Ds. R. Kattenberg - Handelingen 1 : 12a

Teruggaan

Teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van de Koning
Teruggaan in tegenstelling tot de gang van de Koning
Teruggaan tot het werk in dienst van de Koning

Handelingen 1 : 12a

Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van de berg die genaamd wordt de Olijfberg.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 125: 1, 2
Lezen : Handelingen 1: 1-14
Zingen : Psalm 97: 1, 7
Zingen : Psalm 119: 25
Zingen : Psalm 89: 8
Zingen : Morgenzang: 3

Gemeente, de tekst voor de preek van deze dienst is Handelingen 1 vers 12a:

 

Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van de berg die genaamd wordt de Olijfberg.

 

Het thema van de preek is: Teruggaan.

 

Drie aandachtspunten:

1. Teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van de Koning

2. Teruggaan in tegenstelling tot de gang van de Koning

3. Teruggaan tot het werk in dienst van de Koning

 

1. Teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van de Koning

 

Hemelvaartsdag, het feest van de Hemelvaart, ligt achter ons en naar het volgende kerkelijke feest zien we alweer uit. Volgende week vieren we, bij gezondheid, het Pinksterfeest.

 

Wat moet de zegen van Hemelvaart zijn in ons leven en hoe moeten we ons voorbereiden op het herdenken van de komst van de Heilige Geest in deze verloren wereld?

Vragen die ons bezig houden, als het goed is. God geeft ons de verkondiging van de heilsfeiten niet om daarvan alleen maar kennis te nemen, maar God laat ons Zijn heil prediken, opdat we zouden vragen: ‘Heere, geef ook ons die genade uit uw volheid!’

 

Onze kinderen vragen: ‘Schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’ Kan dat? Ja hoor, rein, schoon voor het aangezicht van de Allerhoogste, net zoals je uit bad komt. God wil niet dat Zijn evangelie alleen maar gehóórd wordt, maar bovenal dat Zijn evangelie gelóófd wordt. Het is zelfs een gebod: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben (1 Joh.3:23).

Het vuur wordt ons zo na aan de schenen gelegd. Je bent er niet met een beetje opgeklopte vroomheid of met wat deugden en plichten.

Wat is er dan nodig? Bekering is nodig, vernieuwing van het hart door de Heilige Geest. Het geloof in Christus, de Gekruisigde, in Christus, de Hemelvaartskoning, is nodig.

 

De Geest van Pinksteren wijst ons vandaag de weg in het Woord, als wij vragen: hoe hebben de jongeren van Jezus geleefd tussen Hemelvaart en Pinksteren?

We zeggen daarbij niet dat ons leven een kopie moet zijn van die jongeren, want dat kan niet. De persoonlijke omgang met de Heere Jezus, zoals zij die gehad hebben, is voor ons niet weggelegd. Dat is een eenmalige aangelegenheid, die je niet één op één naar vandaag kunt projecteren, maar je moet en mag natuurlijk wel het Woord openleggen en vragen: kunnen we daar lessen en conclusies uit trekken voor wat ons eigen leven betreft?

De jongeren hebben met Jezus gegeten en gedronken. Ze hebben met Hem gewandeld en ze hebben met Hem gesproken tot op het laatst toe. Ze hebben een heel eigen plek in het heilsgebeuren ingenomen. Er is geen vergelijking te maken, maar er zijn natuurlijk wel lijnen te trekken.

 

Welke voorbeelden geven de jongeren ons vanuit Gods Woord? Hoe kan de kerk van vandaag, nu Christus Jezus is ingegaan in het binnenste heiligdom, staan in het strijdperk van dit leven? Of, anders gezegd, hoe kan God aan Zijn eer komen in uw en jouw leven? De Heere heeft ons geschapen en een plek gegeven op deze aarde, opdat we Hem zouden loven en prijzen.

Hoe kan een schuldig en verloren mensenkind zo leven? En dan leven, niet in de zin van alleen maar ademhalen, maar echt leven voor God, leven in de vreze des Heeren? Hoe kan de mens van vandaag zo leven in een wereld waarin satan rondgaat als een briesende leeuw?

 

Daarom vragen we: wat doen de discipelen nadat Jezus is opgevaren naar de hemel? De tekst zegt: ‘Ze gaan terug.’ Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem.

 

We keren in gedachten terug naar de Olijfberg. Daar hebben ze de Heere Jezus naar de hemel zien opvaren. Ze hebben Hem net zolang nagekeken, totdat een wolk Hem wegnam van voor hun ogen. En dan gaan ze terug naar Jeruzalem.

Heel eenvoudig, gemeente, de kinderen kunnen het begrijpen. Maar toch is het wel een belangrijk punt, als we het benoemen als ‘gehoorzaamheid van de discipelen’. Ze zijn gehoorzaam aan het woord van de Heere Jezus Christus. De Heere Jezus had een belofte en ook een opdracht gegeven: Maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte (Luk.24:49). En om aan dat woord, die laatste opdracht van de Heere Jezus, gevolg te geven, moeten ze dus teruggaan naar Jeruzalem.

En zo zien we hen dus de Olijfberg verlaten en door het Kidrondal naar Jeruzalem gaan.

 

Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van de berg die genaamd wordt de Olijfberg.

Dat is dus vanzelfsprekend; je verwacht niet anders. De discipelen zijn altijd gehoorzaam geweest en zouden ze dan nu die laatste opdracht van hun Heere en hun Koning naast zich neerleggen? U voelt wel dat dat niet kan. Ogenschijnlijk vinden we dus geen bijzonderheden in de woorden van deze tekst. Gehoorzaam zijn, dat is alles.

Maar, gemeente, denk daar niet klein over. Denk niet dat het vanzelfsprekend is dat de discipelen gehoorzaam zijn. Waarom is dat dan niet vanzelfsprekend? Wel, laten we eens letten op de omstandigheden waaronder het één en ander gebeurt.

Dit woord moet gaan leven, ook voor ons.

 

Ze gaan weg van de Olijfberg.

We gaan nog even terug. Kijk nog eens even mee omhoog. Ze keken als het ware in een open hemel. Ze hebben dat poosje op de Olijfberg ervaren als een stukje hemel op aarde. Daar hebben ze voor het laatst met de Heere Jezus gesproken. Daar is de Meester van hen gescheiden. Totdat een wolk Hem van voor hun ogen wegnam. Maar als we de discipelen zouden aanspreken en vragen: ‘Wat is je nu bijgebleven?’, zouden ze dan niet zeggen: ‘Die zegenende handen, het laatste wat we van Hem gezien hebben, die doorboorde handen’?

De prijs is betaald, de schuld is verzoend, de straf is gedragen. Er is een ingang in het Vaderhuis met zijn vele woningen.

 

Als ze zo onder die open hemel staan, dan komen daar de engelen, de boden van de hemel, die niet gestuurd worden met een bliksemend zwaard, zoals bij het paradijs. Maar de engelen komen met een troostvolle boodschap, met een woord van ontferming. Zo heel gewoon, maar tegelijkertijd zo heel bijzonder, gemeente, is die gemeenzaamheid tussen de hemel en de aarde, dat vertrouwelijk met elkaar omgaan.

 

Wat staat gij en ziet op naar den hemel? We komen wat vertellen: Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren (Hand.1:11).

‘Uw Meester is thuisgekomen. Hij is aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij, Die hier met doornen gekroond werd, is nu gekroond met heerlijkheid en eer. Hij heeft de kroon ontvangen uit de handen van Zijn Vader.’

En klonk daarin niet het beloftewoord van de Heere Jezus door, dat Hij met hen zal zijn en zal blijven? En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20). ‘De voleinding’ wil zeggen: de voltooiing van deze wereld, totdat de wereld zijn doel bereikt heeft.

‘Ik ben met u en Ik zal u tot Mij nemen. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben. (…) Ik zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh.14:2-3).

 

Dat is wat er op de Olijfberg te zien en te horen was en wat de broeders daar meegemaakt hebben. We hebben het samengevat als een stukje hemel op aarde, we zagen de boodschappers uit de hemel en we hoorden het Woord van God dat ze meekregen van de engelen. En dan… teruggaan?!

 

Als we naar ons eigen leven kijken, hebt u er dan ook weet van door de Heilige Geest onderwezen te worden?

Als de Heilige Geest het licht laat vallen op de Schoonste van alle mensenkinderen, op de Hemelvaartskoning, op de Vorst van Pasen, op het Lam van God Dat geslacht is op Golgotha, op het Kind van Bethlehem? Kortom, als het licht valt op de Zaligmaker van zondaren?

Als het licht valt op Hem, Die gekomen is om het verlorene te zoeken en om zondaren zalig te maken?

Als de Heere Zijn Woord voor u opent en voor uw hart, zodat u zegt: Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem (Hoogl.5:16). Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10)?

Als u zo het loflied zingt op de genade van God, geopenbaard in Christus Jezus. In uw leven? In de kerk? Nu misschien?

Dat is te hopen.

Of thuis en in je auto, op je werk of terwijl u lunchpakketten klaarmaakt voor uw kinderen? Als u de bedden opmaakt? Dat kan toch? Of weet u het niet?

Zo midden onder je bezigzijn, dat de hemel de aarde raakt en dat de Heere Zijn Woord openlegt en dat u het geloof oefent op de belofte van God in de Heere Jezus Christus?

 

Groot en indrukwekkend, maar niet om erbij te blijven. Je kunt niet een stoel pakken en zeggen: ‘Verder ga ik niet.’ Het leven gaat door. U moet verder en jij moet verder. Je kunt niet zomaar ergens op de weg halt houden en dat mag ook niet.

Leven in de vreze des Heeren wil niet zeggen dat je uitsluitend dicht bij de hemel vertoeft en rust in de hoede van de Heere en dat je je daarin zo verliest, dat het alleen maar gaat om de dingen van boven. De Heere zegt: ‘Je hebt ook je roeping beneden. Je bent hier op deze aarde.’ Zeker, op de aarde bedenken we als het goed is de dingen die boven zijn, maar het leven gaat wel door.

 

Het bedenken van de dingen die boven zijn, waar Christus is, dat betekent meer dan leven uit het geloof. Het betekent ook: volgen. Leven uit het geloof is het Lam volgen, waar Het ook heen gaat. Het is gewillig zijn op de dag van Zijn heirkracht; altijd weer opnieuw.

 

Het is teruggaan naar Jeruzalem. Dat wil zeggen: teruggaan naar de wereld van alledag, waar het leven bruist en waar iedereen zijn taak vervult.

Dat is teruggaan naar de samenleving zoals we die ontmoeten, met de haat tegen God en met de afkeer tegen het Kind van God. Ook vandaag, gemeente. Met het zich afzetten tegen God en alles wat met de dienst van God te maken heeft.

Teruggaan in de wereld met zijn discriminatie.

Teruggaan in de wereld waarin je geboycot wordt.

Teruggaan in de wereld waar je ontvangen wordt met de opmerking: ‘O, ben je gisteren in de kerk geweest en heb je ook voor mij gebeden?’

Teruggaan in de wereld waarin voetballen het hoogste vermaak is en waar voor geestelijke zaken nauwelijks interesse is.

Een wereld van intolerantie. Een wereld van vervolging, al meer en meer.

Teruggaan naar Jeruzalem.

Teruggaan, om in Jeruzalem het Woord van de Heere door te geven, dat ze hebben ontvangen als de boodschap van de hemel. Zitten de mensen daar op te wachten in Jeruzalem? Geen sprake van. En daar zullen ze nu moeten staan in de dienst van hun Heere en Koning!

 

Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van de berg die genaamd wordt de Olijfberg.

Als we nú in gedachten teruggaan, kijken we dan toch wat anders tegen dat woord aan? Het leek zo simpel en dat is het ook, maar het heeft meer diepgang dan we aanvankelijk dachten. We hebben geprobeerd de grootheid van het handelen van God in dit alles te laten zien. Zo gaat de diepte van het Woord oplichten.

Die engelen hebben nog meer gezegd. Zij hebben de glorie en de heerlijkheid van Vorst Messias uitgeroepen met de woorden: ‘Hij komt terug! Hij is van u heengegaan, maar daar blijft het niet bij. Er komt een moment dat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden.’

 

Als u ook zo’n band hebt met de Koning en er van Hogerhand is gezegd dat Hij terugkomt, voeg u dan bij dat gezelschap op de Olijfberg, en de kinderen ook. Als je het ergens fijn hebt, bijvoorbeeld op vakantie, dan wil je daar toch nog wel een poosje blijven?

Wat zijn de discipelen rijk gezegend! Het zou toch geen wonder geweest zijn, als ze gezegd hadden: ‘We gaan hier niet weg, want de engelen hebben gezegd, dat Hij terugkomt. Zullen we hier maar niet blijven wachten?’

Er is een perspectief voor hen geopend. Dit is het einde niet, maar er komt nog veel meer. Als Hij terugkomt, zullen we ingaan door de paarlen poorten, dan zullen we wandelen op de straten van goud.

‘Petrus, je hebt weleens gezegd: Zullen we hier een paar tabernakelen bouwen? Maar zouden we dat nu dan maar niet doen?’

‘Thomas, zou je op deze plek weer opnieuw gaat twijfelen? Hier hoef je toch niet te twijfelen door ongeloof? Dit is toch een moment om vast te houden en hier te blijven?’

‘Als het hart zich gesterkt weet, zal de mond dan niet zingen met vrolijk roemende en zingende lippen? Zal de Heere dan niet grootgemaakt worden hier op de Olijfberg door ons?’

En dan… terug naar Jeruzalem? Dat is terug naar een totaal andere wereld, naar een totaal andere cultuur, een totaal andere leefvorm, een totaal ander gebeuren, waar ze met God en Zijn dienst helemaal geen rekening houden.

Hier is het goed en hier is het zalig.

 

En toch klinkt Jezus’ woord op die berg: En gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde (Hand.1:8).

De Heere Jezus zegt: ‘Allereerst in Jeruzalem.’ Judéa en die andere delen volgen ook, maar begin in Jeruzalem. Dat de discipelen teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van hun Koning, dat is niet de verdienste van deze mannenbroeders; dat zijn heus niet zulke bijzondere, gehoorzame mensen geweest.

Gemeente, dat ze gaan is vanuit de verdienste van Christus Jezus. Uit Hem Die gehoorzaam is geweest tot in de diepten van de dood, tot in de burchten van de hel. Gehoorzaam zijn om Jezus’ wil. Hij gaat vooraan. Van Hem lezen we: Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1).

 

Hij ging de weg die Hij moest gaan. Wat was dat voor weg? Dat was de weg van het verdrukt worden, van het uitgeworpen worden, van het gediscrimineerd worden, de weg van de intolerantie. ‘Weg met Deze. Kruis Hem, kruis Hem!’

Daarom: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Matth.16:24). Wat een bediening voor de discipelen uit het werk van hun Heere en Koning, als ze gehoorzaam teruggaan! Daar geven ze mee aan: het gaat niet om onze naam, het gaat niet om onze zaak, maar het gaat om Zijn Naam en Zijn zaak. Het gaat om de eer van God.

En daarom: blijven op de Olijfberg? Nee, hoe rijk ze ook gezegend zijn, het kan niet. Ook voor de discipelen geldt: Zeg de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken (Ex.14:15).

 

We peilen de diepte van die gehoorzaamheid nog meer, als we nog een keer kijken naar de plek waar ze naar teruggaan: Jeruzalem, de tempelstad.

Wat is die tempelstad voor de volgelingen van Jezus van Nazareth?

U moet goed voor ogen houden dat dit de stad is die Jezus verworpen heeft. Het is de stad waarin ze geroepen hebben: ‘Kruis Hem, kruis Hem! Het is niet behoorlijk dat Hij leve.’

Het is de stad die de Zaligmaker der wereld gekruisigd heeft, gebracht heeft aan het vloekhout der schande. De stad die ook de discipelen haat en die ook niet op de komst van de discipelen zit te wachten.

Dát Jeruzalem, daar moeten ze naar terug en daarheen gaan ze terug. Wat kunnen ze daar nu anders verwachten dan strijd, tegenkanting?

‘Daar heb je ze, die volgelingen van Jezus van Nazareth. Wat moeten we ermee?’ Dat is de sfeer waarin Jeruzalem zich bevindt. En de Olíjfberg was voor de jongeren nu juist als een poort van de hemel. Daar hebben ze engelen gezien en het woord van God gehoord. Dan is Jeruzalem precies het tegenovergestelde. Daar staan als het ware de poorten van de hel open. Daar maakt de vorst der duisternis zijn opwachting. Die zegt: ‘Ik zal ze tegenkomen en ik zal het ze moeilijk maken en ik zal proberen het werk van God de Almachtige te verhinderen. Hier in Jeruzalem vier ik mijn triomfen.’ Dat is zijn werk.

En moeten zij nu naar Jeruzalem terug? We kijken nog een keer in gedachten omhoog en we zeggen: ‘Wat een verschil!’ Jezus gaat in in het Vaderhuis met zijn vele woningen en de discipelen moeten terug naar Jeruzalem, waar de poorten van de hel openstaan.

 

We komen bij onze tweede gedachte. Daar denken we over na als we hebben gezongen uit Psalm 119 vers 25:

 

Gedenk aan ‘t woord, gesproken tot Uw knecht,

Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;

Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd;

Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;

Al ‘t geen Uw mond aan mij had toegezegd,

Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

 

We dachten in de eerste plaats na over: ‘Teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van de Koning’. In de tweede plaats denken we na over:

 

2. Teruggaan in tegenstelling tot de gang van de Koning

 

Gemeente, let nog eens op: de Heere Jezus vaart op tot voor en tot in de troon van God.

 

Verhoogt, o poorten, nu de boog;

Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog;

Opdat de Koning in moog’ rijden.

 

Gij voert ten hemel op, vol eer;

De kerker werd Uw buit, o Heer’!

Gij zaagt Uw strijd bekronen.

 

Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr.2:9), zo roept de apostel uit.

 

Je komt woorden tekort om aan te geven wat het allemaal te zeggen heeft, maar we voelen wel dat de tegenstelling groot is. Want Zijn jongeren, Zijn discipelen moeten hier op aarde blijven, waar Hij Zich aan hen openbaarde en waar Jezus de kruisweg gegaan is en waar Zijn kruis gestaan heeft.

Christus Jezus gaat naar het hemelse Jeruzalem, waar geen zonde is en geen strijd, geen verdriet en geen tranen en geen moeite, geen zorg. Maar de discipelen moeten terug naar het aardse Jeruzalem, waarvan Jezus Zelf gezegd heeft: Gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn (Matth.23:37). Gods eniggeboren Zoon wordt gekroond met heerlijkheid en eer en Gods aangenomen kinderen moeten de stad in, waar het kortgeleden nog klonk: Kruis Hem, kruis Hem (Luk.23:21).

 

Gemeente, zou het een wonder geweest zijn, als de discipelen geaarzeld hadden? Het zou toch niet vreemd geweest zijn, als ze gezegd hadden: ‘Laten we maar naar Galiléa teruggaan. Laten we een wat beschermde omgeving opzoeken. Daar zullen we wat rust vinden. Dan kunnen we misschien weer vissen gaan vangen.’

Gemeente, is dat ook niet een gedachte die voor de hand ligt in de wereld van vandaag? Is het niet gemakkelijker om je aan de strijd te onttrekken? Is het niet gemakkelijker om oogkleppen op te zetten en net te doen of we het allemaal niet zien? We gaan maar zitten met een boekje in een hoekje en we wachten maar af. Laten we eerlijk zijn: we hebben ons er ook niet voor over om een slachtschaap te zijn van de kudde van de Heere Jezus Christus. Maar weet u, de kudde van de grote Herder der schapen bestaat niet uit weideschapen, maar uit slachtschapen.

 

Maar voert de Herder de schapen dan niet in grazige weiden en voert hij hen niet zachtjes aan zeer stille wateren? Verkwikt Hij niet hun ziel? Gaf Hij niet aan Elia in de woestijn te eten en te drinken? Gode zij dank, dat doet Hij. Dat is Zijn werk als Hemelvaartskoning voor Zijn gemeente hier op deze aarde.

Maar we moeten ons wel afvragen: waarom doet Hij dat? Waarom sterkt Hij door Zijn Geest en door Zijn Woord? Waarom brengt Hij in grazige weiden en waarom verkwikt Hij onze ziel? Gemeente, is het niet opdat u nieuwe moed zou ontvangen? Is dat niet opdat u nieuwe kracht zou opdoen? Om u te verzekeren van de belofte die Hij heeft nagelaten: ‘En Ik ben met u’? ‘Ik met u,’ daar zit Immanuël in, ‘God met ons’.

Alleen van daaruit is het dat de kerk des Heeren zich gesterkt weet, zich gewapend weet met de wapenrusting Gods en te staan in deze wereld. Zij mag zo ervaren wat Paulus schrijft: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Ef.6:12).

 

De Koning van de kerk gaf op de Olijfberg sterkte, moed en kracht. Hij maakt Zijn jongeren bereid om aanstonds te kunnen staan in het Jeruzalem, dat op hun komst niet zit te wachten. Hij bereidt ze daarop voor opdat ze dienst kunnen doen ter eer en ter wille van Zijn Naam.

Dat kunnen die jongeren ook niet in eigen kracht. Nee, de Koning zendt Zijn dienaren uit en Hij maakt bekwaam. Zo mogen ze staan in Zijn gezegende dienst en aanstonds uitgaan in deze wereld.

Gemeente, zo is het nog in het Koninkrijk van God. De Heere stuurt Zijn dienaren erop uit om wervend bezig te zijn voor de Koning der koningen. De nodiging gaat uit: ‘Sluit u aan! Kom, de deur staat open!’ Jongeren en ouderen worden genodigd tot het heil dat in Christus Jezus is. De nodiging gaat uit zo wijd als de wereld is. Er wordt u geen gemakkelijk en gezapig leven voor ogen gesteld. De nodiging is: ‘Welkom in de strijd!’ Maar God is het waard, en de Koning is het waard, en uw ziel is het waard.

 

Gemeente, als u die strijd niet kent, dan staat u nog aan de kant van de vijanden. Dan staat u met opgeheven wapens tegenover God en tegenover Zijn heilig Kind Jezus. Realiseren we ons dat? Wie niet voor is, die is tegen. Wie geen vriend is, die is een vijand, een vijand van God en van Zijn Koninkrijk. Dan vraagt de Heere nu: ‘Heb je daar nu vrede mee?’ Ogenschijnlijk wel, en u wilt er ook liever niet in gestoord worden. Die roep om bekering is iets wat u eigenlijk liever niet zou horen. Want ja, als u zich bekeert, dan is het leven niet meer zoals het geweest is. Dan moet u uw huis opruimen en dan moet u veel dingen wegdoen. Dat weet u ook wel en dat weet jij ook wel. U weet toch waar het op vast zit? Als u nu eens zou beginnen om daar wat aan te doen?

‘Maar een mens kan zichzelf toch niet bekeren?’, zegt u. Zo houden we een slag om de arm. ‘Het helpt toch allemaal niet.’ Zo proberen we de aandrang weg te halen uit het Woord van God. Dat doet u tot uw eeuwige schade. Paulus heeft gezegd: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:11).

Je ziet Hem als het ware iemand aan de schouders rukken: ‘Word nu toch eens wakker! Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten! (Ef.5:14). Zo klinkt de stem van God, ook in de wereld van vandaag, tot de verheerlijking van Zijn Naam.

 

Zeker, in de bloedstad van deze wereld zul je meer en meer alleen komen te staan. De tekenen van vandaag, zoals die zichtbaar worden in de wereld om ons heen, zijn niet onduidelijk. Sta daar een ogenblik bij stil. God heeft je gezegend met de kinderzegen of als je ouder bent en je bent opa en oma, als je dan kijkt naar je kinderen, dan zeg je: ‘O God, wat gaat er allemaal gebeuren? Wat staat ons nageslacht allemaal nog te wachten?’ Als je kijkt naar je eigen leven in de wereld van vandaag, dan moet je vaak zeggen: ‘Heere, ik kan het niet en ik red het niet. Hoe kan ik staande blijven in zo’n omgeving en op zo’n werkvloer? Hoe kan ik Uw Naam belijden?’

 

Geldt dat ook niet voor de discipelen, die teruggaan naar Jeruzalem en dan helemaal alleen? Dat is het nu juist: ze gaan niet alleen terug. Er is er Eén Die vooraan gaat. Hun Heere en Koning mag dan in de hemel zijn, maar Hij heeft niet gezegd: ‘Nu denk Ik niet meer aan jullie. Nu moet je het zelf maar uitzoeken.’ Nee, Hij blijft de grote Gids en Leidsman en Hij gaat vooraan.

Wat een vertroosting voor deze jongeren, dat zij niet alleen, in eigen kracht, teruggaan naar Jeruzalem! Hun Koning gaat mee, nu zij teruggaan naar Jeruzalem. Omdat Hij meegaat, kunnen zij de strijd, die wacht, aangaan. Hun gehoorzaam volgen is alleen mogelijk in Jezus’ kracht. Zijn kracht wordt in hun zwakheid volbracht.

Hij gaat vooraan, en zo zien we ze in gedachten als mensen die op Jezus’ gebod naar Jeruzalem gaan. ‘Ik zet mijn treden in Uw spoor.’

Hij gaat vooraan en Hij zegt: ‘Kom achter Mij en weet dat Ik het voortouw heb genomen. Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten (Hebr.13:5).’

Ze gaan ook terug als gezegenden, terug vanonder de handen van het Lam van God. Hij voer heen met Zijn doorboorde handen over hen opgeheven. Hij is niet zomaar vertrokken, maar Hij heeft ze Zijn zegen meegegeven, en in die zegen gaat het ten diepste om Hemzelf. Hij gaat mee!

 

Teruggaan in gehoorzaamheid aan het woord van de Koning.

En toch, gemeente, dat is het geheim van het stille werk van deze Koning door Zijn Heilige Geest. In hun teruggaan ligt het volgen van Hem. Hij gaat vooraan en Hij zet de toon. Hij heeft gezegd: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). Zonder Mij kun je niet teruggaan en zonder Mij kun je ook niet ingaan in het strijdperk van dit leven, maar als Ik vooraan ga en Ik geef de toon aan, dan mag u zeggen: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13). ‘Alle dingen’, ook gehoorzaam zijn, ook teruggaan naar Jeruzalem, naar de bloedstad, de wereld in. Het kan alleen door op te zien naar de zegenende handen van het Lam van God.

Zo zien we de jongeren gaan naar het woord van de Koning, in tegenstelling tot de gang van de Koning, maar bereid tot het werk in dienst van de Koning.

 

Dat is onze laatste gedachte, maar we zingen eerst uit Psalm 89 vers 8:

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

3. Teruggaan tot het werk in dienst van de Koning

 

Mijn hart, o Hemelmajesteit,

is tot Uw dienst en lof bereid.

 

Zo gaan de jongeren terug vanaf de Olijfberg naar Jeruzalem. Niet om van hun rust te genieten, maar om aanstonds te staan in dienst van de Koning der koningen, hun Heere, hun Zaligmaker, hun Hemelvaartskoning. In Jeruzalem wacht hun werk.

Tien dagen worden volgebeden en aanstonds is daar de vervulling van de belofte: Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees (Hand.2:17). De Pinkstergeest zal Zich aandienen. De Koning roept ze tot de strijd. Het leven is een strijdperk en geen ‘vrede alhier’ en er komt geen wapenstilstand; het leven is de krijgsbanier tot in Gods handen dragen. Ze zullen de grote werken van God prediken.

Gemeente, ze zullen uitgaan met die ene Naam tot zaligheid, Jezus’ Naam, tegen alle tegenstand in. Ze zullen Hem prediken, Die gekomen is om Zich te stellen als Borg voor al Zijn kinderen. Ze zullen Hem grootmaken, eerst onder de Joden en daarna ook onder de heidenen. Jezus heeft gezegd: Tot aan het uiterste der aarde (Hand.1:8).

Er staat hun nogal het één en ander te wachten, maar ze worden aangegord met kracht van boven. Al zijn ze zelf zwak, ze zijn sterk door de zegenende handen van hun Heere en Koning.

 

Zou dat vandaag niet gelden? Ach, we zijn te beschroomd om dat woord ook zomaar naar ons toe te halen, maar het gaat er wel om dat we elkaar opscherpen in de wereld van vandaag.

Zou dat beloftewoord ook niet vandaag gelden? Als van Hem geschreven staat dat Hij Dezelfde is gisteren en heden en tot in eeuwigheid, als u ooit iets gezien en doorleefd hebt van Zijn doorboorde handen, dan mag u toch weten dat Zijn trouw u zal ondersteunen en dat Zijn genade u zal troosten en dat Zijn barmhartigheden u zullen bemoedigen?

Maar in dit alles, schrijft de apostel, zijn wij meer dan overwinnaars (Rom.8:37). In verdrukking en stokslagen en noemt u maar op. Hij zegt niet: ‘Na dit alles’, als het allemaal achter de rug is, maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. De Heere geeft Zijn kinderen een plek middenin de samenleving van vandaag.

Het werk in de dienst van de Koning wacht!

 

‘Ga nu maar, discipelen, vanaf de Olijfberg naar Jeruzalem.’

Wat een veelbetekenende weg gaan ze, maar tegelijk ook een weg waar hun hart versterkt wordt. Op hun weg naar Jeruzalem geeft de Heere hen een terugleiding.

 

Wat is er te zien onderweg?

Op deze weg terug ligt de hof van Jozef van Arimathéa. Daar is Christus opgestaan.

Ze lopen door en even verder is de plek genaamd Golgotha. Daar heeft het woord uit Jezus’ mond geklonken: Het is volbracht! (Joh.19:30).

En nog een stukje verder komen ze langs Gethsémané, waar Jezus de drinkbeker heeft aanvaard uit de hand van Zijn Vader.

Heeft de Heere Jezus aan het begin van Zijn lijden niet gezegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33)? Dáárom kunnen de discipelen teruggaan naar Jeruzalem en ingaan tot het werk in dienst van de Koning. Het is niet hun zaak en hun werk en het gaat niet om hun naam, maar het is Zijn zaak en Zijn werk en het gaat om Zijn Naam. En zij zijn instrumenten in Zijn hand.

 

Bent u ook zo’n instrument? Ben jij zo’n instrument?

Er is niemand die op die boodschap van de hemel zit te wachten. Niet op je werk, niet op school. Je bent een eenling. Maar Luther heeft gezegd, en onthoud dat: ‘Eén mens met God is altijd in de meerderheid.’

Wie kan in eigen kracht uitgaan in een wereld, zoals die zich vandaag aan ons voordoet? De vijandschap neemt toe. Satan heeft het op de gemeente Gods gemunt. Hij sluit een cordon om haar en om allen die het Woord van de Heere horen. Zo begint hij het offensief. Hij begint bij onze kinderen, zodat zij de Bijbelse boodschap niet meer horen, niet meer mógen horen. Weg met het christelijk onderwijs. Godsdienst is voor achter de voordeur en meer ook niet. Hebben we er erg in?

 

Ziet u er tegenop? Zie jij er tegenop?

Gemeente, wij kunnen daar ook niet tegenop. In ons is geen kracht tegen deze grote menigte. Maar dat is niet het laatste woord. Voor u mag ook gelden: Maar onze ogen zijn op U (2 Kron.20:12).

Als we dat zeggen, is het niet minder dan een geloofsbelijdenis. Want eigen krachten te verachten, wordt op Jezus’ school geleerd. Hoe zul je getuige kunnen zijn, hoe zul je een instrument kunnen zijn in deze wereld, buiten Jezus en Zijn zegenende handen om? Hoe zal dat kunnen als u niet met de apostelen opziet naar de hemel, naar Jezus’ zegenende handen? U bent dan niet verbonden aan Hem. Dan kunt u Zijn bevel niet opvolgen; u bent nog uit de aarde aards.

 

We hebben aan het begin gevraagd: hoe leeft u naar Pinksteren toe? Zouden we niet moeten bidden: ‘Heilige Geest, U bent uitgestort tot aan de uiterste van deze wereld. U verheerlijkt Uw werk genadiglijk in harten van mensen die zondaren zijn. Werk, Heilige Geest, ook onder ons. Ga ons niet voorbij.’ Mogen het gezegende pinksterdagen zijn!

 

Hemelvaart leert ons dat niets onmogelijk is bij God. Naar de mens gesproken kan het niet, en de wetenschap herhaalt: ‘Het kan niet dat iemand zomaar omhoog stijgt.’

Nee, dat kan ook niet. Maar het gebeurt wel.

En dat is nu de paradox van het evangelie.

Dat is de rijkdom van Gods genade.

Dat is de heerlijkheid van Zijn dienst.

Dat is ook de bediening van de Pinkstergeest. Hij neemt het uit Christus om het aan ons te verkondigen.

 

‘Heilige Geest, blaas zo het vuur van de liefde aan, opdat het hart verwarmd moge worden, daar waar de liefde misschien aan het tanen is en waar er verachtering is in de genade. Wil zo onder ons zijn, dat de rijkdom van de doorboorde handen van Christus geopenbaard zal worden en wij met onze kinderen daar schuiling onder mogen vinden. Tot de heerlijkheid van Uw Naam en tot de komst van Uw rijk. Tot de uitbreiding van Uw gezegend Koninkrijk, wereldwijd.’

 

Laat ook van die milde regen

dropp’len vallen op mij neer.

 

Om Jezus’ wil, uit genade.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Morgenzang: 3

 

Dat wij ons ambt en plicht, o Heer’,

Getrouw verrichten, tot Uw eer;

Dat Uwe gunst ons werk bekroon’;

Uw Geest ons leid’, en in ons woon’.