Ds. G.A. Zijderveld - Hebreeën 4 : 16

De troon der genade

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 23)

Hebree├źn 4 : 16

Hebreeën 4
16
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 1
Lezen : Hebreeën 4
Zingen : Psalm 86: 3, 4
Zingen : Psalm 84: 4
Zingen : Psalm 27: 5

Er leefde in het gebergte van Judea een echtpaar dat een groot kruis had. Hoe waren de namen van deze man en vrouw? De naam van de man was Zacharias en zijn vrouw heette Elizabet. Deze mensen behoorden tot de stam van Levi, ja, ze waren zelfs nakomelingen van Aäron. Beiden waren door Gods Geest vernieuwd en ze hadden elkaar hartelijk lief.

U vraagt: ‘Maar was dat dan geen gelukkig echtpaar?’ Ongetwijfeld, want beiden hadden God tot hun deel en ze mochten met elkaar in liefde en eensgezindheid leven.

En toch, er was dikwijls smart in hun hart en grote droefheid in hun ziel. Wat was daarvan de oorzaak? Wel, ze hadden geen kinderen. De Heere had hun de kinderzegen niet geschonken. Dat was voor Elizabet en Zacharias een groot kruis en tot droefheid van hun hart.

Wat hebben die mensen gedaan met hun kruis en droefheid? Ze hebben hun droefheid aan God bekendgemaakt. Zacharias en Elizabet hebben dikwijls tot de Heere gebeden of Hij Zich over hen wilde ontfermen en of zij, zoals andere echtparen, gezegend mochten worden met een kind.

 

Deze beide mensen waren rechtvaardig voor God. Ze wandelden in de vreze des Heeren, ja, ze waren zelfs een voorbeeld van godzaligheid. Waarin kwam hun godvrezend leven uit? In hun diepe afhankelijkheid voor het aangezicht des Heeren. Ze hebben gebeden of God Zich over hen wilde ontfermen en hen een zoon wilde geven. Ze werden door God verwaardigd om te naderen tot de troon der genade, met smeking en geween.

We weten niet hoeveel malen ze hebben gebeden en hoe dikwijls ze naar de troon des Heeren zijn gegaan. Maar we kunnen er zeker van zijn dat ze vele malen hun knieën gebogen hebben en hun gebeden hebben opgezonden. Ja, dat ze in het verborgen hebben gesmeekt of de Heere hun hartenwens wilde vervullen. Ze hebben de Heere aangelopen als een waterstroom. Zacharias en Elizabet hebben dikwijls samen gebeden en ze hebben ook wel ieder afzonderlijk gesmeekt of Hij Zijn gunst hen wilde schenken.

 

En wat heeft God gedaan? Hij heeft hun smeekgebed verhoord. God luisterde naar hun gebed. Ze hebben met vrijmoedigheid hun nood aan God bekendgemaakt en ze zijn geholpen ter bekwamer tijd. De Heere heeft Zich in rijke mate aan hen geopenbaard: Hij zond de heilige engel Gabriël naar de tempel, waar Zacharias het offer aanstak. Deze engel sprak in de Naam des Heeren: ‘Zacharias, uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.’

Toen Zacharias dat hoorde, was het te groot voor hem, hij dacht: Dat kan niet meer... Maar God staat boven alles en Hij zal Zijn belofte vervullen; het gebed van Zacharias is verhoord!

 

Zo verhoort de Heere nog de gebeden van Zijn volk, naar Zijn vrijmacht, op Zijn tijd en dikwijls op wondervolle wijze. Daarbij willen we thans stilstaan. Onze tekst vindt u opgetekend in Hebreeën 4 vers 16. Daar lezen we Gods Woord:

 

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.

 

In deze tekstwoorden wordt gesproken over: De troon der genade.

 

We lezen van de profeet Jesaja dat hij een heerlijk vergezicht ontving: de hemelen werden voor hem geopend en hij zag Gods troon. De Heere zat op de troon van Zijn heerlijkheid en Zijn zomen vervulden de tempel. Jesaja hoorde de engelen uitroepen: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen (Jes.6:3).

Vanaf Zijn troon regeert de Heere het heelal. Niet alleen onze lage aarde, maar ook de hemellichamen en alles wat waargenomen kan worden in het grote heelal.

Johannes op Patmos zag óók de hemel voor hem opengaan. Hij zag de troon van God en de heilige engelen. Hij zag ook de vierentwintig ouderlingen die zich neerbogen voor Gods troon, die de Naam des Heeren verheerlijkten en Christus prezen voor Zijn verlossingswerk. Hij hoorde hen lof en aanbidding brengen aan God Die leeft tot in alle eeuwigheid. Hij hoorde de verloste Kerk zingen: ‘Gij, o Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed uit alle geslacht en volk en natie.’ De onbewuste natuur, vertegenwoordigd door de vier dieren, riep het uit: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal (Openb.4:8). Rondom de troon, maar ook boven de troon schitterde alles van Gods grootheid en heerlijkheid. Een regenboog was rondom de troon en alles was vol van Gods onbeperkt vermogen!

 

Gods Woord spreekt ons over de wederkomst van Christus als Wereldrechter. Dan zal Hij zitten op een troon. Zie, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben (Openb.1:7).

Eerst zal Christus zitten op de troon van het gericht. Alle volken zullen voor Hem verschijnen en Hij zal hen van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt.

We lezen in het Woord des Heeren ook over tronen van aardse koningen. Denkt maar aan Salomo’s troon en de troon van Nebukadnezar. En zo zou er nog wel meer over tronen van koningen gesproken kunnen worden. Maar wij willen stilstaan bij de troon van Gods genade en wat de betekenis daarvan is voor verloren zondaren.

 

Er wordt dikwijls in het Woord des Heeren gesproken over de troon van God. De Heere zegt: De hemel is Mijn troon en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? En waar is de plaats Mijner rust? (Jes.66:1) Maar weet u wat een weldaad en een onuitsprekelijke zegen is? Dat God een genadetroon heeft gegeven. Wat betekent dat? Wel, dat wij, mensen, tot de Heere mogen gaan en dat wij ons hart voor Hem mogen uitstorten; dat wij in het gebed onze nood aan de Heere mogen bekendmaken. Zie, dat is de betekenis van Gods genadetroon.

We lezen ervan in het Woord des Heeren als van een symbool. Neem als voorbeeld wat de Heere zei tot Mozes. Mozes moest de ark maken. Deze moest geplaatst worden in de tabernakel en later in de tempel. En de Heere zei: En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met U spreken van boven het verzoendeksel af (Ex.25:22). Dus de ark des Heeren in de tabernakel en later in de tempel was voor oud-Israël een symbool van de genadetroon. De troon der genade is de plaats waar God Zijn volk ontmoet. Het is de plaats waarheen zij mogen vluchten met al de noden van hun hart.

God heeft ons het gebed gegeven. Het gebed is de ademtocht van de ziel. Wanneer we genade van God ontvangen, dan is het de behoefte van ons hart om te vluchten naar de troon des Heeren, naar de troon der genade, om daar met bidden en smeken onze nood aan God bekend te maken.

 

Is het geen grote zegen dat er een genadetroon is, die de Heere aan Zijn Kerk gegeven heeft? Daar worden overwinningen verkregen! Daar worden zegeningen ontvangen. Lees het maar in het Woord des Heeren. Abraham wordt een vriend Gods genoemd; Abraham heeft dikwijls in het gebed God aangeroepen. En denk ook aan Izak. Hij ging in het veld om te bidden. Daar mocht hij smeken aan Gods genadetroon. U weet toch ook wel wat Jakob beleefd heeft in Pniël? Daar worstelde hij aan Gods genadetroon, daar smeekte hij de Heere om Zijn zegen. En zijn ziel is gered!

Denk eens aan Mozes, de man Gods. Psalm 90 is een gebed van deze grote geloofsheld. Daarin mocht hij naderen tot de troon der genade en al de noden van zijn ziel en ook van het volk Israël voor God neerleggen. Mozes heeft dikwijls tot de troon der genade mogen naderen. Denk eens aan zijn voorbede voor het volk. Hij trad op als een middelaar toen het volk het zo verzondigd had, toen het gebogen had voor het gouden kalf. Mozes keerde weder tot de Heere en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Nu dan, indien Gij hun zonde vergeven zult! Doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt (Ex.32:31-32). Mozes kwam tot Gods genadetroon!

 

Denk ook eens aan Israëls profeten. Samuël was een zoon des gebeds. Hij was een vrucht van de worstelingen van Hanna aan Gods genadetroon. Samuël heeft ook zelf dikwijls in het gebed aan Gods genadetroon geworsteld voor Zijn volk.

Zie het ook in het leven van David. Hij was niet alleen koning over Israël, maar hij was ook een profeet des Heeren. Heeft hij niet dikwijls gebeden voor zijn volk en de Naam des Heeren voor hen aangeroepen? En God verhoorde hem!

Ga in uw gedachten het leven van de profeten van oud-Israël eens na. Denk aan Elia en Elisa. Elia ging naar de troon der genade met dat zondige volk. Hij bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende niet in drie jaar en zes maanden. Op de Karmel naderde hij opnieuw tot de troon der genade en daar smeekte hij om regen van de hemel. En de hemel gaf regen.

Wat heeft ook Elisa dikwijls in het gebed tot God geroepen. Hij naderde tot de troon der genade met de nood van Israël. Zo was het ook met Jesaja en Jeremia. En wat heeft Daniël dikwijls voor het volk in ballingschap gebeden!

 

Maar niet alleen Israëls profeten hebben veel voor het volk gebeden; óók de apostelen van Christus. Denk maar aan Johannes; hij naderde tot Gods genadetroon met de nood van zijn ziel, maar ook met de nood van de Kerk. Hij schrijft: En dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort (1 Joh.5:14). En dan de apostel Paulus; hij heeft veel in het gebed tot God gesproken; hij naderde met vrijmoedigheid tot de troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd.

Ga ook het leven van de grote mannen in Gods Kerk eens na. Of u dan Luther of Calvijn of John Knox of anderen in uw gedachten hebt – ze zijn allen mannen van gebed geweest. Ze zijn met de noden van land en volk tot God gegaan, tot de troon der genade.

 

De apostel die de brief aan de Hebreeën geschreven heeft, wijst op de heerlijkheid van Sions Koning, van Vorst Messias. Hij beschrijft het hogepriesterlijke werk van de Zoon van God. Deze brief is een prachtige verklaring van het werk van Christus als Hogepriester.

Aäron was hogepriester van Israël. Melchizédek was een priester des allerhoogsten Gods. Maar niet één is zo groot geweest als Christus. Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden (Hebr.7:26). Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr.10:14).

We lezen ook in het hoofdstuk dat thans voor ons openligt: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden (Hebr.4:14).

 

De apostel schrijft over de troon der genade. Christus is het, Die met Zijn voorbede steeds tussentreedt bij de Vader. Hij bidt voor Zijn volk. Maar Hij is het ook, Die door Zijn Geest Zijn kinderen leert bidden.

Christus heeft Zijn discipelen bidden geleerd. Hij heeft aan Zijn Kerk het ‘Onze Vader’ gegeven. Maar Christus heeft ook Zelf het voorbeeld gegeven in Zijn bidden en smeken. Hij was dikwijls een gehele nacht in het gebed tot God, Zijn Vader. Hoewel Hij Zelf eenswezens was met de Vader, zocht Hij – naar Zijn menselijke natuur – kracht in het gebed. Want in het gebedsleven ligt een grote kracht!

 

Het is nodig dat we met alle noden van ons hart vluchten tot de troon van Gods genade. Daarom zegt de apostel: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.

Er is een troon der genade. Dat is de aanspraakplaats van Gods heiligheid. Die troon der genade is de plaats waar de ziel zich mag uitstorten voor Gods aangezicht en waar de Heere Zich aan een verloren zondaar openbaart.

De troon der genade is heerlijk, vol van majesteit! Waarom? Omdat het de troon is van God. Daarom moeten we in ons bidden altijd tot God naderen met een hart vol eerbied voor Gods hoogheid en ook met een gepaste houding van ons lichaam. We mogen niet nonchalant tot God naderen, zonder dat we er op letten tot Wie we spreken. Er zijn mensen die tot God bidden alsof ze iets tegen hun buurman zeggen. Maar we moeten nooit vergeten: God is in de hemel en wij zijn op de aarde. God is hoog verheven en wij zijn nietige stervelingen. Daarom past ons altijd eerbied en diep ontzag voor Gods heiligheid en Zijn hoge majesteit. Denk maar eens aan hetgeen Abraham zei toen hij tot God sprak. Hij zei: Ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben (Gen.18:27).

 

U zegt misschien: ‘Ja, maar ik ben zo’n zondaar...’ Dat is waar. ‘En ik ben onrein. Zou de Heere wel naar zo’n mens als ik willen luisteren? Ik ben goddeloos tot in het diepst van mijn bestaan.’ Dat is absoluut de werkelijkheid! We zijn een groot zondaar en we zijn niet waardig om tot God te spreken... Maar nu komt de Heere tot ons! Hij nodigt ons uit om tot Zijn troon te komen.

 

U zegt misschien: ‘Ja, maar ik ben onbekeerd. Word ik dan ook geroepen om te komen tot de troon der genade?’ De Heere roept allen die onder het Evangelie leven om tot Hem te komen! God heeft Zelf in Zijn Woord gezegd dat Hij geen lust heeft in de dood des goddelozen, maar daarin dat hij leeft en zich bekeert. Hij zegt: ‘Kom tot Mij, o alle gij einden der aarde!’

De Heere roept ons tot bekering. Dus ieder die de stem des Heeren hoort, die het Woord van het Evangelie beluistert, wordt genodigd om te komen tot de troon der genade. Maar hoe is het meestal bij ons? Wel, we hebben geen zin om te gaan naar die troon der genade. We proberen onszelf te helpen en te redden omdat we te hoogmoedig zijn om te bidden, omdat ons hart te trots is om voor God te knielen. Daar hapert het bij ons aan! Daarom is het zo nodig dat Gods Geest ons hart verlicht zodat we gaan zien dat we straks God moeten ontmoeten en rekenschap moeten geven van ons rentmeesterschap. Hoe nodig is het dat we het beleven dat we vijanden zijn van God en dat we wedergeboren moeten worden.

 

Maar nu komt dit woord tot ons allen: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. We moeten naar Gods genadetroon! Maar dan niet als een farizeeër in eigengerechtigheid. Er zijn veel mensen die bidden als een farizeeër. Ze komen tot God als rechtvaardigen. Dan wordt de genadetroon niet voor ons geopend! Maar een ziel die in waarheid tot de Heere mag vluchten, ontvangt ook toegang tot de troon der genade.

Bidden is goed, maar we moeten bidden in geest en waarheid. De farizeeër bad wel, maar het was één en al zelfverheffing. Het was een prijzen van zichzelf. We moeten leren bidden zoals die arme tollenaar. We moeten leren in ootmoed tot God te naderen, uitroepend: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’ Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan! We beleven niet zo snel dat we zondaar zijn. We zeggen het wel met de mond dat we tegen God gezondigd hebben, want dat is immers volgens onze belijdenis. Maar om onze zonde werkelijk te gevoelen, onze schuld te erkennen en onze Rechter om genade te smeken, daartoe is ontdekkend licht van boven nodig! God kan dat geven.

 

Maar toch, dit woord komt tot ons in deze ogenblikken: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Dit woord staat hier voor alle mensen die het Evangelie horen! Maar de Heere heeft dit woord in het bijzonder voor Zijn kinderen gegeven. Zij kunnen ook zo bevreesd zijn. Waarom? De satan wijst hen maar al te dikwijls op hun zonden. Hij zegt: ‘Denk je dat God naar jou wil luisteren? Denk je dat de Heere Zijn genade aan jou wil geven? Zie eens wie je bent. Je belooft wel beterschap, maar er komt niets van terecht! Je valt steeds weer in allerlei zonden en God weet alle dingen. Denk maar niet dat er voor jou genade is!’ Zo is de duivel aan het werk om ons van God vandaan te houden, opdat we niet zullen gaan naar de troon der genade.

Maar de apostel schrijft: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Waarom? Omdat God vol ontferming is! En waarom is God vol ontferming? Omdat er genade verworven is door Christus, omdat het bloed van Christus reinigt van alle zonden. Daarom mogen we met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.

Als het was om iets van ons, dan was het afgesneden. Dan zou God ons door het zwaard van Zijn heiligheid en door het vuur van Zijn gramschap verteren. Maar er is een genadetroon opgericht omdat er een Verlosser tot Sion is gekomen, Die de goddeloosheid afwendt van Jakob.

 

O, dat we nu met vrijmoedigheid zouden mogen vluchten tot de troon der genade! Vertel de Heere maar alles wat er in uw hart is. Vertel Hem uw zonden, vertel Hem uw ellende, vertel de Heere al uw smart en zielenstrijd, al de teleurstellingen die u beleeft, zowel in het natuurlijke leven, als in de geestelijke strijd. De Heere is met ontferming bewogen! Hij schenkt vergeving aan arme, schuldige zondaren.

 

De schrijver van deze brief kende het leven der genade. Gelukkig wanneer het ook onze zielsbeleving steeds is: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Waartoe? Om barmhartigheid te mogen verkrijgen en genade te vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd.

We hebben genade nodig. We hebben Gods gunst nodig. We hebben het zo nodig dat we barmhartigheid verkrijgen. Welnu, gemeente, Christus is de barmhartige Hogepriester. Hij is barmhartig voor Zijn volk. En van dat volk wordt gezegd: Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden (Matth.5:7).

Nu mogen we vluchten naar de troon der genade om barmhartigheid te verkrijgen. Dat hebben we nodig. Want we moeten door Gods genade gered worden, verlost worden van de zonde. Onze ziel moet gered worden voor de eeuwigheid. Het is nodig dat we in ons hart beleven dat we met God verzoend moeten worden op grond van de gerechtigheid van Christus.

 

Wie is het Die dat werkt? Het is in het bijzonder de Heilige Geest Die ons overtuigt van zonde, Die ons leert bidden, ja, Die ons doet worstelen om genade.

Wanneer we vluchten tot de troon der genade wil dat niet zeggen dat we direct geholpen en verlost worden, dat we ogenblikkelijk barmhartigheid verkrijgen. Nee, maar de Heere ontfermt Zich toch over een arme, smekende zondaar. Wanneer we door genade mogen neerknielen voor Gods aangezicht, wanneer we onze zonden mogen belijden, wanneer we onze schuld voor Hem mogen bewenen, dan ontfermt de Heere Zich over ons. Dan schenkt Hij ons barmhartigheid. Het wordt ervaren: Deze ellendige riep, en de Heere hoorde (Ps.34:7).

 

U vraagt misschien: ‘Zou dat ook voor mij waar zijn? Zou de Heere mij barmhartigheid willen schenken? Zou de Heere mijn ziel willen redden? Zou God Zijn genade in mijn hart willen verheerlijken?’ Ja, dat is mogelijk. Want wat onmogelijk is bij de mensen, dat is mogelijk bij God. De Heere zegt het in Zijn Woord zo duidelijk: Een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden (Matth.7:8). Gods genade en ontfermingen zijn oneindig groot! Gods liefde is onuitsprekelijk diep. Het is niet te zeggen hoe groot Gods genade is.

 

Met vrijmoedigheid mogen we komen tot de troon der genade. Maar we moeten ook komen in ootmoedigheid en nederigheid. Wanneer we daar neerbuigen voor de almachtige God, moeten we onze onwaardigheid gevoelen.

Maar hoe moeten we dan komen aan de troon der genade? Wel, daar moeten we komen als een smekende zondaar. Daar moeten we verkeren als een worstelende Jakob. Daar moeten we komen met smeking en geween. En we moeten worstelen om genade. Het is nodig dat we geweld leren doen op het Koninkrijk der hemelen.

U moet ook eens lezen wat er van Izak en Rebekka in de Bijbel staat. Izak bad met zijn vrouw ernstig tot de Heere, en de Heere liet Zich verbidden. Was dat om het gebed van Izak? Nee, het was Gods vrijmachtige genade.

Zie ook eens in een kerker in Babel; daar zit een goddeloze man gevangen. Ze hebben hem gegrepen onder de doornstruiken. Wie is het? Het is een zoon van de godvrezende Hizkia, het is de goddeloze Manasse. Hij zit in de kerker te wachten op de dood. De Heere stelt hem zijn schuld voor ogen en Manasse gaat zijn zondig leven overdenken. Dan lezen we: Hij bad het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstiglijk aan (2 Kron.33:12). Hij worstelde om genade. En de Heere liet Zich van Hem verbidden.

U zegt misschien: ‘Ik kan wel begrijpen dat de Heere Zich liet verbidden door Izak en Jakob; dat waren godvrezende mensen. Maar dat de Heere Zich ook liet verbidden door Manasse, die wel duizendmaal de dood verdiend had, dat verbaast me!’ Ja, maar de Heere heeft hem genade bewezen. En de Heere kan ook óns genade schenken. Daarom moeten we met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, worstelend en smekend om ontferming, om Christus’ wil.

 

Want als er één zaak nodig is, dan is het dat we van dood levend gemaakt worden. Laten we dat nooit vergeten! Dat stemmen we wel toe en we zeggen: ‘O ja, het is een weldaad wanneer God dat geeft.’ We hebben dikwijls veel rechtzinnige woorden, waar geen speld tussen te krijgen is. Maar wanneer we er dezelfde onder blijven, zullen die woorden eens tegen ons getuigen!

Er is een troon der genade en het bloed van Christus kan ons reinigen van alle zonden. God is groot van barmhartigheid! Het zal daarom zo erg zijn wanneer we onder al de roepstemmen verloren zullen gaan! God heeft de troon der genade gegeven. Er is een weg van verlossing geopenbaard. Het zal zo erg zijn wanneer we het bloed van Christus onrein achten!

 

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden. Dit woord geldt ook voor Gods kinderen. O, dat we met alle noden van ons hart, met alle moeilijkheden mochten vluchten tot de troon der genade! Er kunnen zoveel moeilijkheden zijn in het leven,  moeilijkheden in het natuurlijk leven, in onze handel en wandel, moeilijkheden in ons zielenleven: geestelijke strijd, verzoekingen, beproevingen, benauwdheid, aanvechtingen van de duivel. We trachten dikwijls onszelf te helpen. Maar dat gaat niet. De Heere zegt: ‘Kom tot Mij!’

Met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade om er genade te vinden. Er is genade, gemeente. Er is rijke genade! God is genadig voor al Zijn kinderen. God schenkt hen genade wanneer ze tot Hem bekeerd worden. En Hij schenkt hen telkens weer genade. Hij overlaadt hen met Zijn gunstbewijzen.

Wat is genade eigenlijk? Dat is vergeving van de schuld die wij bij God hebben. Ook Gods kinderen blijven tegen God zondigen. Ze hebben steeds weer genade nodig. Ze moeten met al hun smart, maar ook met al hun zonden gaan naar de troon der genade, om er genade te vinden.

 

Er is alleen genade te vinden aan de troon der genade. Daar zijn stromen van genade die de Heere schenkt aan arme smekelingen. Daar wordt de schuld vergeven. Daar wordt de troost ontvangen.

Wat wordt er beleefd wanneer God genade schenkt? Wel, dan verandert de duisternis in licht. Dan verandert de smart in blijdschap. Dan gaat het licht op in de ziel!

Wanneer God ons bij vernieuwing genade schenkt, ontvangen we opnieuw blijken van Gods liefde, goedheid en genade. Dan wordt het weer ervaren dat de Heere Zijn rijke gemeenschap aan onze ziel schenkt.

We moeten steeds vluchten tot de troon der genade. Waarom? Om Gods goedertierenheid te ontvangen, om vrede in onze ziel te verkrijgen, om Gods zalige gunst telkens weer te mogen proeven en smaken. Dat alles is te krijgen aan de troon der genade. Daar zijn zegeningen te ontvangen, rijker dan goud of  zilver. Daar zijn schatten van eeuwige waarde.

Nee, het is niet zo, dat we die schatten zomaar kunnen nemen. U kunt niet zeggen: ‘Wanneer ik daar kom, zijn die schatten voor het grijpen.’ De Heere schenkt Zijn weldaden door de bediening van Zijn Geest in de harten van Zijn kinderen. Aan allen die Hem vrezen. Aan degenen die op Zijn goedertierenheid hopen. Aan het volk dat zonder God niet kan leven. Ze ontvangen genade voor genade. Ze ontvangen herstelling in de gemeenschap des Heeren. Het wordt ervaren dat de Heere steeds opnieuw Zijn liefde en Zijn nabijheid aan het hart schenkt.

 

Om geholpen te worden. We moeten steeds geholpen worden. Te bekwamer tijd. Dat is Gods tijd. Wij hebben dikwijls geen tijd. We denken soms: O, hoe komt het toch dat ik in de duisternis blijf? Maar de Heere komt op Zijn tijd.

De Heere gaf op Zijn tijd aan Abraham de vervulling van de belofte, toen Izak werd geboren. De Heere gaf aan Zacharias en Elizabet op Zijn tijd een zoon: Johannes. De Heere geeft op Zijn tijd verlossing.

O, het kan zijn dat we de Heere verwachten en dat we zeggen: ‘Wanneer zal het licht opgaan in mijn hart?’ Het kan zijn dat we in donkerheid onze weg bewandelen en dat we het beleven: ‘De Heere heeft mij verlaten en de Heere heeft mij vergeten. Zal het nu nooit meer licht worden?’ Maar er komt hulp! Te bekwamer tijd; op Gods tijd! Dat is de beste tijd. Dan ontvangen Gods kinderen barmhartigheid en genade. Daar mogen ze wel eens van spreken en zingen. Kom, laten we samen zingen uit Psalm 84 vers 4:

 

               Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

               Elk hunner zal, in ‘t zalig oord

               Van Sion, haast voor God verschijnen.

               Let, Heer’ der legerscharen, let

               Op mijn ootmoedig smeekgebed;

               Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

               Leen mij een toegenegen oor,

               O Jakobs God, geef mij gehoor.

 

De Heere heeft een genadetroon gegeven. Kennen we voor onszelf de troon van Gods genade? Het Woord des Heeren zegt ons dat we met vrijmoedigheid mogen gaan tot de troon der genade.

Luisteren we naar deze nodiging die de Heere tot ons zendt? Mogen we met al de noden van ons hart vluchten tot de troon der genade? We hebben barmhartigheid nodig. Het is nodig dat de Heere ons genade schenkt, dat we geholpen worden en dat onze ziel gered wordt. De Heere verlost Zijn kinderen steeds uit de benauwdheid.

Maar hoe is het nu met ons persoonlijk? Hoe is het met ons eigen hart? Kennen we de Heere als onze Toevlucht en Sterkte? Wanneer de Heere ons bidden geleerd heeft, vluchten we telkens naar de troon der genade. Dan knielen we voor de hoge God, dan belijden we steeds voor Hem onze schuld, dan smeken we om genade en dan ontvangen we ook troost. Het wordt ervaren dat de Heere gebed geeft en dat de Heere het gebed verhoort en dat Hij Zich ontfermt over een arme smekeling. God is het Die wonderen doet. God geeft zegeningen met volle hand! Genade en ontferming giet Hij als waterbeken uit op Zijn volk!

 

Zijn wij reeds gekomen tot de troon der genade? Heeft de Heere ons reeds geholpen? Hebben wij al genade gevonden? Weten we wel wat het is om genade te vinden? Heeft de Heere Zich reeds aan ons geopenbaard? Hebben we het ervaren dat de Heere onze ziel heeft getroost, dat Hij Zijn liefde en Zijn gunst ons schonk? Zo ja, dan zijn we gelukkig voor de tijd en voor de eeuwigheid. Gods kinderen kennen de troon der genade en vluchten er ook steeds weer naar toe. Ze kunnen God niet missen en ze storten hun hart voor Hem uit aan de troon der genade. Ze vragen om kracht en sterkte in de strijd tegen satan, wereld en eigen vlees. Ze smeken om de reinigende kracht van Christus’ bloed. Ze smeken: ‘Heere, wilt U mij leiden door Uw Heilige Geest, wilt U mij Uw zoete gemeenschap doen ervaren?’ Dan zal de Heere hen ook op Zijn tijd verhoren!

 

Dat we toch maar veel mochten bidden, gemeente! Dat is geen werkheiligheid, dat is geen wettische vroomheid, geen farizeïsme. Daar hebben we niets aan. Het gaan naar de troon der genade is een leven in afhankelijkheid, een leven in heiligmaking voor God.

Er zijn veel mensen die de troon der genade niet kennen, die de troon der genade niet nodig hebben. Behoort u daartoe? Veracht u de rijkdom van Gods genade? Vele mensen doen dat. Dat is erg, want zo gaat de mens om eigen schuld verloren.

O, vlucht toch tot de troon van Gods genade voordat het eeuwigheid voor u is! Christus wordt ons nog voorgesteld als de enige Verlosser. Er is een God Die wonderen doet! God is het Die zondaren het leven schenkt. De Geest des Heeren werkt nog. Zo worden er nog verlorenen gered en zondaren met God verzoend.

 

Volk des Heeren, ga toch veel tot de troon van Gods genade! Dit woord hebben Gods kinderen hard nodig, want ze kunnen zo lui worden in het geestelijke leven! Ja, ik weet wel dat velen zeggen: ‘We zullen moeten wachten op de roering van het water.’ Ja, dat is waar, het staat in Gods Woord. Maar er staat ook in Gods Woord dat we moeten bidden zonder ophouden. En wanneer u nu in eenzijdigheid uw levenspad gaat bewandelen, dan zult u veel in de donkerheid zijn, dan zult u veel Gods gunst moeten missen. De Heere laat nooit varen het werk van Zijn handen. Maar wij kunnen zo koud zijn. En velen van Gods kinderen hebben hun eerste liefde verlaten. Wanneer iemand eens wat spreken mag met heilig vuur, zeggen ze: ‘O, die heeft nog weinig ontdekking van God ontvangen, anders zou hij zijn doodsstaat wel beter kennen...’

De Heere zegt: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). Zonder Hem kunnen Gods kinderen geen stap op het pad des levens wandelen. Het is de Heere Die Zijn volk leidt. Ze moeten steeds door Zijn Geest onderwezen worden. Maar waarom maken ze geen vorderingen in het geestelijke leven? Ze zeggen: ‘Ja, ik zal maar wachten tot de troon der genade weer eens opengaat....’ Maar waarom denken ze dat de troon der genade niet geopend is? Omdat ze wegblijven van de troon der genade! Er zijn er zo velen die niet of niet steeds tot de troon der genade gaan, hoewel ze er toch weleens geweest zijn! O, laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.

 

Aan de troon der genade is alles te vinden wat nodig is. Niet in ons hart. Klaag uw nood aan de troon van Gods genade. Dan komt er verandering. Laten we maar wat meer beoefenen van hetgeen Paulus zegt: ‘Hij spreke tot zichzelf en tot God.’ Velen spreken veel meer tot anderen dan tot de Heere en tot hun eigen ziel. O, laten we het advies van de apostel ter harte nemen en met vrijmoedigheid gaan tot de troon der genade. We hebben nodig voorkomende, bijblijvende en achtervolgende genade. Genade om te leven en genade om te sterven.

 

Toegaan om geholpen te worden… De Heere kan ons helpen. God is de Redder van Zijn volk. Hij is het Die Zijn kinderen bewaart en beschermt. Hij is de Wachter Israëls Die nooit slaapt of sluimert.

 

Te bekwamer tijd. Dat is Gods tijd. Blijf wachten op het heil des Heeren, uitziende naar de Gods des heils, biddende aan de troon der genade.

 

We mogen ons gebed met vrijmoedigheid uitstorten voor het aangezicht des Heeren.

U zegt misschien: ‘Ik heb zo weinig vrijmoedigheid en zoveel beschuldigingen in mijn hart.’

Dat is te begrijpen. En toch, Gods Woord zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan... We mogen gaan, zonder prijs en zonder geld, om te ontvangen wijn en melk. Dat is zo moeilijk voor ons. We kunnen dikwijls zo prachtig spreken over de waarheid Gods, maar zo weinig beoefenen van de vreze Gods. Dat we dan toch in kinderlijke vrees mochten wandelen voor het aangezicht des Heeren, om met vrijmoedigheid te gaan tot de troon der genade en te zeggen: ‘Heere, ik ben een albederver. Ik ben tot alles in staat. Maar, Heere, wilt U mij leiden? O, dat ik mezelf toch niet zou verheffen, maar dat U mij mocht leren en onderwijzen!’

De Heere schenkt genade op een overvloedige manier. Hij helpt. Hij leidt Zijn volk door dit moeitevolle leven. Hij sterkt de Zijnen op hun pelgrimsreis. Hij geeft genade voor genade. Hij schenkt troost en kracht. Gods kinderen ontvangen stromen van genade van de troon des Heeren, van de troon der genade.

 

Het volk dat hier mag gaan tot de troon der genade, zal eens mogen staan voor de troon van het Lam. Zij die hier aan de troon der genade door God beweldadigd zijn, zullen eens tot in alle eeuwigheid voor Gods troon zijn. Daar zullen zij zingen het lied der verlosten, het lied van de genade die de Heere hen in dit leven geschonken heeft.

 

God gedenke ons en Hij geve ons dat we veel gebruik mogen maken van de troon der genade, om onze harten uit te storten voor Gods aangezicht. Maak daar al uw begeerten, door bidden en smeken, met dankzegging bij God bekend!

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 27: 5

 

Mijn hart zegt mij, o Heer’ ,van Uwentwegen:
‘Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht’;
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek de zegen
Alleen bij U, o Bron van troost en licht!
Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer’!
Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet;
O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 23)