Ds. D.W. Tuinier - Lukas 24 : 50 - 53

Jezus' hemelvaart

Lukas 24
Profetische leiding
Priesterlijke zegeningen
Koninklijke opneming
Kinderlijke blijdschap

Lukas 24 : 50 - 53

Lukas 24
50
En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
51
En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
52
En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.
53
En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 3
Lezen : Lukas 24: 45-53
Zingen : Psalm 103: 10, 11
Zingen : Psalm 25: 3, 4
Zingen : Psalm 68: 2

Gemeente, Gods Woord ligt in deze hemelvaartsdienst open bij het gedeelte dat ons is voorgelezen uit Lukas 24. Ik vraag, met de hulp van de Heere, uw aandacht voor de verzen 50 tot en met 53. We lezen daar het Woord van de Heere en onze tekst:

 

En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel. En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in de tempel, lovende en dankende God. Amen.

 

We schrijven boven de preek: Jezus’ hemelvaart.

 

Vier aandachtspunten:

1. Profetische leiding

2. Priesterlijke zegeningen

3. Koninklijke opneming

4. Kinderlijke blijdschap

 

Als u het tekstgedeelte nog eens leest, dan ziet u dat de punten vanuit de tekst naar voren komen.

Jezus’ hemelvaart.

Het eerste gedeelte van vers 50 wijst op Zijn profetische leiding: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië.

Vers 50b en 51 wijzen op Zijn priesterlijke zegeningen: En Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.

Het laatste gedeelte van vers 51 wijst op Zijn koninklijke opneming: En werd opgenomen in de hemel.

En de laatste twee verzen wijzen op kinderlijke blijdschap: En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in de tempel, lovende en dankende God. Amen.

 

1. Profetische leiding

 

En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië.

U ziet ze in gedachten gaan. Twaalf mannen. Eén van hen is de Hoofdpersoon. Eén van de twaalf staat in het middelpunt, ook vandaag. Om Hem gaat het. Elf paar ogen zijn op Hem gericht. Als Hij spreekt, hangen ze aan Zijn lippen. Zijn mond spreekt niets dan loutere wijsheid. Hij spreekt als Machthebbende. Hij is de Waarheid Zelf. Hij leidt.

U mag niet vragen Wie Hij is. Het is de Goede Herder, Die Zijn leven heeft gegeven voor Zijn schapen. De Meester neemt Zijn leerlingen mee. Hij leidt hen. Hij heeft in de achterliggende weken niet anders gedaan dan Zijn verdwaalde, verwarde, soms ook verdeelde, eigenwijze, afdwalende schapen opgezocht, veertig dagen lang. Hij heeft hen bemoedigd, vertroost en onderwezen. Maar Hij heeft hen ook voorbereid op hun toekomstige taak. Die taak is onmogelijk in henzelf, maar mogelijk in Zijn kracht en door Zijn genade.

 

Ze gaan door de poort van Jeruzalem, door het Kidrondal richting de Olijfberg. Nee, er staat hier niet: ‘En zij gingen heen.’ Op de Hemelvaartsdag klinkt het: En Hij… Zijn profetische leiding staat voorop. Hij is de Leidsman. Hij is de Eerste, ook op Zijn kroningsdag. Hij is altijd de Eerste. En dat is Hij steeds weer in Zijn opzoekende zondaarsliefde. Hij is ook de Laatste. Hij is het Begin en het Einde, de Alfa en de Omega.

Dat wil Hij ook zijn in uw hart. Dat moet Hij zijn in jullie leven, jongelui. Kon ik je maar heilig verliefd maken op deze Koning! Echt, als God je Gids is in je leven, ben je echt rijk en gelukkig.

 

Wat een wonder dat Jezus Zijn jongeren als het ware bij de hand neemt en leidt. Is Hij uw Leidsman al, gemeente? Is Hij uw Gids? Hebt u de teugels van uw leven al uit handen gegeven, voor het eerst en opnieuw?

En Hij leidde hen… Eeuwig wonder! Waarom? Omdat zij in zichzelf dwalende schapen zijn. Het zijn weglopers, onverbeterlijke zondaren, doelmissers. Van hen is geen enkel goed te verwachten. En dat weten ze zelf, door ontdekkend licht, maar al te goed. Gelukkig maar dat hun Meester voorop gaat en zij volgen.

Hij gaat ze voor. Dat heeft Hij al drie jaar gedaan. Ook al begrepen ze het vaak niet. Ook al was de weg van de Herder vaak een ergernis voor hen, een steen des aanstoots, een struikelblok. Ook al verstonden ze zo weinig of niets van de weg van hun Meester. Maar Hij ging hen voor in Zijn gang van vernedering. Maar nu Hij de verhoogde en de verheerlijkte Koning is, gaat Hij ze ook voor. Ook in Zijn hemelvaart mogen ze Zijn voetstappen drukken.

Ik vraag het u nog een keer: bent u niet heilig jaloers op deze elf? Deze geheel enige Leidsman wil ook uw en jouw Gids zijn. Zoek deze Hemelvaartskoning terwijl Hij te vinden is en roep Hem aan terwijl Hij nabij is. En ... Hij is heel nabij. Hij komt vandaag zo heel dicht bij u en bij jou. Hij spreekt tot u vanuit Zijn Woord. Hij biedt u Zijn leiding aan.

 

We lezen: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië. De naam Bethanië zegt genoeg. In dat kleine gehuchtje zijn de discipelen zo vaak geweest, met hun Meester. Daar hebben ze onvergetelijke uren doorgebracht. Zij waren daar dikwijls te gast bij Maria, Martha en Lazarus. Daar werd bevestigd: ‘Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest.’ De Meester gaf hen daar profetisch onderwijs. Weet u wat Bethanië betekent? ‘Armenhuis, huis van nooddruftigen’. Ja, dat hebben ze geleerd: arm zijn ze geworden. Arm moeten zij blijven. Maar in die weg mogen zij komen tot een meerdere wasdom in de genade en kennis van de rijke Zaligmaker, Wien te kennen het eeuwige leven is.

 

De Heere Jezus en Zijn discipelen verlaten de stad Jeruzalem. Langzaam maar zeker beklimmen zij de Olijfberg. Ze zijn er getuigen van geweest hoe hun Meester een enkele maand geleden vanaf de Olijfberg wenend stond voor Jeruzalem. Hij wilde de stad bijeenvergaderen als een hen haar kuikentjes. De gedachten van de discipelen staan niet stil. Zij vermenigvuldigen zich.

Beneden hen zien ze de hof van Gethsémané, daar is Gabbatha en de heuvel Golgotha. Wat is er in de achterliggende periode veel gebeurd!

Dat alles ligt nu in het ene zinnetje: En Hij leidde hen…

Sions gezalfde Koning, Die op het punt staat om heen te gaan naar het Vaderhuis met zijn vele woningen, is ook Sions betalende Borg geweest. Dat moest, dat kon niet anders. Aan de hemelvaart van de Koning ging Zijn hellevaart vooraf.

Daar verstaan de discipelen nu iets van. Hun Meester heeft immers hun verstand geopend, dat zij de Schriften verstaan. Al klimmend op de berg spreekt Hij met Zijn jongeren. Lukas schrijft daar heel uitvoerig over in het eerste hoofdstuk van zijn Handelingen. Jezus geeft Zijn discipelen nog eens de opdracht om straks, als Hij heengegaan is, in Jeruzalem te blijven. Daar moeten ze wachten tot de beloofde Trooster komt. Daarna moeten ze in Zijn Naam gaan preken. Gij zult Mijn getuigen zijn (Hand.1:8). Ze moeten preken: bekering en vergeving der zonden

Al pratend en profetisch leidend neemt Jezus de elven mee. Ze bestijgen de Olijfberg. Hij leert. Hij geeft onderwijs, hen die dwalen. Hij brengt ze in het rechte spoor. Dat is nog zo. Dat is nodig, voor ons allemaal.

 

Jezus’ hemelvaart kunt u niet los zien van wat er in het achterliggende is gebeurd. De Olijfberg is onlosmakelijk verbonden aan Golgotha en het open graf in de tuin van Jozef van Arimathea. Daar gaat de Goede Herder. Hij leidt Zijn schapen profetisch. Hij geeft onderwijs. Hij gaat Zijn schapen terugbrengen naar de hemelse schaapskooi. Daarvoor is Hij eerst Lam geweest. Hij is ter slachting geleid.

In de hof van Gethsémané heeft Hij bloed gezweten. Hij heeft gehongerd en gedorst. Hij heeft Zijn Kerk duur gekocht. Het heeft Hem Zijn bloed gekost. Nu gaat Hij met Zijn schaapskudde naar de Olijfberg.

De apostel Paulus schrijft in de brief aan de gemeente van Efeze: Nu, dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde? (Ef.4:9). De vernedering en verhoging verbindt hij aan elkaar. Dat moeten wij ook doen. Want de Hemelvaartsdag wordt nog heerlijker en rijker als u ziet wat er achter ligt. Jezus Christus zal uitermate verhoogd worden. Hij zal een plaats krijgen in de hemel. Die weg zullen ook Zijn jongeren gaan. Zij zullen Hem volgen.

 

Geliefden, wie is koning in uw leven? Door wie wordt u geregeerd? Wie heeft het voor het zeggen in je leven, jongens en meisjes?  Met alle gidsen en wegwijzers in deze wereld kom je om, hoor. Ze bedriegen je, vroeg of laat. Daarom, laat Gods Woord een lamp zijn voor je voet en een licht op je pad.

 

We gaan naar onze tweede punt:

 

2. Priesterlijke zegeningen

 

Op een gegeven ogenblik komen ze op de Olijfberg. Dan komt er een ogenblik dat Jezus ophoudt met spreken. Lukas schrijft in Handelingen 1: En als Hij dit gezegd had... (vers 9). Zijn armen en handen gaan omhoog. En Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. Zo wordt Hij zegenend van de aarde losgemaakt. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, leest u.

Dat staat niet voor niets in Gods Woord. Wat een heerlijk evangelie! De Zaligmaker van zondaren gaat zegenend heen. Zijn jongeren, en in hen Zijn Kerk, staan onder Zijn uitgebreide handen.

 

Zoals de oudtestamentische priesters de zegen op het volk legden, zo doet nu ook de grote Hogepriester. En u weet: voordat de priester de zegen uitsprak, vloeide er eerst bloed. Er moet geofferd worden. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Alleen in die weg kan er worden gebeden. Alleen dan kan de Heere in genade, gunst en ontferming op een schuldig volk neerzien. In die volgorde dus: offeren, bidden, zegenen. Als er geofferd en gebeden is, mag de priester in de Naam des Heeren het volk zegenen: De Heere zegene u en behoede u; De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede (Num.6:24-26).

Hier is het anders. Op de kroningsdag van Sions gezalfde Koning is Hij de grote Hogepriester van Zijn kinderen. Al de oudtestamentische hogepriesterlijke zegeningen worden in Hem vervuld. Hij is de grote Vervuller, omdat Hij verzoening heeft aangebracht. Hij is het Lam van God. Hij is het grote Offer. Daarom heeft Hij nu van Zijn Vader macht, volmacht, dat is bevoegdheid, ontvangen om Zijn jongeren en in hen Zijn kinderen te zegenen. Hij wénst hen niet alleen Zijn zegen, maar Hij gebíedt Zijn zegen. Hij geeft rijke zegeningen.

 

Onze vaderen belijden dat zo helder in het formulier om het Heilig Avondmaal te houden, als zij schrijven dat Hij de vloek van ons op Zich geladen heeft. De vrucht is dat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zal. Daarom staat hier: En Zijn handen opheffende… Hij laat Zijn handen zien tot lering, tot bekering, tot bemoediging, tot troost, tot vermaning en tot onderwijs. De discipelen kijken hun Meester na tot Hij uit hun oog is. Ze kijken tot een wolk Hem wegneemt.

Wat hebben ze het laatste van Hem gezien? Zijn zegenende handen, en daarin de littekenen waarmee Hij aan het kruis heeft gehangen. De Koning gaat heen met doorboorde handen. Sions betalende Borg is Sions gezalfde Koning. Onder Zijn handen vinden de elf discipelen bedekking van hun schuld, verzoening van hun zonden, vrede voor hun hart en rust voor hun ziel. Onder Zijn handen zijn ze veilig en geborgen, voor tijd en eeuwigheid.

 

Lukas begint zijn evangelie met de beschrijving van de priester Zacharias, zijn dienstwerk in het heiligdom, maar ook zijn ongeloof. De evangelist eindigt zijn evangelie met de grote Hogepriester van het huis van God, Die Zijn reine, zondeloze handen opheft. Daarmee deelt Hij uit, door Zijn Geest.

Wat deelt Hij uit? Zegeningen, gaven, schatten. Die woorden zeggen dat het iets is dat veel waarde heeft. Het zijn weldaden. Ik noem er enkele: vergeving van zonden, het eeuwige leven, vrede met God, vernieuwing van uw hart en leven. Waar zullen we beginnen en waar zullen we eindigen als het gaat om de heerlijkheid, de grootheid en rijkdom van deze Hemelvaartskoning?

Alles wat Hij op Goede Vrijdag heeft verdiend, deelt Hij uit. Hij heft Zijn handen op en zegent hen. En deze zegenende houding heeft de verhoogde en verheerlijkte Koning van Zijn Kerk nog niet afgelegd. Zijn handen heeft Hij nog niet ingetrokken. Zijn priesterlijk bewogen handen, waaruit rijke zegeningen voortvloeien, zijn vol liefde en ontferming.

 

Nee, deze handen wijzen u niet af. Ze veroordelen u ook niet. Dat hebt u wel verdiend. Daar hebt u het naar gemaakt. Gods Woord is er duidelijk in: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10). Buiten deze milde handen en Zijn vriendelijke ogen, ligt u onder de toorn en vloek van God. U moet verloren gaan. U komt om.

Maar nu predikt het hemelvaartevangelie dat er in deze grote Hogepriester, Die zegenend heengaat, genade is, overvloeiende voor de grootste van de zondaren. Onder Zijn uitgebreide handen is nog plaats, ook voor u en voor jou. Zijn handen waren uitgestrekt naar het godsdienstige Jeruzalem: Och, of gij ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Luk.19:42).

Hij doet vandaag hetzelfde tot ons. Hij wil kinderen omvangen in Zijn armen en Zijn zegenende handen op jullie hoofd leggen, jongens en meisjes. Hij klopt op de deur van je hart, jonge mensen: ‘Doe Mij open. Zoek Mij en leef!’

 

Jezus gaat heen met zegenende handen. Het zijn dezelfde handen die Hij eens op de hoofden van de kinderen heeft gelegd. Het zijn dezelfde handen die Petrus, die in de zee wegzonk, wilden redden. Deze handen hebben zieken genezen. Deze handen heeft Hij Zijn leerlingen laten zien na Zijn opstanding.

Thomas heeft Zijn handen willen zien voordat hij geloven kon dat Jezus echt was opgestaan. De apostel Johannes, op Patmos, mag deze (rechter)hand ervaren op zijn hoofd.

Jezus’ zegenende handen zijn liefdevolle handen. Het zijn ook betrouwbare handen. Handen met littekens, bebloede handen.

Met deze handen heeft Jezus gehangen aan het kruis op Golgotha. Daarmee heeft Hij de zaligheid verdiend voor Zijn kinderen. Van Zijn handen en ogen geldt zoals de dichter van Psalm 25 dat verwoordt:

 

Milde handen, vriend’lijk’ ogen,

zijn bij U van eeuwigheid.

 

Maar... als je buiten deze handen bent, kom je om!

Daarom, wat ik u bid in de naam van mijn Zender: zoek onder deze handen bescherming, bedekking, beschutting, genade en vrede. Vlucht onder Zijn zegenende handen met uw zonden en schuld. De dichter zingt:

 

Hij heelt gebrokenen van harte

en Hij verbindt z’ in hunne smarte,

die in hun zonden en ellenden

tot Hem zich ter genezing wenden.

 

Lukas schrijft in zijn Handelingen: En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden (Hand.1:10). Jezus’ jongeren kijken dus omhoog. Dat blijven ze doen.

Gemeente, ik ben bang dat we teveel naar beneden blijven kijken. En… hier beneden is het niet. En in uw eigen hart helemaal niet. Daar komt u wel achter, door het ontdekkende werk van Gods Geest. Nee, u moet van uzelf, van mensen en de omstandigheden leren afzien, en opzien tot Hem, van Wie uw heil alleen komen kan.

 

En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden.

Wat een zalige en heerlijke gestalte! Ze hebben hun Meester gezien. Ze zien Zijn handen. Ze zien de tekenen van Zijn nagels. Daarin ligt een onuitsprekelijke, rijke troost. Daarin ligt hun zaligheid en het eeuwige leven. Ze hebben er iets van mogen verstaan. Hun Meester gaat naar het Vaderhuis, met zijn vele woningen. Hun droefheid zal worden tot blijdschap. Hun weeklacht en geschrei zal Hij veranderen in een blijde rei.

Want Hij gaat naar de hemel om verzoening te doen voor hun zonden. Hij gaat naar het Vaderhuis met Zijn bloed, om Zijn Kerk de Vader voor te stellen als een reine maagd, zonder vlek en zonder rimpel. Hij heeft de schuld betaald. Hij heeft de vloek van de wet weggenomen. Hij heeft het eeuwige, zalige leven aangebracht. Hij gaat voor hen een plaats bereiden. Hij brengt Zijn Kerk thuis. Verstaat u het dat Zijn discipelen straks met grote blijdschap teruggaan naar Jeruzalem? Het zijn onvergetelijke dagen voor hen geworden.

 

Kinderen van de Heere, leeft u niet teveel beneden uw stand? Hoe komt dat? Omdat u teveel naar beneden kijkt. U snoept teveel van deze wereld. Nodig is arm makende genade, zodat u in uw gemis en armoede opnieuw uw toevlucht neemt tot uw Koning. Hij leeft. Hij is in de hemel. Hij zit op de plaats van eer, gunst en macht. Hij belooft dat Hij met Zijn godheid, majesteit, genade en Geest nooit meer van u wijken zal. Van u geldt: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij (Jes.49:16).

Daarom komt de apostolische vermaning tot U: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods (Kol.3:1). Uw Koning is boven. Daar is Hij, u ten goede. Johannes getuigt daarvan: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; en indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; En Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld (1 Joh.2:1-2).

Vertroost elkaar met deze woorden!

 

We gaan eerst zingen, Psalm 25 vers 3 en 4:

 

Denk aan ‘t Vaderlijk meêdogen,
Heer’, waarop ik biddend pleit;
Milde handen, vriend’lijk’ ogen
Zijn bij U van eeuwigheid.
Sla de zonden nimmer ga,
Die mijn jonkheid heeft bedreven;
Denk aan mij toch in genâ,
Om Uw goedheid eer te geven.

‘s Heeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door
Onderwijzing hen die dwalen,
Brengen in het rechte spoor.
Hij zal leiden ‘t zacht gemoed
In het effen recht des Heeren;
Wie Hem need’rig valt te voet,
Zal van Hem Zijn wegen leren.

 

We hebben gezongen en gehoord van Jezus’ profetische leiding. We hebben gezongen en gehoord van Zijn priesterlijke zegeningen. We letten nu op Zijn koninklijke opneming.

 

3. Koninklijke opneming

 

In vers 51 leest u dat Jezus opgenomen wordt. U ziet dat Lukas hier vooral het werk van de Vader benadrukt. Hij wordt opgenomen. God de Vader verheerlijkt Zijn Zoon. Hij neemt Hem op in de hemel. Waarom? Omdat Zijn Zoon Hem verheerlijkt heeft op de aarde. De Vader is volkomen tevreden met Zijn offer. Daarom wordt de gesloten hemel nu geopend. Hij zorgt voor een geopende toegang tot de troon van Gods genade. Zijn werk op aarde is volbracht. Het wordt door de Vader aanvaard. De hemel ontvangt Hem. Hij wordt opgenomen. De Vader zegt, met eerbied gesproken: ‘Kom nu, Mijn Zoon, want Ik heb in Uw offer een volkomen welbehagen. Op de paasdag heb Ik Mijn goddelijke, vaderlijke goedkeuring op Uw middelaarsarbeid al gegeven. En nu op de kroningsdag bevestig Ik dat.’

 

Wat zal dat zijn geweest, gemeente, toen de Zoon de hemel binnenkwam! De Vader is verblijd. Hij ziet de littekens in de handen, in de voeten en in de doorstoken zijde van Zijn Zoon. Het zichtbare bewijs dat Hij Zijn Kerk heeft gekocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed. Nu brengt Hij Zijn verkoren en verloste kinderen Thuis, in de gunst en gemeenschap van de Vader. Hij ontvangt een plaats aan Zijn rechterhand. Van daar zal Hij Zijn Kerk vergaderen, onderwijzen, voor hen bidden, regeren en beschermen. Daar is Hij Profeet, Die dwazen leidt en onderwijst in de weg der zaligheid. In de hemel doet Hij als Priester verzoening voor hun zonden en schuld. Hij bidt voor hen. Hij is hun hemelse Advocaat, hun Voorspraak bij de Vader. Nog deelt Hij priesterlijke zegeningen uit.

 

Op de vraag welke troost er is in de hemelvaart van Christus, is het antwoord: ‘Dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is.’ Met Zijn offer is Hij de hemel binnengegaan. Hij laat Zijn doorboorde handen aan Zijn Vader zien. Hij bidt en pleit voor Zijn volk. Een aardse advocaat kan een rechtszaak verliezen. Maar Jezus niet. Wat een rijke troost!

Wilt u weten wat Jezus bidt? Lees een stukje van Zijn gebed in Johannes 17. Daar bidt Hij: Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt (vers 24).

Hij bidt voor Zijn kinderen, maar ook voor hen die Hem nog niet liefhebben. Daarvan zegt Hij: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen (Joh.10:16).Wat bemoedigend! Zijn opneming is koninklijk. Hij heeft de gevangenis van de zonde weggevoerd. Hij heeft gaven genomen om uit te delen onder de mensen, opdat zelfs het wederhorig kroost altijd bij God zal wonen (Ps.68:19).

 

Hij is de eeuwige Koning, Die Zijn Kerk niet alleen heeft verlost uit de heerschappij van de duivel, maar haar ook leidt, regeert en beschermt in het strijdperk van dit leven. Daarom is Gods volk zo gelukkig. Zij heeft toekomst, eeuwige toekomst, omdat hun Koning leeft, tot in eeuwigheid. Zijn Koninkrijk zal blijven, tot het einde der eeuwen. De dichter zingt:

 

Maar eeuwig bloeit de gloriekroon,

op het hoofd van Davids grote Zoon.

 

Van alle andere koninkrijken op aarde geldt dat zij opgaan, blinken en verzinken. Jezus’ Koninkrijk zonk tot in de diepten van de kruisdood op Goede Vrijdag. Sindsdien gaat het opwaarts. Het gaat van lijden tot heerlijkheid, van strijd naar overwinning, van kruis naar kroon. Na Zijn dood is voor Hem en Zijn kinderen het eeuwige leven bereid.

Een koning zorgt voor zijn onderdanen. Koning Jezus zorgt zeker en gewis voor Zijn kinderen. Nog is Hij bezig om nieuwe onderdanen te werven. Hij stuurt Zijn bruidswervers, Zijn dienstknechten, uit om een bruid voor Hem te werven. Zij zijn vrienden van hun Bruidegom. Zij doen niet liever dan de bruid aan de voeten van Jezus brengen.

 

Ook vandaag wordt het visnet van Zijn evangelie uitgeworpen. Dat gaan de elf discipelen straks ook doen. Van henzelf is geen enkel goed te verwachten. Dat is wel gebleken. En dat weten ze zelf maar al te goed, door ontdekkend licht van boven. Hun hoop, hun leven en verwachting ligt in Hem, hun dierbare Koning, Die zegenend en koninklijk opgenomen wordt. Hij bereidt voor hen een plaats in het Vaderhuis.

 

In Zondag 18 van ons troost- en leerboek, de Heidelbergse Catechismus, belijden we dat Christus ‘ons vlees als een pand heeft meegenomen.’ Wat wordt daarmee bedoeld?

Ik maak het duidelijk met het voorbeeld van een trouwring. Op de trouwdag geven de bruid en bruidegom elkaar de ring. In de ring staat de naam van degene van wie je houdt. Een ring, wat een mooi gebaar! Al ben je dan nog zo ver bij elkaar vandaan, kijk je naar de ring aan je vinger, dan weet je dat er een band van liefde en trouw is met degene die je liefhebt. Zo kun je elkaar nooit vergeten.

Zo heeft Christus in Zijn hemelvaart de trouwring van Zijn kinderen meegenomen. Hij is heengegaan met hun vlees, zegt de catechismus. Met Zijn menselijk lichaam is Hij in de hemel. Daarom denkt Christus aan Zijn Kerk. Hij zal zorgen dat zij ook bij Hem zullen komen. Daarvan heeft Hij gezegd: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh.14:2).

 

In de catechismus staat dat Gods kinderen hun vlees in de hemel tot een zeker pand, dat is bewijs, hebben, dat zij daar ook zullen komen. Zij zijn nu nog op aarde. Zij bevinden zich nog in de strijd. Maar hun Hoofd is boven. En Hij zal zorgen dat zij Thuis komen.

U hebt ze vast wel eens gezien in Amsterdam. Hoge, smalle huizen aan het water met trapgeveldaken. Op één van deze grachtenhuizen staat een bordje: ‘Woning boven, werkplaats beneden.’ Ja, dat klopt. De meubelmaker woont met zijn gezin op de bovenverdieping. Beneden zijn de grote deuren waarboven staat geschreven: ‘Werkplaats’.

Begrijpt u het beeld? Zo is het ook met de Heere Jezus. Zijn woning is boven. Zijn Kerk is beneden. Daar werkt Hij, door Zijn Geest. En over tien dagen geeft Hij Zijn ring. Hij geeft Zijn Geest op het pinksterfeest. Wat doet Zijn Geest? Hem verheerlijken in de harten van Zijn kinderen. Jood en heiden zullen delen in al Zijn schatten en gaven. Zijn Geest maakt plaats voor Hem, openbaart Hem en verklaart Hem in al Zijn dierbaarheid in harten van zondaren. Op de pinksterdag zal Hij Zijn Geest zenden als tegenpand. Die zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.

 

We komen bij ons laatste aandachtspunt:

 

4. Kinderlijke blijdschap

 

Begrijpt u dat Jezus’ jongeren hun Meester aanbidden? U leest het in vers 52. Nee, we lezen niets van weemoed of verdriet, integendeel. Er is grote blijdschap. Ze aanbidden Hem. Weet u wat dat is? Dan ligt u op uw knieën, eerbiedig en met diep ontzag. Dan wordt God groot en bent u klein. U bent leeg van uzelf en vol van Hem. Aanbidden is hemelwerk. God aanbidden, volkomen en volmaakt, dat doet de triomferende Kerk. Op aarde doen Gods kinderen dat bij tijden en ogenblikken. Jezus’ discipelen doen het op de kroningsdag van hun Meester.

 

En zij aanbaden Hem. Ze krijgen niet genoeg van Hem. Het wordt vervuld: ‘Verzadigd met Zijn Goddelijk beeld.’ Vandaar hun grote blijdschap. Die vreugde is een blijdschap in Hem, van Wie de engel bij Zijn geboorte heeft gezegd, in de velden van Efratha: Ik verkondig u grote blijdschap die al den volke wezen zal (Luk.2:10).

De apostel Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten over de negenvoudige vrucht van de Geest van Christus. Eén daarvan is ‘blijdschap’. Met grote blijdschap gaan de elven terug naar Jeruzalem. Ze doen wat hun Meester hen heeft opgedragen. Ze zijn gehoorzaam. Ze gaan in geloofsgehoorzaamheid. Heel vaak gingen zij hun eigen weg, dwaalziek dat zij zijn. Nu is dat anders. Ze gaan naar Jeruzalem met een hart vol vreugde.

 

Hoe gaat u naar huis? Hoe ga jij naar huis? Bent u gehoorzaam aan het bevel van de grote Meester? Wat vraagt Hij van u en van jou? Bekeert u, bekeert u en leeft! Mag ik dan vandaag geen andere dingen meer doen, vraagt u? Jawel, maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al die andere dingen krijgt u erbij. Eén ding is nodig, dat is: zoek vrede voor uw ziel en rust voor uw hart. Zoek geborgen te zijn onder de zegenende handen van de Hemelvaartskoning.

Doe zoals Jezus’ jongeren. Zij keerden weder naar Jeruzalem. Wat gaan ze daar doen? Ze gaan naar de tempel. Begrijpt u dat? Waar kun je beter zijn dan daar? Waar kun je beter en meer aan Hem denken dan in Zijn huis? Gods Woord en Zijn gezegende instellingen is eten en drinken voor ze. Hun liefste plek op aarde is in de kerk. Daar wordt hun hart verklaard. Daar halen ze adem. Daar wordt hun ziel verkwikt en zijn ze blij in de Heere, de God van hun heil.

 

Maar liefst tien dagen blijven ze in Gods huis. En zij waren allen tijd in de tempel, lovende en dankende God. In de oorspronkelijke taal wordt er voor ‘loven en danken’ hetzelfde woord gebruikt als het woord dat Jezus gebruikt voor het zegenen van Zijn discipelen. Zij worden dus door Hem gezegend. Hij bedient hen uit Zijn volheid. Wat gaan zij dan doen? Zij zegenen Hem. Zij maken God groot. Zij verheerlijken en prijzen Hem. De elven zullen uitgroeien tot honderdtwintig, die samen volharden in bidden en smeken om de komst van de beloofde Trooster, de Heilige Geest.

 

De vraag komt op u af: wat gaat u doen, als u naar huis gaat? Wat gaan wij doen vandaag? Gaan we de Hemelvaartsdag invullen naar onze eigen gedachten?

Wee u, als u deze evangelieboodschap naast u neerlegt. Vreselijk zal het zijn de weg van zalig worden te hebben geweten en niet bewandeld. Nog wordt u de weg van behoud en heil gewezen: Jezus Christus heeft de hemel geopend voor mensen die de hel hebben verdiend. Daarom kunt u nog zalig worden.

 

U die in beginsel Hem vreest, zie op Hem. Verwacht het van Hem. Uw Koning leeft. Hij zit aan de rechterhand van Zijn Vader, u ten goede. Hij draagt al Zijn kinderen op Zijn hart. Wij kunnen Hem vergeten, dagen zonder getal. U bent wellicht biddeloos en behoefteloos, zo aardsgezind en wereldgelijkvormig. Dat is schuld. Daarvoor bent u verantwoordelijk. Maar uw Koning leeft om altijd voor u te bidden.

Uw Meester, het Hoofd van Zijn gemeente, denkt aan u. Hij vergeet u nooit. Over tien dagen zendt Hij Zijn Geest. Die zal Zijn Kerk leren zoeken de dingen die boven zijn. Daar is Jezus Christus. Nee, vanuit uzelf zoekt u dat nooit. Maar door de kracht van Gods Geest verlangt u naar alles wat van Hem is. Door Zijn Geest wordt uw geloof geoefend en versterkt. Alles van deze wereld kan u gestolen worden. U vecht tegen de zonde. Op aarde voelt u zich dan niet meer thuis. U bent hier een vreemdeling, een doorreiziger naar een beter vaderland, het hemelse Kanaän. Uw hart wordt als het ware naar boven getrokken.

Paulus roept u toe: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. (Kol.3:1-2).

Het grootste zal zijn als u straks uit Zijn mond horen mag: ‘Komt in, gij gezegende van Mijn Vader, en beërft dat Koninkrijk dat voor u weggelegd is van voor de grondlegging der wereld.’

Dan gaat in vervulling wat we straks samen gaan zingen:

 

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68:2

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielenvreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn Naam is Heer’ der heren.