‘slechte mensen’ soms voorspoed hebben in dit leven, en wat de wereld dan noemt de ‘goede mensen’, soms veel tegenspoed hebben?

Ze lachen er om en zeggen: ‘Alles is toch aan het fortuin overgelaten? Daar is geen God Die de wereld bestuurt. Het is een samenspel van toevalligheden.’ Maar juist naarmate dat wij geloven dat God de wereld regeert, wordt de disharmonie, die we vaak zien in deze wereld, moeilijker voor ons te verteren.

Als ik geloof dat God de haren van mijn hoofd geteld heeft, dat er geen musje van het dak valt zonder de wil van mijn hemelse Vader, waarom dan die onbegrijpelijke problemen, die onoplosbare raadsels? Waarom gaat het dan de goddelozen wel en waarom zijn mijn bestraffingen er dan elke morgen? Dit is juist voor de mens die gelooft in God, altijd weer opnieuw het probleem.

 

Ja, wij kunnen het nog wel verteren wanneer wij iets dergelijks lezen in de boekjes van de kerkgeschiedenis; of in de geschiedenis die ons in de Bijbel is overgeleverd. Maar wij staan áchter deze tegenheden, deze drukwegen, die de Kerk heeft moeten doormaken, en wij zien de goede uitkomst.

Neem de geschiedenis van David.  Wij weten dat na de woestijnreis de troonsbestijging is gekomen en dat God tot in goede ouderdom hem tot een Schild geweest is. Wij weten van Daniël dat hij niet alleen in de leeuwenkuil is neergelaten, maar dat hij ook bewaard en niet beschadigd is, toen hij daar tussen de leeuwen was.

 

Maar nu ons eigen leven, waarvan wij de uitkomst vanzelfsprekend niet van tevoren zien. Waar wij door het geloof moeten leven dat God het maken zal. Zoals tenslotte Jozef, Daniël, David en al die mannen en vrouwen door het geloof geleefd hebben.

Daniël kreeg ook niet op een briefje uit de hemel: ‘Daniël, als je straks in die leeuwenkuil zal gaan, dan zal geen leeuw jou beschadigen.’ De drie mannen Sadrach, Mesach en Abednego hebben ook geen stem uit de hemel gehad van: ‘Doen jullie het maar gerust, want voor dat vuur behoeven jullie niet bang te zijn.’ O nee, zij zeiden tegen de koning: ‘Wij geloven in God, we geloven dat God machtig is om te redden, maar als Hij ons niet redt, o koning, dan zullen we toch voor uw god niet buigen.’

Dus er staat helemaal niet zwart op wit dat de vlammen hen niet beschadigen zouden, want dan zou het geloof geen geloof meer zijn. Hierin is juist hun geloof beproefd, dat zij – in het midden van hun ellende – geloofd hebben: God zal het maken, hoe het ook mag tegenlopen. Daarin komt juist de ware aard van het geloof openbaar.

 

Maar voordat Asaf zover was dat hij zei: ‘Het is mij goed nabij God te zijn; ik zal dan geduriglijk bij U zijn’, is er ook een felle strijd in zijn leven ontbrand. Het heeft gebotst en gestormd. De wateren, de kokende zee was over hem heen gegaan. Hij wist het niet meer. Hij kon er niet meer bij. De levensraadselen stapelden zich in zijn leven op. Hij zag het toch voor ogen. Als er een God is Die regeert, als die God rechtvaardig is, als het een genadig en een barmhartig God is, waarom hebben dan de goddelozen geen banden tot hun dood toe? Waarom is hun kracht fris? Waarom zijn zij niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd?

 

Ach, afgezien van het feit dat een mens die zelf in moeilijkheden zit, meent dat die zorgen aan het huis van zijn buurman voorbijgaan, denk ik toch, wanneer Asaf in de huizen van de goddelozen, een voor een, een kijkje genomen had, dat er ook nog wel wat anders openbaar was gekomen dan: Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.

Zo denken wij vaak als wij zelf in de ellende zitten. Als wij dan op de koop toe nog medelijden krijgen met onszelf. Wanneer God het niet goed doet in ons leven, dan hebben we vaak de gedachte: de buren, die andere mensen, gaat het maar goed, maar mijn bestraffingen zijn er elke morgen.

 

Zo is het in het leven van Asaf gegaan. En ach, helaas, zo gaat het ook in ons leven nogal eens. Juist als wij geloven dat God de wereld regeert, dat God ons leven in Zijn hand heeft, dat God de Kerk regeert, dat Hij een nauw oog heeft over Zijn uitverkorenen, dat Hij Zijn gemeente bewaart als de appel van Zijn oog, juist dan botst het soms in ons leven, zodat wij zeggen: ‘Heere, hoe kan dat nu met Uw genade en met Uw liefde, met Uw barmhartigheid en met Uw vaderlijke leiding bestaan?’

Sommige gezinnen en harten worden toch getroffen met slag op slag. Zulk een baaierd van zorgen, van stormen, van ellende, dat, als jij het zo ziet, als jij er persoonlijk in zit, dat jij toch zegt, wanneer je niet in dat heiligdom bent: ‘Heere, het spijt me, maar U doet het niet goed; U doet het werkelijk niet goed.’

 

Bij dit alles kwam nog dat Asaf nijdig werd. Nijdig op de dwazen. De diepe oorzaak daarvan was dat hij nijdig was op God. Hij kon het niet verkroppen en kon het niet dulden. Hierdoor kreeg hij medelijden met zichzelf. Want hij zegt: ‘Ik ben tevergeefs vroom geweest. Ik heb tevergeefs God gediend.’

Daar komt ‘de farizeeër’ in het leven van Gods kind openbaar: ‘Ik heb mijn handen tevergeefs in onschuld gewassen.’ Dat wil zeggen: ik heb met die goddelozen niet meegedaan, ik heb met de wereld niet meegedaan, ik ben niet goddeloos van mijn God afgegaan, dat mij zulk een zee van ramp nu treffen moet.

Zie, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen. Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. Ik heb met hun goddeloosheid niet meegedaan. Ik heb altijd getracht de Heere te dienen. Ik ben altijd trouw naar de kerk gekomen. Het was geen uitwendige zaak, want, zegt hij: Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. Niet zoals Pilatus, die Jezus overgeeft en dan zijn handen in onschuld wast. Nee, zo niet. Want Asaf zegt: ‘Mijn hart paarde zich aan mijn daden.’ Nu, dat is goed, Asaf. Als jij nu gedaan hebt al wat je bevolen is en zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen (Luk.17:10).

 

Laat ons er erg in hebben. Ook bij ons! En dat komt vooral uit, als de Heere het goud gaat smelten, als Hij ons in de smeltkroes brengt. Dan komt openbaar hoeveel farizeïsme ons leven nog aankleeft en hoe heimelijk, of meer openbaar, altijd weer opnieuw ‘de goddeloze’ in ons hart op de loer ligt en de duivel ons aanvecht om ons van onze rust en vrede te beroven.

Want hij weet het wel: Wanneer wij in onszelf enige waardigheid gaan vinden, al is het dat wij waardigheid vinden in die dingen die wij door de Heilige Geest mochten doen (namelijk het zuiveren van ons hart en het in onschuld wassen van onze handen), dan is de genade tenietgemaakt. Dan leven wij niet meer van de goedgunstigheden van God, maar dan hebben wij Gods genade gedeeld en vermengd met onze goede werken. Dan verdwijnt de verwondering over Gods trouw en Gods liefde. Dan willen wij op één been verder hinken. Ja, God nog wel tot een Hulp hebben, maar dat wij de weg gaan. En dat laat de Heere nooit toe. Hij wil dat wij ons gehele leven lang van genade zullen leven. Dat wij ons gehele leven lang zullen ondervinden, van stap tot stap: niet uit ons, maar alleen uit Hem. Daar gaat Hij ook Asaf in oefenen.

 

Gemeente, kent u ook deze geloofsoefeningen in uw leven? Asaf was van God af, ver van God weg. Kan dat? Er staat toch dat de ogen des Heeren de ganse aarde doorlopen? En neem Psalm 139, waar gesproken wordt: Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar (Ps.139:8). Kan de mens ver van God zijn? God is toch overal? Daar hebt u gelijk in. Asaf bedoelt hier ook niet dat er zich ooit een schepsel uit de alomtegenwoordigheid Gods zou kunnen ontwringen. Dat wist Asaf ook wel. Maar Asaf heeft hier het oog op de ‘genadige’ tegenwoordigheid Gods.

Dus in algemene zin kan een mens nooit verder van God af of dichterbij God komen, want God is overal. Maar in bijzondere zin kan het dat wij ver van God zijn, namelijk van Zijn genade, van Zijn barmhartigheid, en van Zijn goedertierenheid. En dat bedoelde hij.

 

Asaf kende tijden dat hij dicht bij God was, maar nu leeft hij uren, dagen, en misschien wel maanden, dat hij ver van God is en dat het handelen van God steeds vreemder voor hem wordt, zodat hij zich steeds meer opwindt.

Hij zegt: Als mijn hart opgezwollen was… Zoals deeg opzet waar een stuk gist in verwerkt is, zo was het hart van Asaf opgezwollen, als een brood waar gist in zit. Asaf werd groot, maar tegen God. In zijn hart gistte het; God doet het niet goed en Asaf werd nijdig.

Eerst heeft hij gebeden. Dat gaat zo. Als God met ons door moeilijke wegen gaat, als Hij ons door donkere dalen leidt, dan zijn wij aanvankelijk geneigd en genegen om onze knieën te buigen. Als wij het gevaar aan zien komen, dan zijn wij allemaal wel bereid om te zeggen: ‘Heere bewaar me; spaar mijn vrouw; denk aan mijn kinderen. O Heere, raap me niet weg!’ Maar als het gevaar al dichterbij komt, als God ons aangrijpt, als Hij ons met mond en neus in het stof drukt, als slag op slag ons treft, als onze rug een brug wordt waarover de goddelozen gaan, dan houdt ons vlees het niet uit om te bidden. Dan zijn er tijden in ons leven dat wij met Asaf zeggen: ‘God doet het niet goed en bidden helpt toch niet. Het komt zoals het komen moet. Het komt door het blinde noodlot.’

Ik weet wel, al is er diep in ons hart een besef dat er een God is, dat Hij alles regeert en bestuurt, dan is dit toch de grootste moeilijkheid in het leven van de christenen. Om altijd te geloven, wat Asaf belijdt, wanneer hij in Gods heiligdom inging, namelijk dat God ons leidt.

 

De Heere is tot Asaf gekomen, want zo belijdt hij: Gij hebt mijn rechterhand gevat. Dat eerste, ik zal dan geduriglijk bij U zijn, dat is gevolg van: Gij hebt mijn rechterhand gevat. Maar dat ziet hij dan ook, wanneer hij in Gods heiligdom ingaat.

 

Ach, Asaf was niet als die mensen die weten dat zij kinderen van God zijn voordat zij gered zijn. Het is een kwalijke zaak, wanneer mensen – en dan kan het nog zijn dat er een beginsel van het geestelijk leven waarachtig in hun hart verheerlijkt is – zo goed weten dat zij gered zijn, dat zij kinderen van God zijn. Over het algemeen leven zulke mensen bij wat vage kenmerken die door anderen aangepraat zijn, of die zij zelf bij het schaarse licht dat in hun ziel straalde, ontdekt hebben. Maar zij leven niet bij de Heere. Zij leven bij een waarheid, een psalm, een merkelijke omkeer, een bijzonder voorval of bij een krachtige uitredding. Daar zult u hen dan ook over horen spreken. Dat is hun God, en dát is hun zaligheid. Geen verbroken hart, geen ziel vervuld met de genade en de liefde van God.

 

God heeft Asaf in Zijn heiligdommen gebracht. U weet, daar waren in de tempel en in de tabernakel verschillende heiligdommen, en dat bedoelt Asaf. Wij hebben die heiligdommen niet meer schaduwachtig, maar wij hebben die heiligdommen wezenlijk en werkelijk. Die heiligdommen zijn in Christus Jezus, Die de Tempel van God is.

Nu heeft God Asaf in die heiligdommen gebracht. Hierin is er maar Eén groot. Daar geldt het werk van de mens niet, want het ganse heiligdom was vervuld van Jezus Christus.

Alles, de priesters, het altaar, het offer, het vuur, de lamp, alles getuigde van Hem Die in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Eén ding geldt in dat heiligdom: ‘Genâ, o God, genâ.’ Alles wat de Israëliet meebracht naar dat heiligdom, was een zondig hart, zijn verloren leven, zijn opstand en zijn tegenstand. Dat was alles! Geen werk, geen gerechtigheid, zelfs het offer wat hij meebracht was nog geen betaling voor de zonde. Het was slechts een schaduw van het offer van de Heere Jezus Christus.

 

Als hij in die heiligdommen binnengaat, dan pas ziet hij Wie God is. Dan ziet hij ook pas wie hijzelf is en geeft hij zich restloos aan God gewonnen. Dan zegt hij: ‘O God, ik ben een groot beest voor U! U doet het goed, maar ik heb het verkeerd gedaan. U doet het goed met mij, U doet het ook goed met Uw Kerk en U doet het ook goed met de wereld, want al die voorspoed van de goddelozen, het is schijn. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen, Ik zal dan ge­duriglijk bij U zijn. Gij hebt mijn rechterhand gevat.’

 

Dus het komen in het heiligdom is het gevolg van het vatten van Asafs rechterhand door de Heere. Gij hebt het gedaan! De rechterhand is het symbool van de levende persoonlijkheid. Met mijn rechterhand werk ik. Natuurlijk, er zijn wel enkele ‘linkse’ mensen, die dan mogen lezen: ‘Gij hebt mijn linkerhand gevat.’ Dat betekent dan hetzelfde. Wij werken met de rechterhand en wij schrijven met de rechterhand. Wij openbaren ons leven met onze rechterhand, dat is de verpersoonlijking van onszelf.

Dus als Asaf hier zegt: Gij hebt mijn rechterhand gevat, dan betekent dit eigenlijk: ‘Gij hebt mij bij het leven gevat.’ God grijpt de mens niet in zijn kraag, maar in zijn hart. Hij grijpt mij bij mijn leven, bij mijn zijn, binnen in mijn hart.

Als Hij mijn rechterhand vat, dan vat Hij me gans en al. Dan ben ik in Gods hand, door Zijn hand gegrepen, dan heeft Hij mijn gehele bestaan gevat, dan heeft Hij mij in mijn denkleven, dan heeft Hij mij in mijn wilsleven, dan heeft Hij alles.

 

Dat grijpen van de rechterhand, dat geeft ook het oogmerk van dat grijpen weer. De politie grijpt je in je kraag en die stelt je voor het gericht, maar God grijpt je in je hart. Hij neemt je leven en Hij keert het om. Hij keert het om uit genade. O zeker, daar komt wel gericht bij te pas, maar een geheel ander dan het gericht waarin de boosdoener voorkomt, die straks in eenzaamheid moet kwijnen in de cel. Het gericht van God, waar de zondaar voor gesteld wordt, is een echt gericht, waarin ik me restloos aan God gewonnen geef. Het is een gericht waarin ik de hoogste Rechter billijk in Zijn uitspraak: ‘Gij zijt des doods waardig.’

Maar juist in dát gericht laat God mij zien, steeds weer opnieuw, dat Hij de straf, die ik mij waardig maakte, die ik naar recht moest ondergaan, waaronder ik verzinken moest, gelegd heeft op het hoofd van Zijn lieve Zoon, en dat door Zijn striemen mij, schuldige, vergeving en genezing ten deel is geworden. Dan keert het oordeel weer tot gerechtigheid.

 

O, hierin ligt een wereld van ontferming. Dan grijpt God Asaf bij zijn rechterhand. Dan keert Hij zijn denken om. Hij keert zijn hartstochten om. Hij keert zijn wilsleven om. Hij keert alles naar Hem toe! Gij hebt mijn rechterhand gevat. Nee, nu rukt Asaf zich niet meer los. Dat heeft hij vóór deze gedaan. Gij hebt mijn rechterhand gevat! Dan gaat Asaf niet naar de gevangenis, maar dan gaat Asaf naar Gods heiligdom.

O, dat is het onuitsprekelijke van Gods vatten. Wanneer God ons vat, ons grijpt, dan zegt Hij: ‘Kom voor Mijn gericht, laat ons tesamen richten.’ Dan luidt het: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

 

Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

Daarover wil ik nog spreken, nadat we gezongen hebben uit deze zelfde psalm en daarvan het twaalfde vers, Psalm 73 vers 12:

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

2. God bij ons

 

Gemeente, in dat heiligdom ontsluit zich de weg des levens, want nu zegt Asaf: ‘Heere, Gij zult mij leiden door Uw raad; en ik zal geduriglijk bij U zijn, zonder onderbreking.’ O nee, niet dat Gods kinderen daar altijd de troost van hebben. Als dat waar was, dan zou Asaf niet gemurmureerd hebben. Als hij altijd geloofd had: Gij hebt mijn rechterhand gevat, dan was hij nooit tot de ontboezeming gekomen: ‘De Heere doet het niet goed; de Heere doet het verkeerd.’ Maar als Asaf zich losrukt van God en als hij wegzinkt in het moeras van wat hij ziet, o dan laat God hem niet los! Dat is nu het voorrecht een kind Gods, een gelovige te zijn, te behoren tot de Kerk van Jezus Christus. Gij hebt mijn rechterhand gevat en Gij zult mij leiden door Uw raad.

 

Wij willen niet aan de leiband lopen, dat ligt ons niet. Wij willen medezeggenschap hebben. Inspraak hebben, ook in het geestelijke. Natuurlijk, als wij onze weg gaan, dan hebben wij wel graag dat de Heere bij ons is, dat Hij alle vijanden voor ons aangezicht opruimt en onze weg vlak maakt. Maar wij willen de marsroute voorschrijven en graag krijgen hetgeen wij ons voorgesteld hebben.

Maar o wee, als de weg van God met ons, afbuigt van hetgeen wij ons voorgesteld hebben. Dan blijkt wel wat er van nature in ons hart leeft en – ook na ontvangen genade – ons altijd weer opnieuw op een zijspoor brengt. Want dat niet onderworpen zijn aan de wil van de Heere, dat is het zwaarste kruis dat wij op de aarde moeten dragen, dat wij onze eigen weg gaan en dat laat de Heere nooit toe. De Heere wil nooit alleen als een Hulp bij ons zijn. Zo in de zin van: ‘Wij gaan voor en dan mag de Heere helpen.’ Nee, de Heere wil voorgaan, dragen en onze Leidsman zijn.

 

Maar dat houdt dan ook in dat wij ons moeten laten leiden. Ach, het is niet goed gezegd: dat wij ons mógen laten leiden, want het leiden Gods is het leiden van de Herder, Die de schapen brengt in de grazige weide en aan de zeer stille wateren. Het leiden Gods, dat is lieflijk omgebogen worden in je hart. Om te zien dat God het goed doet en dat ik het verkeerd gedaan heb.

Dan zeg ik: ‘O God, houd me vast; houd mijn beide handen met Uw hand omklemd. Wees mij een vast Geleide op het smalle pad. Laat me niet alleen gaan!’

 

Gij zult mij leiden door Uw raad. Beter is: naar Uw raad. Ach, dat is dat Goddelijke raadsplan, waar ik van nature tegenop bots. Dat Goddelijke plan, dat Hij heeft met de wereld, met de mens, met Zijn Kerk. Maar ook met de goddelozen. Dat alles gaat zoals God het wil. Gods raad.

Wat is het zalig, als wij het hart van de raad Gods mogen ontdekken in de openbaring van Gods barmhartigheid, in het aangezicht van de Heere Jezus Christus. Dan is die raad Gods enkel tot heil van Zijn gemeente, van Zijn Kerk en tot luister van Zijn Naam. Dan is er in die raad van God niet één regeltje tot mijn nadeel en uw nadeel. Dan is het goed. Wat goed? Ja! O, ik weet het, dat heeft Jozef niet kunnen bezien, toen hij aan het zadel van een kameel naar Egypte werd voortgesleept en achteromzag en riep: ‘O broers, help me! Juda, red me toch!’ Toen heeft hij het niet kunnen doorgronden. Maar in de smeltkroes van de verdrukking komt hij tot de conclusie, tot de slotsom van het geloof: ‘Heere, Gij hebt het goed gedaan, Gij zult mij leiden door Uw raad.’ En dat zal God doen!

 

Daarom, hoopt op de Heere, gij vromen. Want is Israël in nood, in zielennood, zijn de omstandigheden zo, dat u met Asaf haast zou zeggen: ‘God denkt er niet meer aan en God weet er niet meer van en de wereld heeft voorspoed, maar mijn bestraffingen zijn er elke morgen’, o, leg uw ziel dan ter ruste op dit woord van God: Gij zult mij leiden door Uw raad. En dat zal God doen! Of u het gelooft of niet, of u er de troost van hebt of niet: God zal u leiden naar Zijn raad.

 

Dan kom ik nog eens terug op ‘het binnenste’ van die raad van God. Dat is, zei ik reeds, het offer van Jezus Christus als de hoogste openbaring en de rijkste betoning van Gods bedoeling in de volvoering van Zijn raad. Als ik zie – in dat heiligdom – hoe Jezus Christus in de nacht van Zijn leven, Zijn hand uitstrekte naar Zijn Vader en vroeg: ‘Vader, reik Mij de hand, want alleen kan Ik niet verder’, toen heeft God die hand geweigerd. Het was een reine hand. Het was een onbezoedelde hand. Het was een heilige hand. Het was de hand van Zijn eigen Kind Jezus. ‘Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij Mij?’ Maar die hand heeft God geweigerd, opdat Hij uw vuile, uw melaatse, uw door de zonde bevlekte hand zou kunnen vatten naar Zijn gerechtigheid en u uit de ruisende kuil en het modderige slijk zou kunnen optrekken, opdat u nabij God zou zijn.

 

Gij zult mij leiden door Uw raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

Hier opent zich het zalig perspectief, het einde des geloofs. Let goed op, hier staat niet: ‘En daarna zult Gij mij zaligheid schenken,’ maar: En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. Asaf was niet ontbloot van zaligheid. De Heere heeft gezegd: ‘Zálig zijn zij die hongeren en dorsten, die treuren en die verschoven zijn op deze wereld, om Mijnentwil.’ Die zijn helemaal niet heerlijk, maar die zijn wel zalig!

Nu zegt Asaf: ‘Wat dan nu aan de zaligheid ontbreekt, dat is de heerlijkheid, en die zal ik straks zien. Laat ik dan nú genoeg hebben aan de zaligheid, dan krijg ik stráks de zichtbare zaligheid, de aanschouwing van de zaligheid, dat is de heerlijkheid.’ Begrijpt u?

Nu zegt hij: ‘En daarna… nu nog niet, maar als ik de raad Gods heb uitgediend, als ik door de Heere naar Zijn raad geleid ben, als Hij mij als een schaap door het donkere dal van deze wereld geleid heeft…’

Nee, nu nog niet de heerlijkheid, nu nog strijd, nu nog waken, nu nog arbeiden met de talenten die God ons gegeven heeft, nu nog door de koude nachtwind geteisterd, nu nog door de vijand belaagd, nu nog door de zonde verzocht, nu nog door de duivel bestreden, nu nog door mijn eigen hart terzijde afgeleid, nu nog in de nacht, wachtende op de Heere, geleid door Zijn raad.

Maar dán naar het licht; dan naar het nieuwe Jeruzalem; dan naar de eeuwige vreugde; dan naar de eeuwige heerlijkheid. En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

 

Ja, ach, daarom moest Naomi naar Moab en daarom moest Jozef naar Egypte, en daarom moest Daniël in de kuil en de drie jongelingen in de oven. Daarom moest Asaf de verdrukking, de slagen, de dagelijkse tegenheden, die als een stroom over hem gingen, ontvangen, opdat hij genade als genade zou zien, maar daar nu ook voldaan zijn hoofd op zou neerleggen.

 

Nu, gemeente, is het u ook goed nabij God te zijn? Zegt u ook met Asaf: Ik zal dan geduriglijk bij U zijn? Of hebt u daar geen behoefte aan? Rukt u zich liefst zo lang mogelijk van God los en dwaalt u liefst zo ver mogelijk van God weg, doende wat goed is in uw eigen ogen?

O, bedenk dan, wat Asaf van de goddelozen zegt: Immers zet Gij hen op gladde plaatsen, Gij doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting; nemen een einde, worden teniet van verschrikkingen! Als een droom na het ontwaken, als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten (vers 18-20). Dat is het lot van degenen die zich van God hebben losgerukt en die hun eigen wil doen en naar hun eigen raad wandelen.

O, u kunt het ver brengen hier in deze wereld. U kunt veel rijkdommen vergaderen. U kunt bij de mensen heel wat gepresteerd hebben. Maar God zal uw ijdel beeld verachten.

 

Asaf zei: ‘O God, voor geen duizend werelden wil ik mijn armoede ruilen met de voorspoed van de goddelozen. Nu weet ik het, Heere: Gij leidt mij naar Uw raad en in Uw raad is al het bittere zoet; in Uw raad zullen alle dingen medewerken ten goede, namelijk voor diegenen die naar Uw voornemen geroepen zijn. Welnu, Heere, dan leg ik mij neer op Uw voorzienig bestel. Als Gij dan mijn rechterhand vat, dan leg ik vol vertrouwen mijn hand in Uw hand, dan maak ik een verbond met U, dan laat ik mij leiden. En als ik dan nog wederstrevig ben, als er tijden in mijn leven zijn dat ik het weer niet wil; Heere, doe dan wat ik niet wil; geef mij dan wat ik niet hebben wil en ontneem mij dan waaraan ik vastkleef, maar laat mij altijd bij U zijn.’

 

Ja, dat is de beste plaats in de hemel en op de aarde. Ik zal dan geduriglijk bij U zijn! Maar denk er ook aan, vergeet het nooit, dat is het gevolg van: Gij hebt mijn rechterhand gevat. Al het bij God zijn, wat niet het gevolg is van Gij hebt mijn rechterhand gevat, is niets anders dan vleselijke vermetelheid.

 

Als u niet weet dat God ook uw hand vatte, dat Hij uw leven nam, dat uw zin en uw wil, uw hartstochten en uw denkwereld, op Hem gericht werden, als er nimmer een tijd in uw leven kwam dat u uw leven omkeerde tot Hem, dan bent u op de verkeerde weg. Maar zo er ooit een tijd in uw leven is aangebroken dat God u bij de hand vatte; weet dan: God heeft uw rechterhand gevat. Ruk u dan niet los als een balorig kind dat meent het beter te weten dan zijn vader en zijn moeder.

Als uw trouwe Vader u leidt door donkere dalen, klem u dan temeer vast aan Zijn beleid. Zoek rust in de openbaring van Zijn raad. Bedenk: als God mijn rechterhand gevat heeft, dan weet Hij wat goed voor mij is. Dan zal ik in mijn tegenheden mijn nood aan Hem klagen en dan zal ik in mijn duisternis op de Heere blijven wachten. Ja, dan zeg ik met Job: Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? (Job 13:15).

Dan bent u al binnengaande in Zijn heiligdom.

 

Als u in dat heiligdom mag merken waar het God om te doen is en welk een prijs God voor uw leven gaf, dan zult u in zalige verwondering hier al neerzinken en het uitroepen: ‘Gij zult mij leiden door Uw raad. Ik zal het kruis Hem vrolijk nadragen!’

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen,

Wacht sterker op de Heer,

Dan wachters op de morgen;

De morgen, ach, wanneer?

 

En daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.

 

Amen.

 

 

Slotzang Psalm 68: 10

 

Geloofd zij God met diepst ontzag!

Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen;

Die God is onze zaligheid.

Wie zou die hoogste Majesteit

Dan niet met eerbied prijzen?

Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ‘t eeuwig zalig leven;

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naad’ren van de dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).