Ds. H. Paul - Johannes 16 : 14

Het werk van de beloofde Trooster

Wat dit werk inhoudt
Hoe Hij dit werk verricht

Johannes 16 : 14

Johannes 16
14
Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 3
Lezen : Johannes 16: 1-15
Zingen : Psalm 27: 3, 7
Zingen : Psalm 145: 2
Zingen : Psalm 72: 10, 11

Gemeente, de tekst voor deze morgen vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Johannes 16 en daarvan het 14e vers:

 

Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

 

Onze tekst spreekt ons van: Het werk van de beloofde Trooster.

 

Daarin zien wij:

1. Wat dit werk inhoudt (Die zal Mij verheerlijken)

2. Hoe Hij dit werk verricht (want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen)

 

1. Wat dit werk inhoudt

 

Op het Pinksterfeest hebben we de uitstorting van de Heilige Geest mogen herdenken. Vóór Zijn lijden en sterven heeft de Heere Jezus Zijn discipelen beloofd dat Hij hun de Heilige Geest zou zenden. Zo sprak Hij: Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (vers 7). Dat heilsfeit hebben we mogen herdenken.

 

De Heere heeft deze woorden gesproken aan de vooravond van Zijn lijden en sterven. Hij heeft Zijn discipelen erop voorbereid dat Hij dit alles zal ondergaan. Maar ook dat Hij zal opstaan en ten hemel zal varen. Het is een voorbereiding op Zijn afscheid dat aanstaande is. Daarom heeft droefheid het hart van de discipelen vervuld.

Droefheid om het gemis dat er straks zijn zal, wanneer Hij niet met hen zal zijn. Daarom troost de Heere Jezus Zijn discipelen als de grote Trooster, Die nu nog bij hen is, met de belofte van de Heilige Geest. Want Hij zal wel van hen heengaan, maar het is juist hun tot nut, anders zal de beloofde Trooster niet komen. Die zal een schat van zegeningen meevoeren uit Christus en zal in hen wonen, en zal bij hen blijven.

Het zal geen verlies zijn, dat de Heere Jezus van hen heengaat. Al is dan hun hart ontroerd. De Heere Jezus zegt in het eerste vers van hoofdstuk 14: Uw hart worde niet ontroerd. In Mij ligt uw zaligheid. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In Mij is alles wat tot uw zaligheid en tot uw troost dient. De Heilige Geest zal u dat leren en doen ervaren.

Die Trooster zal dat Godverheerlijkend werk uitvoeren. Daardoor zullen zondaren zalig worden en worden getroost. Zij zullen gefundeerd worden in het allerheiligst geloof. Dat zal tot hun troost en tot hun nut zijn. Daarom spreekt de Heere Jezus over de andere Trooster Die komen zal.

 

Het is het enige gedeelte in Gods Woord waar de Heilige Geest ‘Trooster’ genoemd wordt. Het oorspronkelijke woord vinden we ook in de eerste brief van Johannes, het tweede hoofdstuk, waarin hij schrijft: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; en indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden.

Het woordje dat hier vertaald is door ‘Trooster’, Parakleet, Parakletos, wordt in de brief door Johannes vertaald door ‘Voorspraak’. Dus het woord houdt meer in dan alleen ‘Trooster’. Toen de Heere Jezus op aarde was, was Hij hun Trooster. In tijden van nood troostte Hij hen met Zijn aanwezigheid. Denk aan de storm op zee: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet (Matth.14:27).

Dat was hun tot troost. In nood en zorg was Hij bij hen. Hij was hun Trooster! Hij was tevens hun Voorspraak. Petrus mag horen: Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:32). In het evangelie van Johannes lezen wij in hoofdstuk 17 dat de Heere Jezus de grote Voorbidder is, Die voor hen bidt. Toen Hij bij hen was, was Hij de grote Parakleet, dat wil zeggen: de Voorspraak en de Trooster.

Wanneer Hij zal heengaan, dan zal er verandering komen. Hij verandert niet als Voorbidder. Dat zal Hij, op grond van wat Hij verdiend heeft, blijven doen aan de rechterhand van de hemelse Vader. Hij houdt Zijn hemelse Vader Zijn doorboorde handen voor, om te pleiten en te eisen voor hen die God Hem gegeven heeft.

 

Hij zal niet hun Trooster zijn Die bij hen is. Hij is dan in de hemel en zij zijn op de aarde. Maar de Heilige Geest, Die Hij zenden zal, Die zal de Trooster zijn, Die in hen blijft. Die zal bij hen blijven en Die zal in de gemeente op deze aarde wonen. Daarom worden de discipelen niet aan zichzelf overgelaten. Straks zullen zij het belangrijke werk gaan verrichten, om dienaren van het Woord te zijn, apostelen. Zij zullen het evangelie over de gehele aarde brengen.

Hun Meester is dan wel van hen, maar met Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest is Hij evenzeer bij hen, zoals Hij aanwezig was toen Hij lichamelijk, tastbaar bij hen was. Zij zullen daar niet minder van worden. Waar ze ook heen gaan, overal zal de Heilige Geest hen geleiden en met hen zijn. Daarom gaan ze er op vooruit. Er is geen plaats waar ze zullen komen, of de Heilige Geest is bij hen. Er is geen omstandigheid waarin ze zullen komen of de Heilige Geest zal ook daar bij hen zijn. Daarom is de Heilige Geest uitgestort.

 

Kinderen, jongens en meisjes, jullie weten dat we op het Pinksterfeest de uitstorting van de Heilige Geest hebben mogen herdenken. Onder bijzondere tekenen van een geweldig gedreven wind en tongen als van vuur, die op de discipelen bleven, is de Geest uitgestort, om daarmee juist Zijn werking aan te geven. Onweerstaanbaar zou de Geest werken. Hij zou verlichten en verwarmen en zou hen ook reinigen van de zonde. Welnu, dat stelt de Heere Jezus Zijn discipelen in het vooruitzicht: Die zal Mij verheerlijken.

Het is de Geest Die in alle waarheid zal leiden. Er was veel wat de Heere Jezus gesproken had dat ze niet verstonden. Ook zoveel dat ze op een verkeerde wijze opvatten, dat ze niet konden plaatsen. Dat niet overeenkwam met hun verwachting en gedachten. Er was zoveel wat nog in de toekomst gebeuren zou, maar voor hen nog verborgen was.

Maar de Heilige Geest zal wat Hij gesproken heeft helder en klaar voor ogen stellen, en het toekomende zal Hij hen leren. Daarin zal Hij tot een Leidsman zijn om te leren verstaan dat het Gods weg was, tot hun nut, dat de Heere Jezus van hen heenging en welk een rijke zegen zij daarmee verkregen.

 

Daarom: Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden (vers 13). Zij zouden de waarheid verstaan. Helder en klaar werd hun de waarheid voor ogen gesteld. Zij zouden die leren kennen, en weten wat de weg des Heeren was. Welke woorden ze moesten spreken, welke wegen ze moesten gaan, welk werk ze moesten verrichten. Dit geldt in het bijzonder hun apostolische roeping, hun toerusting tot het ambt.

 

Wat blijkt uit de ambtsbediening van deze apostelen hoe de Heere hen geleid heeft, welk een inzicht ze gekregen hebben in de waarheid van het Woord. Denk eens aan  Petrus. Als Petrus in de delen van Cesarea Filippi de Heere Jezus belijdt als de Zoon van God, dan verstaat hij niet langs welke weg Hij de Zaligmaker zal zijn.

Als de Heere Jezus spreekt over Zijn naderend einde, Zijn lijden, Zijn dood, dan zegt Petrus: Dit zal U geenszins geschieden (Matth.16:22). Ik zal er zorg voor dragen dat U dat niet overkomt. Later schrijft hij in zijn brief: Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandel, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petr.1:18-19).

Wat heeft Petrus veel moeten afleren. Wat heeft hij ook mogen inzien wat in Christus is, wat bij Hem te vinden is, wat noodzakelijk was, opdat Hij de Christus, Zijn Zaligmaker zou zijn. Dan geeft Petrus er blijk van de Schriften te hebben verstaan, die getuigden van de bediening en de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest.

In zijn rede op de Pinksterdag verkondigt hij het volk het Woord. Daarom heeft de Heilige Geest hem verlicht en is zijn duisternis opgeklaard. De waarheid is hem in al zijn rijkdom ontsloten. Hij mag zich verheugen in de God zijns heils. De waarheid van deze woorden is verzegeld aan zijn hart door de bediening van de Geest. Dat is waarheid voor Petrus zelf geworden.

 

Gemeente, daar ziet elk die hunkert naar de toepassing van de waarheid die in Christus Jezus is, naar uit voor eigen hart. Die hongert en dorst naar Zijn gerechtigheid. Die de noodzakelijkheid ervan heeft geleerd, en de toepassing daarvan mist, maar niet kan missen. Misschien zijn er wel die zichzelf een raadsel zijn. Die zich in de wereld niet meer thuis voelen en daardoor niet meer met de wereld mee kunnen, maar zichzelf niet het eigendom weten van Jezus Christus. Die niet verder komen in de kennis van Hem. Maar dan mag worden geweten: de Heilige Geest is het, Die plaats voor Hem maakt, en ook toepast wat in Christus is en Hem verheerlijkt.

Zoals onze tekst daarvan spreekt: Die zal Mij verheerlijken. Hij zal het heldere licht laten vallen op hetgeen in Christus is. Hij zal ogen geven om Zijn schoonheid te aanschouwen.

 

Twee dingen zijn nodig voor het ware geloof. In de eerste plaats: kennis. Wetenschap wat, overeenkomstig het Woord, de waarheid is. In de tweede plaats verlichting van het oog: geloof, om te aanvaarden wat de boodschap van het Woord inhoudt en ook mij geldt. Want geloven betekent altijd: geloven voor mij. Dat doe je niet voor een ander. Het ware geloven is geloven dat het ook mij geldt.

De catechismus zegt het: ‘Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.’ (Zondag 7, vraag 21).

Welnu, die wordt verkregen in de weg waarin Christus wordt verheerlijkt, als de enige grondslag van zaligheid aan mij bekendgemaakt wordt, in mijn onmogelijkheid. Als de waarheid die in het Woord opgetast is, zijn toepassing vindt voor ons hart en ons leven. Die zal Mij verheerlijken. Dat zal Hij doen, als Hij komt en uitgestort wordt op het Pinksterfeest.

De Heilige Geest doet dit door het Woord en de sacramenten. Daarvan mogen we de Heilige Geest nooit los maken. Anders openen we de deur voor dwaalgeesterij en bouwen we op een zandgrond van gevoeligheden. Daarin staat de mens centraal met zijn zogenaamde bevinding. De Heilige Geest verbindt aan het Woord en aan Zijn inzettingen en verootmoedigt de mens.

 

De vraag kan rijzen of Hij dat dan niet deed onder het Oude Testament. Waren er dan ook niet oudtestamentisch mensen die Christus kenden in het geloof? Denk aan Abraham. Abraham heeft met verheuging verlangd naar de dag van Christus. Hij is verblijd geweest toen hij hem zag. Was er toen niet een verheerlijking van Christus? Jawel! Oudtestamentisch heeft de Heilige Geest Hem ook verheerlijkt in de dienst van schaduwen. Maar het was slechts incidenteel. Dat was niet de stand van de kerk. Abraham was daar rijk mee bedeeld, maar de stand van het Oude Testament was dat uitzien naar, hongeren en dorsten naar de komst van de Zaligmaker.

Oudtestamentisch werd de gemeente getuchtigd door de wet naar Christus, opdat ze in Hem zouden zoeken en vinden wat tot zaligheid diende. Dat ze zouden bidden: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt (Jes.64:1). Dat was de stand van de oudtestamentische kerk. Ze waren nog onder voogden en verzorgers. Ze verstonden niet de rijkdom die in Christus is. Ze kwamen niet tot de vrijheid van de kinderen Gods.

Dat was de stand van de kerk van het Oude Verbond. Maar dat zal anders worden onder het Nieuwe Testament. Die zal Mij verheerlijken. Dat is de belofte die de Heere gegeven heeft. Paulus schrijft ervan: Welke in andere eeuwen de kinderen der mensen niet is bekendgemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest (Ef.3:5). Er zal dus meer licht ontvangen worden dan er was onder het Oude Testament, en daarin werd Christus verheerlijkt. Daardoor zal meer licht op Hem geworpen worden. De schoonheid, de heerlijkheid en de rijkdom van Zijn genade zal klaarder voor ogen gesteld worden. Maar ook zal het geloof ontvangen worden om dat te verkrijgen met een lege bedelaarshand.

 

Nu een vraag, gemeente: verstaan we iets van die volheid, van die rijkdom die in Christus is? Of hunkeren we daar niet naar, jongens en meisjes, kinderen? Is het iets wat aan je voorbijgaat? Heb je genoeg aan het tijdelijke, aan het vergankelijke?

Heb je er geen belang bij dat in Christus een schat van zaligheid bekendgemaakt, gepredikt en aangeboden wordt in het evangelie, opdat zondaren daarnaar zouden hongeren en dorsten? Vraag toch om de bediening van de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt.

 

Bij de woorden Die zal Mij verheerlijken kan ook de vraag opkomen of het dan niet gaat om de verheerlijking van een drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Ook de Vader?

U begrijpt, gemeente, dat kan nooit los van elkaar zijn. Als de Heere Jezus hier zegt: Die zal Mij verheerlijken, dan zal de Heilige Geest, op het Pinksterfeest uitgestort, ook de Vader verheerlijken! Dan zal Hij op Hem doen zien, en Hem doen kennen, als de Bron van de zaligheid, uit Wie het welbehagen voortkomt. Dan zal Hij Zijn wijsheid verheerlijken, dat er een weg der zaligheid is, waar geen weg was. Dan zal Hij Zijn almacht verheerlijken, dat er een weg gebaand is, waar van de mens uit geen mogelijkheid was om ooit met God verzoend te worden. Dan zal Hij Zijn liefde verheerlijken, Die Zijn Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). Dan zal Hij Hem verheerlijken. Daarom: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien (Joh.14:9).

In het verheerlijken van Christus worden ook de Vader en de Heilige Geest verheerlijkt.

 

Die zal Mij verheerlijken. De vraag kan nog opkomen: hoe doet de Heilige Geest dat?

Het brengt ons bij onze tweede gedachte:

 

2. Hoe Hij dit werk verricht

 

Doet Hij dat door visioenen? Doet Hij dat door gezichten? Doet Hij dat door dromen? Wat gebruikt de Heilige Geest daarvoor, om Christus te verheerlijken? Jongens en meisjes, wat denk je? Wat zal de Heilige Geest gebruiken om de heerlijkheid van Christus voor ogen te stellen?

Dat is het Woord. Onthoud dat goed. Altijd maar weer het Woord. Ook de sacramenten, maar in de eerste plaats het Woord. Het Woord, gegeven tot werking van het geloof en tot versterking van het geloof. Er zijn mensen die spreken van bijzondere openbaringen, van inwendige stemmen, van Geesteslicht, van zaken waar het Woord niet van weet. Denk aan de Wederdopers en ook anderen.

Het geslacht dat meer vertrouwen heeft op het inwendig licht dan op het Woord van God is niet uitgestorven. Maar dan eindigen we in de mens. Dat worden dan bijzondere mensen met hun bevinding. Maar dat is levensgevaarlijk. Dan bouw je op een drassig fundament, dat geen houvast geeft.

Nee, de Heilige Geest verheerlijkt Christus in het Woord, waarin de schatten der zaligheid zijn opgestapeld. In het Woord van God wordt bekendgemaakt wat in Christus Jezus is. Dan wordt de Geest werkzaam om het Woord toe te passen dat tot inhoud heeft hetgeen in Christus Jezus is.

 

Die zal Míj verheerlijken.

Mij; niet de discipelen. De discipelen waren rijk bevoorrechte mensen. Met Pinksteren mochten ze in vreemde talen spreken. De Heilige Geest zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. De Heilige Geest zal met hen zijn. We zouden denken: daar zit geen tekort in. Wat zal dat straks een rijke toekomst zijn voor de apostelen. Het zal een soort triomftocht zijn. De discipelen toegerust met de Heilige Geest, bekwaam gemaakt van boven. Zo zullen ze het werk gaan doen.

Maar… Wij hebben deze schat in aarden vaten (2 Kor.4:7), zegt Paulus. Dat zal telkens werkelijkheid worden. Hij zal Zijn apostelen niet verheerlijken.

Denk eens aan Paulus, als hij dat gezicht ontvangt in Troas: Kom over in Macedonië en help ons (Hand.16:9). Dan besluit hij, en de zijnen met hem, dat hij naar Europa, naar Macedonië moet. Staat daar dan een menigte mensen te wachten: ‘Kom over en help ons’? Mensen in nood? Niet één!

Toch is het waar, en het gaat door. Tenslotte preekt hij bij de rivier en daar wordt Lydia bekeerd. Daar worden zelfs ook duivelen uitgeworpen uit een dienstmaagd. Maar hij komt, samen met Silas, met een bebloede rug, wel in de gevangenis terecht. In de gevangenis! Is dat de vervulling van ‘Kom over en help ons’?

Toch gaat God door, in die weg. Later zegt hij ervan: Want wij die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden (2 Kor.4:11). Dat wil zeggen: dan komt juist in die omstandigheden de rijkdom van Christus’ genade en de kracht van Zijn werk openbaar.

 

Nee, niet de discipelen worden verheerlijkt. Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30), zegt Johannes de Doper. Het is een les die doorgaat en waardoor God aan Zijn eer komt. En de kerk zal er komen. Zondaren zullen worden behouden. Het gaat dwars door alles heen. Die zal Mij verheerlijken.

Daarom is dat het werk van de Heilige Geest, dat Hij Christus voor ogen stelt. Hij maakt plaats voor Hem. Alleen in Christus wordt alles gezocht en gevonden wat tot zaligheid dient.

 

Dat gebeurt dus door het Woord. Daarom is het zo nodig dat wij het Woord onderzoeken. Dat wij het Woord ook mogen beluisteren en dat we met het Woord bezig zijn. Philpot zei ergens: ‘Wij zullen tot die rijke en hemelse wijsheid niet komen, die in het Woord van God is opgeslagen, tenzij wij in de Schriften met smeking en gebeden onderzoeken, om te verstaan wat de Heere daarin heeft geopenbaard, wat Hij heeft bekendgemaakt, wat de wil van God is, wat de weg der zaligheid is, tot lering en troost.’

Daarom is het biddend onderzoek van het Woord van God zo noodzakelijk. Jongens en meisjes, onderzoek het Woord dat je op de catechisatie uit de lessen mag ontvangen. Maar ook als je onder het Woord van God bent en als je het thuis leest. Verlang daardoor te mogen leren wat tot je zaligheid dient.

Ook Gods kerk kan zo verachteren in de genade, zo weinig bezig zijn met het Woord van God en het beoefenen van het gebed. Wanneer wij de middelen niet trouw waarnemen, dan brengt dat duisternis met zich mee.

De catechismus zegt ‘dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken’ (antwoord 116). Het is geen automatische zaak. De beloften van God worden altijd vervuld in de weg van bekering en geloof. Zij zullen hun vervulling niet missen. Wij dragen grote verantwoordelijkheid. Ook in het verkrijgen van de schatten van genade, die in Christus Jezus zijn.

Het Woord van God houdt ons altijd verantwoordelijk, al weten we dat God soeverein en vrijmachtig Zijn werk doet. Maar wij blijven ten volle verantwoordelijk.

 

Deze belofte, die de Heere Jezus Zijn discipelen gegeven heeft, geldt ook voor de nieuwtestamentische kerk. Laat dat dan het gebed zijn – dat geldt ook Gods kinderen – of de Heere dat werk wil verheerlijken. Vaak horen we wel iets dat getuigt van ontdekking, en ook wel eens een vertroosting. Maar waar horen we nu van dat leven uit Christus? Die geloofsomgang met Christus? Dat is niet overbodig. Dat is geen bijkomstigheid, die wel nuttig maar niet noodzakelijk zou zijn.

Hoe zullen we ooit rust voor ons hart en vrede voor onze ziel kunnen vinden, als wij geen kennis van de Zaligmaker hebben? Moet het niet het verlangen zijn van ons hart, om daarin te mogen delen? Dat Hij ons bekendgemaakt wordt? Dat ons oog geopend wordt voor onze verlorenheid, onze schuld en zonde, maar ook voor wat in Hem is? Dat geeft rijke troost. Dan is er maar één troost in leven en sterven, het eigendom te zijn van Jezus Christus.

Dominee Kersten zegt ergens: ‘Velen leven bij nu en dan een toeknikje. Dat is wel groot, maar er is meer.’ Er is meer te verkrijgen. Het Woord roept er toe op en de Geest verlangt thuis te brengen wat in Christus is. Dat is immers Zijn doel.

 

De Heere Jezus heeft ervan gesproken in onze tekst: Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. De Heere Jezus heeft gaven genomen om uit te delen, opdat wederhorigen bij de Heere zouden wonen. Dat uitdelen van gaven van de verhoogde Christus aan de rechterhand van de hemelse Vader, is het werk van de Geest. Hij deelt uit door de Geest, en niet daarbuiten. En daarom: Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

De Heilige Geest voegt niets toe aan Christus’ werk. Hij voegt niets toe aan hetgeen Christus als de grote Profeet heeft bekendgemaakt. Hij voegt niets toe aan Christus’ priesterlijk werk. Hij past het toe. Hij neemt uit de schatten van Christus, die Hij verworven heeft, een schat van zaligheid, en deelt erin mee.

Hoe doet de Heilige Geest dat? Hij doet dat in de weg van plaats maken voor en behoefte wekken aan.

Gemeente, daarover hebben wij licht vanuit het Woord nodig. De Heilige Geest maakt plaats voor Christus. Laat de behoefte aan Hem levend zijn. Hij doet de onmisbaarheid van Hem kennen. Dat gaat in de weg van ontdekking aan schuld en van zonde.

Velen willen daar niet aan. In onze tijd hoor je regelmatig dat alles in Hem voor ons is. Dat heb je maar aan te nemen. Dat geldt u en jou. Dat bezit je eigenlijk al. Een ernstige waarschuwing mag in dezen wel op zijn plaats zijn. Laten we ons niet mee laten voeren door de tijdgeest, waardoor het zo vanzelfsprekend is. Je gaat naar de kerk, je bent gelovige, je bent lid van Jezus’ lichaam, de Heilige Geest is je gegeven en dat moet je gestalte geven. Je moet je geloof vermeerderen en je moet de wereld ingaan. Dat is zo de trend van deze tijd. Dat is levensgevaarlijk. Jonge mensen, laat je niet bedriegen door wat in die weg tot je komt. Het is de Heilige Geest Die plaats maakt voor Christus.

 

Het is net als in het maatschappelijke leven. Je kunt horen van een bekende specialist. Een man die bekwaam is om operaties uit te voeren die anderen niet kunnen verrichten. Daardoor worden soms bijzondere genezingen verkregen. Wat een voorrecht als je hoort dat er zo’n specialist is. Maar als ik gezond ben heb ik die man niet nodig. Als ik niets mankeer, dan ga ik er aan voorbij. Dan neem ik dat voor kennisgeving aan, maar het leeft niet voor me.

Zo is het ook geestelijk; het leeft pas voor mensen die de Specialist (met een hoofdletter) nodig hebben.

Dat wil niet zeggen dat het evangelie alleen is voor verslagen harten. Het is er voor iedereen. Maar we moeten Zijn noodzakelijkheid en Zijn onmisbaarheid leren. Dat kan alleen in de weg van ontdekking en van schuld. De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde (Joh.16:8).

 

Dan wordt het ons tot zonde, dat we Hem niet geloofden. De Pinkstergeest zet in met de ontdekking aan zonde. Zie op het Pinksterfeest. Drieduizend mannen vragen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand.2:37). Verslagen van hart. Zo werkt de Heere.

Maar op dezen zal Ik zien, op de arme en de verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft (Jes.66:2). Er wordt in dit opzicht ontzaglijk roekeloos geleefd. Ook roekeloos gepreekt en roekeloos aangenomen. Daar kun je niet ernstig genoeg voor waarschuwen.

Aan de andere kant, er is een Zaligmaker. Tot Wien zullen wij heengaan? (Joh.6:68) Tot Hem alleen!

 

Vroeger zeiden Gods kinderen: ‘Vraag veel om ontdekkend licht.’ Want juist in de weg van veel ontdekkend licht krijg je veel vertroosting nodig. Dan wordt het beleving dat ik zondaar ben voor God. Het zondaar zijn voor God kan niet gemist worden. Dat brengt de Heere altijd teweeg, om in die weg de heerlijkheid van de Zaligmaker voor te stellen.

Catechisanten, wat is een Zaligmaker? Een Zaligmaker is toch Iemand Die van de zonde verlost en tot God brengt. Dat is niet zomaar een naam. Hij verlost van de zonde. Degene die zonde heeft, moet van de zonde verlost en tot God gebracht worden. Die staat buiten God en die kan God niet missen. Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen.

Hij zal uit de volheid van Christus, de schatten die Hij verworven heeft, nemen en zal het u verkondigen. Dat is de weg van het Woord. Hij doet hongeren en dorsten naar hetgeen Christus heeft verdiend. Hij doet met verlangen uitzien naar de toedeling wat in Hem te vinden is.

Daarom maakt Hij juist zo arm en behoeftig. Dat wij God missen in de beleving van ons hart en naar recht, maar Hem niet kunnen missen. Hij leert God vrij te verklaren. Hij is rechtvaardig als Hij mij altijd voorbij gaat. ‘U bent rechtvaardig, Heere, als U me altijd verstoot. Maar genâ, o God, genâ! Hoor mijn gebed.’

 

Gemeente, die droefheid naar God is een wezenlijk kenmerk van de bekering. Benauwdheid kan er bij zijn, maar laten we dat niet als het criterium stellen. Er kan ontzaglijke benauwdheid zijn, zonder droefheid, die ons geen stap verder brengt. Misschien een uitwendige verandering geeft, maar niet voor God doet buigen en naar Hem doet vragen.

Nodig is dat heimwee naar God, waarvan de dichter zegt: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? (Ps. 42:2-3)

 

Gods kinderen zijn geen hemelzoekers, het zijn Godzoekers. Wij zijn uit God gevallen en de gemeenschap met God geeft rust en vrede in ons hart. Een weg buiten Christus naar God is er niet. Geen verdienste, geen waardigheid, geen gebeden kunnen baten. Maar de volheid in Christus Jezus, die is het, waardoor zondaren met God verzoend worden. Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

En dat ‘Mijne’... ja, gemeente, waar zullen wij beginnen en waar zullen wij eindigen? Dat ‘Mijne’ was er al toen Hij kwam in deze wereld. Toen Hij werd geboren in een beestenstal en gelegd werd in een kribbe. Wat is daar al in te vinden voor een hulpeloze zondaar? Dat Hij de zonde en de ongerechtigheid, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor het aangezicht van God bedekt met Zijn onschuld. Dat Hij alles heilig heeft overgedaan.

Een volheid van genade vloeit daarin al uit Hem voort, tot bedekking en vergeving van de zonde. Het geloof put daar al rijke troost uit. Dat is al het ‘Mijne’.

 

Hij is mens geworden, maar ook God gebleven: Immanuël, God met ons. Dan wordt gezien dat het Kind in de kribbe niet alleen een hulpeloos klein kind is, maar ook God is. Dan is Hij de Held, bij Wie God hulp besteld heeft. Dan heeft Zijn offer eeuwigheidswaarde en kan de grootste zondaar nog zalig worden. Niemand is zo diep gevallen, of hij kan nog zalig worden om het offer van Christus Jezus, Gods Zoon. Dat is de rijke volheid van Zijn nederige geboorte, van Zijn heilige ontvangenis, en Zijn zondeloze geboorte uit Maria.

Dan zien we Hem in de vlucht naar Egypte. Ook als verzocht in de woestijn, zonder zonde. Hij is in alle verzoekingen verzocht geweest, maar zonder zonde, opdat zij die verzocht worden, zouden worden geholpen. Wat is het dan een troost dat Hij weet wat een strijd er zijn kan. Dat Hij staande gebleven is, dat Hij niet geweken is en dat Hij overwonnen heeft door Zijn Woord. En zie Zijn hele lijdensgang: Gethsémané, Gabbatha, Golgotha. Zijn dood, Zijn begrafenis, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart.

Schatten van genade zijn in Hem te vinden.

Daarom zal Hij het uit het Mijne nemen. Hij zal wat in Hem is, ook uit die volheid nemen en ons verkondigen. Dat mag Gods kerk weten: die troost is hun deel. Naarmate ze nu behoeftig zijn, ledig, arm en begerig, temeer ook zal die waarheid gekend worden. Dan zal die zekerheid ontvangen worden en die troost hun worden toegedeeld. Dan wordt Hij verheerlijkt. Dan is al wat aan Hem is, gans begeerlijk.

 

Gemeente, laten we eerst zingen, uit Psalm 145 vers 2:

 

Ik zal, o Heer’, Dien ik mijn Koning noem,

De luister van Uw majesteit en roem

Verbreiden, en Uw wonderlijke daân

Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.

Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,

De grote kracht van Uwen arm verhogen;

Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,

En overal Uw grootheid openbaren.

 

Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

Calvijn zegt ervan: ‘De Heilige Geest schenkt ons dus niets buiten Christus om, maar Hij neemt het van Christus om het in ons over te storten.

Het is noodzakelijk om die waarheid te kennen en de kracht ervan te ervaren. Om het als een geschenk uit Gods hand te ontvangen met een lege bedelaarshand.

 

En uit Zijn volheid, zegt de apostel Johannes, hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Joh.1:16). Genade voor en genade na. Het zal altijd genade blijven en altijd als genade worden gekend. In de weg dat er behoefte aan gevoeld wordt.

Veelal gaat Gods afsnijdend werk eraan vooraf. Dan versta je wie je bent voor God. Al dieper ingeleid in die waarheid, verstaan we ook onze afkomst uit het paradijs. Dan komt er meer en meer behoefte om uit de volheid van Christus genade te mogen ontvangen.

 

Hij is gegeven tot wijsheid van God, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot verlossing. Het gaat er niet alleen om, om van de zonde bevrijd te worden als schuld en als straf, maar het gaat er ook om, om door Hem bevrijd te worden van de macht van de zonde.

We kunnen Hem niet alleen kennen en nodig hebben tot Priester, zonder Hem als Koning over ons leven te mogen uitroepen. Want waar de zonde als zonde gekend wordt, wordt ze als schuld gezien, maar ook als macht. Er wordt een afkeer gewekt van de zonde, en een verlangen geboren om zonder zonde voor God te leven. Dan zou je de zonde met wortel en tak uit je hart en leven willen uitroeien. En dat niet in eigen kracht.

We kunnen uit onszelf geen enkele zonde ten onder brengen en ons van de macht van de zonde verlossen. Maar er is Eén Die een Held is, bij Wie God hulp besteld heeft. Hij heeft als een hulpeloos Kind in de kribbe gelegen, maar ook als de Held Die God gegeven heeft om te verlossen. Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

Wie Christus is, wat in Hem te vinden is, moet dus worden geleerd door de bediening van de Heilige Geest. De Heere wil dat middellijkerwijs doen door het onderzoek van Zijn Woord, door te luisteren naar het Woord en door het gebed.

 

We kunnen de Geest ook tegenstaan, ook bedroeven en uitblussen. We staan Hem tegen, jongens en meisjes, wanneer we de indrukken die je hebt van dood en van eeuwigheid, verdringt. Als je er overheen leeft omdat dat je zo onrustig maakt, terwijl je rust wilt hebben. Ja, valse rust. Die nare gedachten wil je kwijt, je weet dat je zo niet kunt sterven. Je bent nog jong, je leeft er overheen. Satan helpt je een handje, en je staat de Geest tegen.

Vraag toch om de doorwerking van de Geest, Die zaligmakend is en Die in waarheid ontdekt aan de zonde. Maar Hij vertroost ook. Dan wil je niet ruilen met wie ook, als de waarheid uit het Woord open gaat, wat in Christus is tot zaligheid. Dan ben je de rijkste van alle mensen. Dan is het:

 

Weg wereld, weg schatten,

gij kunt niet bevatten,

hoe rijk ik wel ben!

Ik heb alles verloren,

maar Jezus verkoren,

Wiens eigen ik ben.

 

Dat is om niet te verkrijgen. Hoeveel jaren reeds klopt de Heere op de deur van uw hart? Hoeveel jaren reeds wordt het Woord al verkondigd? Misschien hebt u al vele jaren Pinksteren mogen vieren. Bent u ooit verlegen geweest om de bediening van de Heilige Geest? Heb u ooit, als een missend zondaar, de Heere aangelopen om die genade te ontvangen?

We mogen het ook verstandelijk aan de Heere voorleggen. In die weg kan de Heere een waar gebed schenken. Hij wil Zijn Geest geven, die Hem daarom hartelijk zuchten en Hem daarvoor hartelijk bidden en danken.

 

Ook Gods kerk draagt een grote verantwoordelijk voor deze dingen. Noodzakelijk is een nauw leven, waarin veel van de Heere ontvangen wordt. Dat is geen wettisch leven, maar een nauw leven. Daarin wordt begeerd te horen en te verstaan wat de Heere ons in Zijn Woord verkondigt. Daarin wordt ons hart gericht op de vermeerdering van de genade en worden we dieper ingeleid in de heilgeheimen van het genadeverbond.

Veel schatten van het genadeverbond blijven ongebruikt liggen, omdat er geen geloofskennis van is. Daarom is het zo nodig om in de weg van ontdekking de noodzakelijkheid ervan te leren, maar ook de troost ervan te ontvangen en de kracht ervan te ervaren.

Die zal Mij verheerlijken. Dat is een belofte, die geldt voor de kerk van het Nieuwe Verbond. Het Woord van Christus is betrouwbaar. Hij heeft het Zelf toegezegd. Het is het Woord der waarheid. Dat geldt de discipelen in de ambtelijke toerusting en dat geldt ook de kerk van alle tijden en van alle plaatsen.

Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Dan zegt Hij in het volgende vers: Al wat de Vader heeft is Mijn. De Geest heeft ontvangen van de schatten van Christus, die Hij verwierf, en verkreeg wat God als liefhebbend Vader heeft toegezegd. Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken (Joh.14:23).

Er is zoveel meer te kennen, als we worden ingeleid in het geheim van het genadeverbond, wat tot zaligheid is, in God Drie-enig. Want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

 

Het doopformulier spreekt er ook van: ‘Ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben: de afwassing der zonden en dagelijkse vernieuwing van ons leven.’ Dat hebben wij in Christus. Dat mag de kerk van alle tijden weten. Die genade wordt ook u verkondigd. Maar door het geloof mag ook worden geweten dat de Heilige Geest het zal nemen uit Christus: ‘Ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben.’

 

Het is net als met een klein kind. Een klein kind dat net geboren is, een baby, is kind van de ouders. Dat wordt dooplid van de gemeente. Dat is inwoner of inwoonster van deze plaats en een onderdaan van het koninkrijk der Nederlanden. Maar het weet het niet. Het heeft er geen besef van. Het weet niet wat het alles met zich meebrengt. Daarvoor is nodig het opgroeien, het toenemen van het verstand. Dan worden deze zaken pas duidelijk. Dan is er ook werkzaamheid met wat het met zich meebrengt.

Zo is het ook geestelijk. Er is zoveel te kennen en zoveel te verkrijgen. Dat we dan arm in onszelf, maar steeds de volheid van Hem zouden benodigen, Die kwam om te dienen. Zijn liefste werk is te doen wat wij niet kunnen. Er zijn schatten van zaligheid. Er is een overvloed die Jozefs schuren in Egypte overtreft, want die raakten leeg. Maar deze volheid blijft volmaakt.

Dan zal het Woord waar zijn: ‘Die Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.’ Dat we ons zouden haasten, ter wille van ons leven, maar ook daarmee zouden zoeken hetgeen tot troost en zaligheid dient. Tot roem van Zijn grote Naam.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 10 en 11

 

Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,

’t Gezegend heidendom

’t Geluk van deze Koning prijzen,

Die Davids troon beklom.

Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,

Bekleed met mogendheên;

De Heer’, in Israël geprezen,

Doet wond’ren, Hij alleen.

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;

Men loov’ Hem vroeg en spâ;

De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen

Met amen, amen na.