Ds. L. Huisman - 1 Johannes 2 : 1 - 2

De verzoening van onze zonden

Die verzoening begint bij God
Die verzoening openbaart zich in ons
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

1 Johannes 2 : 1 - 2

1 Johannes 2
1
Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;
2
En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1, 4
Lezen : 1 Johannes 2
Zingen : Psalm 63: 2, 3
Zingen : Psalm 147: 6
Zingen : Psalm 68: 11, 17

Geliefde gemeente, het Woord van de Heere dat we u willen prediken, vindt u in de eerste brief van Johannes, het tweede hoofdstuk, de verzen 1 en 2, waar we lezen:

 

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.

 

Het gaat dus in deze tekst over: De verzoening van onze zonden.

 

1. Die verzoening begint bij God

2. Die verzoening openbaart zich in ons

 

1.   Die verzoening begint bij God

 

Gemeente, deze tekst zegt dat die verzoening plaatsvindt voor het aangezicht van God. We willen daar in de eerste plaats bijzonder de aandacht op vestigen. Het begin van de schuldvergeving begint bij God! Wat is dat een ontzaglijk voorrecht als je daar iets van ziet in de Schrift, als je daar ook iets van ziet in je leven, dat het heil bij God begint! Want als het bij God begint, dan is het natuurlijk een Goddelijk werk. We horen iedere zondag in het votum: ‘Die nooit laat varen de werken Zijner handen.’ Dat betekent niet alleen dat Hij de hele wereld gemaakt heeft en nog onderhoudt, maar dat betekent ook in het rijk der genade dat daar, waar God Zijn voetstap zet, de satan, de zonde, de dood de indruk van die voetstap niet meer kan wegnemen.

Dus: die verzoening begint bij God, maar die verzoening voltrekt zich, die openbaart zich in ons. En dat heeft de Kerk altijd geweten. Johannes zegt als het ware: ‘Ik breng u niets nieuws, dat hebben jullie allemaal geweten; wat ik zeg hebben alle andere profeten al lang voor mij gezegd. Alleen, ik zeg het nu met nieuwe klem, ik zeg het ook tegen een nieuwe achtergrond, opdat de diepe inhoud van dat heil des te beter door u gekend en onderkend zal worden; opdat de diepte ervan ten volle geloofd en bezongen zal worden. Want ik zeg het u nú: die verzoening is geschied door het kruis van de Heere Jezus Christus. Ik toon u nu dat Goddelijk welbehagen, wat voortijds onder de bloedige offeranden op de altaren zichtbaar is voorgesteld. Dat stel ik u nu voor in de aanschouwing van het Lam Gods, Dat geslacht is voor de zonden der wereld.’

Die liefde Gods, die genade Gods en die gerechtigheid Gods was onder het Oude Testament natuurlijk niet anders dan onder het Nieuwe Testament. Maar het is nu wel veel luisterrijker en veel heerlijker en veel meer openbaar gekomen.

De lessen die God onder het Nieuwe Testament geeft aan Zijn Kerk, zijn duidelijker gegeven dan onder het Oude Testament, omdat de openbaring van de liefde van God sterker is. Niet ánders is, maar ruimer geopenbaard wordt en groter voorgesteld wordt. Onder het Oude Testament hebben de gelovigen als het ware door een beslagen bril het Woord van God gelezen. En die beslagen bril was dan de wet, in inzettingen bestaande. De ‘bediening der verdoemenis’ noemt Paulus het in 2 Korinthe 3 vers  9. En in Romeinen 8 vers 15 ‘de geest der dienstbaarheid wederom tot vreze’.

Maar onder het Nieuwe Testament heeft God die laatste beletselen weggenomen en gezegd: ‘Nu mag u alles weten wat er te weten is, Ik heb geen geheimen meer; het binnenste van Mijn hart mag u zien.’

En daarom is het ook zo verschrikkelijk als mensen die leven onder het Evangelie van het Nieuwe Testament, verloren gaan! Daarom is het ook zo ontzettend erg als we de liefde Gods niet bekennen, die ons onder het Nieuwe Testament gepredikt wordt, een liefde die alle verstand te boven gaat!

 

En dat zegt hier Johannes. Johannes zegt: ‘Het is een oud gebod, maar het is eigenlijk ook een nieuw gebod; het wordt vanuit een andere diepte, vanuit een ander gezichtspunt, met een veel bredere openbaringsvorm aan u bekendgemaakt.’ Dan zegt hij dat ook met een bepaald doel.

We weten allemaal dat de apostel Paulus in het bijzonder gesproken heeft over de gerechtigheid voor God, zonder de werken der wet, door het geloof in het offer van de Heere Jezus. Hij heeft met alle klem in elke brief willen schrijven: ‘Denk erom mensen, het is niet uit u, maar het is Gods gave!’

Hij wist dat vanuit zijn eigen leven. Hij had met al de vezels van zijn ziel vastgezeten aan de wet. Hij meende onberispelijk voor God te zijn. Totdat God hem liet zien dat hij maar een waardeloze wetsdienaar was! Dat hij met alles wat hij gedaan had, God getergd had en Jezus Christus vervolgd had en het bloed van het Nieuwe Testament onrein geacht had. En u begrijpt, gemeente, iemand die dat werkelijk een keer in zijn leven ziet, die kan niet anders dan daar tegen waarschuwen, wanneer hij het in anderen ziet en bemerkt.

Maar Johannes was een heel ander mens. Johannes heeft zo dicht aan Jezus’ hart gelegen, zoveel van Zijn liefde ingedronken, dat hij tot in het diepst van zijn ziel overtuigd was dat het antwoord op zulk een openbaring van Gods genade toch wel een rein, een nieuw, een heilig leven, zonder zonden, moest zijn!

 

Johannes is daarom in het bijzonder de apostel van de dankbaarheid, de apostel van de liefde. Hij is de apostel die zegt: ‘Mensen, luister eens: dat heeft Christus voor ons gedaan! Zullen wij dan nog langer de afgoden dienen? Zullen wij nog langer mee draven in het spoor van de wereld? Zullen we ons nog langer mee laten voeren door de stroom van onze wellusten? Als Jezus’ bloed om onzentwil op de aarde neerdroop, zullen wij dan met deze vervloekte aarde samenspannen en Hem andermaal kruisigen?’

‘Nee’, zegt Johannes, ‘nee, kinderkens, laat ons de wereld niet liefhebben, noch iets van wat in de wereld is, want die gaat voorbij. De wereld heeft Christus gekruisigd, de wereld heeft Hem smarten aangedaan, de wereld heeft Hem, Die we als onze Zaligmaker hebben leren kennen, ter dood gebracht, en... wij met de wereld!’

Want hij stelt zich niet op tegenover de wereld, alsof hij niets met die wereld te maken heeft gehad, maar hij was met al zijn vezels van zijn bestaan aan die wereld vastgekleefd. Hij heeft het Jesaja nagezegd: Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht (Jes.53:3).

Maar toen... toen het God behaagd heeft Zijn Zoon in het hart van Johannes te openbaren, toen heeft Hij om Christus’ wil de wereld verlaten en toen heeft Hij zijn broeders gewaarschuwd: ‘Kom, laat ons nu de wereld verlaten met al haar begeerlijkheden, want de wereld gaat voorbij met al wat erin is, maar wie de Heere aankleeft, wie achter Hem aankomt, wie zijn hoop in ‘t hachelijkst lot vestigt op de Heere, zijn God, voor hem of haar is er een beter lot bereid, de heilzon is aan het dagen!’

 

Dat is in het kort de inhoud van deze brief die Johannes geschreven heeft. En hij spoort de gemeente – ook ons – aan tot dat nieuwe leven, het leven vanuit de verzoening, vanuit de genade met God. Hij zegt: ‘De duisternis is toch voorbij gegaan?’

 

Johannes heeft veel te strijden gehad met van die grootsprekende mensen zonder ootmoed. We zeiden reeds dat Paulus het aan de stok heeft gehad met die werkheiligen, die het Evangelie wilden veranderen in een nieuwe wet. Maar Johannes heeft in het bijzonder de strijd gevoerd tegen mensen die zeiden: ‘Ja, maar wij zijn verlost... wij zijn gelovigen... de Heere Christus is voor ons gestorven!’ ‘Ja,’ zegt Johannes, ‘dat neem ik direct aan als ik het aan uw leven zien kan, als ik het aan uw woorden horen kan, als ik het uit uw levenswandel kan opmaken.’ ‘Want’, zegt hij, ‘God is een Licht, dat kunt u niet tegenspreken, en als u nu zegt dat u gemeenschap hebt met God, dat u verzoening gevonden hebt voor het aangezicht van God, dan kunt u niet meer in de duisternis blijven leven. Als u dan uw broeder nog haat, als u dan de wereld nog nawandelt met haar begeerlijkheden, met haar grootsheid en met haar wellust en haar waanzin, dan bent u niet tot het Licht gekomen! Want als u tot het Licht gekomen bent, dan kunt u dat weten; als u tot het Licht gekomen bent, dan haat u de duisternis, dan strijdt u daartegen, dan zoekt u het Licht, dan begeeft u zich in de lichtkring van de genade van God!’

Hij spreekt ook in het eerste hoofdstuk over die mensen die zeggen: ‘Nee, wij hebben geen zonde meer.’ Dat waren mensen die het vlees de vrije teugel gaven, onder het motto: ‘Het vlees is niet nut, dat gaat toch naar het graf, als je ziel maar gered is.’

 

In zeker opzicht en in een wat andere vorm zijn er ook wel zulke mensen onder ons. O, als u ze hoort praten, dan kunnen alleen zij zalig worden. Maar... als je op hun leven let, dan moet je zeggen: ‘O, wat gaat er weinig van uit, wat weinig glans, wat weinig blijdschap, wat weinig Godsverheerlijking!’ Wat is er ook vaak onder zulke mensen nog een drang naar geld, goed en eer; wat zit het ‘eigen ik’ soms hoog op de troon. Als je ze soms theologisch bezig hoort, dan is er geen speld tussen te krijgen, dan weten ze van het begin tot het eind hoe God een mens bekeert, en wee je gebeente als je daar een andere gedachte op na zou houden.

Dat waren de mensen waar Johannes het over heeft; mensen die zeiden: ‘Wij zijn zonder zonde!’ En dan zegt hij: ‘Wat? Jullie kunnen mooi praten, maar laat het maar eens zien in je leven, laat het maar eens zien wat er van dat leven terechtkomt. Nee’, zegt hij, ‘wij kunnen van onszelf niet zeggen: Wij hebben geen zonde meer want wij zijn vrijgemaakt.’ Hij zegt: ‘Nee, laten we liever in ootmoed voor God wandelen, laten we liever onze zonden voor God belijden.’ Hier staat het in het negende vers van het eerste hoofdstuk: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Joh.1:9).

 

Dat is de weg, hoor. Niet zeggen van jezelf: ‘Ik ben er bovenuit, ik heb het’, maar laten we liever onze zonden belijden. Dát zegt Johannes. ‘Laten wij ons liever voor God verootmoedigen!’ En niet zomaar, gemeente, want zonden belijden, schuld belijden, dat is nooit een zaak van één kant; schuld belijden is altijd een zaak van twee kanten: je belijdt altijd aan iemand je schuld, anders is het geen schuld belijden.

Ja, ik weet wel, er zijn mensen die in blinde razernij uitroepen: ‘Ik heb gezondigd, ik heb verraden onschuldig bloed; ik ben de slechtste van de hele wereld!’ Maar dat is niet echt! Althans, dat komt niet uit een rechte bron.

Dat kan voor het gevoel van zulke mensen wel echt zijn, wanneer zij in wanhoop uitschreeuwen: ‘Ik heb gezondigd!’, maar dat brengt geen vruchten voort, want zulk een schuldbelijdenis komt niet voort uit het schuldig staan voor Gods aangezicht. De rechte schuldbelijdenis komt voort wanneer we voor Gods aangezicht staan. Onze God en Vader zegt: ‘Ziet, dat heb Ik voor u gedaan, en wat doet gij voor Mij? Dit ben Ik voor u geweest, en hoe ben jij voor Mij geweest? Ga je leven eens na!’

 

Wat gebeurt er dan, als we zo voor Gods aangezicht gesteld worden? Dan breken we, gemeente! Dan buigen we voor God. Dan gaan we onze schuld voor God belijden. Niet zozeer omdat die schuld ons doemwaardig maakt; niet zozeer omdat we vanwege de zonden naar de hel moeten; niet zozeer omdat die zonden ook een nasleep hebben van allerlei ongerechtigheid en allerlei ellende en allerlei moeite en verdriet. Maar – en dan komen we bij onze tekst – omdat die zonden in de eerste plaats iets bij God stuk gemaakt hebben!

Dat is die droefheid naar God, waar Paulus over spreekt in de Korinthebrief. Hij zegt daar: ‘Die droefheid van de wereld, dat uitroepen van ‘ik ben verloren’ en ‘het is niets met mij’ en ‘er komt nooit iets van mij terecht’, dat zo in het lege, in het wilde weg schreeuwen over je zonden, of dat uitbazuinen van je kwaad bij de mensen, waar niets van terechtkomt, waar geen enkele goede vrucht uit gevonden wordt, dat is alles een droefheid der wereld!’

Maar Paulus zegt: ‘Er is ook een droefheid naar God, dat is die droefheid voor Gods aangezicht. Droefheid naar God, dat is ‘als een kind worden’ voor Gods aangezicht; dat is zeggen: O Heere, wat heb ik het er toch slecht afgebracht in mijn leven, wat heb ik het toch schandalig laten liggen voor Uw aangezicht, wat heb ik U toch op het hart getrapt!’ Ja, zoals een verloren zoon, die in het natuurlijke weer tot zijn verstand komt en naar zijn ouders terugkeert; die vroeger uit het huis van zijn vader en moeder misschien is weggelopen, met de klacht van: ‘Die mensen zijn ook veel te streng’ en ‘Ze hebben geen begrip voor de jeugd’ en ‘Altijd dat naar de kerk gaan, nee hoor, ik heb er genoeg van!’ Nou, ze vluchten weg, de wereld in. Maar dan komen ze terug, zo God het geeft; dan komen ze terug, dan zijn ze tot hun verstand gekomen, dan zijn ze tot zichzelf gekomen en dan zeggen ze: ‘Ach nee, ik heb over mijn ouders toch eigenlijk niets te klagen; zelfs die strenge ouders van mij waren vol liefde, en die strengheid was niets anders dan verhulde liefde.’

En zo zeggen we het ook voor God: ‘Heere, U was nooit hard en U was nooit streng en U was nooit wreed en U was nooit onrechtvaardig en U hebt nooit teveel van me gevraagd. Maar ik, Heere, ik, de fout ligt bij mij.’ Dan zien we dat we iets bij God kapot gemaakt hebben! Zoals een kind dat bij zijn moeder of bij zijn vader staat en zegt: ‘Moeder, wat heb ik u toch een verdriet aangedaan.’ Of: ‘Vader, wat ben ik toch ellendig hard tegen u geweest. En u was toch zo goed voor me en ik had het toch zo goed bij jullie, u hebt altijd het goede met me bedoeld.’

Nu, zo stelt een zondaar zich ook voor het aangezicht van de Heere op. Daar is iets bij God stukgemaakt.

 

En nu zegt Johannes in ons tekstvers: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen. Welke dingen? Deze, namelijk dat als we dus onze zonden zien, als we zien wat er bij God stuk gegaan is, als we zien dat de breuk bij ons ligt, dat de oorzaak van onze onvrede niet is het karige loon dat de Heere Zijn dienaars uitbetaalt, maar dat de oorzaak van onze onvrede is het onvergenoegd zijn in het huis van onze Vader, het niet eens zijn met de wil van onze Vader, het hangen aan de dingen die God haat… Als we dat zien, gemeente, als we de zonden zien die scheiding maken tussen God en ons, die de oorzaak zijn van onze onrust en van onze onvrede en van het uitzichtloze, het grauwe, het vale levenslot wat we onderworpen zijn, waar we in leven, dat leven dat niets anders is dan een gestadige dood, dan zegt Johannes: Mijn kinderkens… Wat een vriendelijke aanspreektitel!

We hadden het anders verwacht. We hadden het ook anders verdiend. Maar zo is God! Zo is God! Dat zegt God altijd tot een mens die zo voor Hem ligt! Hij slaat nooit, Hij schopt nooit, Hij trapt nooit, Hij verwijdert nooit een zondaar van voor Zijn aangezicht die zó voor Zijn aangezicht komt.

Ja, Hij slaat wel, Hij dreigt wel, Hij toornt wel, Hij werpt in de hel, maar dan toch alleen degenen die weigeren schaamrood te worden, degenen die zeggen: ‘Wat heb ik te doen met David en wat deel heb ik aan de zoon van Isaï?’ Voor zulke mensen is Hij een verterend vuur en een eeuwige gloed. Maar niet voor een mens die in zijn ellende tot de Heere vlucht!

O, gemeente, jongens en meisjes, ik zeg het u: het valt bij God zo mee voor een zondaar! Het valt zo eeuwig mee als je in Zijn handen valt aan déze kant van het graf!

 

Tot die mensen zegt Johannes: ‘Kom, laat ons onze zonden belijden!’ Laat ons niet zeggen: ‘Ach, het zal voor mij toch wel niet zijn.’

O nee, gemeente, ik zou het geen dag meer uitstellen! Er zijn mensen die op een vrome, maar toch goddeloze wijze weten de Heere van het lijf te kunnen houden. Met een beroep op de rechtzinnige waarheden uit de Bijbel kunnen ze zichzelf netjes buiten God en buiten de genade houden, met handhaving van zichzelf. ‘Nee,’ zegt Johannes, ‘zo moet je niet doen, zo moet je niet praten.’

Je moet ook niet praten zoals Judas gepraat heeft. Zulke mensen zijn er ook wel, die zeggen: ‘Ach, aan mij is er niets meer goed te maken, mijn leven is nu al verknoeid tot in de grond toe; ik ben vijftig of zestig of tachtig jaren oud, er is met mij niets meer te beginnen! Vroeger, toen ik jong was, heb ik nog gehoopt, maar nu, ach nee, ik zal wel op die grote hoop terechtkomen, waar de meesten terechtkomen.’ Johannes zegt: ‘Zo moet je niet praten! Nee, mensen, je moet je voor God verootmoedigen! Laat ons onze zonden belijden!’

 

Er is iets bij God stuk gemaakt. Voor zondaren die dat bekennen, die zeggen: ‘Heere, ik heb het stuk gemaakt, ik heb het verzondigd, totaal verzondigd, ik ben Uw gramschap dubbel waardig’, voor die is er verzoening.

Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. Welke dingen? Wel, deze dingen, namelijk dat er bij God genade en vergeving is. Deze dingen, namelijk dat er verlossing is en eeuwig leven.

En als je dan toch gezondigd hebt? Als je dan van jezelf moet zeggen: ‘Ik heb dat Evangelie geweten en ik heb de klop van Jezus aan mijn hart gevoeld, ik heb de stem van Jezus gehóórd, maar ik heb er overheen geleefd’? Hier komt het antwoord, gemeente. ‘Als we dan gezondigd hebben’, zegt hij, ‘als je dat dan werkelijk ziet in je leven... welnu, dan is het nog niet kwijt: Indien iemand gezondigd heeft...

 

Hoort u dat goed, gemeente, jongens en meisjes? Indien iemand gezondigd heeft... Wie durft te zeggen dat Johannes hem of haar niet bedoelt? Gods Evangelie raakt u, raakt jullie állen! Indien iemand... Daar bent u niet van uitgesloten, al bent u tachtig jaar, en daar ben jij niet van uitgesloten, al ben je nog maar vijf jaar!

Indien iemand gezondigd heeft… U zegt: ‘Maar we hebben toch allemaal gezondigd...?’  Jawel, maar Johannes bedoelt hier mensen die tot het besef gekomen zijn dat ze er zo niet komen; mensen die onder de indruk leven van: ‘Heere, ach, moet dat nu altijd zo doorgaan met me?’ Mensen die met belijdenis van hun overtredingen voor het heilig aangezicht van de Heere komen en zeggen: ‘Heere, zo kan het niet langer! Ach Heere, ik heb het bij U helemaal stuk gemaakt; ik heb Uw geboden overtreden; ik heb U niet liefgehad, maar ik heb mijn eigen leven geleefd.’

 

Indien iemand gezondigd heeft... Hij zegt dus niet: ‘Indien wij gezondigd hebben...’ Dat is ook waar natuurlijk. Maar Johannes weet hoe de zonde een mens eenzaam maakt, hoe de zonde een mens isoleert. Je kunt een huisgezin met een heleboel kinderen hebben, je kunt een grote vrienden- of vriendinnenkring hebben en toch helemaal alleen zijn, als het gaat over je verhouding met God. Je kunt te midden van honderden mensen verkeren en toch een gevoel hebben alsof je alleen op de wereld staat. Je kunt in de kerk zitten met honderden mensen, en toch zeggen: ‘Heere, nu is er niemand zoals ik: met zo’n verleden, met zulke gedachten, met zulke zonden, met zo’n hart.’

Maar, gemeente, dan komt dat Woord nu tot ú, tot jou. Dan staat er niet: ‘Indien wíj gezondigd hebben’, maar: Indien íemand…! Dat bent u, dat ben jij! Dan bedoelt God u persoonlijk!

 

En dan zegt Johannes: Wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.

Wat een voorspraak is, dat weet u wellicht: een voorspraak is een advocaat, iemand die in een rechtszaak pleit. Je kunt het zelf niet meer goedmaken, maar de Voorspraak bij de Vader kan het wel. Die Voorspraak is Jezus Christus, de Rechtvaardige.

Waar gaat het in de eerste plaats over in het hart van een mens die zijn zonden gaat belijden? Het gaat hem in de eerste plaats er om dat de zonde de verbreking is van de rechtvaardige inzettingen van de Heere, dat hij onrechtvaardig met God gehandeld heeft.

Wij zijn mensen die staan op onze rechtvaardigheid! O, er moet ons maar eens ongelijk aangedaan worden terwijl we denken in ons gelijk te staan, dan roepen we de hele wereld erbij: ‘Ik sta toch zeker in m’n recht?’ Maar als we gaan zien wat we voor God betekend hebben, dat we Gods rechten hebben verbroken, Gods wetten hebben geschonden en de heilige inzettingen van de Heere hebben stukgetrapt, dan is er Iemand nodig die het herstelt, daar gaat het om.

En nu zegt de apostel Johannes: ‘De zaak tussen God en uw ziel is door God opgelost.’ Want, gemeente, de zaligheid en de vrede met God is niet de vrucht van mijn tranen. De verkondiging van het Evangelie blijft niet hangen in mijn schuldbelijdenis. De verzoening met God is niet gegrond in onze verootmoediging. Maar die verootmoediging vloeit alleen maar voort uit de schuldvergeving, die door God Zelf teweeggebracht is. Want mijn tranen drogen straks op en het gevoel van mijn zondigheid wisselt als het weer. Nee, als we daar onze zaligheid op moesten bouwen, dan ben ik vandaag behouden en morgen verloren. Ja, laten we het maar eerlijk zeggen: dan ben ik voor eeuwig verloren! Want het gevoel van mijn zonden is gebrekkig, de tranen over mijn zonden kunnen ernstig en oprecht zijn, maar morgen kan ik geen traan meer vinden. Daar kan ik mijn zaligheid niet op bouwen.

 

Er zijn wel mensen die dat zo graag doen, die er zo dikwijls mee bezig zijn. ‘t Is ook wel aangenaam; een verbroken hart en een verslagen geest is God aangenaam zelfs! Maar het is toch de wortel van mijn zaligheid niet. Gelukkig niet! Want misschien moet ik wel sterven terwijl ik niet meer goed bij mijn verstand ben; misschien sterf ik wel door een ongeluk; ik kan op dat moment geen traan schreien. Hoe zal ik dan rechtvaardig zijn voor God?

Nee, gemeente, God heeft gezorgd voor een bestendige rechtvaardigheid. En daar ligt ook de bron van mijn blijvende troost in, dat is: er is een Voorspraak! Die heb ik niet aangewezen, ik heb Hem niet met mijn geld gekocht, ik ben zelfs niet op de gedachte gekomen dat er zo’n Voorspraak was.

Want wat voor godsdienst er ook bij de heidenen te vinden is – en er is machtig veel godsdienst, soms gelijkend op de christelijke godsdienst – maar dat ene hebben ze niet uitgevonden. Dat je offeren moet, dat weten alle heidenen, o ja! Dat je iets voor God moet doen, dat hoef je ze ook niet te vertellen, dat is ze ingeboren. Maar dat er een Verlosser is voor Gods aangezicht, door God aangewezen, nee, dat kunnen ze net zomin begrijpen als ik, tenzij dat het God behaagt het aan mij en aan hen te openbaren. Dat is het geheim, dat is het goddelijk wonder, dat is het Evangelie, waar we soms zo gevaarlijk ‘gewoon’ mee om kunnen gaan.

Dat is de proclamatie dat God Zelf voor een Voorspraak gezorgd heeft: Jezus Christus! En Hij is precies gepast om al mijn noden in heerlijkheid te vervullen. Want Hij is de Rechtvaardige. En als ik voor Gods aangezicht kom te staan, heb ik dat nodig, hoor. Dan heb ik een barmhartig God nodig, dan heb ik een liefdevol God nodig, dan heb ik een God nodig Die een Leidsman is, allemaal waar, maar dan heb ik voor en boven alle dingen nodig: een God Die mijn schuld verzoent, Die de breuk wegneemt, Die de weg herstelt, Die de hemel weer een plaats maakt waar ik in vrede kan leven met mijn Maker en waar de lofverheffingen Godes eeuwig in mijn keel zullen zijn!

 

Welnu, Hij is er! O gemeente, Hij is er! Hij is er waarachtig! Hij is van God gegeven! Hij is in het genadeverbond beloofd. Hij is in het teken van de Heilige Doop zichtbaar. Daar heeft God het gezegd: ‘Ik heb Hem aangesteld als Verlosser, als Zaligmaker, als Redder.’ En hier in deze tekstwoorden: als Voorspraak! Wat zal het dan bitter zijn, wat zal het dan ontzettend erg zijn om die toorn van het Lam eeuwig te moeten dragen. Die Zaligmaker, Die u zo snood voorbijgegaan bent met allerlei goddeloze en vrome voorwendsels! Ja, u hoort het goed: Die u voorbijgegaan bent!

O, wat een verbittering kan er in ons hart zijn – en dat onder het mom van vroomheid, onder het mom van rechtzinnigheid – verbittering tegen die enige Weg, die God gesteld heeft: Jezus Christus, Die alleen en Die geheel. Want er is in de hemel en op de aarde geen andere voorspraak door wie ik vrede met God kan vinden, door wie één zonde ooit van me weggenomen zou worden. Hij is het Eén en het Al! Hij is de Alfa en de Omega, Hij is het Begin en het Eind. Geen enkele zin, geen enkele preek waar Jezus’ Naam in gemist wordt, is waard het Woord van God genaamd te worden. Want Hij is de Redder en de Zaligmaker van onze zielen.

 

Het is Zijn getuigenis: Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien (Joh.14:9). En: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6). Die de Zoon heeft, die heeft het leven, maar die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet (1 Joh.5:12).

Laat u niet misleiden, gemeente. Want het zijn niet alleen de goddeloze vloekers, maar het zijn ook de arme kermers, die voor eeuwig verloren gaan als ze buiten Jezus kermen en als ze buiten het gezicht op Zijn verzoening verbroken zijn. Het kan een verbrokenheid zijn die de vrucht is van de algemene overtuiging.

Maar ach, richt uw betraand oog dan maar op de geslagen Jezus, als de Rechtvaardige, Die liever verloren ging dan dat Hij de band met Zijn Vader doorsneed, Die liever ter helle neerdaalde dan dat Hij Zijn God losliet, Die in het diepst van Zijn nood getuigde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Die – en ik zeg het met eerbied – Die aan het kruis met Zijn ene hand de Vader vasthield en met Zijn andere hand Zijn verloren Kerk en het uitriep: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34).

Dat is nu die Rechtvaardige! O, als God Hem ziet, dan is Zijn toorn geblust, daar vindt God Zijn genoegen in. ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Hem heb Ik al Mijn welbehagen!’ Maar dan zegt Hij tot ons: ‘Hoort Hem, o zondaar, want wie Hem hoort, die vindt vrede met God! Wie Hem hoort, die heeft vergeving van zonden. Wie tot die Rechtvaardige vlucht, hij heeft geen zonden meer!’ We gaan er van zingen uit Psalm 147 vers 6:

 

De Heer’ betoont Zijn welbehagen

Aan hen, die need’rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

Gestadig op Zijn goedheid hopen.

O Salem, roem de Heer’ der heren;

Wil Uwen God, o Sion, eren!

 

2. Die verzoening openbaart zich in ons

 

Hij is een Verzoening voor onze zonden, zo staat er. Er staat niet: ‘Hij doet verzoening voor onze zonden.’ Dat is ook waar. We weten allemaal dat Hij in Zijn lijden en sterven verzoening heeft gedaan voor onze zonden, namelijk voor de zonden van allen die oprecht in Hem geloven en die tot Hem komen, die tot Hem vluchten, die de zoom van Zijn kleed aanraken en die uitroepen: ‘Heere, help me!’ Voor al diegenen die hun zonden belijden, waar hier van staat: ‘Laat ons onze zonden belijden, want Hij is getrouw en Hij is rechtvaardig.’

Trouw is Hij aan Zijn Woord, aan Zijn verbond. Ja, Hij is getrouw; Hij heeft gezegd: ‘Het verbroken hart zal ik niet verachten, de verslagen geest wordt door mij niet verstoten.’ Hij is getrouw, maar Hij is ook rechtvaardig! Hij straft de zonde nooit twee keer. Wie tot Christus vlucht als tot zijn Borg en Zaligmaker, wel, Hij is de Rechtvaardige, Hij is een Verzoening.

 

Hij is een Verzoening. Dat is meer dan ‘Hij doet verzoening’. Jezus heeft eens van Zichzelf gezegd: Ik ben de Opstanding (Joh.11:25). Hij zegt niet: ‘Ik ben opgestaan.’ Dat is natuurlijk ook waar, maar Hij zegt: Ik ben de Opstanding. Dat is veel meer, want wie in aanraking komt met Jezus, wie de zoom van Zijn kleed aanraakt, wie tot Hem vlucht, wie zijn handen naar Hem uitbreidt, die krijgt gemeenschap, die staat ook op. Die staat op, want: Ik ben de Opstanding.

Zo zegt Hij hier: ‘Ik ben de Verzoening.’ Johannes schrijft het: En Hij is een Verzoening voor onze zonden. Hij is een Verzoening. Dat was Hij al in de kribbe van Bethlehem. Dat Kind, Dat de herders gezocht en gevonden hebben, is een Verzoening. Ze hebben in Hem de verzoening met God verkregen. Elke aanraking met Jezus geeft vrede in ons hart, geeft verzoening, geeft hemelse blijdschap, geeft geloof in de vergeving der zonden. Het is niet altijd even sterk, maar kijk: omdat u nog niet een volwassene bent, moet u niet zeggen: ‘Ik ben geen mens.’ En omdat u misschien nog maar een zwakke bent in het geloof, mag u niet zeggen: ‘Ik heb geen verzoening.’

 

Het is een verfoeilijke en verwerpelijke gedachte dat er kinderen van God zouden zijn die niet met God verzoend zijn, die nog geen vrede met God gevonden hebben, kinderen van God  die nog ‘voor de zaak’ staan. En als men dan vraagt: ‘Wat bedoelt u daar mee?’, dan zeggen ze: ‘Mijn zonden zijn nog niet vergeven.’ Pas op, mensen, dan bent u nog geen kind van God! Dan bent u nog een wereldling! Dan bent u nog onbekeerd! Want er zijn geen kinderen van God wiens zonden niet vergeven zijn! Ik weet wel: er zijn veel kinderen van God die niet verzékerd zijn van de vergeving van hun zonden, maar dat is heel wat anders.

Maar neem nu een klein kind. Al weet dat kind niet: die man is mijn vader en die vrouw is mijn moeder, en al weet hij niet het geheim van de generatie en van de geboorte, maar niemand is dan toch zo dwaas om te zeggen: ‘Ach nee, je mag pas ‘vader’ zeggen en je mag pas ‘moeder’ zeggen wanneer je het geheim van de levenswording doorvorst hebt’? Dat is toch dwaasheid? Dat doe je toch in het natuurlijke ook niet? De Heere Jezus leerde Zijn discipelen ‘Vader’ zeggen voordat ze tot de kennis van het kruislijden gekomen waren. Gij dan, bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt (Matth.6:9).

 

Vele van Gods kinderen hier op aarde missen de verzekering van de verzoening van hun zonden. Maar daarom moeten ze niet denken dat ze er nog buiten staan! Dat zou u geheel en al uw vrijmoedigheid ontnemen om tot de Heere de toevlucht te nemen. Als u tot God komt en u gelooft niet dat Hij is en dat Hij een Beloner is van degenen die Hem zoeken, dan zult u ook nooit met vrijmoedigheid tot God gaan.

Ik denk aan een woord van Rutherford. Hij zegt: ‘Toen ik in de gevangenis zat, toen dacht ik dat God me als een dorre boom over de muur van Zijn wijngaard geworpen had en dat ik gereed lag om als brandhout verbrand te worden.’ Misschien heeft u ook wel eens die gedachte gehad.

Maar dan moet u ook maar eens wat gaan lezen in de Redelijke Godsdienst van Brakel; die schrijft zo kostelijk over de liefde van Jezus. Het viel me in het bijzonder op wat hij daar in een van die hoofdstukken zegt over de liefde tot Christus: ‘Je moet Jezus je liefde bewijzen, je moet tegen Jezus zeggen dat je Hem hartelijk lief hebt. Hij weet het wel, want Hij kent je hart, maar Hij wil het ook van je horen.’

 

Dat is een probaat middel hoor, als je in de eenzaamheid je hart doorzoekt en je voor het aangezicht van God tot de ontdekking komt dat je toch buiten God niet leven kunt, dan moet je dat tegen de Heere gaan zeggen; dan moet je gewoon tegen de Heere zeggen: ‘Heere, het is allerellendigst met me gesteld en ik voel me zo ver van U af dat ik met David wel zeggen kan: Van het einde des lands roep ik tot U (Ps.61:3). Maar, Heere, ik heb U toch lief, ik kan toch buiten U niet leven, al verbergt Gij Uw aangezicht voor mij, Heere, ik kleef U aan; mijn ziel hoopt op U; ik wacht op U gelijk een wachter op de morgen.’

Dat moet je tegen de Heere zeggen. En dan komt de Heere, hoor! Zulke liefdesbetuigingen kan een aards mens nog niet eens voorbijgaan. Zal dan die allerbeminnelijkste God, Die de Liefde Zelf is, zal Hij uw nood niet horen? Zal Hij de stem van uw geween voorbijgaan? Zal Hij u versmaden wanneer u Hem uw liefde bewijst? Nee, Hij zal het niet doen: want daar is een Verzoening en Die is altijd voor Zijn aangezicht!

Kijk, dat is de grond, waarom Hij u niet zal verstoten: Zijn trouw en Zijn gerechtigheid! Hoort u dat?

 

Misschien zegt u: ‘Ja, ik weet wel dat die verzoening noodzakelijk is, maar waar is het begin? Hoe zal ik mijn voeten zetten op dat spoor der gerechtigheid? Ik zie het niet; ik weet het begin van die weg niet, waar moet ik heen?’ Luister eens: het is bij God goedgemaakt. Jezus heeft gezegd: Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh.14:2).

Zijn werk is nog niet klaar, dat gaat altijd maar door, totdat de laatste der uitverkorenen zal zijn ingezameld. Daarom wordt u dit Evangelie ook gepredikt: Hij is een Verzoening voor onze zonden.

 

Nu zegt u wellicht: ‘Ja, dat weet ik, daar ben ik onder opgevoed. Hij is gestorven voor Zijn volk, Hij heeft geleden voor Zijn schapen, Hij heeft Zijn bloed gestort voor Zijn kinderen. Maar dat is nu juist mijn probleem: behoor ik wel tot die schapen, tot die kinderen, tot die gemeente des Heeren, tot die vergadering der uitverkorenen? Daar gaat het nu om in mijn leven!’

Luister dan nog eens: Hij is een Verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld. Die drie woorden ‘de zonden van’ staan er eigenlijk niet tussen in de grondtekst, u kunt dat zien in uw Bijbeltje; die drie woordjes staan schuin gedrukt. Daar staat dus eigenlijk: ‘Maar Hij is een Verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar óók voor de gehele wereld.’ En dat betekent dan natuurlijk: ‘Maar ook voor de zonden van de gehele wereld.’

Dat zegt het Woord van God, gemeente. En als u nu tot de belijdenis moet komen dat u een mens bent die behoort tot die ‘gehele wereld’, dan mag ik u zeggen in naam van de Heere: Hij is een Verzoening, ook voor uw zonden! Als Hij niet een Verzoening voor uw zonden was, zou ik u niet mogen prediken dat de genade genade is. Dan zou ik u voorwaarden moeten stellen. Dan zou ik u moeten zeggen: ‘Maar... dan moet je eerst weten dit, of je moet eerst kennen dat, of je moet eerst ervaren dit of dat…’

Maar als u toestemt dat u tot de wereld behoort, dat u een kind van de wereld bent, een mens uit Adam geboren, wanneer we zo voor God komen en in afhankelijkheid ons neerleggen voor Gods aangezicht, dan staat hier in het Woord van God – en dat kan niet liegen – Indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig en Hij is een Verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.

Nee, niet alle mensen zullen zalig worden, daar geloof ik niets van, want dat staat in de Bijbel uitdrukkelijk anders. Maar wel al degenen die met oprechte schuldbelijdenis tot Hem komen, zullen zalig worden!

 

Als u zo tot God gaat, zoals hier staat: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, indien u zo voor Zijn aangezicht komt, dan is Hij een Verzoening voor uw zonden. Dat garandeert God! Dat garandeert Hij u in Zijn onverbrekelijk verbond. Dat garandeert Hij u in het teken van de Heilige Doop. Dat reikt Hij u toe in het Nachtmaal. En dat bevestigt Hij, zo dikwijls als u onder het Evangelie van Zijn genade mag komen.

 

Kinderen van God, laat het u tot troost zijn! En u die nog zonder God voortleeft, leg er uw vinger bij, ga met deze tekst naar huis en zeg: ‘Heere, of ik bij Uw volk behoor dat weet ik niet, maar hier staat het toch: En niet alleen voor de zonden van Uw volk (laat ik het zo eens vertalen), maar ook voor de zonden van de gehele wereld!’ En dan moet je maar verder niet gaan zitten redeneren. Je moet er maar op letten wat de Heere van je eist. Want de verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde voor ons en onze kinderen (Deut.29:29).

Wie er zalig zullen worden en hoeveel er zalig zullen worden, weet God alleen. Maar wat we wel weten, wat we zéker weten, is dit: dat degene die tot Hem komt, door Hem niet zal worden uitgeworpen. En die wetenschap moet uw troost zijn, die moet u een spoorslag zijn naar het eeuwige leven.

 

Die hoop moet al ons leed verzachten.

Komt, reisgenoten, ‘t hoofd omhoog!

Voor hen die ‘t heil des Heeren wachten,

zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid, niet af te meten,

o vreugd, die alle smart verbant!

Daar is de vreemd’lingschap vergeten,

en wij, wij zijn in ‘t Vaderland!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 68: 11 en 17

 

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,
God zal Zijns vijands kop verslaan;
Dien haar’gen schedel vellen,
Die trots, wat heilig is, onteert,
En, daar hij schuld met schuld vermeêrt,
Zich tegen Hem durft stellen.
De Heer’ heeft Zelf ons toegezeid:
‘’k Zal u, door macht en wijs beleid,
Uit Basan weêr doen komen;
U zullen, als op Mozes’ beê,
Wanneer uw pad loopt door de zee,
Geen golven overstromen.’ 

 

Hoe groot, hoe vrees’lijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd’lijk Opperwezen!
‘t Is Isrels God, die krachten geeft,
Van Wien het volk zijn sterkte heeft.
Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)