Ds. H. Paul - Psalmen 45 : 10 - 13

Een opwekking voor de bruid van de Koning

Psalmen 45
De plaats haar gegeven
De onderwerping die haar past
De eer haar geschonken
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 23)

Psalmen 45 : 10 - 13

Psalmen 45
10
Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
11
Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
12
Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.
13
En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 87: 3, 4
Lezen : Psalm 45
Zingen : Psalm 45: 5, 6
Zingen : Psalm 86: 6
Zingen : Psalm 115: 1, 7

Gemeente, onze tekst vindt u in Psalm 45, daarvan de verzen 10 tot en met 13, waar wij het Woord van God lezen:    

 

Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.

Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.

Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

 

Onze tekst bevat: Een opwekking voor de bruid van de Koning.

 

We staan stil bij:

1. De plaats haar gegeven

Ze staat aan ‘s Konings rechterhand.

2. De onderwerping die haar past

Dewijl Hij uw Heere is, buig u voor Hem neder.

3. De eer haar geschonken

De dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

 

Psalm 45 wordt wel genoemd ‘het Hooglied onder de psalmen’. U weet, in het Hooglied van Salomo wordt ons, in het aardse beeld van een koning en zijn bruid, de Heere Jezus Christus met Zijn gemeente getekend. De bruid in de verhouding waarin ze mag staan tot Christus. De bruid, die Hij kocht met de prijs van Zijn bloed. Het bevat de samenspraak tussen de Koning en de bruid, waarin de Koning haar schoonheid roemt, haar bevalligheid in Zijn ogen. Maar hoe bevallig ze ook is, gemeente, dat is ze alleen door de Bruidegom, want haar schoonheid is van Hem aan haar gegeven. Zo wordt ze getekend in het Hooglied van Salomo.

 

Maar dat geldt ook hier in Psalm 45. Daar wordt ook in onderlinge samenspraak gesproken, maar nu spreekt de profeet van de Koning en tot de Koning. Hij spreekt van de bruid en tot de bruid. Het is met recht ‘het Hooglied onder de psalmen’.

Eerst spreekt de profeet van de heerlijkheid van Christus. De eerste negen verzen gewagen van Zijn grootheid, van Zijn heerlijkheid, van Zijn persoon, van de overwinning Hem toegebeden, van de regering die Hij mag uitvoeren, van de gaven die Hem zijn geschonken. Het gaat over Zijn klederen; het beeld waardoor aangegeven wordt dat Hij de zalving van de Heilige Geest ontvangen heeft, waarmee Zijn klederen zijn doortrokken.

Zondaren worden aangetrokken; Hij verwerft Zijn gemeente door de trekkende kracht van de Heilige Geest. Want die olie is het beeld van de Heilige Geest, waardoor Hij Zijn gemeente vergadert en bijeenbrengt tot een schare die niemand tellen kan.

 

Zo wordt er ook gesproken van elpenbenen paleizen. Ja, gemeente, wat van Hem is, is zo groot en zo rijk dat het met geen woorden is uit te spreken. De dichter heeft het over elpenbenen paleizen. Elpenbeen is hetzelfde als ivoor, en is dus zeer kostbaar. Nee, het betekent niet dat de paleizen helemaal van ivoor zijn, maar veel ivoor is er gebruikt om het geheel te verfraaien. Het gewaagt allemaal van de heerlijkheid van de hemelse rijkdom van Zijn genade.

 

Vanwaar zij u verblijden.

Daarin is de bron van de blijdschap. Hetgeen uit Hem is en haar geschonken wordt, dat doet haar in Hem verheugd zijn. En dat doet ook Hem verheugd zijn over haar schoonheid en heerlijkheid. En daar spreekt ons tekstgedeelte van.

 

1. De plaats die aan de bruid wordt gegeven

 

De dichter-profeet gaat spreken tot de Koning:

Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.

Hier worden we heen gewezen naar hetgeen op de bruiloft plaats had, de samenvoeging dus van bruidegom en bruid. De aanstaande koningin is aan de rechterhand van de Koning. Maar er is niet alleen een koningin, er zijn ook kostelijke staatsdochteren. En die worden genoemd ‘dochters van koningen’. Ze zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren. Het gaat hier dus om prinsessen die aan het hof van de Koning een plaats ontvangen.

 

We weten dat Salomo er velen had. Dat was niet tot navolging, dat was niet naar de wil van God. Maar Salomo had ook vele vrouwen in zijn dienst werkzaam, in de hofhouding om zo te zeggen. Toch wordt het beeld hier gebruikt van prinsessen. Het waren namelijk dochters van koningen, die weliswaar van geringere status dan de koning van Israël waren, maar toch waren hun dochters prinsessen.

Ze waren werkzaam aan het hof van deze koning. Het was voor hen een hele eer om daar te mogen zijn, bij deze koning, wiens heerlijkheid en grootheid en schoonheid allerwegen uitblonk. En het was voor hem een eer dat dochters van koningen zijn staatsdochters waren. Zij waren er werkzaam, misschien in de hofhouding. Hij liet zich dus van hen dienen.

Daarin is hij een heenwijzing naar de meerdere Koning der koningen, de Heere Jezus Christus. Ook Hij laat Zich dienen van zonen en dochteren van een koning.

U zult zeggen: ‘Van een koning?’ Ja, gemeente, zo zijn we immers geschapen? Wij zijn eenmaal geschapen als prinsen en prinsessen, als vorsten, in het paradijs. We zijn geschapen als profeet, als priester en als koning. Adam wordt toch genoemd ‘de zoon van God’? We hadden een koninklijke gestalte. We hadden bevoegdheid en heerschappij over de schepping. Hoog was de mens verheven. Maar wat zijn we geworden? Door onze diepe val in Adam zijn we dienaren geworden van satan. Zo diep zijn we allen gevallen.

We willen daar wel niet aan; een mens wil er zeker niet aan dat hij van zo hoog, zo diep is gevallen. Een mens probeert zich overeind te houden, hij tracht met het zijne steeds hogerop te klimmen, desnoods tot God. Maar, gemeente, wanneer de Heere dat leert verstaan door de Heilige Geest, wanneer we de waarheid gaan kennen hoe God ons geschapen heeft en wat we geworden zijn, is de laagste plaats niet te laag. Wij zijn van hoge afkomst; uit de schepping door God met Gods beeld versierd.

 

Maar hoe kan Hij Zich nu doen dienen door zonen en dochteren van zo’n koning, van de vorst der duisternis? Gemeente, dat kan alleen door een wonder, het wonder van de wedergeboorte; dat kan alleen door herschepping, door vernieuwing. Waar de Heere de wedergeboorte werkt, wordt in beginsel hersteld wat we kwijtgeraakt zijn. Dan worden we in beginsel opnieuw gesteld in relatie met deze Koning. Dan zegt het Woord van God dat we geworden zijn een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht (1 Petr.2:9).

In de wedergeboorte wordt in beginsel hersteld wat we in het paradijs zijn kwijtgeraakt, hier nog maar ten dele, maar straks volmaakt en voor eeuwig. De erfenis die Hij verworven heeft, wordt dan ten volle gegeven; en dan wordt de verbroken verhouding volmaakt hersteld.

 

Gemeente, wat zijn we kwijtgeraakt? Dat moeten we eerst verstaan, die waarheid moeten we eerst doorleven, zullen we ooit tot de gemeente behoren waarvan hier staat: Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren. Want dat is nu juist de gemeente des Heeren! Daar wordt de gemeente Gods mee aangeduid.

Het is net als in het Hooglied. Daar wordt gesproken van de bruid, maar ook van de dochteren van Jeruzalem. De dochters van Jeruzalem waren ook hartelijk verbonden met de Bruidegom; ze stonden naast de bruid. Ze kenden wel niet die nauwe gemeenschap met de Bruidegom, maar hun hart ging er naar uit, naar de gemeenschap met Hem. Het waren daarom de dochters van Jeruzalem.

Welnu, hier in ons tekstverband is sprake van kostelijke staatsdochteren, waarschijnlijk werkzaam aan het hof. Het woordje ‘staatsdochteren’ staat schuin gedrukt; dat betekent dat het niet in de grondtaal staat; het is ingevoegd, erbij gevoegd, om de zin lopend te krijgen, om het juiste beeld te schetsen.

Het gaat om hen die kostelijk zijn in de ogen van de Koning. Van toen af dat gij zijt kostelijk geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad (Jes.43:4). Liefgehad met een eeuwige liefde. Dat geldt de koningin die aan de rechterhand van de Koning staat – daarover straks – maar dat geldt ook de staatsdochteren. Hij heeft ze lief met een eeuwige liefde.

 

Nogmaals gezegd, gemeente, we hoeven de levenswijze van koning Salomo niet als voorbeeld te verheffen. Maar het wordt hier gebruikt als beeld. Het is een wonder dat die staatsdochteren daar mogen zijn, een wonder dat ze daar in die plaats mogen dienen.

En dat geldt nu in het bijzonder elk die in waarheid iets kent van de genade van God, van Zijn opzoekende liefde. Want waar heeft Hij ze gevonden? Oorspronkelijk wel koningskinderen in het paradijs, maar nu geworden zoals Ezechiël dat zegt: Gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage toen gij geboren waart. Als ik u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef (Ez.16:5-6). Daar vond de Heere hen. Daar zocht Hij ze op. Daar verbond Hij hen aan Zich. Hun vader was een Amoriet en hun moeder een Hethitische. Het is voor ons nooit klein te krijgen.

En deze prinsessen waren nog van goede komaf. Maar die Hij in waarheid tot Zijn gemeente bijeenbrengt en Zich van hen doet dienen, dat zijn zij van wie geldt: ‘op het vlakke des velds geworpen’. Daar hebben zij zich leren kennen in hun verfoeilijkheid voor God, in hun onwaardigheid, in hun schuld, in hun verlorenheid. Maar dan dat wonder van genade, dat Hij voorbijkomt en zegt: ‘Leef in uw bloed, leef!’

En daarom, gemeente, er is geen ding onmogelijk bij God. We kunnen niet zo diep gevallen zijn, of de Heere kan Zijn genade in ons hart en leven verheerlijken. Daar is geen ding onmogelijk bij de Heere. En dat zal ook het wonder uitmaken: Waarom was het mij vergund dat ik die plaats mag innemen in Zijn gunst, in Zijn gemeenschap, in Zijn nabijheid?

 

En dat geldt dan in het bijzonder wel van de bruid. Want onze tekst zegt ons dat zij staat aan Zijn rechterhand in het fijnste goud van Ofir. Hier wordt zij dus bijzonder aangeduid en afgebeeld als de enige bruid van de Bruidegom, van de Koning. Hier is zij als het ware de belichaming van de gemeente. Een lichaam en vele leden. Welnu, die bruid is tot hoge eer verheven. Zij staat aan de rechterhand van de Koning, in het fijnste goud van Ofir. Zij staat daar in de plaats van eer, een plaats van gunst, een plaats van gemeenschap. O, die koningin, die daar staat aan Zijn rechterhand, deelt in Zijn gunst en in Zijn gemeenschap, in Zijn ontferming en in Zijn liefde. Waar die waarheid gekend wordt, waar dat wonder ervaren wordt, waar die genade verkregen wordt, zou het ons in diepe verwondering moeten doen uitroepen: ‘Waarom was het mij vergund?’

Aan de ene kant de hartelijke oproep tot bekering: ‘Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven?’ Aan de andere kant het wonder van genade, dat waar God Zijn genade verheerlijkt, het onverdiende zegeningen zijn. Dat wordt temeer verstaan als we onze afkomst kennen, ons leven zien in het licht van het Woord.

 

De bruid staat hier in haar schoonheid. Dat is geen schoonheid van haar zelf, dat is niet iets wat ze meegebracht heeft vanuit haar huis. Dat is de schoonheid en de heerlijkheid waarmee de Bruidegom haar bekleed heeft. Daar staat ze aan Zijn rechterhand in het fijnste goud van Ofir. In Ofir werd het zuivere goud gevonden. De plaats waar het beste goud vandaan kwam is Ofirs mijnrijk land. Waar Ofir precies lag is niet bekend, mogelijk in Saudi-Arabië of verder in de richting van Indië. Daar kwamen schepen goud halen en brachten dat in het Midden-Oosten, in het land Kanaän bij de koning.

Het goud van Ofir. Met dat goud, dat zuivere goud was haar kleding doorregen. Het woordje ‘gestikt’ betekent dat de draden van het zuivere goud door haar kleding waren heen geweven. Dat gaf de kostbaarheid aan die kleding. Dat gaf ook de zuiverheid aan de kleding. Zuiver linnen, doorstikt met het zuiverste goud. Daar was ze mee bekleed.

Dat heeft ze niet van huis uit meegekregen. Nee, dat heeft ze van Hem ontvangen. Hij heeft het kleed voor haar gereed laten maken. Daar is zij mee bekleed, als gave van Hem. Ze staat aan Zijn rechterhand met datgene wat Hij haar geschonken heeft.

 

En zo geldt het in het bijzonder ook de Kerk des Heeren. Gods kinderen staan aan Zijn rechterhand in het goud, in de kleding die Hij heeft verworven. Hij heeft door Zijn kruisverdienste klederen des heils voor hen geweven en de mantel der gerechtigheid heeft Hij voor hen verworven. Want alleen zo kan de bruid staan aan ‘s Konings rechterhand, gekleed in hetgeen dat van Hem is. Daar is niets van onszelf bij. Daarvoor heeft Hij  gehangen aan het kruis, naakt gehangen op Golgotha, om de klederen des heils te verwerven.

En wat worden die klederen noodzakelijk voor een mens die aan zichzelf ontdekt is! Want de Heere overkleedt niet zomaar met dat kleed onze lompen, Hij bedekt niet met datgene wat Hij verworven heeft onze afzichtelijke kleding die dan maar verborgen blijft maar toch aanwezig is. Nee, de Heere gaat ons aan onze naaktheid ontdekken, aan onze schuld en verlorenheid. Dan wordt onze deugd een wegwerpelijk kleed. Zoals McCheyne ervan zegt:

 

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. 
Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed. 
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

 

Al mijn deugden weggeworpen als ondeugdelijk om daarmee voor God te kunnen bestaan. Daarin kan geen zondaar voor God bestaan. Dan zegt Paulus in Filippenzen 3 vers 8: Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn.

 

Gemeente, wat hebben we nodig? Het ontdekkend werk van de Heilige Geest. Er is niets dat zo nodig is als het ontdekkend, ontgrondend werk van de Heilige Geest. Hoe komt het toch dat er zo weinig verzekering in het geloof is? Omdat er zo weinig ontdekking is. Omdat men niet uitgezet is uit alles buiten Christus. Want waar de Heere dat doet, doet Hij ook kennen wat bij Hem, wat in Hem te verkrijgen is.

 

Hier staat de bruid aan Zijn rechterhand in het fijnste goud van Ofir. Daar worden haar de klederen geschonken die Hij verworven heeft. En alleen daarin kan ze voor de Bruidegom bestaan. Zo kan een zondaar alleen bestaan in Christus’ gerechtigheid die Hij verworven heeft. Want hoe zullen we met onze bevinding, met onze werkzaamheden, met ons bidden en met onze tranen voor God kunnen bestaan? Hoe kunnen we daar de grond ooit in vinden? We hebben een Borg nodig. We hebben een God nodig voor ons hart en een Borg voor de schuld.

Elke waarlijk wedergeborene verlangt naar de klederen des heils, om die te mogen ontvangen, om die te mogen bezitten en om daarmee voor God te kunnen bestaan. Daar werkt de Heere op aan door de bediening van de Heilige Geest, Die Hem verheerlijkt, Die Zijn noodzakelijkheid leert kennen en Zijn dierbaarheid doet verstaan.

 

En zo wordt haar die plaats gegeven, uit vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Daar, op die plaats, mag ze veel goeds ontvangen. Maar het is ook zo nodig steeds maar te vragen: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Om steeds het oor te neigen naar Hem. Zelf mag ze daar niet iets mee zijn; daar mag ze geen ‘bekeerd mens’ mee zijn, buiten Hem. Want wat is die koningin van zichzelf? Haar heerlijkheid is slechts aan Zijn zijde te mogen staan. Haar heerlijkheid is om steeds van Hem te mogen ontvangen wat ze nodig heeft.

Dat is haar heerlijkheid. En zo is het ook hier in deze psalm, in onze tekst. Daarom gaat de profeet haar toespreken. Eerst spreekt Hij dus van haar heerlijkheid, hetgeen ze ontvangen heeft, welke plaats ze mag innemen. Maar nu gaat het erom dat die bruid zal weten wat de plaats is die haar van Godswege geschonken is, hoe zij haar plaats moet innemen. Ze wordt vermanend, maar ook bemoedigend toegesproken.

De profeet zegt tot haar:

Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

De bruid wordt persoonlijk toegesproken. De profeet roept haar toe: Hoor, o dochter. Het is een heel persoonlijke oproep om gehoor te geven aan het woord dat tot haar gericht wordt. Zie, en neig uw oor.

 

Zo doet de Heere het nog, gemeente. Zo spreekt Hij nog, persoonlijk, door het Woord. En wat is het erg om op dat Woord geen acht te geven, wat is het erg om daar geen gehoor aan te geven. De Heere zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart.’ Gemeente, jongens en meisjes, u en jullie worden met name genoemd.

De profeet spreekt tot deze bruid, maar daarmee tot elk onzer: Neig uw oor. Dat wil zeggen: ‘Geef acht op het Woord! Let op Mijn Woord.’ Want hoe zullen we toch ontvlieden als we op die grote zaligheid geen acht geven?

We lezen in Spreuken 8 vers 4: Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen. Dus er gaat een sprake uit van het Woord van God tot elk persoonlijk. Laten we het nooit vergeten. Het is zomaar geen algemene beschouwing, maar het is een boodschap die tot u persoonlijk gericht is. Als de Heere Jezus bij Jeruzalem staat zegt Hij: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37).

Dat persoonlijk toespreken doet de Heere ook in het bijzonder tot de Zijnen. Dan heeft Hij voor hen een woord, naar gelegenheid van de stand van het leven, naar gelegenheid van de omstandigheden waarin ze verkeren.

 

Zo spreekt de Heere in het bijzonder hier in deze tekst tot de bruid: Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Dat is in de eerste plaats wat zij doen moet: gehoor geven aan het Woord en vervolgens vergeten hetgeen achter haar ligt.

U zult misschien zeggen: ‘Ja, maar mag ze dan niet aan haar vader en moeder denken? Moet ze vergeten wat achter haar ligt?’ U begrijpt, gemeente, dat heeft een diepere betekenis. Hier wordt gewezen op haar eertijds. Onze kanttekenaren gaan uit van de gedachte dat het een Egyptische prinses was. Ze zeggen: ‘Verlaat de afgodische religie die onder uw volk en in uws vaders huis gebruikelijk was.’ Dus Vergeet uw volk en uws vaders huis betekent: verlaat de afgodendienst. Net als Ruth, die haar volk en het huis van haar vader achter zich liet. De bruid moet er geheel voor de koning zijn.

 

En dat geldt voor een ieder die de Heere vreest en liefheeft: vergeten hetgeen achter is. Nu stammen wij wel niet uit het heidendom, althans niet uit ons voorgeslacht; wellicht zijn we allemaal opgevoed in een kerkelijk gezin en onder het Woord grootgebracht. Maar toch moeten we allemaal het vaderlijk huis vergeten, namelijk datgene wat we van onze afkomst hebben meegebracht uit het paradijs: het verlangen om de zonde, de wereld te dienen. Onze oude natuur gaat immers uit naar het aardse, het vergankelijke en het voorbijgaande?

Evenals Israël uit Egypte geleid werd en Egypte moest vergeten, moeten wij de zonde verlaten. Ons doopformulier zegt het zo kernachtig: ‘Onze oude natuur doden’.

Maar we zien hoe sterk soms de hang kan zijn naar het oude. Zo kent de Kerk des Heeren ook de hang naar de wereld, de hang naar datgene dat eertijds zo beminnenswaardig scheen. Wat kunnen we vaak bezet zijn met de dingen van deze wereld, met het aardse, het vergankelijke, het voorbijgaande! De psalmdichter riep het uit: ‘Hoe kleeft mijn ziel aan het stof!’ Daarom moet de apostel Johannes waarschuwen niet de begeerlijkheid van het vlees en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens te volgen. Daarom roept de profeet hier de bruid op – en geheel Gods kerk – om geheel en al zich af te wenden van het vergankelijke, het voorbijgaande, alles wat ons hart zo heeft ingenomen, en om ons van harte te richten op de Heere, op Zijn Woord en op Zijn dienst. Om te vergeten uws vaders huis, te vergeten hetgeen achter is.

 

En dat kan alleen door de kracht die Hij Zelf daartoe wil schenken en de genade die Hij daartoe wil geven. ‘Verlaat en vergeet hetgeen u kon bekoren.’ Abraham moest alles achterlaten, zijn volk, zijns vaders huis, waar hij zijn familie, zijn maagschap had, en gaan naar het land dat de Heere hem wijzen zou. Dat is eenmaal ook zijn keus geweest.

Maar in die keus moet worden volhard. Waar eenmaal de keus in het hart leefde om voor de Heere te mogen leven, Hem lief te hebben, Hem te mogen vrezen, Zijn beeld te mogen vertonen – de tijd der eerste liefde – waar we zo hartelijk de zonde hebben vaarwel gezegd, waar we zo mochten breken met de aardse, wereldse leefwijze, die keus moet telkens weer opnieuw gestalte krijgen. Want hoe blijft de wortel der zonde in ons hart. Er blijft zoveel wat ons aan de wereld verbonden doet zijn. We kunnen zo opgaan in het aardse en in het vergankelijke.

Maar de profeet roept op: Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Keer dat nu definitief de rug toe en laat het de liefde van uw hart niet hebben, hunker daar niet naar terug en verlang niet opnieuw dat te mogen ervaren.

En dat geldt nog altijd voor allen die de Heere hebben leren kennen en vrezen, om niet alleen zo van harte voor Zijn dienst te mogen kiezen, maar ook om zo te volharden en bestendig in die keus te mogen blijven.

 

En dan zegt onze tekst: Zo zal de Koning lust hebben in uw schoonheid. Juist dan is de bruid op haar schoonst. Dan straalt er vanaf wat genade vermag. Niet als zij een compromis met de wereld sluit. Niet als zij de zonde aan de hand houdt. Niet als de eigen natuur de boventoon voert. Dan is het niet de glans van de Koning die van haar afstraalt. Nee, de Koning heeft lust in Zijn eigen werk. Hij heeft lust in datgene wat haar de bruid van Christus doet zijn, waarin ze zich onderscheidt van de wereld en van alles wat van God en Christus niet is. Dan heeft de Koning lust aan uw schoonheid.

 

En die schoonheid is geen uitwendige schoonheid. Dat is niet bevalligheid die bedrog is, de schoonheid die ijdelheid is. Maar een vrouw die de Heere vreest, die zal geprezen worden (Spr.31:30). En zo is het ook met de bruid; de bruid die de Heere vreest die zal geprezen worden. Die zal in die weg ook delen in Gods gunst en gemeenschap. Daar heeft de Koning lust in. Dat is Hem tot blijdschap. Dat betekent niet dat we dan denken beter te zijn, dat betekent niet een leven van raak niet, smaak niet en roer niet aan, maar een leven van tere vreze Gods.

Daar gaat het om. Leven in afhankelijkheid van de Heere, dicht bij de Heere en met een verlangen Zijn beeld te vertonen. Daar wil de Heere Zijn zegen aan schenken, daar doet Hij Zijn goedkeuring over ervaren. Dan heeft de Koning lust in haar schoonheid die van haar afstraalt. Dan verblijdt de Heere Zich in de schoonheid van de bruid.

 

Maar wat komt hierin de bruid toch veel tekort. Wat kan ze de aarden flessen gelijk zijn! Wat kan het hart vervuld zijn met dingen van de wereld en van het aardse, het vergankelijke, waar toch de ware vrede niet in gevonden wordt en de blijdschap niet in wordt gekend!

De Koning heeft lust aan haar schoonheid. Nee, niet als ze denkt beter te zijn dan anderen, maar Hij heeft lust aan die stille, ootmoedige geest die kostelijk is voor God, dat tere en afhankelijke leven, dicht bij de Heere zijn, Zijn beeld vertonen, in gemeenschap met Hem mogen leven.

Daar roept de Heere Zijn kerk toe op om zich daarin te oefenen door afzondering, door omgang met God in het verborgene. Er is overal tijd voor, maar dat er toch eens wat meer tijd mag zijn voor de nauwe omgang met de Heere. Dat onze binnenkamer niet zo dikwijls leeg zal zijn, maar dat daarin de Heere meer en meer gezocht wordt, om Zijn gemeenschap te mogen ondervinden en Zijn blijdschap in het hart te mogen ontvangen.

 

Dan heeft de Heere lust in haar. Dan prijst Hij haar schoonheid, een schoonheid die van Hem is. We lezen in het Hooglied: Schoon gelijk de maan (Hoogl.6:10). Niet gelijk de zon, maar schoon gelijk de maan. Weet u wat dat wil zeggen? Het maanlicht is ten diepste zonlicht; immers de maan weerkaatst het zonlicht naar de aarde. En zo is de bruid schoon in Hem en om Hem, de Zon der gerechtigheid. Als Zijn beeld vertoond wordt, dan verlustigt Hij Zich in Zijn eigen werk.

En dat moet het verlangen van de bruid toch zijn, niet om de wereld te bekoren, niet om andere mensen te bekoren, maar om Hem te bekoren Die haar gekocht heeft, Die haar betaald heeft, Die zo’n dure prijs voor haar gegeven heeft, Die haar uit haar verlorenheid heeft opgeraapt van het vlakke des velds, waar ze ten dode gedoemd was, om daar voor eeuwig om te komen. Daar heeft Hij ze opgehaald, gemeente! Leef in uw bloed, leef! Wat behoort dan ook ons verlangen te zijn Hem ter ere te leven, Hem te dienen en te vrezen, en Zijn beeld te vertonen.

En daar roept ook de profeet de bruid toe op, want, zo zegt Hij: Dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder. Daarop letten we in onze tweede gedachte:

 

2. De onderwerping die haar past

 

Hij is uw Heere.

De Heere is uw Eigenaar, uw Schepper en uw Herschepper. We lezen van Sara dat ze haar man Abraham, haar ‘heer’ noemt. Des te meer geldt dat voor deze Koning, voor deze hemelse Bruidegom. Want Hij heeft haar Zich tot een eigendom gemaakt. Hij is haar Heere. Met de prijs van Zijn bloed, en niet met goud of zilver, heeft Hij haar verlost van de eis der gerechtigheid Gods, van de vloek der wet. Uit de macht van satan heeft Hij haar verlost en bevrijd. Bevrijd tot toewijding. Bevrijd om te mogen dienen op de plaats waar God haar stelde. Om tot eer van de Koning te mogen leven.

 

Dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

Dat neerbuigen betekent: Hem gehoorzamen, Hem erkennen, Hem liefhebben. Het betekent niet anders dan Zijn wil te mogen betrachten. Hij is immers haar Heere, haar hoge Eigenaar, haar Hoofd? En dan past deze bruid van harte Hem te vragen: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Dat betekent Hem te volgen in de weg die Hij haar voorhoudt. Dat betekent ook: in alle omstandigheden van het leven je gang te richten naar Zijn Woord. Dat betekent achter Hem aan te komen in kruis- en drukwegen. Daarin moet juist de oprechtheid van de liefde blijken. Niet als Hij achter haar aan komt en haar verlangens vervult. Maar haar liefde moet blijken in het zichzelf verloochenen, in het achter Hem aankomen, in de weg te gaan die Hij wil dat ze gaan zal.

Dat is niet zo gemakkelijk voor het vlees, gemeente. Het vlees onderwerpt zich de wet Gods niet. We zien dat in het leven van Asaf. Wat was hij gekant tegen de weg die God met hem ging. Hij was boos op God. Totdat de Heere hem in Zijn heiligdom inleidde. Hij zag toen dat hij een groot beest was bij God. Maar ten slotte mocht hij door genade uitroepen: ‘Gij zult mij leiden naar Uw raad. Uw raad is de beste, Heere. Uw weg is goed. Leer mij maar steeds achter U aankomen. Gij zijt mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed!’

 

Voor Hem nederbuigen, dat is dragen wat Hij oplegt. ‘In de wereld zult gij wel verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.’ In dat dragen van allerlei verdrukkingen vertoont ze juist Zijn beeld. De echtheid en de zuiverheid van de liefde komt openbaar in kruis, in vervolging, in smaadheid. De weg van de Kerk is achter Hem aan. Ja, het is een vleeskruisigende weg. Maar Hij ging voor en zij mag volgen in de weg die Hij ging. Daarin is Hij Zelf voorgegaan; die weg ging Hij om haar te kunnen verwerven. Dat kruis heeft Hij voor Zijn ganse bruidskerk gedragen.

En daarom, in de overgave aan Hem mag ze vragen aan Hem: ‘Wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Dan geeft dat in haar hart rust; dan geeft dat oog voor Zijn trouw; dan geeft het oog voor Wie Hij is in Zijn eeuwige liefde. Dan vindt ze daar haar leven, haar hoop en verwachting en verblijdt ze zich daarin dat Hij getrouw blijft. Dan is het goed wat God doet. Dan mag ze zeker zijn dat niets haar kan scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere.

 

Dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

Ja, dan mag ze buigen. Het is een groot verschil of we mógen buigen of dat wij móeten buigen. Dan kunnen we het misschien wel doen omdat het niet anders kan, misschien bijna met de vuisten gebald, omdat je er niet tegenop kunt, omdat je je nu eenmaal schikken moet. Maar genade is het als je mag volgen. Als de Heere je voorgaat en je weet dat deze weg tot je welzijn gegeven is. Dan mag je volgen. Dan wil je niet anders.

 

Ik sprak een keer een man, een kind van God, die vreselijk moest lijden. Maar hij zei: ‘Er zijn ogenblikken dat ik het niet anders wil, want de Heere heeft het mij uit liefde gegeven, ter loutering, ter kruisiging van mijn vlees. Het is goed wat Hij doet.’

Kijk, gemeente, dat is nu achter Hem aan komen. Dan kan te midden van kruis en druk ervaren worden dat Hij gebleven is. Dan wil je het niet kwijt. Dan kan later weleens gezegd worden: ‘Het was een goede tijd, want de Heere was zo dichtbij.’ Nee, dan verlang je niet terug naar het kruis, want er is er maar Eén geweest Die vrijwillig geleden heeft. Het gaat er niet om kruisen te zoeken, maar het gaat erom dat in een weg van kruis en druk achter Hem aan, een zoetigheid gesmaakt wordt die de wereld niet kent, waarin vrede gevonden wordt en rust voor het hart en blijdschap in God. Dan zingen zij weleens in God verblijd, aan Hem gewijd, van ‘s Heeren wegen. Dan is God goed.

Wie dat verstaat, gemeente, die heeft voorrechten boven anderen.

 

Te mogen volgen, achter Hem te mogen aankomen. Daarin niet anders te willen dan hetgeen Hij wil, ingewonnen door Zijn genade en door Zijn liefde. In vertrouwen op Hem, in gemeenschap met Hem. Het is genade. En Hij is de Bron van die genade.

En daarom, als Hij uw Heere is, als Hij die genade u heeft geschonken, dan is er maar één weg: achter Hem aan komen in zelfverloochening, ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons is voorgesteld.

 

Dewijl Hij uw Heere is.

Wat heeft het Hem gekost! Welke prijs heeft Hij betaald! En zou het dan niet betamelijk zijn om in die korte spanne tijds van slechts ‘tien dagen verdrukking’ achter Hem aan te komen? Niet anders te willen dan hetgeen Hij wil? Waar alles moet meewerken ten goede, die naar Zijn voornemen zijn geroepen. Al moet dat wel steeds toegepast worden aan het hart.

 

Buig u voor Hem neder.

Jongens en meisjes, dat is nu echt het beste wat je kunt krijgen. De wereld is een harde meester, hoor. Satan jaagt je op en eist onderworpenheid aan zijn ijzeren roede met een hard juk. Maar deze Koning zegt: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:30,28).

Rust geven, ook te midden van kruis, te midden van druk. In overgave achter Hem aan komen en Hem volgen en daarin ondervinden te begeren te doen hetgeen Hij vraagt, wat we nu samen willen zingen uit Psalm 86 en daarvan het zesde vers:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saâm

Tot de vrees van Uwen naam.

Heer’, mijn God, ik zal U loven,

Heffen ‘t ganse hart naar boven;

‘k Zal Uw naam en majesteit

Eren tot in eeuwigheid.

 

Gemeente, thans willen we nog stilstaan bij:

 

3. De eer aan de bruid geschonken

 

In het dertiende vers lezen we: De dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

De Heere zal genade en eer geven. Die Mij eren zal Ik eren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden (1 Sam.2:30). Wanneer de bruid in de weg van het mogen dienen en het mogen bukken en buigen voor de Heere de gestalte heeft die haar past, naar het beeld van haar grote Meester, dan zal dat rijke vrucht afwerpen. Dan zal de Heere er Zijn zegen aan schenken.

 

We mogen hier in het bijzonder de bruid zien als de Kerk van alle tijden en plaatsen. De bruid die haar taak volbrengt in deze wereld, die uitgaat in de heggen en steggen om anderen voor de dienst van de Heere te winnen. Die uitgaat op de zendingsvelden om de arbeid in het Koninkrijk Gods ter hand te nemen. Luther spreekt bij de verklaring van deze psalm bijzonder over de zendingsarbeid, die de gemeente als taak heeft.

De Heere zal zorgen dat Zijn Koninkrijk uitgebreid wordt; dat velen zullen komen van oost en west en zich tot haar zullen voegen. Ze zullen vragen naar de Heere en Zijn Woord. Die heidenvolken zullen de Kerk des Heeren van harte eren en haar geschenken toebrengen. Ze zullen haar aangezicht met smeking benaderen.

 

We lezen in Jesaja 49 vers 23: En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten dat Ik de Heere ben, dat zij niet beschaamd zullen worden, die Mij verwachten.

Daar hebt u het, wat door Jesaja reeds geprofeteerd is en ook hier in Psalm 45 wordt voorzegd, wat dus ook de Kerk aller eeuwen zal ondervinden. Dat zal de bruid, als lichaam van Christus, ervaren, bij alles wat ze te ondervinden heeft in de wereld.

Dezelfde profeet zegt in hoofdstuk 60: De rammen van Nebajoth zullen u dienen (vers 7). Waar je het soms niet van verwacht, waar je zeker niet op gerekend had, daar wil de Heere soms mensen gebruiken om de eer en de dank toe te brengen die men meent verschuldigd te zijn, om te helpen, bij te staan, of te verlenen wat we maar nodig hebben.

 

Zo is het ook hier: de dochter van Tyrus, dat is die heidense stad, een bolwerk van het heidendom, een symbool van de welvaart, die zal toch tot u komen en uw aangezicht met geschenk smeken. Dan zullen ze toch erkennen dat God met u is. En waar ze dan in eigen gemis en in eigen armoe beleven dat het bij hen, in hun welvaart, niet is en dat het heidendom geen vrede geeft, maar dat er door genade een hunkering is naar de gemeenschap met God en om ingelijfd te worden in de Kerk des Heeren, dan zullen ze ook hun aangezicht met geschenk smeken.

 

We hebben het zo-even aan het begin van deze dienst gezongen uit Psalm 87: ‘De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht.’ Welnu, daar spreekt ook deze tekst van. Daar zullen ze komen met smeking en met geween. De Heere zal ze brengen te Sion!

 

Gemeente, laat dat door genade het verlangen van ons hart mogen zijn, om bij de Heere te mogen verkeren, in gemeenschap met Hem. Om niet alleen uitwendig een lid of dooplid van de gemeente te zijn, maar toegevoegd te worden tot de gemeente die zalig wordt. Dat we in waarheid Hem mogen kennen, erkennen en liefhebben met ons hele hart. Dat we mogen weten eigendom te zijn van Hem, Wiens naam Heere is. Ingelijfd in de gemeente waar Hij Zijn scepter zwaait, een scepter der rechtmatigheid. Waar het goed is om Hem te dienen, en – als de Heere ons ervoor inwint – waar het goed is voor Hem te buigen, niet anders te willen dan wat de Heere wil.

Waar onze wil verslonden is in Gods wil, daar is dat buigen voor Hem geboren, daar wordt Zijn werk openbaar in het goedkeuren wat God doet. Geen enkele begeerte meer om zijn eigen wil door te drijven, maar zich van harte gewonnen geven aan de Heere. Dat is zo van harte buigen voor de God des heils.

 

Gemeente, kennen we iets van die genade? Jongens en meisjes, wat willen we toch graag eigen heer, eigen meester zijn, niemands knecht, nietwaar? Zelf ons leven uitstippelen is het kenmerk van deze tijd van individualisme. Zelf bepalen wat goed en kwaad is. Het zelf wel bepalen. ‘Ik doe wat ik wil.’ Doen hetgeen ons behaagt. Ons overeind houden, eigen meester zijn. Dat lijkt aantrekkelijk. Satan wekt ertoe op. En de wereld geeft het voorbeeld: ‘Ik doe wat ik wil. Ik maak het zelf wel uit. Ik zie het nu eenmaal zo.’ Zo handhaaft de mens zich tegenover God en tegenover de mensen. Maar dan kennen we Hem niet als Heere. Dan missen we die genade van Zijn juk te dragen en Zijn last. Dan erkennen we Hem niet als Heere.

Maar denk erom: Hij komt straks terug. Hij steekt nu de gouden scepter nog uit van Zijn genade. Die komt nu nog tot u. Maar straks komt Hij met een ijzeren scepter, waarmee Hij allen verpletteren zal die tegen Zijn wil zich verheffen. En als we Hem niet erkennen als onze Heere, zullen we eenmaal Hem als Koning ontmoeten, Die zal zeggen: ‘Breng ze hier en slaat ze voor Mijn voeten dood die niet hebben gewild dat Ik Koning over hen zal zijn.’

Gemeente, dat is een vreselijk lot! Daar hebben we niemand van u allen voor over. Jongens en meisjes, daar hebben we jullie niet voor over, dat je in je eigen leven van zelfhandhaving, en van doen hetgeen je zelf vindt, daarin je ondergang zult tegemoet gaan.

 

Maar welgelukzalig elk die door genade Hem mag erkennen als hun Heere. Om Hem te vrezen met een kinderlijke vreze, en van harte te buigen voor die Koning, Die het zo waard is gediend en gevreesd te worden.

Die heilige vanzelfsheid, die heilige drang om te vragen naar Gods wil. Waar het zo goed is op je knieën in de binnenkamer, waar de gemeenschap met God mag worden gekend, waar in de overgave aan Zijn wil die gestalte krijgt in ons leven, waarin de Heere Zich verlustigt. Daarin is de schoonheid van de bruid te zien. Dat is alles uit Hem, Die geven wil wat Hij vraagt en schenken wil wat Hij beveelt.

En laat dat het verlangen zijn, om zo bruid te zijn van die Koning.

 

Eenmaal brengt Hij Zijn bruid in het paleis binnen. Dan wordt zij met Hem verenigd in de eeuwige zaligheid. Een zaligheid, die geen oog gezien, geen oor heeft gehoord en in het hart van een mens niet is opgeklommen. Om zo altijd bij Hem te zijn, delend in Zijn gunst en delend in Zijn gemeenschap, in de ware vrede die Hij verworven heeft.

 

Buig u voor Hem neer in het stof. Het is die goede plaats waar Hij alles is en wij niets zijn. Juist daarin ligt de zaligheid. Het ligt in Hem vast. Het is in Hem eeuwig vast. Hij bezit alle macht in hemel en op aarde. Zijn troon is eeuwig en altoos en de scepter van Zijn Koninkrijk is een scepter der rechtmatigheid. Daar is het goed om te zijn, daar is het goed om geleid en geregeerd te worden. Want dan leidt Hij door het aardse leven naar de eeuwige zaligheid.

 

Dan reist Gods Kerk getroost, onder het heiligend kruis,

naar ‘t erfgoed daar boven, in ‘t Vaderlijk huis.

 

En dan mag worden uitgeroepen in diepe verwondering en aanbidding:

 

Mijn Jezus geleidt mij door d’ aardse woestijn.

‘Gestorven voor mij!’ zal mijn zwanenlied zijn!

 

Amen.

 

 

Slotzang Psalm 115: 1 en 7

 

Niet ons, o Heer’, niet ons, Uw Naam alleen

Zij, om Uw trouw en goedertierenheên,

All’ eer en roem gegeven.

Waarom, o Heer’, zou ’t heidendom, met spot,

Dan zeggen: Waar, waar is toch nu hun God,

Bij hen zo hoogverheven?

 

Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot,

Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot;

Hij zal ze groter maken,

En z’ u, zowel als ’t kroost, dat gij bemint,

Dat, nevens u, zich aan Gods wet verbindt,

In dubb’le maat doen smaken.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 23)