Ds. L. Huisman - Lukas 9 : 57 - 62

Het volgen van Jezus

Lukas 9
De eerste man wordt opgeroepen tot een ernstig overleg
De tweede man wordt opgeroepen tot onvoorwaardelijke overgave
De derde man wordt opgeroepen tot een besliste keus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).

Lukas 9 : 57 - 62

Lukas 9
57
En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.
58
En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.
59
En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave.
60
Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods.
61
En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn.
62
En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 1, 11
Lezen : Lukas 9: 46-62
Zingen : Psalm 43: 3, 4, 5
Zingen : Psalm 32: 4
Zingen : Psalm 79: 4, 7

Geliefden, wij willen het Woord van God aan u prediken uit Lukas 9, de verzen 57 tot en met 62:

 

En het geschiedde op de weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge. En Hij zeide tot een ander: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe dat ik heenga en eerst mijn vader begrave. Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods. En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. En Jezus zeide tot hem: Niemand die zijn hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.

 

Het gaat in dit Schriftgedeelte over: Het volgen van Jezus.

 

We letten in deze tekst op drie gedachten:

1. De eerste man wordt opgeroepen tot een ernstig overleg

2. De tweede man wordt opgeroepen tot onvoorwaardelijke overgave

3. De derde man wordt opgeroepen tot een besliste keus

 

Het volgen van Jezus lijkt allemaal erg moeilijk. Het is ook moeilijk, omdat we het meestal van de verkeerde kant bekijken. Het is moeilijk omdat we zoveel tegenspreken, omdat onze schouders zo ongeschikt zijn om het juk van Christus te dragen. Nochtans heeft Hij gezegd: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth.11:30).

We hebben het samen gezongen: ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer’ hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen.’ De Heere helpt keer op keer. Inderdaad, Zijn juk is zacht! Ik roep al Gods kinderen tot getuigen! We hebben over Hem niets te klagen. Hij heeft een zacht juk en Zijn last is een liefelijke last. Hoe komt het dan toch, dat we zo dikwijls in de put zitten? Hoe komt het dan, dat we zo dikwijls onvergenoegd zijn? Hoe komt het dan, dat we zeggen, niet met onze mond, want dat durven we niet, maar we zeggen het met onze houding, met ons leven: ‘Heere, moet dat nu werkelijk zo? Moet ik dat nu allemaal dragen? Moet ik dat nu allemaal doormaken?’

Dat komt omdat onze schouders niet gevormd zijn om het juk te dragen. Dat er nog zoveel andere dingen in ons leven zijn dan ‘de navolging van Christus’, zoals Thomas à Kempis dat in zijn kostelijke boekje genoemd heeft. Maar als het zo ver met ons is, dat onze schouders door Hem pasklaar gemaakt worden; als ons hart zich nederbuigt met het hart van Asaf, nadat hij het uitgeschreeuwd heeft in zijn ellende dat alles verkeerd ging! Toen Asaf vond dat de ongelovigen, de buitenkerkelijken, het veel beter verging dan hem, zei hij: Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd (Ps.73:4-5). ‘Maar mijn bestraffing is er elke morgen.’

Totdat Asaf mocht vervolgen: Totdat ik in Gods heiligdommen inging (Ps.73:17). Totdat de Heere mij liet zien dat Zijn juk voor mij gepast was, mijn treden afgemeten, mijn kruis gewogen. O, dan jubelt hij: Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps.73:23-24).

Dan, dragende ons kruis, kunnen we de moeilijkste weg gaan. Want als Jezus onze hand vat, als Hij in ons hart komt met Zijn lieve Heilige Geest, ja, dan schuilen we bij Hem, zoals een gespeend kind zich stil bij zijn moeder bevindt, kinderlijk, oprecht en hartelijk.

Welnu, dat wil Hij ons leren, ook nu, opdat ook wij zijn roepstem zouden horen en geen verontschuldigingen meer zouden aanwenden, maar hartelijk, kinderlijk ons als ‘zondaar’ — want dat zijn we ten diepste en niets meer -- aan Hem zouden gewennen; aan dat zachte juk en aan die lichte last. Dan is er niets beters dan het volgen van Jezus.

 

Daarvan zong eenmaal de dichter: ‘Over bergen en door dalen, gaan wij naar die blijde zalen, naar het oord van Immanuël.’

Waar Hij Zelf het kruis van onze schouders zal aflichten en waar we onze wens verkrijgen zullen. Waar we zonder zonden Hem zullen toezingen: Het Lam Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb.5:12).

Dat leert Hij ons hier op onze levensbaan. Let u er nu eens op hoe Hij dit leert.

 

Er was veel onbegrip over het werk en over het volgen van Jezus. En dat beslist niet alleen bij degenen die Hem kwaad gezind waren. Als u dit hele negende hoofdstuk leest, dan zegt u: ‘Ach, wat waren ook de discipelen nog ongewend om het juk van de Heere te dragen.’ Wat vertoonden ze toch weinig het beeld van hun Meester, ten opzichte van de mensen die zich nog niet gewonnen gaven aan Christus. Als ze Hem niet willen ontvangen in een dorp van de Samaritanen, dan zeggen ze: Heere, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van de hemel nederdale en dezen verslinde, gelijk ook Elía gedaan heeft? (Luk.9:54). Dan zijn we toch in de lijn van de Schrift, want Elia heeft het toch ook gedaan? Doodmaken, al die mensen, die met ons niet samen Uw Naam willen belijden! Ja, dat ligt ons nogal. Voor die geest hebben we de Geest niet nodig. Christus zegt: ‘Ik ben niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.’ Dan hebben we aan Zijn hart geluisterd, dan hebben we Zijn woord verstaan.

Er staat: En het geschiedde op de weg, als zij reisden. In die omstandigheden, met die discipelen, kwam er iemand tot Hem, van wie we in Mattheüs 8 lezen dat het een heel belangrijk persoon, een van de hoofdmannen van het Joodse volk was. Dat staat er hier niet bij. Hier staat dat hij zei: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

Nu, dat is toch een prachtig getuigenis. Want het ging meestal niet zo best met de zaak van Jezus. Judas heeft er zich dood aan geërgerd. Toen het naar boven ging, met al meer wonderen, met al meer eer, met al meer roem, met al meer glorie, ja, toen was hij dicht bij de Meester. Maar toen het naar beneden ging, naar het dal, naar de verzoening, naar het kruis, toen liet Judas het afweten. Toen zei hij: ‘Nee, zulk een Jezus wil ik niet. Als het dan zó moet, dan behoeft het voor mij niet.’ U weet wat er gebeurd is. Hij heeft Jezus overgeleverd. Hij zag geen waarde meer in Hem. Hij zag niet de weg naar de triomf, door de weg van de dood, voor de betaling van zijn zonden.

 

Wat een heerlijk getuigenis dan van deze man: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. Want het kruis begon zich al af te tekenen; de eerste en de tweede preek over het lijden had Jezus al gehouden. De discipelen begonnen er al vaag iets van te verstaan. Het gaat niet altijd maar hoger, maar er komt strijd. Er komt teleurstelling, er komt tegenslag.

Dan komt er een man, die zegt: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.

Zal de Heere die man niet met beide armen ontvangen? Zal Hij hem niet hartelijk toeroepen dat hij het goede deel heeft uitgekozen? Toch antwoordt Jezus hem zo anders dan wij zouden denken. Jezus waarschuwt hem!

Is Jezus dan niet blij met een jongen of meisje, een man of vrouw, met een kind, dat zegt: ‘Heere, ik leg mijn hart in Uwe handen; ik wil U volgen; ik wil U dienen; Heere, ik wil bij U blijven’?

Ja, daar is Jezus zielsgelukkig mee, en al de heilige engelen ook. Al is er maar één zondaar, klein of groot, die zich tot Hem bekeert, dan zal er blijdschap zijn in de hemel. Nee, nooit heeft Jezus iemand teruggewezen, die tot Hem kwam.

Ik roep hen – voor u – tot een getuige, uit de ganse Heilige Schrift. Er is niet één voorbeeld uit de Schrift te noemen van iemand, groot of klein, die tot Jezus kwam en als antwoord kreeg: ‘Nee, voor jou niet.’

Wel heeft Hij geweend, als ze niet kwamen: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert, en gijlieden hebt niet gewild (Luk.13:34).

 

O, dat God mij een stem gaf; dat God mij de woorden gaf om u daarvan te overtuigen, dat u welkom bent. Om u ervan te overtuigen dat God niemand van u haat. Niemand! God heeft u lief, met een liefde van ‘medelijden’. Met de liefde waarmee Hij u roept. Ik weet het, daar is ook een volk dat Hij liefheeft met een liefde van welbehagen. Maar zelfs de meest verharde, de meest ongelukkige zondaar, die haat Hij niet. Hij haat slechts de zonde in u. Maar u, als Zijn schepsel, heeft Hij lief.

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh.3:16). Nu, als u dan ‘een mens van de wereld bent’ – en dat durft toch niemand te ontkennen – dan staat er in de Bijbel dat God uw dodelijke dag niet begeert. Dat Hij u liefheeft, dat Hij tranen over u schreit als u niet wilt komen, zoals Hij het eenmaal deed over de inwoners van Jeruzalem.

 

O, zeker, de Heere hoort het graag, als u zegt: ‘Ik zal U volgen, Heere, waar Gij ook heengaat.’ Maar Hij weet ook dat ons hart zo arglistig is. Hij weet ook dat er in ons leven zoveel bijbedoelingen kunnen zijn. Dat we, soms onbewust, ook niet op het oog hebben de Heere te volgen, alleen omdat Hij Heere is. Dan komt het niet uit ons hart, dan is het alleen om er beter van te worden.

En dan moet u me goed verstaan hoor; de oprechten, die oprecht de Heere volgen, die worden er beter van. Maar ik bedoel dit, we moeten niet alleen uit egoïsme de Heere volgen, uit eigenbelang, met de gedachte: Als ik dan maar in de hemel kom… Dan is het niet echt, niet oprecht.

 

1. De eerste man wordt opgeroepen tot een ernstig overleg

 

De eerste man in de tekst wordt opgeroepen tot een ernstig overleg.

In deze tekst beproeft de Heere deze man en daarin natuurlijk ook ons. In de tijd dat velen Christus verlieten, komt deze Schriftgeleerde. De Heere weigert hem niet, maar Hij zegt tegen hem: ‘Vriend, de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge.’

Hij vraagt van hem een ernstig overleg. Dit was één van de farizeeën, één van de schriftgeleerden, één van de voormannen van het volk. Zij waren geneigd om een ‘koning’ te verwachten, Davids zoon. Dan konden zij meegloriëren met Jezus.

En dat mogen we hoor. Straks als Jezus komt, dan mogen we met Hem meegloriëren. Zitten met Hem in de troon, gelijk Hij met de Vader is gezeten in de troon. Dat heeft Hij voor ons weggelegd. Maar hier op aarde moeten we leren: wie achter Mij wil komen, die neme zijn kruis dagelijks op en die volge Mij.

 

Jezus zegt tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten. Klaagt de Heere hier over de situatie waarin Hij zich bevindt? Ach, dat heeft de Heere Jezus nog nooit gedaan. Hij heeft Zijn loopbaan hier op aarde gelopen met Zijn oog op Zijn Vader gericht. Gewillig, als de Knecht des Heeren. Nee, Hij beklaagt Zichzelf niet dat Hij niets heeft om Zijn hoofd op neer te leggen.

 

Wat bedoelt de Heere dan? Wel, Hij gebruikt hier het voorbeeld van de vos en de vogels, die geen beeld zijn van armoede, maar meer van rusteloosheid. De vos, die de gehele nacht door het veld zwerft om zijn roof te bemachtigen en eindelijk in de morgen bij het schemerlicht terugkeert naar zijn hol. En de vogel, omgekeerd, die bij het eerste morgengloren zijn nest verlaat en heen en weer vliegt, van tak op tak, keer op keer, om zijn leven en het leven van zijn kleintjes te voeden. Dat is Zijn bedoeling. De Heere zegt: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Zij kunnen een rustplaats vinden, de vos aan het einde van de nacht, de vogel aan het einde van de dag. Maar wie Mij volgt, die Mij vindt als zijn Leidsman, zijn Heere, zijn Losser, voor hem is de rust opgezegd.’

Vroeger gebruikten de oude vromen die uitdrukking nog wel eens. Als ze dan zagen dat een jongen of een meisje tot bekering kwam, dan zeiden ze tegen elkaar: ‘Ik geloof dat de rust hem opgezegd is.’ En daarmee bedoelden ze: ‘Hij zoekt iets wat hij in de wereld niet meer vinden kan.’ Dat is het eerste teken van geestelijk leven! Dan worden we onrustig. Dan kunnen we het niet meer uithouden bij alles wat de wereld ons schenkt. Dan komt er in ons hart een gemis, waardoor we gaan verlangen, gaan uitzien, en rusteloos worden om iets te vinden dat onze ziel verzadigen kan.

Zoals de vos bij nacht uitgaat door het veld om eten te zoeken, zoals de vogel rusteloos bezig is om zichzelf en zijn kleintjes te voeden, zo is een kind, zo is een man, zo is een vrouw die door God aangeraakt is, in wie de Geest van de Heere vaardig wordt. Hij gaat rusteloos zoeken. De rust hier op aarde, in het vergankelijke, in het zien- en zinlijke, is hem opgezegd en hij gaat zoeken. Zoeken naar een hoger goed, zoeken naar een bestemming die hem vastigheid geeft. Zoeken naar God, van Wie hij als het ware flits na flits gaat zien: ‘Zonder die God kan ik niet meer gelukkig zijn.’ Het leven van vroeger is niet meer voor hem wat het geweest is.

 

Hij zegt: ‘Het is waar, ik heb een goed loon, ik heb een lief gezin, ik kan goed leren, ik heb goede vrienden en vriendinnen, maar ik mis God, ik mis vrede met God.’ Hoe meer hij ontdekt Wie God is, hoe meer God Zich aan hem openbaart als een God Die voor hem zorgt, als de God Die hem weldoet, als de God Die het zo waard is om gediend te worden, hoe groter zijn onrust wordt.

Want hoe meer je in je leven gaat zien hoe goed God is, hoe meer je ook gaat zien dat Hij het waard is om gediend te worden. Hoe meer je ziet dat je Hem nog nooit diende zoals Hij behoorde gediend te worden! Dat wordt dat ‘rusteloze’ van die vos in de nacht, en dat ‘rusteloze’ van die vogel op de dag.

 

De dichter zegt ervan: ’Ik bracht de nachten door met klagen.’ Je moet daarbij niet denken dat dat een handenwringend klagen is, waarbij we uitroepen: ‘O, nu is de hel voor mij bereid!’ Dat kan weleens zo zijn, maar dat is meer bij het schijngeloof dan bij het echte geloof. Bij het echte geloof is het veel meer een bedroefd zijn. De catechismus spreekt over ‘een hartelijke droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben’.

 

Ik vergelijk het nogal eens met de droefheid van een kind dat veel kwaad gedaan heeft en naar zijn vader en moeder komt, die hij met smart in zijn ogen naar hem ziet kijken, een traan ziet wegpinken en hoort zeggen: ‘Kind, heb ik dat nu aan je verdiend?’ En dan moet je toch wel een ontaarde zoon zijn, om niet beschaamd het huis uit te vluchten.

Nu, zo is de droefheid naar God. Dat is veel meer een gebroken hart, veel meer een rouw bedrijven over die God Die zo goed voor je is geweest, dan vrees voor de dood, voor de hel of de verdoemenis. Dat kán er bij komen, ik geef het onmiddellijk toe, maar het is niet de kern van de droefheid. Het is niet datgene waarom we zo rusteloos worden.

Het ontvlieden van de eeuwige straf is niet het eerste, dat is ook niet het belangrijkste. Het eerste en het belangrijkste is voedsel. Daar is die vos in de nacht voor bezig. Hij dwaalt niet uit angst de bossen door, maar hij wil eten hebben.

Daar kunnen Gods kinderen zich ook in vinden. ‘Heere, het is niet in de eerste plaats omdat ik bang ben voor de hel, maar ik vind het zo erg dat ik het zo lang tegen U heb uitgehouden. Ik vind het zo erg dat ik U zo bedroefd heb. Dat ik U zo lang smarten aangedaan heb. Dat ik zo’n groot deel van mijn leven al besteed heb in de wereld, misschien zelfs in de zonde, terwijl U toch zo vriendelijk en goed en barmhartig voor me was.’

 

Paulus zegt in Romeinen 2 vers 4: Niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Dat leert de Heere Jezus hier.

Hij zegt tegen deze man: ‘Zie toch: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten. Ze zijn rusteloos. Maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge.’ Met andere woorden: Daarom, bedenk, als je Mij volgt, dan ben je welkom! Ik verstoot niemand, want die tot Mij komt, van welke afkomst ook, en welk leven hij ook hiervoor geleefd heeft, Ik zal hem geenszins afwijzen. Dus u bent welkom als u Mij wilt volgen. Maar dan is ook in uw leven de rust opgezegd. Bedenk daarbij dat Mijn Koninkrijk niet van deze wereld is. Want Ik ben gekomen om de prijs voor uw ziel te betalen. Het gaat met Mij naar het kruis.’

Als God straks daarvan het geheim gaat openbaren, dan drukken wij het kruis in het volgen van Hem ook dichter aan onze schouders. Hoe nauwer dan in gemeenschap met Hem Die de prijs alléén moest betalen, hoe gewilliger, hoe meer pasklaar ook onze schouders zijn om Hem te volgen, waar Hij ook heengaat.

 

Hoort u bij deze man? En jullie, jongens en meisjes? Begrijpt u, ervaart u wat de Heere hier zegt?

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. De tweede man wordt opgeroepen tot onvoorwaardelijke overgave

 

De Heere gaat in onze tekst verder.

En Hij zeide tot een ander: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe dat ik heenga en eerst mijn vader begrave. Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods.

Hier is dus een man tegen wie Jezus zegt: Volg Mij. Hier is de Heere de Eerste. Deze man komt onder de roepstem van het Evangelie. Hij vindt het billijk dat die roepstem tot hem gebracht wordt; hij gelooft dat God het ernstig met hem meent.

Maar daar was geen ‘onvoorwaardelijk’ komen. Hij stelde voorafgaand een voorwaarde aan de Heere, zoals zoveel mensen in de kerk. Zij zeggen: ‘Het is waar hoor, ik moest er nu eens werk van maken. Ik moest toch eigenlijk geen rust meer hebben voor ik U gevonden had, Heere, het is waar.’

Maar, en dán komt het, er is iets allernoodzakelijkst te doen. Hij vraagt het beleefd. Hij zegt: Heere, laat mij toe dat ik heenga en eerst mijn vader begrave. En dan is het antwoord van Jezus: ‘Laat dat aan de doden over! Volg Mij, volg Mij nu! Volg gij Mij in Mijn dienst. Verkondig het Koninkrijk, waarvan Ik de Koning ben!’

Het bezwaar van deze tweede man schijnt redelijk. Dit verzoek was toch allesbehalve onredelijk. Wat leert de Heere ons hier? Mag je je vader niet begraven? Moet je dat aan een ander overlaten? Natuurlijk niet. Een kind kan begrijpen dat dit de bedoeling van de Heere Jezus niet kan zijn. Kwam Hij Zelf niet, na de begrafenis, naar het graf van Lazarus en weende Hij niet? O zeker, dat kan de bedoeling van de Heere Jezus toch niet zijn.

Maar wat dan wel? Waarom zegt Hij tot deze man: ‘Laat dat begraven van je vader, wat een kind toch alleszins verplicht is, laat dat aan anderen over, aan de doden; en volg gij Mij!’ Wel, de Heere bedoelt hier: er moet prioriteit in je leven zijn. Daar moet iets eerst zijn, ook in je moeilijke tijden. In het leven van elk mens en van elk kind is er iets wat zelfs vóór het begraven van je vader gaat. Op een andere plaats staat: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Matth.6:33). Daar bedoelt de Heere eigenlijk ditzelfde mee te zeggen.

 

Wij weten allemaal dat de zonde ons belet een volgeling van Christus te zijn. Maar niet alleen de zonde. Er zijn in het leven van vele mensen zoveel dingen, ook noodzakelijke dingen, en niet perse zondige dingen, die ons beletten Jezus te volgen.

Ik noem er zomaar een paar: je gewone dagelijkse werk; dat is toch alleszins verplicht. Wie niet werkt, zal niet eten. Toch kan dat gewone dagelijkse werk zo’n last worden, zo’n prioriteit, zo’n éérste zaak in ons leven, dat we voor het allereerste en allerbelangrijkste geen oog hebben. Zoals Martha. Martha was maar bezig om te dienen, om alles klaar te maken. En dat is nodig natuurlijk. Een mens moet toch eten en drinken. Maar er gaat iets boven. Dat is het volgen van Jezus.

 

Nu kan ik voor u niet op de minuut en op de dag af zeggen hoe u uw leven moet indelen. Dat moet u zelf maar beslissen in het licht van de eeuwigheid, in het licht van de roepstem van Jezus Christus, in het licht van de zekerheid van uw eigen zaligheid, van ogenblik tot ogenblik zelf tussen God en uw ziel. Dan zult u heus niet een man worden die er met zijn pet naar gooit, wat zijn werk betreft, of een vrouw die haar huisgezin laat vervuilen. Beslist niet. Maar dan zult u een mens worden die zelfs vóór het begraven van zijn vader, eerst nog dat voornaamste zal zoeken: het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.

Zullen jullie hier aan denken, jongens en meisjes? We hebben zoveel tegen te sputteren als de Heere ons roept. De één zegt: ‘Twee keer in de kerk, daar heb ik geen tijd voor, hoor; ik moet zoveel huiswerk maken. Een deel van de zondag gebruik ik ervoor. Of ‘s avonds als ik thuiskom heb ik geen tijd en geen zin meer om iets goeds te lezen. Ik heb de hele dag hard gewerkt. Ik wil nu eens een uurtje televisie kijken. Of ik wil een poosje de krant lezen of een of ander tijdschrift. Of ik wil gaan voetballen of gaan tennissen (of welke sport je ook maar beoefent).’

 

Hier is het een alleszins geoorloofd iets: de begrafenis van je vader. De Heere zegt: ‘Laat dat nu rusten. Laat dat nu aan een ander over.’ Daar zijn van die tijden in ons leven dat de Heere zo dicht bij ons hart staat, dat we antwoord móeten geven. Dat we geen tijd hebben om iets anders te doen dan om onze knieën te buigen en te bidden. En dan moet u zelf maar uitmaken wanneer en waar dat is. Maar ik wéét dat het in uw aller leven is, want God laat Zich aan niemand van u onbetuigd, want dan zou u nu niet in de kerk zitten. U draagt allemaal een geweten om, dat zegt: ‘Zoek eerst het Koninkrijk Gods.’

 

Maar dan komt het gesputter: ‘Ja maar, ja maar...’ Dat doet deze man ook: ‘Laat me eerst mijn vader begraven.’ En dan zegt Jezus: ‘Laat dat nu aan anderen over.’ Begrijpt u de bedoeling? Want wij hebben zoveel gewichtige redenen om niet te bidden, om niet de Bijbel te lezen, om niet het aangezicht des Heeren ernstig te zoeken. Wij hebben zoveel gewichtige uitvluchten. Wij zeggen: ‘Morgen, Heere! Als ik meer tijd heb, Heere. Als mijn kinderen groot zijn, Heere. Als ik mijn werk klaar heb, als mijn fabriek gebouwd is, als ik aan mijn pensioentje toe ben.’

U kent dat toch wel? Hier wordt het veroordeeld. Hier zegt de Heere: ‘Kom, volg Mij!’ En ik zeg het heden in de Naam van mijn Heere: ‘Volg Hem! Nu, voor het te laat is.’

 

Laten wij eerst zingen Psalm 32 vers 4:

 

Gij zijt mij, Heer’, ter schuilplaats in gevaren;

Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;

G’ omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,

Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

Mijn leer zal u, o mens, naar ’t recht doen hand’len,

En wijzen u de weg die gij zult wand’len;

Ik zal u trouw verzellen met mijn raad;

Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.

 

Onze derde gedachte:

 

3. De derde man wordt opgeroepen tot een besliste keus

 

Nog een waarschuwing, nog een roepstem klinkt ons uit de tekst tegemoet.

En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. En Jezus zeide tot hem: Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.

Deze man noemde Jezus: Heere. Hij zag Hem dus als de grote Profeet. Hij zag Hem niet als de eerste de beste rabbi, maar hij noemt hem ‘Heere’. En hij zegt zeer beslist: Ik zal U volgen. Zeer beslist. En toch, al lijkt dit zo, dit was geen besliste keuze.

Waarom niet? Ach, dat verdoemelijke ‘maar’ staat ertussen. Had hier maar een punt gestaan, had hij maar gezegd, en met de daad bevestigd: ‘Heere ik zal U volgen!’ O, dan zou ook hij welkom geweest zijn. Maar de zin gaat verder: ‘Maar…’ O goddeloos, duivels, werelds, vleselijk, zondig ‘maar!’ Laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn.

Ach, wat jammer. Hij zegt Jezus te zullen volgen. En als Jezus dan daarin toestemt, dan zal hij eerst teruggaan om afscheid te nemen van degenen die in zijn huis zijn. Ach, dat is fout. Dat is een grote fout. Als mensen naar God gaan en zij vragen: ‘Heere, neem mij aan! En als de Heere mij zal aannemen, ja dan zal ik teruggaan en de wereld en de zonde en mijn familie vaarwel zeggen.’

Voelt u wat daar achter zit? Misschien ken je dat wel, jongens en meisjes, dat je stil ergens met God bent, buiten of op je kamer of waar ook, en dat je tegen de Heere zegt: ‘Heere, als U me nu bekeert, als ik Uw kind mag zijn, dan zal ik dat en dat en dat nooit meer doen. Dan zal ik afscheid nemen van die dingen, waar ik tot nu toe mijn leven in vond.’

Gemeente, u moet zelf maar uitzoeken welke dingen dat in uw leven zijn. Goede dingen of kwade dingen, of beide, in ieder geval die dingen die u tot nu toe verhinderd hebben om naar de stem van de Heere te luisteren. Ja, wij willen de zaligheid kopen. Bij de Heere komen en zeggen: ‘Heere, als U me wilt hebben, als U me in de hemel wilt brengen, dan zal ik als beloning voor U dat en dat en dat laten staan.’

‘Nee, zo niet’, zegt de Heere. ‘Nee, als u Mij wilt volgen, dan moet u het doen om Mij, om Jezus.’ Als je een kind van de Heere wilt zijn, dan moet je het doen omdat je de Heere lief hebt. Niet voor de winst, niet voor de hemel, niet voor de ‘heb’, maar dan moet je het doen voor Mij. Omdat je in Mij zóveel ziet, dat je zegt: ‘Heere, hier ben ik. Al valt dan alles in het niet. Al blijf ik dan alleen over, al moet ik dan arm en berooid door dit leven… ik ben Uw, hier sta ik, ik kan niet anders.’ Dat wil de Heere.

Dat is toch ook het werk van de Heilige Geest in de ziel van ons, Zijn kinderen.

 

U kent natuurlijk allemaal het boekje van Bunyan, de Christenreis. Dan zie je Christen gaan, nee, niet met het pak van beloften op zijn schouders, maar met het pak van zonden op zijn schouders. Dan verlaat hij de stad Verderf. Natuurlijk, wel met een onvergankelijke hoop in zijn hart dat God hem genadig zal zijn. Maar niet met een pak vol beloften. Bunyan of Christen, als je nu de stad Verderf verlaat, hier heb je dit, en hier heb je dat. Nee, hij gaat omdat hij in de verte het Licht ziet. Beladen met al zijn moeite, zijn verdriet en zijn ellende. Hij gaat!

Zo is ook Abraham de stem van de Heere gehoorzaam geweest, toen de Heere zei: ‘Verlaat je volk, je land, je maagschap, en ga naar het land dat Ik u wijzen zal.’ Hij is gegaan, niet wetende waar hij komen zou.

‘Hoe is het mogelijk’, zegt u. ‘Hoe kan een jongen of een meisje, een man of een vrouw nu alles verlaten, als je niet eerst zekerheid hebt?’ Ach, ik kan het ook niet voor u oplossen. Het is een kwestie van liefde. Ik kan van nu tot aan mijn dood over liefde praten, en dan heb ik er nog niets van gezegd. Alleen als u de liefde van God in uw hart gevoeld hebt, dan begrijpt u het.

En als u ‘de liefde niet hebt’, dan kan ik het u niet aanpraten. Daar is iets in die Goddelijke liefde, in de liefde van het Evangelie, in de lokstem van Gods genade, dat een zondaar doet zeggen: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. En opstaande, ging hij naar zijn vader (Luk.15:18-20).

 

Daar hebt u het. Dat was het, wat Mozes deed verkiezen om liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genietingen van de zonde te hebben. Wat moest er van hem terechtkomen, als hij dat heerlijke paleis van Farao verliet, en geen prins meer zou zijn? Wel, hij zag in de smaadheid van het volk ‘iets van de verdrukking van Christus’. En dáárom koos hij de kant van het volk. Is het niet heerlijk afgelopen met al deze mensen?

Ik zou er Ruth nog bij willen noemen. U kent haar allemaal. Ze ging met Naomi mee, een arme en berooide vrouw die haar niets meer te bieden had. Naomi zegt tegen haar: ‘Ach, zonen heb ik niet meer en al zou je wachten tot ik zonen gebaard heb, zou je dan wachten totdat ze groot geworden zijn? Noemt mij niet Naómi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan (Ruth 1:20). Daar was niets te ‘profiteren’ voor Ruth. En toch zegt ze: Uw volk is mijn volk, en uw God mijn God (Ruth 1:16).

Hoe is het met deze mensen uitgekomen? Met Christen in Bunyans Christenreis? Hoe is het met Abraham uitgekomen? Hoe is het met Mozes uitgekomen? Hoe is het met Ruth uitgekomen? En hoe is het met al Gods kinderen uitgekomen? Uitstekend goed! Er is nog nooit iemand geweest, die om Christus’ wil verlaten heeft geld en goed, akkers en beesten, man of vrouw of kinderen, die het hier reeds niet honderdvoudig weder ontvangen heeft, en in het toekomende het eeuwige leven.

 

Verstaat u de boodschap die Jezus vandaag ook tot u wil richten? Want, zegt Hij, Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods (Luk.9:62).

Dan moet u natuurlijk niet denken aan een moderne tractor met een ploeg erachter, maar dan moet u denken aan zo’n ouderwets ploegje in het oosten. Het was niet meer dan een stuk hout waar een ijzeren punt aan zat. Er werden twee ossen voor gespannen, die het door de grond trokken.

En die grond was niet zoals hier, allemaal prachtige vette kleigrond of mooie lichte zandgrond. Nee, het is die echte oosterse rotsgrond, overal stenen en obstakels, half boven, half onder de grond. Elk ogenblik kon je ploegschaar breken. Zo moest de ploeger van die tijd wel de hand aan de ploeg houden. Wee je gebeente, als je achterom keek. Dan zou weldra dat ploegijzer van het hout afbreken als het een steen zou raken.

 

Welnu, Jezus zegt: zo is nu de mens die naar Mij toe komt. Dan is het eerst afscheid nemen, eerst zeggen: ‘Weg wereld, weg schatten! Gij kunt niet bevatten… Want bij u vind ik niets dan de dood. Maar, Heere, ik kom tot u gevloden. Mag ik bij U schuilen, Heere? En als ik geen genade zou vinden in Uw ogen, als ik tot U kom, dan zal ik liever aan Uw voeten sterven dan weer terugkeren naar de wereld.’

Kent u dat? Kent u zo’n onberouwelijke keus?

Als de liefde van God in uw hart is, moet het toch geen moeilijke zaak zijn om te zeggen: ‘Ja! Mijn hand aan de ploeg. Vóóruit kijken, niet achteruit! Welke stem me daar achter mij dan ook terugroept. Hoe mijn vrienden ook zeggen: Ach, doe niet zo vroom. Vroeger was je toch anders. Kom, ga met ons. En als je dan toch God wilt zoeken, doe het dan morgen, doe het dan later.’

Dat is de stem van de duivel, de stem die ons altijd achterna roept. Het is de stem van de wereld die in het boze ligt. Maar als u vandaag van God een voornemen in uw hart ontvangt om voortaan bij de Heere te blijven, dan raad ik u: kijk dan niet achterom, maar kijk vooruit. Houd de ploegschaar in de hand en blijf bij uw voornemen.

Schrijf met uw hand, met grote letters op een groot stuk papier: ‘Ik ben des Heeren!’ En herroep het niet, maar blijf daar bij. Het zal u nooit berouwen. Als de satan morgen zegt: ‘Is uw keus wel oprecht?’, zeg dan: ‘Ik heb het met mijn hand geschreven, en ik blijf erbij. Ik heb de God van mijn leven gezworen dat ik Hem wil zoeken, terwijl het nog dag is. Dat ik Hem zal volgen, waar Hij ook heengaat.’

 

‘Ja,’ zegt u misschien, ‘daar weet ik van in mijn leven. Ik geloof dat ik die hartelijke keus gedaan heb. Vroeger, reeds zo vele jaren geleden. Maar ach, wat breng ik ervan terecht? Ik moet nu dikwijls zeggen meer op de aarden flessen te gelijken. Wat kleeft mijn ziel aan het stof.’

Welnu, vandaag vraagt de Heere opnieuw hetgeen Hij vroeger vroeg: Volg Mij! En Hij zegt niet: ‘Kunt u dat?’, maar Hij vraagt: ‘Wilt u dat?’ Wat is hierop uw antwoord?

Als u dan heden zegt: ‘Heere, U weet alle dingen. Met zonde beladen, met zoveel struikelingen bezwaard, ja aan alle kanten schuldig. Maar nochtans leg ik mijn vuile handen, mijn melaatse handen, in Uw sterke handen.’ Geef de Heere dan vandaag opnieuw de hand en kom tot Zijn heiligdom. Hij Die trouw is, zal ook uw voet voeren uit der bozen netten.

 

Misschien werpt u nog tegen: ‘Maar ik ben de Heere ook zo tegengevallen, nádat God mijn rechterhand heeft gevat, en nádat ik zo hartelijk en oprecht Zijn zijde koos.’ Dat kan! Maar Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Hij weet dat u klein van moed en klein van krachten bent, en stof van jongsaf zijt geweest.

Hij heeft u ook niet uitverkoren omdat Hij iets van u verwachtte, Hij heeft u uitverkoren opdat Hij u uit Zijn genadevolheid zou bedienen. En als u dan vandaag opnieuw, met de last van uw ongelukkig en mislukt leven, uw droeve ogen weer naar Hem opslaat en uw moede hart in Zijn handen stelt, dan zegt Hij het vandaag opnieuw: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Ik heb Mijn aangezicht niet verborgen voor speeksel en Ik ben niet achterwaarts geweken. Ik heb Mijn aangezicht gesteld als een keisteen. Toen de straf uwer ongerechtigheid geëist werd, toen werd Ik verdrukt. Als een lam ben Ik ter slachting geleid en als een schaap dat stemmeloos is voor het aangezicht van dien die het scheert, heb Ik Mijn mond niet opengedaan.’

 

Zo ver kunnen wij het niet brengen. Maar, geliefde kinderen van God, dat behóeft ook niet! Want Jezus heeft het gedaan. En omdat Zijn offer volmaakt is, mogen wij ons als onvolmaakte en onheilige zondaren in de armen van die volmaakte Zaligmaker laten binnendragen bij onze God en Koning. En daar zullen we zingen: ‘Door U, door U alléén, om het eeuwig welbehagen!’ Daar zijn we thuis! Die rust wacht ons.

 

Die hoop doet al ons leed verzachten.

Kom, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen die ‘t heil des Heeren wachten

zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten!

O vreugd, die alle smart verbant!

Daar is ons vreemdelingschap vergeten

en wij, wij zijn in het vaderland.

 

Bij Jezus!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 79: 4 en 7

 

Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven;

Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven!

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw grote Naam ter eer;

Uw trouw koom’ ons te stade;

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade.

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 3) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2002).