Ds. G.A. Zijderveld - Handelingen 1 : 9b

De glorierijke hemelvaart van Christus

Onder de wolk
In de wolk
Boven de wolk
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

Handelingen 1 : 9b

En een wolk nam Hem weg van hun ogen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 3
Lezen : Handelingen 1: 1-14
Zingen : Psalm 68: 9, 16, 17
Zingen : Psalm 110: 1, 2
Zingen : Psalm 24: 4, 5

Gemeente, Elia was één van Gods getrouwe profeten onder het volk van Israël. Wat een machtig spreker was Elia. Hij was een man die het opnam voor de eer des Heeren. Hij was het die de strijd aanbond tegen de grote afval van zijn tijd. Hij was het die in de kracht des Heeren naar de goddeloze Achab durfde te gaan en hem het oordeel van God aankondigde. Hij was het die het volk van Israël op de berg Karmel tot bekering riep. Hij was het die tot hen zei: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na (1 Kon.18:21).

Elia is een zegen geweest voor het volk van Israël. Al heeft hij zeer veel teleurstellingen meegemaakt, zijn arbeid is niet ijdel geweest in de Heere. Hij heeft zijn leven besteed in de dienst van de Heere.

 

Hoe is het levenseinde van Elia geweest? Op hem is van toepassing wat wij lezen in de psalmen: Let op de vrome en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn (Ps.37:37).

Hij is niet gestorven zoals alle mensen sterven. Nee, God heeft Zijn profeet op wondervolle wijze opgenomen in heerlijkheid. Elia had gearbeid onder het volk van Israël. Hij had ook in de Naam des Heeren Elisa gezalfd tot zijn opvolger. Dan is zijn arbeid op aarde ten einde; dan roept de Heere Zijn knecht tot Zich.

Elia gaat op het bevel des Heeren naar de Jordaan. En ziet, dan neemt hij zijn mantel en slaat daarmee op het water van de Jordaan en het wordt vaneen gescheiden. Elia gaat door de Jordaan; er wordt een pad voor hem gebaand. Elia zal niet door de ‘doodsjordaan’ gaan, o nee!

Ziet, daar wandelt hij in het Overjordaanse en zijn vriend Elisa is met hem. Dan komt er onverwachts een hevig onweer. De hemel is zwart van wolken. God spreekt met macht in de natuur. Dan openbaart God niet alleen Zijn almacht, maar ook Zijn rijke gunst voor Elia. Dan zendt de Heere Zijn engelen om Elia thuis te halen.

 

Ziet, daar in de wolken dalen de engelen Gods neer; zij worden door de lucht voortbewogen als in een wagen, waarvoor vurige paarden zijn gespannen. De engelen Gods dalen neer en maken een scheiding tussen Elia en Elisa.

Dan geschiedt er een wonder van Gods goedheid, een wonder van Zijn grootheid en van Zijn barmhartigheid. De Heere neemt Elia op! De engelen nemen Elia mee. Hij neemt plaats in de wagen die God hem gezonden heeft. Met Gods engelen gaat hij op die hemelwagen zó naar de heerlijkheid! Zijn mantel geeft hij weg; die valt van hem af en die wordt nu het eigendom van Elisa. Zo gaat Elia naar de hemel der heerlijkheid.

O, dat is wat geweest voor Elia. God bespaarde hem de bitterheid van de dood. Hij zag de verderving niet.

 

Elisa is verwonderd; hij is diep ontroerd. Vol verbazing roept hij uit: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! (2 Kon.2:12). Elisa staart hem na in verwondering en aanbidding.

O, wat is God groot! De Heere heeft Elia op wondervolle wijze tot Zich geroepen. God bespaarde hem de bitterheid van de dood. Hij zag de verderving niet. Zonder de doodsjordaan te moeten doorwaden mocht hij zo de heerlijkheid Gods ingaan. Dat is wat geweest voor Elia!

 

Elia is in de hemelvaart een voorbeeld van de hemelvaart van Christus. Slechts een beeld, want het is geen volle werkelijkheid die wij zouden kunnen vergelijken met de glorierijke hemelvaart van de Zoon van God.

Want Elia werd opgenomen; hij had een vurige wagen en vurige paarden nodig. Maar Christus is in eigen kracht en majesteit ten hemel gevaren. Elia was een mens, een man van gelijke beweging als wij. Maar Christus is de Zoon van God, de Koning der koningen en Heere der heren. Elia nam een plaats in onder de grote schare en hij kwam voor de troon van God om daar de Heere te verheerlijken.

Christus ontving de hoogste plaats in de hemel; Hij, de Zoon des Vaders, is gezeten in macht en majesteit.

 

Wij mogen thans het heerlijke feit van de hemelvaart van Christus weer met elkaar overdenken. O, dat we stil mochten staan bij dit heerlijke wonder van God en bij de rijke betekenis van de hemelvaart van Christus.

Want de hemelvaart van de Zoon van God is een profetie voor Gods Kerk. Het is een teken dat eenmaal ook de Kerk des Heeren opgenomen zal worden in heerlijkheid. Wanneer Christus zal komen op de wolken des hemels en wanneer Hij de wereld oordelen zal, dan zal het volk dat overgebleven is, Gods Kerk, Gods kinderen, Gods gunstgenoten, opgenomen worden, de Heere tegemoet in de lucht. Dan zullen zij altijd bij de Heere zijn.

 

We willen thans met elkaar overdenken wat we beschreven vinden in de Handelingen der apostelen, het eerste hoofdstuk, het negende vers en daarvan het laatste gedeelte. Daar lezen we in het Woord van God onze tekst:

 

En een wolk nam Hem weg van hun ogen.

 

We willen met elkaar overdenken: De glorierijke hemelvaart van Christus.

1. Onder de wolk

2. In de wolk

3. Boven de wolk

 

Gemeente, de hemelvaart van Christus is de kroningsdag van Vorst Messias. Christus is in majesteit, in heerlijkheid ten hemel gevaren. De hemelvaart was koninklijk, groots en heerlijk. Na Zijn opstanding is de Heere Jezus nog veertig dagen op aarde geweest. Waarom is Hij niet dadelijk naar de hemel gevaren toen Hij de dood had overwonnen, toen Hij uit het graf was opgestaan? Wel, dat deed Hij voor Zijn discipelen, opdat zij, de apostelen, getuigen zouden worden van de waarheid van Zijn opstanding. Hij is veertig dagen bij hen geweest, zijnde van hen gezien en sprekende tot hen van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan.

We vinden in het Woord des Heeren de openbaringen van Christus na Zijn opstanding. Maar wanneer die veertig dagen zijn heengesneld, dan is de tijd aangebroken dat Christus zal gaan naar de hemel der heerlijkheid. Het Woord des Heeren zal vervuld worden: Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou (Ef.4:10).

God de Vader riep Hem tot Zich. Voordat Christus mens werd, was Hij in de hemel der heerlijkheid. Toen was Hij de Voedsterling des Vaders. Nu was het ogenblik aangebroken dat Hij heen zou gaan naar de plaats waar Hij tevoren was, in eer en heerlijkheid, in macht en majesteit.

 

Jezus had het tot Zijn discipelen gezegd: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij (Joh.14:1).

Hij had gesproken over de hemel: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben (Joh.14:2-3).

Christus is ten hemel gevaren om van daar te regeren over Zijn Kerk. Maar ook om plaats te bereiden voor Zijn volk. Want Christus is op aarde gekomen met een doel, namelijk om Zijn bruidskerk te verlossen. Toen Hij dat werk had volbracht, toen de schuld was betaald, is Hij opgevaren naar de hemel der heerlijkheid. Nu is Hij gereed om Zijn volk tot Zich te nemen. Want wanneer zij de raad Gods hebben uitgediend, worden zij opgenomen, om in de hemel een plaats te ontvangen.

Christus openbaarde Zich voor de laatste keer aan Zijn discipelen terwijl Hij op aarde was. We weten niet precies waar Zijn discipelen vergaderd waren, maar zeer waarschijnlijk is dat geweest in de opperzaal te Jeruzalem. Dat was het centrum van vergaderen. Daar had Christus ook het Avondmaal ingesteld.

Daar had Hij dikwijls met Zijn discipelen gesproken. Nu komt Hij voor de laatste maal tot hen en zegt tot hen dat het ogenblik is aangebroken dat Hij van hen zal heengaan. Dan neemt Hij Zijn discipelen met Zich.

 

Gemeente, denkt u zich dit eens even in. Laten we in de geest eens even meegaan naar Jeruzalem. Jeruzalem; daar had Christus geleden, daar was Hij aan het vloekhout der schande genageld. Daar was Hij ook uit de doden opgestaan.

Jezus neemt Zijn discipelen mee uit Jeruzalem op de weg naar Bethanië. Hij was dikwijls in Bethanië geweest; daar was het huis van Martha; daar woonde Simon de melaatse. In Bethanië heeft Christus vele gesprekken gevoerd met Zijn discipelen.

Dan beklimmen ze met elkaar de Olijfberg. Ook dát was een bekende plaats voor Christus. Aan de voet van de Olijfberg was de hof van Gethsémané. Daar was Christus’ bidvertrek, waar hij vaak de nachten doorbracht om voor Zijn volk te bidden.

De Olijfberg gaf uitzicht over de ganse omgeving. Jeruzalem lag daar tussen de heuvelen, gebouwd op de berg Sion. De Olijfberg was één van de heuvelen die Jeruzalem omringden.

 

Christus sprak met Zijn discipelen vaak over de dingen van Gods Koninkrijk. Toch vragen die discipelen Hem: Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten? (Hand.1:6) O, wat waren die discipelen toch aardsgezind. Ze dachten: Nu zal Christus gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid. Hij is opgestaan uit de doden. Nu zal Hij toch wel de troon van Israël beklimmen?

De discipelen zaten vol met gedachten aan Israëls heerlijkheid; aan Israëls nationaal herstel. Ze dachten: Christus is toch de Koning Israëls, Hij is toch de Messias, Hij is toch de Beloofde der Vaderen? Ze dachten aan aardse heerlijkheid. Ze spraken over het herstel van het volk van Israël.

Ze hoopten dat ze weer de vrijheid zouden ontvangen, dat de Romeinen verslagen zouden worden en dat Israël weer als een vrije natie zou leven in het land der vaderen.

En wat zegt Christus dan? Dan zegt Hij tot Zijn discipelen: Het komt u niet toe, te weten de tijden en gelegenheden die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft (Hand.1:7).

Israël zou niet hersteld worden in macht en heerlijkheid. Nee, het volk van Israël zou door de Romeinen verslagen worden. Jeruzalem zou tot puinhopen worden. Het volk van Israël zou het oordeel van God ontvangen. Het zou zwaar getuchtigd worden, totdat de tijd der heidenen vervuld zou zijn.

 

Christus spreekt over hetgeen Zijn discipelen moeten gaan doen. Hij zegt tot hen: En gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en in Samaria, en tot aan het einde der aarde (Hand.1:8).

Ze moesten zich maar niet zo bezorgd maken over de aardse heerlijkheid van het volk van Israël. Het Koninkrijk Gods komt wel, maar het komt niet met uiterlijk gelaat. De Heere sprak: ‘Het Koninkrijk Gods is geestelijk, maar gij zijt vleselijk! Gij denkt aan eer en heerlijkheid van eigen volk. Maar het gaat over Gods Kerk; het gaat over de bekering van zondaren. Daarom moet gij straks uitgaan om het Woord des levens te verkondigen. Ik heb u geroepen om het Evangelie der genade te prediken. Gij zijt geroepen vanachter het visnet, en anderen heb Ik geroepen vanuit het tolhuis. Ik heb u Mijn Geest in rijke mate geschonken. Maar straks zult gij nog meer van God ontvangen. Daarom moet gij in Jeruzalem blijven totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. Straks komt de Heilige Geest neder op u; dan zult gij gezalfd worden met Gods Geest; dan zult ge vervuld worden met Gods Geest! Dan zult ge profeteren van Mijn grote genade, die Ik verworven heb voor Mijn Kerk.’

 

Zo heeft de Heere Zijn discipelen onderwezen. Ze waren getuigen geweest van Zijn wonderen. Zij hadden Zijn koninklijke majesteit gezien en daarom zouden zij kunnen getuigen van de macht van Sions Koning. Later hebben ze dat ook gedaan. Want dan lezen we van hen: ‘Hetgeen onze ogen gezien hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u.’

 

De Heere had Zijn discipelen niet alleen het leven der genade geschonken, maar ze waren ook op de school van de Heilige Geest geweest. Ze hadden aan Jezus’ voeten gezeten en daar hemels onderwijs ontvangen. Zij hadden Gods grote genade beleefd.  Straks moeten ze gaan getuigen van de wonderen van God. Dan zouden ze moeten uitgaan om het Evangelie te prediken in de gehele wereld.

 

Gij zult Mijn getuigen zijn. Dat staat er niet alleen voor de discipelen, gemeente. Dat is niet alleen de roeping voor degenen die in de Kerk des Heeren arbeiden. Maar dat is de heilige roeping van al Gods kinderen, om te spreken van Gods genade; om te vertellen van de wonderen des Heeren; om het anderen mee te delen dat zij ook met God verzoend moeten worden.

O, dat de Heere ons moge geven genade om te spreken en licht om te getuigen; dat Hij ons de Heilige Geest moge schenken om te vertellen van de wonderen des Allerhoogsten! De Heere Jezus onderwijst Zijn discipelen voordat Hij van de aarde gaat scheiden.

 

Zo met elkaar sprekende zijn ze gekomen op de top van de Olijfberg. Daar staat Christus met Zijn discipelen. Daar, aan de voet van de berg, ligt Jeruzalem, de stad Davids. Daar had God Zijn tempel laten bouwen. Daar hadden de profeten het Woord Gods gebracht. Daar had Christus de prijs voor Zijn bruidskerk betaald.

Jeruzalem was een stad vol godsdienst; daar was het Sanhedrin. Maar het was ook een stad vol goddeloosheid. Jeruzalem was een bloedstad. De profeten hadden er al van geprofeteerd. En Christus had er een oordeel over uitgesproken: Jeruzalem, Jeruzalem! Gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild (Luk.13:34).

Nog slechts korte tijd geleden hadden de mensen van Jeruzalem Christus binnengehaald; ze hadden geroepen: ‘Hosanna!’ Maar u weet het: enkele dagen daarna had het geklonken: ‘Kruist Hem! Kruist Hem!’ O, toen had Christus gezegd: ‘Ziet, uw huis worde u woest gelaten.’

Die verwoesting is ook gekomen; Jeruzalem is door de heidenen vertreden geworden. God is het, Die oordeelt over de zonden van de volkeren.

 

Daar, aan de voet van de Olijfberg lag ook de hof van Gethsémané. Daar had Christus gestreden met de machten der hel. Daar lag ook Golgotha in het gezichtsveld. Daar had Hij aan het kruishout der schande de schuld van Zijn volk betaald; daar was Hij een vloek geworden voor vloekwaardigen. Maar daar lag ook in de verte de hof van Jozef van Arimathea, waar Hij begraven was geweest, maar waar Hij ook met macht en majesteit uit het graf was getreden.

Christus neemt afscheid van Zijn discipelen. Afscheid nemen is altijd ontroerend. Ontroerend is het om afscheid te moeten nemen van een geliefde vader of moeder die gaat sterven; wat is er dan een grote droefheid in ons hart. Of wanneer we afscheid moeten nemen van onze kinderen die naar een andere plaats of een ander land vertrekken, om daar te gaan wonen.

Maar met de discipelen is het anders, gemeente. Waarom? Wel, omdat zij de belofte des Vaders hadden ontvangen. En ook omdat Christus hun Zijn zegen gaf.

Want ziet, daar staat Christus. Het is de laatste maal dat Hij bij Zijn discipelen is. Wat doet Hij? Nadat Hij gesproken heeft, nadat Hij als Profeet onderwijs heeft gegeven, openbaart Hij Zich als de Hogepriester van Zijn Kerk. Dan breidt Hij Zijn armen over hen uit; dan strekt Hij Zijn handen over hen uit. O, die armen van Christus hebben aan het kruis gehangen; die handen van Christus zijn aan het kruis genageld geweest. Ze zijn doorboord geweest. Die handen van Christus hebben het werk gedaan dat Hij moest verrichten.

Nu zijn het zegenende handen. Tijdens Zijn omwandeling op aarde heeft Hij kinderen gezegend; Hij heeft hen de handen opgelegd en gezegend. Nu lezen we dat Christus Zijn handen zegenend uitbreidt over Zijn discipelen.

O, gemeente, dat ook wij eens mogen komen onder de zegenende handen van Christus! Dat Gods hand ook ons moge geleiden door dit moeitevolle leven. Want weet u wat dat betekent, als we mogen leven onder de zegenende handen van Christus? Dan ontvangen we genade. Dan ontvangen we troost. Dan krijgen wij licht. Dan ontvangen we blijdschap des harten. Als wij daar mogen komen, dan ontvangen wij Gods zalige gemeenschap!

 

Wanneer wij behoren bij Gods Kerk, dan wordt het ervaren dat de Heere ons brengt onder Zijn zegenende handen. Dan wordt het ervaren: Vrede laat Ik u; Mijn vrede geef Ik u (Joh.14:27). Dan ontvangt onze ziel bewijzen van Gods gunst, goedheid en ontferming. Het is een weldaad als de ziel in ootmoed mag wandelen en in reinheid des harten voor God mag leven.

Het gaat de Kerk des Heeren dikwijls als de discipelen. Zij zijn een beeld van de Kerk. Zij zijn ook vertegenwoordigers van de Kerk. Zij zullen straks gaan prediken. Maar dan toch die vraag: Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten? Hier spreken ze zo menselijk, zo vleselijk. O, wat is er dikwijls ook een vleselijk redeneren in onze harten.

Maar de Heere geeft geestelijk onderwijs. Dan brengt Hij Zijn kinderen in de ootmoed voor Zijn aangezicht. Dan zegt Hij: Gij zult Mijn getuigen zijn. Dat wil zeggen: ‘Gij moet gaan spreken van Mijn wonderen. Want het Koninkrijk Gods komt! Strijdt voor Mijn Koninkrijk, strijdt niet voor uw eigen koninkrijk.’

Hoort u wel? Het gaat over de komst van Zijn gezegend Godsrijk. Het gaat over de Kerk des Heeren. Het gaat er over dat er zondaren bekeerd worden. Het gaat er over dat onze ziel gered wordt. Dat is nodig. O, dat dit in onze ziel mocht leven, dat Christus als Koning in ons hart mocht regeren en dat onze ziel mocht vervuld worden met hemelse gedachten. We moeten maar niet te veel strijden voor eigen eer, voor de glorie van eigen naam, maar voor de eer van Vorst Messias.

 

Ziet, dat is nu het onderwijs dat Christus aan Zijn discipelen geeft. Hij zegt: ‘Straks moet gij het Evangelie gaan prediken. Dan moet ge Mijn Naam gaan verkondigen. Dan moet ge gaan vertellen Wie God wil zijn voor schuldige zondaren. Opdat de aarde vol worde van de kennis des Heeren, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken.’

Wanneer Christus Zijn discipelen onderwijs heeft gegeven, wanneer Hij hen gezegend heeft, wanneer Hij tot hen gezegd heeft: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20), dan komt er vrede in het hart; dan komt er troost in hun ziel.

Zo gaat het ook als wij beloften van God ontvangen, als onze ziel gemeenschap met de Heere mag beleven. Wanneer de Heere Zelf ons Zijn hemels onderwijs schenkt, dan komt er rust en stilte in ons hart, ja, een vrede die alle verstand te boven gaat.

 

Wanneer Christus Zijn discipelen heeft gezegend, dan is Hij nog ónder de wolk. Maar dan opeens vaart Hij op voor het oog van Zijn discipelen. Zijn voeten laten de aarde los en zo vaart Hij op in eigen kracht.

Niet met een vurige wagen en vurige paarden, maar in Zijn almacht en in Zijn majesteit. O, daar vaart Hij op van de aarde en Hij gaat zo de lucht in, zonder dat er iets is dat Hem draagt. Christus heeft echt geen menselijk vernuft nodig.

Hij vaart op naar de hemel der heerlijkheid. De discipelen staren Hem na, zo lang ze kunnen. Hun gezegende Koning, hun dierbare Verlosser gaat van hen heen. Zij zien Hem met bewondering na en zij aanbidden Christus; zij aanbidden Zijn macht en majesteit.

Het is een weldaad als wij mogen bidden tot God; als wij onze schuld mogen belijden en om genade smeken. O, dat we maar veel mochten vragen: ‘Heere, leer ons bidden; schenk ons Uw Geest, opdat we mogen bidden in Geest en in waarheid. Dat ik mag bidden tot de eer van Uw Naam. Dat ik niet egoïstisch zal zijn in mijn naderen tot U, maar dat ik in alles Uw eer mag bedoelen. O Heere, leer mij bidden en geef mij verstand met Goddelijk licht bestraald.’ Bidden is een weldaad.

 

Maar aanbidden is meer. Aanbidden is bewonderen. Aanbidden is de Heere alle eer geven. Dat hadden de discipelen in hun leven wel eens mogen ervaren. Nathanaël zei in zijn schone geloofsbelijdenis: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls (Joh.1:50). Dat was ook aanbidden.

Toen Petrus de Heere Jezus beleed de Zoon van God te zijn, toen hij zei: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Matth.16:16), was dat ook aanbidden. En Thomas, toen de Heere Zich aan hem openbaarde en hij de opgestane Koning mocht aanschouwen, toen sprak hij in bewondering: Mijn Heere en mijn God! (Joh.20:28). Daar op de Olijfberg heeft er ook een aanbidden van Christus plaatsgevonden, door al de discipelen.

 

Jezus vaart op voor het oog van Zijn discipelen. Zij zien Hem van hen heengaan en dan staren ze Hem na, zo lang ze kunnen. Maar dan komt er een wolk en die neemt Hem weg van hun ogen. Dan gaat Christus in die wolk.

Wie zijn er met Hem geweest? Toen Christus van de aarde wegging waren de discipelen daarvan getuigen. Maar weet u wie er ook getuigen van waren? De engelen Gods. Want de engelen hebben Christus vergezeld naar de hemel der heerlijkheid. Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld, zo zingt David in Psalm 68 vers 18.

Christus is de Heere der engelen. Ze hebben Hem gediend toen op aarde was en ze hebben Hem vergezeld toen Hij opgevaren is naar de hemel. Zij vormden Zijn lijfwacht. Zo hebben ze Hem begeleid naar de poorten des hemels. Toen is vervuld geworden wat geprofeteerd was door de psalmist: Verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga (Ps.24:7).

Er is gevraagd door de serafijnen: ‘Wie is deze Koning der ere?’ En de cherubijnen antwoordden: De Heere, sterk en geweldig; de Heere, geweldig in de strijd (Ps.24:8). Toen is het vervuld: De Heere der heirscharen, Die is de Koning der ere (Ps.24:10). Toen is Christus boven de wolk in de hemel aangekomen. Daar is Hij ontvangen door Zijn Vader en door de hemelbewoners, door de heilige engelen en door de verloste Kerk, door de zielen der volmaakt rechtvaardigen. Daar heeft Hij Zijn plaats ingenomen die Hij verdiend had, de hoogste plaats, de plaats aan de rechterhand Gods. Toen heeft Hij eer en heerlijkheid ontvangen. Toen is Hij gekroond geworden door Zijn Vader. Toen is het feest geweest in de hemel, het kroningsfeest van Vorst Messias. Toen is er gezongen van de grootheid van Christus. Toen heeft de ganse hemel gejubeld en gejuicht. O, wat is dat groots geweest!

 

Wat is de hemelvaart toch een feit van machtige betekenis, gemeente. Het is een voorteken en een profetie van de bruiloft des Lams. Christus is bekleed met macht en majesteit. Maar eens zal ook de bruidskerk – de Kerk des Heeren – daar mogen komen. Wanneer de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan en de elementen zullen verbranden en vergaan, dan zal de grote dag des Heeren komen.

 

We zeiden reeds: de discipelen staarden Hem na, zo lang ze konden. Maar wat gebeurt er dan? Dan zendt de Heere engelen naar Zijn discipelen. Onverwachts staan ze daar aan hun zijde en spreken ze hen aan. Ze zeggen: Gij, Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren (Hand.1:11).

Dat was een woord van troost voor de discipelen. Christus had die engelen gezonden om Zijn discipelen te bemoedigen, om hen te vertroosten en te versterken. ‘Weest niet te veel ontroerd, weest niet al te bedroefd. Hij is wel opgevaren, uw Koning, uw geliefde Heere, maar Hij komt weder. Hij komt straks op de wolken des hemels om te oordelen de levenden en de doden. Om te richten, om zondaren te oordelen en om Zijn Kerk tot Zich te nemen in heerlijkheid.’

In deze woorden vernemen we de profetie van de wederkomst van Christus. Want dat zal gebeuren. De hemelvaart spreekt ons van Christus’ heerlijkheid en van Zijn koninklijke majesteit, van Gods rijke genade die Hij voor Zijn Kerk heeft verworven. Maar de hemelvaart spreekt ook van de toekomende grootheid en de koninklijke kracht van Christus, Die wederkomt ten oordeel.

 

De toekomst des Heeren genaakt. Straks zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen. Het woord, door de engelenmond gesproken, zal vervuld worden, gemeente. Straks komt Christus. Dan komt Hij met grote kracht en heerlijkheid. Daar heeft Henoch reeds van geprofeteerd tot de Kerk, die leefde in de eerste wereld, dat de Heere zou komen om Zijn volk te verlossen: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen (Judas:14-15).

Christus komt terug om eeuwig te heersen over alles wat in de hemel en op de aarde is. God zal alle dingen aan Hem onderwerpen. Straks zal Hij verschijnen als Wereldrechter. Wanneer de hemelen zullen voorbijgaan en wanneer Christus zal komen in grote kracht en heerlijkheid, zal er een opstanding der doden zijn; dan zullen allen uit de graven verrijzen. Dan zal het grote wereldgericht plaatsvinden.

Dan zal Christus zitten op een grote witte troon. En vóór Hem zullen vergaderd zijn alle geslachten der mensen. Dan zal Christus de volkeren van elkaar scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt. Dan zal Christus Zijn bruidskerk voor eeuwig ondertrouwen. Dan zal zij ook eer en heerlijkheid ontvangen.

Dan zal het vervuld worden dat Christus zal heersen van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden der aarde. Dan zal er geen vijand meer zijn op aarde, maar dan zal er één Kerk zijn die eeuwig met Christus leeft.

Ziet, dat zal komen in de tijd wanneer Christus zal wederkomen om Zijn volk voor eeuwig tot Zich te nemen, om met Hem te leven tot in eeuwigheid.

 

Zo zien we dat de hemelvaart van Christus een aanbiddelijk wonder is van Gods almacht en een bewijs van Christus’ grote kracht. Maar ook een profetie van de toekomst des Heeren. Daarom is het zo nodig dat wij voor- en toebereid worden voor de grote eeuwigheid. Zullen we dan deel hebben aan de vruchten van Christus’ dierbaar middelaarswerk? Dan moeten we van dood levend worden. Dan moeten we een kind des Heeren worden.

 

We kunnen wel veel spreken over het werk van Christus en over de macht van Christus en over de heerlijkheid van de Kerk Gods. Maar het is voor ons allen zo nodig dat we van nieuws geboren worden. Dat we het eigendom van Christus worden. Dat we deelgenoot worden van wat Christus voor Zijn volk heeft gedaan. Daarom is het zo nodig dat we een discipel van Christus worden, dat wij geroepen worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

Wanneer dat gebeurt, dan worden wij met een levende band aan Christus verbonden. Dan leren we aanbidden aan de voeten des Heeren. Dan leren we God vrezen in kinderlijke ootmoed. Dan gaan we spreken van de wonderen des Heeren en dan gaan we vertellen Wie en wat de Heere is voor ons hart. Dan kunnen er weleens tijden zijn dat wij in droefheid terneder zitten, omdat we God missen.

Maar er zijn ook wel ogenblikken dat wij mogen spreken van Gods goedheid. De Kerk des Heeren beleeft weleens tijden dat zij de harpen aan de wilgen hangt en dat zij zegt: Hoe zouden wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land? (Ps.137:4). Dat het ervaren wordt: Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet (Ps. 119:19). En: ‘Wee mij, dat ik in Mesech woon!’

Maar er zijn ook tijden dat de ziel mag getuigen van de wonderen des Heeren en zingen van de lof des Heeren en van de heerlijkheid van Israëls Koning en van de zalige gemeenschap met God.

 

Komt, laten we met elkaar zingen van die heerlijkheid van Christus uit Psalm 110 vers 1 en 2:

 

Dus heeft de Heer’ tot mijnen Heer’ gesproken:

‘Zit op de troon ter rechterhand naast Mij;

Tot Ik de macht Uws vijands heb verbroken,

En U zijn nek tot ene voetbank zij.’

 

Uit Sion zal de Heer’ Uw scepter zenden,

De scepter van Uw oppermogendheid,

En zeggen: Heers tot ’s werelds uiterst’ enden,

Zover de macht Uws vijands zich verspreidt.

 

Gemeente, David, de man naar Gods hart heeft geprofeteerd van de hemelvaart van Vorst Messias: Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o Heere God (Ps.68:19).

Dat is vervuld geworden. Christus heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd. De Kerk des Heeren was in de gevangenis van satan. Maar de Zoon van God is gekomen en heeft die gevangenis geopend en Zijn volk daaruit verlost.

Hij heeft ook gaven genomen. Dat zijn de verdiensten van het kruis. Hij heeft die verworven en past die toe door Zijn Geest aan de harten van Zijn volk. Hij heeft die gaven genomen om uit te delen onder de mensenkinderen. Dus Christus is de Uitdeler der menigerlei genade Gods. Daarom is het nodig dat wij met een levende band verbonden worden aan God en dat wij leren buigen voor Sions Koning.

 

Aan de wederhorigen. Dat zijn de rebellen, de overtreders van Gods geboden. Maar niet aan allen. Niet alle rebellen worden bekeerd. Niet alle zondaars vinden genade in de ogen des Heeren. Alleen boetvaardige zondaars; alleen degenen die hun schuld voor God bewenen en de zonde in oprechtheid des harten belijden. Alleen zij die de keus leren doen om voor God te leven.

O, die leren zichzelf kennen als wederhorigen, als overtreders van al Gods geboden, als doorbrengers van Gods weldaden. Die ontvangen genade om bij God te wonen, om eeuwig met de Heere te leven. Het wordt op aarde wel eens ervaren dat dit volk mag wonen en leven in Gods dadelijke gemeenschap. Dat zij mogen wonen onder de appelboom. Ja, dat zij in Gods gunst mogen wandelen.

Bij U wonen… O, wat is dat een weldaad, als we dat voor eigen hart en leven mogen beleven!

 

Christus is opgevaren naar de hemel der heerlijkheid. Is Hij ook voor ons opgevaren, gemeente? Hebben wij ook deel aan de opstanding van Christus en aan de hemelvaart van Vorst Messias? Wanneer we werkelijk behoren bij Gods volk, dan hebben we eerst een hellevaart beleefd.

‘Wat is dat?’, zult u vragen. O, dan wordt het ervaren:

 

Ik lag gekneld in banden van de dood,

daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen.

 

Dan wordt het ook beleefd:

 

Uit diepten van ellenden

Roep ik, met mond en hart,

Tot U, Die heil kunt zenden:

O Heer’, aanschouw mijn smart!

 

Als er een hellevaart beleefd wordt, dan wordt het ervaren: ‘Ik heb gezondigd! Ik ben Uw gramschap dubbel waardig.’ Hebben wij dat ervaren? Want als wij niet eerst een hellevaart leren kennen van zelfkennis, dan zullen wij ook geen hemelvaart beleven van Godskennis.

De Heere geeft kennis van Zijn Persoon aan de harten van zondaren. Dan beleven wij dat de Heere onze Toevlucht wordt en dat de Heere Zich in Zijn genade aan ons openbaart. Dan beleven wij in onze ziel dat Gods liefde in ons hart wordt gegeven. Ziet, dan behoren wij bij het volk van God.

 

Laten wij voor onszelf toch onderzoeken of wij dat kennen. Of wij onze verlorenheid voor God hebben beleefd, onze zonden voor de Heere hebben beweend. Of de Heere Zich aan ons heeft geopenbaard. Of wij een kruimel van genade hebben ontvangen. Het is vanzelfsprekend een rijke genade als wij mogen komen op het smalle pad. Maar de Heere zegt tot Zijn volk: Zegt de kinderen Israëls dat zij voorttrekken (Ex.14:15).

Om op te wassen in de kennis en in de genade van Christus. Om het te beleven dat wij, nadat God ons Zijn genade heeft geschonken, ook verder worden geleid op het pad des levens. Want dan leidt de Heere Zijn volk weleens door de woestijn, niet alleen naar Sinaï’s gebergte, maar ook naar het Kanaän der rust.

 

Maria Magdalena was krachtdadig tot God bekeerd. Zij mocht de Heere dienen van haar goederen. Dikwijls luisterde ze naar het Woord des Heeren. Zij was tegenwoordig op Golgotha. Ze zag ook hoe Christus in het graf werd gelegd. Toen Hij was opgestaan en Zich openbaarde aan die wenende Maria, wilde ze Zijn voeten grijpen, wilde zij Christus vasthouden. Dat is te verstaan, gemeente.

Maar de Heere liet het haar niet toe, want zij had nog zoveel aardse gedachten van Christus. Hij was nu in de staat der verheerlijking gekomen. Daarom zegt Hij tot Maria: ‘Raak mij niet aan!’ Dat wil zeggen: ‘Maria, Ik ga straks naar de hemel en daarom mag je niet zo aards van Mij denken.’ O, wat heeft een ziel toch telkens onderwijs nodig!

Maar dan krijgt ze toch ook nog een boodschap: Ga heen tot mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, tot Mijn God en uw God (Joh.20:17). U ziet: Christus is verhoogd aan ‘s Vaders rechterhand en dat voor Zijn volk; Hij wacht daar ook Zijn kinderen.

 

O, dat de Heere ook tot ons eens mocht zeggen: ‘Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader.’ Want waar zullen wij straks zijn als de dood komt? Zullen wij dan ook door de engelen gedragen worden in Abrahams schoot? Zullen ook wij gaan naar de heerlijkheid? Hebben wij een hoop voor ons hart?

De Heere zal eens allen die Hem vrezen tot Zich nemen. Wanneer wij het leven der genade bezitten, dan zal de Heere ons opnemen en dan zullen wij eeuwig met God mogen leven.

 

Wat staat er van de Kerk? Er zijn er die ‘pasgeboren’ zijn, dat zijn de kinderen in de genade. Er zijn er ook die Persoonskennis hebben verkregen van Christus. Maar er zijn er ook, zoals Paulus, die verzekerd zijn dat Christus hun Borg en Zaligmaker is.

Paulus spreekt ervan wat God zal geven aan Zijn volk dat straks naar de hemel zal gaan. Dan zegt hij: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben (2 Tim.4:7-8).

Paulus was daarvan verzekerd, maar de meesten van Gods kinderen hebben de verzekering des geloofs niet. Zij mogen wel eens een verzekering beleven als het geloof levendig is. Want het geloof geeft zekerheid en troost in het hart. Maar nu staat er: de Heere zal het ook geven aan al degenen die de verschijning van Christus hebben liefgehad. Die hebben gehoopt op de komst van Christus en die zijn verblijd geweest terwijl de Heere Zich openbaarde aan hun hart. Die kennen iets van het hartelijk leedwezen over de zonde en van de vreugde in God.

 

Hoe is nu met onze ziel? Straks is het eeuwigheid voor ons! Het kan o zo spoedig sterven voor ons worden, gemeente. Wij weten de dag van onze dood niet. Waar zullen wij dan zijn in de eeuwigheid? Zullen wij ook opgenomen worden, zoals de Heere Zijn volk tot Zich roept? Of zullen wij verloren zijn? Zullen wij met de goddelozen geworpen worden in de afgrond, in de eeuwige duisternis? Dat zal ontzettend zijn!

Daarom: haast u om uws levens wil! De tijd vliegt zeer snel. En God roept ons tot bekering. Christus, Hij is de Vorst des levens. Hij heeft de dure prijs voor Zijn Kerk, voor Zijn volk betaald. Hij heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Hij heeft voor hen het leven verworven.

O, wat is de mens ongelukkig en diep te beklagen die zonder God in de wereld is. De eeuwige nacht reist u dan tegemoet, en donkerheid en duisternis. O, dat zal ontzettend zijn als we blijven in onze natuurstaat. Maar de Heere is de Machtige om ons te veranderen. O, bid dan vurig tot God en smeek Hem om genade, opdat u gered mag worden.

 

Maar wat is Gods volk gelukkig. Zij hebben een hoop voor het hart. O nee, het is niet altijd licht; de dagen van strijd zijn vele en de bestrijdingen van de duivel en het zondige hart ook. Dan denken we: Hoe zal ik ooit in Jeruzalem komen?

O, dan worden we benauwd van alle zijden. Wanneer we zien op onszelf, dan is het verloren. Maar wanneer wij mogen zien op Christus, dan kan het. Daarom moet het oog op God gericht zijn en daarom moeten wij smeken: ‘O Heere, wilt U mij leren en wilt U mij wassen in dat bloed dat betere dingen spreekt dan het bloed van Abel?’

 

De Heere zal eens Zijn volk tot Zich nemen. Niet allen hebben een einde zoals Mozes. En van niemand staat er geschreven, behalve van Henoch en Elia, dat hij zonder sterven is opgenomen in de heerlijkheid. Maar Gods volk gaat straks sterven om eeuwig te erven! De Heere zal eens al Zijn kinderen tot Zich nemen in heerlijkheid. Dan zullen zij met God leven en het Lam aanschouwen en God de eer geven en aanbidden voor Gods troon.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 24: 4 en 5

 

Verhoogt, o poorten, nu de boog;
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog;
Opdat de Koning in moog’ rijden.
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
‘t Is God, d’ almachtig’ Opperheer;
‘t Is God, geweldig in het strijden.


Verhoogt, o poorten, nu de boog;
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog;
Opdat g’ uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
’t Is ‘t Hoofd van ‘s hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)