Ds. C. Harinck - Genesis 3 : 24

De Boom des levens

De verdrijving van de boom des levens
De terugkeer tot de Boom des levens
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 23)

Genesis 3 : 24

Genesis 3
24
En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 144: 3
Lezen : Genesis 3: 16-24
Lezen : Openbaring 22: 1-5
Zingen : Psalm 1: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 92: 7
Zingen : Psalm 28: 6

Gemeente, bij de opgravingen van het oude Ninevé is een kleitablet gevonden met een oude sage, het verhaal van Gilgamesj. Gilgamesj zou de eerste mens geweest zijn. Deze mens was in het bezit van het kruid van de eeuwige jeugd. Maar... een slang heeft het hem ontstolen. Zo is dan de mens zijn eeuwige jeugd kwijtgeraakt en sterfelijk geworden.

We vinden in deze sage sporen terug van wat de val van de mens was in het paradijs. Maar wat er echt gebeurd is wordt ons meegedeeld in het boek Genesis: de mens heeft van de verboden boom gegeten en getracht God gelijk te zijn. Zo heeft de mens het eeuwige leven verloren en is het vonnis van de dood op hem neergedaald. Daarover willen wij thans tot u spreken. Onze tekst kunt u vinden in Genesis 3 vers 24, waar wij lezen:

 

En Hij dreef de mens uit en stelde cherubs tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom des levens.  

 

Onze tekst spreekt over: De Boom des Levens.

 

We letten hierop aan de hand van twee aandachtspunten:

1. De verdrijving van de boom des levens

2. De terugkeer tot de Boom des levens

 

1. De verdrijving van de boom des levens

 

Revoluties brengen nooit wat zij de mensen beloven. Zij brengen het tegenovergestelde; zij beloven vrijheid, maar ze brengen onderdrukking. Zij beloven welvaart, maar ze brengen armoede. Zij beloven broederschap en gelijkheid, maar ze brengen tirannie en verdeeldheid.

Zo was het ook met de eerste revolutie in het paradijs: de opstand tegen God. Satan beloofde Adam en Eva zulke heerlijke dingen. Hij toonde hen zo’n begerig vergezicht: zij zouden als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Zij zouden niemand boven zich hebben. Ze zouden helemaal onafhankelijk zijn en zelf kunnen beslissen wat goed is en wat verkeerd is. Maar het bracht hun het tegenovergestelde. In plaats van vrede, onafhankelijkheid, vrijheid en macht om zelf God te zijn, bracht het hun angst en vrees. Het bracht hun de dood.

 

Adam en Eva waren na hun zondeval bang voor God. Ze kropen weg voor God. Ze verborgen zich tussen het geboomte van de hof. Ze moesten tegen God zeggen: ‘Ik vreesde Uw stem, want ik ben naakt.’ Zij voelden zich helemaal niet vrij en gelukkig, zoals satan gezegd had. De mens is door de duivel bedrogen. Satan is de leugenaar van den beginnne. ‘Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit zichzelf’, zei Jezus.

 

Satan belooft ook nu dat er niets mooiers is, dat niets meer geluk en genot brengt, dan helemaal zelf uitmaken wat goed en kwaad is. Niemand boven je, geen ouders, geen kerk, geen God, geen Tien Geboden, en helemaal zelf beslissen wat je wil doen. Aan niemand verantwoording schuldig te zijn. Doen waar je zin in hebt.

Maar de zonde brengt geen geluk. De revolutie bedriegt. Jezus sprak de waarheid toen Hij zei: ‘Die de zonde doet, wordt een dienstknecht van de zonde.’ De zonde brengt in slavernij. Dat zie je in het drugsgebruik; spoedig worden we een slaaf van de drugs. We zien het in de vreselijke ziekte aids en andere ziekten. De zonde brengt geen geluk. Satans boodschap is een leugenboodschap. Zij leidt naar het verderf.

 

Gods conclusie na de zondeval van de mens is dan ook: Zie, de mens is geworden als Onzer een (Gen.3:22).

‘Is het dan toch gelukt?’, zou je zeggen. ‘Is het de mens dan toch gelukt om God gelijk te worden?’ Nee, zo moeten we dat niet lezen. God ziet op de angstige, ontredderde en door de duivel bedrogen mens en zegt: ‘Zie, dat is er nu geworden van de mens die Ons gelijk wilde zijn; die Ons niet wilde erkennen, die de drie-enige God niet als Koning wilde aanvaarden.’ God verwijt de mens zijn hoogmoed, waardoor hij getracht heeft aan Hem gelijk te worden.

 

Toen sprak de Heere wat we lezen in vers 22: Toen zeide de Heere God: Zie, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van de boom de levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

In de hof van Eden stonden allerlei bomen, vooral vruchtbomen. Twee van deze bomen worden met name genoemd; zij dragen beide een naam. De ene boom heette ‘de boom der kennis des goeds en des kwaads’. Deze boom was het symbool van het Goddelijk gezag. Want wie bepaalt wat goed en wat kwaad is? Wie bepaalt de normen voor goed en kwaad? Dat doet God. Wie heeft bepaald dat stelen kwaad is en je ouders eren goed is? God bepaalt dat. Als de grote Soeverein zegt Hij wat goed en wat kwaad is. Iedere keer als Adam en Eva die boom zagen, werden ze daar aan herinnerd. God bepaalt wat goed is en wat kwaad is. God staat boven ons.

 

En dan was er ‘de boom des levens’. Leven was er natuurlijk in overvloed in de hof. In de hof was grote vruchtbaarheid. Alles trilde als het ware van leven. Maar het was deze boom die op een bijzondere wijze leven vertegenwoordigde. Alles weten we er niet van. Maar wel weten we dat het een bijzondere boom geweest is, een symbool van het beloofde geluk, het beloofde leven in Gods gunst en gemeenschap. Deze boom was het onderpand van het onverliesbare eeuwige geluk, dat het deel zou worden van Adam en zijn nakomelingen, indien hij God gehoorzaamde. Daarom heette die boom ‘de boom des levens’.

Leven is in de Schrift meer dan dat het hart klopt en dat de longen pompen. Leven is in de Bijbel verbonden met God, met Zijn gunst, met het genieten van Zijn nabijheid en gemeenschap. Jezus zei dan ook: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3). Aan dat leven moeten we denken bij de naam ‘boom des levens’.

 

God wil niet meer dat de mens eten zal van de boom des levens. Tot hiertoe heeft de mens daar waarschijnlijk wel van gegeten. Want de Heere had gezegd: ‘Van alle bomen van deze hof moogt ge vrijelijk eten, behalve van die ene boom, de boom der kennis des goeds en des kwaads.’ Het waren vruchten die lichaam en geest bijzondere levenskrachten gaven. 

Maar nu, nu zendt de Heere de mens weg en drijft hem uit de hof van Eden. Hij stelt cherubs en een vlammig lemmer van een zwaard om de toegang tot de boom des levens te bewaren. God wil niet meer dat de mens zal eten van de boom des levens. We lezen dat God de mens verzond. Zo verzond hem de Heere God uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. God heeft de mens weggezonden, verbannen uit de hof van Eden. Weggezonden, de onontgonnen wereld in, om de strijd aan te binden tegen de doornen en de distelen en om in het zweet zijns aanschijns het brood te eten.

 

Er staat in vers 24: En Hij dreef de mens uit. De mens wilde niet weggaan. Adam en Eva wilden blijven in de hof van Eden, ze wilden die hof niet verlaten. Zij moesten uit de hof gedréven worden. De Heere dreef hen uit. Zijn heiligheid, Zijn Goddelijke majesteit dreef hen uit de hof van Eden.

 

En de Heere stelde cherubs, lezen we, tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom des levens.

De Heere stelde cherubs. De Bijbel spreekt over twee soorten engelen: serafijnen en cherubijnen. De serafijnen zijn de bewakers van Gods heiligheid. Zij roepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!’ De cherubijnen zijn de bewakers van Gods gerechtigheid. Zij handhaven Gods recht. Zij eisen dat aan Gods gerechtigheid genoeg zal geschieden. Deze cherubijnen, die opkomen voor Gods gerechtigheid, stelde de Heere aan de ingang van de hof van Eden. Het bevel van God was om de toegang tot de boom des levens te bewaren. Zij moesten verhinderen dat de mens terug zou keren tot het paradijs, en zijn handen ook uit zou steken naar de boom des levens, en daardoor – ondanks zijn zondeval – toch nog leven zou in eeuwigheid. Hij stelde ook een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde en ieder doodde die terug wilde keren naar de hof van Eden.

 

Gemeente, dit heeft de zonde van ons gemaakt! Een mens uit het paradijs verdreven, verjaagd uit de hof van Eden, verbannen uit Gods gunst, met boven zijn hoofd geschreven: ‘Gij zult de dood sterven. Stof zijt ge, tot stof zult gij wederkeren.’

 

Wij weten dit, wij belijden dit en wij onderschrijven dit. Wij wensen dat in bijna iedere preek te horen. Het moet gepredikt worden dat een mens gevallen is, diep gevallen is. Maar weten wij het wel echt? Gevoelen wij de smart en de pijn er wel over? Wij kunnen rechtzinnig en gewichtig praten over de val des mensen, maar is het wel eens werkelijkheid voor ons?

Van nature is het geen werkelijkheid. Wij hebben het ons buiten het paradijs gemakkelijk gemaakt. Daar is Kaïn al mee begonnen. Hij bouwde steden en noemde de steden naar de namen van zijn zonen. Ook wij hebben buiten het paradijs onze steden gebouwd.  Als een verloren zoon leven we vrolijk en prachtig, ver van het huis van de Vader. Het is de weg die vooral de westerse volken zijn ingeslagen. De welvaart heeft ons God en het paradijs doen vergeten. God is overbodig geworden. Het gaat zonder God ook goed. Hij is er niet meer bij nodig.

Zo leven wij als eens de verloren zoon in een vergelegen land, vervreemd van God en Zijn gemeenschap. Onze verdrijving uit het paradijs is geen werkelijkheid voor ons. Wij missen God en het paradijs niet.

Totdat de Heilige Geest dit tot een werkelijkheid maakt. Dat gebeurt in de dag van onze bekering. Dan wordt het een werkelijkheid: ik ben uit het paradijs verdreven; ik ben een verbannene, ik ben verdreven uit Gods gunst; ik ben bedrogen door satan; ik ben aan de dood onderworpen; ik ben zonder God in de wereld, zonder Christus op aarde en heb geen hoop op de zaligheid.

Gemeente, dan wordt het een werkelijkheid voor ons dat we geen toegang meer hebben tot de boom des levens en dat we God en Zijn gunst kwijt zijn. Een smartelijk Godsgemis zal ons hart vervullen. Een diep gemis zal de hele wereld rondom ons arm en leeg maken. De mens leeft het dan in dat hij God kwijt is en door de zonde van Hem is gescheiden.

 

Wanneer deze dingen werkelijkheid in ons leven worden, zullen wij proberen tot de boom des levens terug te keren. Wij zullen trachten Gods gunst terug te winnen door Zijn geboden te houden, door met alle bekende kwaad in ons leven te breken, door ons leven te verbeteren, door veel en ernstig te bidden, door onze zonden te belijden en oprecht berouw te hebben over het bedreven kwaad. Op die manier hopen we terug te kunnen keren tot de boom des levens. Langs die weg hopen we Gods gunst weer te verwerven.

Maar die weg is toegesloten. Cherubs bewaken de toegang tot de boom des levens. Op de weg van de werken der wet, op de weg van de zelfverlossing ontmoeten we deze cherubs. Zij brengen ons de boodschap: ‘God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede!’ Zij brengen ons de boodschap van Gods heilig recht dat voldaan moet worden; van de zonde die niet ongestraft kan blijven. Daar lopen onze verbeteringspogingen op stuk. Hier lijden onze zelfverlossingspogingen schipbreuk. We moeten gaan roepen: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps.130:3). Wanneer we die cherubs met hun waken voor Gods heilig recht ontmoeten, wordt het aan onze zijde kwijt. Wij hebben immers een grote levensschuld bij God gemaakt en bezitten niet één penning om te betalen. Dan beginnen we de bijbelse boodschap te verstaan: door de werken der wet zal geen vlees voor God gerechtvaardigd worden.

 

God heeft het voor Adam en Eva en voor de gehele mensheid definitief afgesneden om ooit terug te keren tot de boom des levens. En waarom heeft God dat gedaan? Waarom heeft God dat zo definitief afgesloten? Waarom doet de Heere dat in het leven van de mens die wel zoekt en dorst naar vrede met God, maar die – in zijn blindheid – deze vrede zoekt in het verbroken verbond der werken? Waarom snijdt de Heere dat zo definitief af?

De Heere wilde dat Adam en Eva niet terug zouden zien, maar dat ze vooruit zouden zien. Hij wilde dat ze zouden zien naar de toekomst, naar de Messias Die Hij hun beloofd had, Die komen zou en satans kop zou vermorzelen en hen weer gelukzalig zou maken.

Zie, dat wil de Heere ook nu in ons leven werken, gemeente. Hij wil ons leren uitzien naar de verlossing die Christus heeft teweeggebracht. Jezus Christus heeft de weg tot God weer ontsloten. Daarop letten we in de tweede gedachte en spreken over:

 

2. De terugkeer tot de Boom des levens

 

In het laatste boek van de Bijbel, in Openbaring 22, lezen we over een nieuw paradijs, een nieuw Jeruzalem en een nieuwe Boom des Levens. Het is niet zonder betekenis dat de Bijbel begint met het paradijs en een boom des levens en eindigt met het paradijs en een Boom des levens.

We lezen dan in Openbaring 22 vers 2: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de Boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende Zijn vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing der heidenen.

Wat een wonder! Het paradijs is er weer! En een nieuwe Boom des levens! Een bijzonder vruchtbare Boom is het, want we lezen van die Boom: Voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende Zijn vrucht. Een herwonnen paradijs en een nieuwe Boom des levens. Maar wat een vruchtbare Boom! Niet één oogst in een jaar, geen twee oogsten in een jaar, nee, van maand tot maand gevende zijn vrucht. Twaalf oogsten in een jaar. De Boom is nooit zonder vruchten.

 

En waar staat die vruchtbare Boom des levens? We lezen: In het midden van haar straat. De nieuwe Boom des levens staat niet ergens in een hoek of een besloten plaats, waar alleen bijzondere personen toegang hebben. Hij staat op de openbare straat; op het marktplein, waar iedereen vrije toegang heeft, waar iedereen komen kan en komen mag. We lezen hier ook niet van cherubs die de toegang tot deze levensboom bewaren. Er wordt niet gesproken over een vlammend zwaard dat zich omkeert om iedereen te doden die het waagt om tot die Boom des levens te naderen. We lezen: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier, stond de Boom des levens. De Boom was dus te bereiken zowel van de ene zijde als van de andere zijde van de rivier. De meeste verklaarders zeggen dat dit wijst op de bereikbaarheid voor Jood zowel als voor heiden. Zo stond de Boom des levens in het midden van de stad Jeruzalem.

Een nieuw paradijs en een nieuwe Boom des levens. God zet de deuren van Zijn paradijs open voor zondaren van Adams gevallen geslacht, die verbannen waren uit Zijn gunst en gemeenschap en die Hij in Zijn rechtvaardige toorn verdreven had uit de hof van Eden. Dit blijkt ook uit de boodschap die gehoord wordt. God roept het gevallen zondaren toe, wat we lezen in de nodiging in vers 17: En die dorst heeft kome, en die wil, neme van het water des levens om niet.

 

Hoe is dat mogelijk? Hoe kan een rechtvaardig God dat doen? Hoe kunnen die cherubs, die eisen dat aan Gods gerechtigheid zal worden genoeg gedaan, dit toestaan? Gemeente, dit kan alleen omdat tussen Genesis 3 en Openbaring 22 Golgotha ligt. Omdat Gethsémané er tussen ligt. Omdat Christus’ bloed zweten, Zijn verlaten zijn van God, Zijn dragen van Gods toorn, Zijn sterven op het kruis er tussen liggen. De gehele heils- en verlossingsgeschiedenis ligt tussen het eerste en het laatste paradijs.

Er is een nieuwe Boom des levens, die toegankelijk is voor zondaren van Adams gevallen geslacht. Omdat de Zoon van God in onze natuur de vloek heeft gedragen, de schuld heeft verzoend en aan Gods gerechtigheid voldoening heeft gegeven. Christus is door het vlammend zwaard van Gods gerechtigheid geslagen. Daarom staat de Boom des levens daar nu, midden in de straat. Daarom is er die vrije toegang. En daarom is er die rijke nodiging: Die dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet.

Op grond van de door Christus aangebrachte verzoening zet de Heere de deuren van Zijn paradijs open en de cherubim hebben er geen bezwaar tegen. Gods gerechtigheid is zodanig in en door Christus verheerlijkt, dat Gods heilig recht alleen maar verhoogd en verheerlijkt wordt in het bewijzen van barmhartigheid aan verloren zondaren. Het is, zoals Paulus zegt in Romeinen 5 vers 21: Opdat genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.

 

Genesis 3 toont ons een verloren paradijs, maar Openbaring 22 een herwonnen paradijs. De bekende dichter Milton, één van de grootste dichters in de Engelse taal, een godvrezend man die later blind is geworden, heeft er twee gedichten over geschreven. Het ene gedicht is: ‘Het verloren paradijs’ en het andere gedicht ‘Het herwonnen paradijs’. Uit deze twee gedichten blijkt dat Milton bijna geen woorden vinden kan om zijn verwondering uit te drukken over het door Christus herwonnen paradijs en de nieuwe Boom des levens. Wij hadden immers verdiend dat er nooit meer een paradijs en een Boom des levens zou zijn!

 

Een nieuwe Boom des levens. Er staan geen cherubs bij om zondaren tegen te houden en weg te drijven.

Wanneer we in de Bijbel engelen ontmoeten, verkondigen ze in de velden van Efratha de herders grote blijdschap, dat geboren is de Zaligmaker, Christus de Heere, in de stad Davids. Dan vertroosten ze de vrouwen op de paasmorgen met de boodschap dat Jezus uit de doden is opgestaan. De engelen zijn tevreden gesteld. Gods gerechtigheid is voldaan. Meer voldaan, volmaakter voldaan, dan wanneer de ganse mensheid eeuwig in de hel zou lijden. Op het kruis is geroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Op grond daarvan zet God Zijn paradijs open en is er een weg tot de Boom des levens voor de grootste van de zondaren.

 

Een herwonnen paradijs en een nieuwe Boom des levens. Maar… Golgotha ligt er tussen. Christus’ lijden en sterven ligt er tussen. Zijn bloed zweten in de hof van Gethsémané ligt er tussen. Zijn straf dragen op het kruis. Zijn roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46).

 

Gemeente, wie het paradijs terug wil vinden, wie tot de Boom des levens terug wil keren, wie eten en leven wil tot in eeuwigheid, moet over Golgotha gaan. Wij zoeken toch zo vaak via de oude weg van de werken tot de Boom des levens terug te keren. Wij trachten via de weg van ‘Doe dat en gij zult leven’, door het zich waardig en geschikt maken, door verdienen, bidden en schreien tot de Boom des levens terug te keren. Wij zoeken het in uiterlijke vroomheid, in het zich krommen als een bieze en het zich wassen met veel salpeter. Maar die weg is voor eeuwig afgesneden. Door de werken van de wet zal geen vlees voor God gerechtvaardigd worden.

Ik vrees dat degenen die het daar altijd in blijven zoeken, nog nooit die cherubs ontmoet hebben met hun uitgetrokken zwaarden van Gods gerechtigheid. Juist wanneer wij zo vasthouden aan het zoeken van redding in werken en eigengerechtigheden, zullen wij die ontmoeten. Zij roepen het ons toe: ‘God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede!’ Zij wijzen ons op de strafwaardigheid van onze zonde. Zij komen op voor Gods recht en brengen ons de boodschap dat onze werken, goede voornemens, ja zelfs onze aangenaamste gevoelens, tranen en gebeden, zijn gewogen door God en te licht zijn bevonden. Zij tonen ons wat zonde is in de ogen van een oneindig heilig en rechtvaardig God. Het is een kennis van de heiligheid van God en de strafwaardigheid van onze zonde, die ons doet zeggen: ‘God kan al het kwaad dat ik bedreven heb niet ongestraft laten.’ Hier leren wij belijden: ‘Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.’

 

Wie deze cherubs ontmoet en oog krijgt voor dat vlammend zwaard, verliest niet alleen zijn eigengerechtigheden, maar ook al die aangename gevoelens en bevindingen waarmee wij zo rijk en godsdienstig kunnen zijn. Wij verliezen dan de grond uit het psalmvers dat we zo met indruk mochten zingen, uit de gebeden die we toch zo met diepe ernst mochten bidden en de tranen die we toch zo oprecht hebben geschreid. Wij leren dan bevindelijk dat er geen terugweg is naar de Boom des levens.

 

Gemeente, aan de zijde van de mens is het kwijt! Aan de zijde van de mens is het verloren! De weg tot de Boom des levens is afgesloten! De Heilige Geest maakt dit tot een werkelijkheid. Aan onze zijde is het kwijt. Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, (…) en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind (Jes.64:6).

Maar daar laat de Heere ons niet liggen. Nee, dan zal de Heere ons tonen hoe er nu over Golgotha een weg loopt naar de nieuwe Boom des levens. Jezus Christus is die nieuwe Boom des levens, waar schuldigen, onreinen, vloekwaardigen genodigd worden. Hier geen vlammend zwaard om ons af te schrikken, maar de liefelijke nodiging van het Evangelie: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en die belast zijn, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Hier geen boodschap: ‘Er moet aan Gods gerechtigheid voldaan worden’, maar hier horen we de boodschap: ‘Er ís aan Gods gerechtigheid voldaan, er is betaald, er is verzoening aangebracht, de straf is gedragen en de ongerechtigheid verzoend. Jezus Christus is de verzoening voor de zonden. En al waren uw zonden als scharlaken, hier worden zij witter dan de sneeuw.’

Hier het wenkend Evangelie, dat roept: Wie dorst heeft kome, en die wil neme het water des levens om niet! Hier is het bloed van het Nieuwe Testament dat betere dingen spreekt dan Abel. En al hadden we met vele boeleerders gehoereerd en de zonde meerder gemaakt, hier horen we de boodschap: Waar de zonde meerder geworden is, is de genade veel meer overvloedig geweest (Rom.5:20).

 

Gemeente, wat wordt dat een wonder! Een nieuwe Boom des levens, een nieuw paradijs. Geen cherubs die ons tegenhouden. Geen vlammend zwaard dat ons zoekt te doden. Maar een Christus, Die ons toeroept: Komt herwaarts tot Mij! Een God, Die de zondaren predikt: Ik heb verzoening gevonden (Job 33:24).

Zo vinden armen en ellendigen een vrije toegang tot de ware Boom des levens, de Heere Jezus Christus. Wie zal ooit in woorden uitdrukken wat een genadig welkom er bij Jezus Christus is voor een arm, verloren, vervloekt, moe getobd en moe geschreid zondaar. Gods kinderen weten dit bij ervaring. Daar, aan Jezus, mogen zij hun verlorenheid, onreinheid en doemschuldigheid vertellen. En daar vertelt Jezus hen hoe Hij hen heeft liefgehad en Zichzelf voor hen heeft overgegeven. Er wacht toch zo’n genadige ontvangst bij Christus voor een doodschuldige, een goddeloze en een onreine. Zo mogen ze dan komen tot de Boom des levens, en eten en leven in eeuwigheid.

 

Wat een vruchtbare boom is Christus, de Boom des levens! Er staat: Voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende Zijn vrucht, en de bladeren des Booms waren tot genezing van de heidenen.

Het is een Boom die altijd met vruchten is beladen. Er is geen maand, geen seizoen, waarin je tot die Boom komt en geen vruchten vindt. Altijd zijn er vruchten aan deze Boom, in alle jaargetijden. Nooit komt men tevergeefs tot deze Boom des levens.

 

Hij draagt vruchten in de donkere wintermaand van overtuiging van zonde, wanneer de Heere met ons doet wat Mozes zegt: Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze verborgen zonden in het licht Uws aanschijns (Ps.90:8). Als de storm van een vloekende wet over ons raast, wanneer onze afgelegde levensweg ons aanklaagt, ons geweten ons veroordeelt, wanneer satan ons benauwt en zegt: ‘Je hebt gezondigd, God is op je vergramd, er is geen hoop meer voor zulke mensen’, in die donkere wintermaand met zijn vele donkere dagen en nachten, met overtuigingen van zonde, onrust, schrik en vrees in het geweten, draagt Christus, de Boom des levens, toch vruchten.

De aangeklaagde, benauwde, vrezende zondaar, die op de roepende stem van het Evangelie in die donkere wintertijd tot Christus vlucht, zal het ervaren dat Jezus vruchten draagt in die donkere tijd van overtuiging. Hij biedt uitkomst in de nood van de overtuiging. Hij toont Zich aan de overtuigde als een Zaligmaker, Die volkomen kan zalig maken allen die door Hem tot God gaan. Hij zegt ons door het Evangelie dat er bij Hem vervulling is voor alle nood, een kleed voor onze naaktheid, ogenzalf voor onze blindheid, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad van lof voor onze benauwde geest!

 

Hij draagt vruchten in de lieflijke lentemaand van de ziel. Dat is in de tijd van het eerste geloven, van de eerste geloofskennis van Christus in Zijn dierbaarheid en volheid. De tijd van de ondertrouw, de zangtijd van de ziel. Het is de tijd waarin Christus en de ziel elkaar hun liefde verklaren en Jezus ons toeroept: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u (Hoogl.4:7).

O gemeente, wat vindt een zondaar dan heerlijke vruchten aan deze Levensboom! Wat is Jezus dan rijk beladen met zoete vruchten! Wat mogen we dan delen in Zijn liefde en ons verwonderen over Zijn gerechtigheid! Dan wordt Hij ons als een appelboom onder de bomen des wouds. Dan mogen we daar onder zitten en is Zijn vrucht ons gehemelte zoet.

 

Wat draagt deze Boom heerlijke vruchten in de aangename zomermaand. De maand waarin de bomen gewoonlijk op hun schoonst zijn en hun vruchten vertonen. De tijd waarin de zondaar zekerheid van zijn zaligheid genieten mag en vrede bij God mag vinden door het geloof in onze Heere Jezus Christus. Wat vinden we dan heerlijke vruchten aan de Boom des Levens.

De apostel zegt dat we door Hem de toegang hebben door één Geest tot God en tot de Vader. O, dan mogen wij het vriendelijk gelaat van de verzoende God ontmoeten en toegaan tot de God en de Vader van onze Heere Jezus Christus en horen: Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen die Hem vrezen (Ps.103:13).

 

Maar ook in de sombere herfstmaand van de ziel, waarin Gods kinderen lijken op bomen zonder bladeren en zonder vruchten. Tijden van geestelijke verlatingen, waarin de gelovige in duisternis wandelt en geen licht heeft. Als we met Job zeggen moeten: Ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job 23:8). Tijden waarin de Heere Zijn aangezicht verbergt.

Maar ook dan draagt de Boom des levens Zijn vruchten. Dan leren we zeggen: Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen (Jona 2:4). Wij leren dan het ‘alhoewel’ van David gebruiken en zeggen: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles welgeordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust (2 Sam.23:5).

 

Ja, zelfs in de duistere maand van de dood brengt deze Boom des levens Zijn vruchten voort. David zegt er van: Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij (Ps.23:4). Christus zal er zijn in dat donkere uur. Hij zal voor Zijn volk zijn als de ark van het verbond, die in het midden van de Jordaan stond. Hij zal er zijn met Zijn voorbede, Zijn trouw en troost. Hij zal Gods volk erdoor dragen.

In welke maand men ook tot deze Boom des levens komt, met welke zielennood men ook tot deze Boom des levens komt, altijd vinden we er vruchten. Nooit komt men tevergeefs tot Hem. Altijd brengt Hij uitkomst, troost en redding. Van maand tot maand gevende Zijn vrucht. Nu dan, volk des Heeren, indien de ‘eerstelingen’ al zo zoet zijn, wat zal dan de ‘volle oogst’ zijn?

 

Laten wij nu samen eerst zingen uit Psalm 92 vers 7:

 

‘t Rechtvaardig volk zal bloeien,

Gelijk op Libanon,

Bij ‘t koest’ren van de zon,

De palm en ceder groeien.

Zij, die in ‘t huis des Heeren,

In ‘t voorhof zijn geplant,

Zien door des Hoogsten hand

Hun wasdom steeds vermeêren.

 

Gemeente, in Genesis 3 lezen wij van een verloren paradijs. Het paradijs is verloren! Wij zijn uit Gods gunst verdreven. Met het vonnis van de dood boven ons hoofd geschreven worden we nu geboren. Maar Openbaring 22 toont ons een nieuw paradijs en een nieuwe Boom des levens. Wat een wonder!

Nog groter wordt dit wonder wanneer wij zien waar die Boom des levens staat. Hij staat in het midden van haar straat, aan de ene en de andere zijde der rivier. Aan de openbare straat, waar ieder toegang heeft, staat hij. Hij staat niet in een besloten ruimte waar alleen bijzondere personen toegang hebben. Hij staat ook niet in een donkere nis. Er is geen hek rondom Hem opgetrokken. Er staan geen cherubs om de toegang tot deze Boom des levens te bewaren. Jezus Christus, de Boom des levens, is van God in het midden van zondaren geplant. Hij staat aan de openbare straat, midden op het marktplein. Hij is toegankelijk. De nodiging luidt: Wie dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet!

Er worden geen geschiktheden of waardigheden geëist. Koopgeld wordt er niet gevraagd. Je behoeft niets anders mee te brengen dan je honger en dorst. Een lege emmer of – zoals Rutherford het zegt – ‘een emmer vol dorst’ is alles wat nodig is.

Kom dan, dorstigen, armen en verslagenen van hart. De Meester is daar en Hij roept u. Ga met al uw nood, verlangen en vrees tot deze Boom des levens. Vertel Jezus van uw nood, uw angst, uw vrees en uw dorst, en u zult niet uitgeworpen worden.  

 

De roomse kerk heeft de Christus in een donkere nis geplaatst en er een hek voor getimmerd. De Reformatie heeft Christus echter weer in het middelpunt geplaatst. Maar soms ben ik bang dat we Jezus nu weer in een nis zetten, er weer een groot hek met prikkeldraad omheen zetten, met de boodschap: ‘Verboden aan te raken!’ Arme, verslagen zielen weten dan niet hoe nog bij Jezus te komen. Met allerlei voorwaarden zoeken sommigen ons weer terug te brengen tot het pausdom. Maar het oude en altijd weer nieuwe Evangelie is van een nodigende aard. Christus Zelf roept daarin en zegt: Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot der mensen kinderen (Spr.8:4). Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts (Spr.9:4). Zoals een iedere Israëliet in de woestijn, die gebeten was, op de verhoogde koperen slang mocht zien, zo mogen zondaren zien op Christus, Die in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken.

 

In het midden van haar straat stond de Boom des levens, zo lezen wij in Openbaring 22. De straat, dat is ‘de straat van Gods ordinantiën’, zeggen de verklaarders. Daar laat Christus Zich vinden. ‘Als de gemeente samenkomt, als het Woord gepredikt wordt, dan  wandelt Christus op die straat, bekleed met Zijn Evangelie’, zegt Calvijn. Dit leert ons waar wij hem zoeken moeten.  

 

En nu een vraag, gemeente, lijkt u misschien op Bartimeüs? U weet, die man ging zitten aan de weg waar Jezus voorbij zou komen en riep: ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’

Hoe zit u in de kerk? Hoe luistert u naar de boodschap van redding en zaligheid in Jezus Christus? Wat komt Christus daar dichtbij ons! De zoom van Zijn kleed is om zo te zeggen aan te grijpen. En wat doet u?

Hoewel Christus nu in de hemel verhoogd en verheerlijkt is, de takken van de Boom des levens hangen laag op de aarde! Overal waar het Evangelie gepredikt wordt, buigen die zwaar beladen takken zich neer, en horen wij de stem van God: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! (Jes.45:22).

 

O, bedenk toch, gemeente, indien u nooit tot deze Boom des levens komt, zult u de eeuwige dood moeten sterven. Indien u nooit komt tot deze Zaligmaker, zal Hij straks uw Rechter zijn. En weet u wat u dan het meest zal verdoemen? Dat zal de aanklacht zijn: ‘Waarom bent u niet gekomen?’ Uw verontschuldigingen zullen dan niet baten. Uw ‘juk ossen’ en ‘de vrouw die u getrouwd hebt’ en ‘de akker die u gekocht hebt’, dat zal dan allemaal wegvallen. Dan zult u beginnen buiten te staan.

O, hoor dan nog die zo liefelijke boodschap van Gods ontferming: ‘Bekeert u, bekeert u, o huis Israëls, want waarom zoudt gij sterven?’

 

In 1926 heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken dr. Geelkerken veroordeeld, omdat hij niet geloofde in de werkelijkheid van de slang in het paradijs. Maar ik denk zo dat velen van ons ook veroordeeld moeten worden, omdat zij ook niet geloven in de werkelijkheid van de val in het paradijs.

Beseffen we toch wel dat Genesis 3 geen verhaal, maar werkelijkheid is? Is het waar geworden in uw leven een ‘verbannene’, een ‘uitgeworpene’ te zijn? Er zijn mogelijk wel grote bekeringsverhalen te vertellen, maar de echte bekering begint met gemis, met Godsgemis, met jezelf een ‘verbannene’ te voelen, een uit het paradijs verdrevene, zonder God  in de wereld, en geen hoop hebbende. Als je deze boodschap thuis krijgt, dan baat je bankrekening niet meer en dan kun je echt niet meer blij zijn met al je rijkdommen. Dan word je een buitenstaander, een verlorene, een verbannene.

 

O, wanneer zo het paradijs en de verbanning daaruit werkelijkheid worden, hoor dan de boodschap van Openbaring 22: er is een nieuwe Boom des levens! Hij staat in het midden van de straat; Hij is vrij toegankelijk. Hij draagt iedere maand vruchten. Er is voor iedere nood bij Christus redding. Nu dan, van honger en dorst omkomende zondaren, hoor het: de Meester is daar en Hij roept u!

 

Indien u niet dicht bij deze Boom kunt komen, werp er dan van ver maar een blik op. En als u er zelfs geen blik op kunt werpen, roep dan maar met Bartimeüs: ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’ En als je geen voeten hebt om te gaan en zelfs niet kruipen kan, zeg dan maar: ‘Heere, hier lig ik. Is er, o grote Ontfermer, voor een kermer, voor een smekeling nog gehoor?’

Dan zul je het ervaren dat de Heere je haastig recht zal doen. Eer zij roepen, zegt de Heere, zo zal Ik antwoorden (Jes.65:24). Hij is immers veel gewilliger u te redden dan u gewillig bent om tot Hem te komen.

De bladeren van die Boom zijn zelfs tot genezing van de heidenen. Dat moet je eigenlijk door joodse ogen lezen. Een heiden was een onreine. Maar zelfs voor die mensen brengt de Boom des levens genezing. Zo walgelijk kunt u niet zijn, of het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt van alle zonden.

 

Zie, gemeente, zo wordt ons de heerlijkheid van Christus getekend en de roem van Christus verkondigd. Adam heeft ons diep laten vallen, maar in Christus is er meer dan in Adam. Zijn verdiensten overtreffen Adams kwaad. In de Heere zijn gerechtigheden en sterkten. Tot Hem zal men komen.

 

Volk des Heeren, wat een wonder dat die cherubs ons niet gedood hebben. We zijn daar zo bang voor geweest en we riepen: ‘Treed niet in het gericht met mij!’ De gedachte aan de vertoornde God deed ons beven en zeggen: ‘Hoe zal ik het maken als ik sta voor Gods gericht?’

Maar toen we kwamen – want we konden toch niet wegblijven van die Boom des levens – toen we zo kwamen, schuldig en verloren, met de koorden der veroordeling om de hals, belijdende de dood te verdienen, toen zagen we helemaal geen cherubs, helemaal geen vlammend zwaard, maar was er slechts een ontfermende Zaligmaker, Die vroeg: ‘Wat wilt gij dat Ik u doen zal?’

 

Wat een wonder van genade, dat u buiten het bereik van de eeuwige dood bent gebracht. Het is omdat Christus dat vlammend zwaard heeft genoeg gedaan en die cherubs heeft tevreden gesteld.

Paulus heeft het aan de Galaten geschreven: Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt (Gal.3:13). Aan het hout, aan het kruis is de vloek gedragen.

Maar de gekruisigde Christus is nu in de hemel een rijk beladen Boom des levens. Iedere maand draagt Hij vrucht, in voorspoed en in tegenspoed, in licht en in duisternis, in de jeugd en in de ouderdom, ja zelfs in het donkere dal van de dood.

Als dan Christus uw Leidsman is, hebt u niets te vrezen. Zie dan op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs en ga uw weg met lijdzaamheid. Hij zal zorgen dat niet één van de Zijnen omkomen zal. ‘Nooit is iemand omgekomen’, zo schrijft Thomas Boston, ‘die zijn aangezicht naar Jezus had gekeerd.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 28:6

 

God geeft Zijn gunstvolk moed en krachten;
Hij zal, in weerwil aller machten,
Zijn Rijksgezalfde staâg behoeden.
Red, Heer’, Uw Isrel uit al ‘t woeden;
Geef zegen aan Uw erv’, en weid
Uw volk; verhef z’ in eeuwigheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 23)