Ds. C.G. Vreugdenhil - Filippenzen 3 : 10

Onderwerp

Paulus' verlangen naar de christelijke volkomenheid
De worsteling om meer kennis van Christus
De kracht van de opstanding van Christus
De gemeenschap aan het lijden van Christus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Filippenzen 3 : 10

Filippenzen 3
10
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1, 6
Lezen : Filippenzen 3: 1-16
Zingen : Geb. des Heeren: 1, 2, 3, 8
Zingen : Psalm 21: 4, 5
Zingen : Psalm 68: 4, 17
Zingen : Psalm 17: 8

De tekstwoorden voor deze dienst vindt u in Filippenzen 3 vers 10, waar de apostel Paulus schrijft:

 

Opdat ik Hem kenne en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.

 

Het gaat hier over: Paulus’ verlangen naar de christelijke volkomenheid.

 

We letten op drie aandachtspunten:

1. De worsteling om meer kennis van Christus

2. De kracht van de opstanding van Christus

3. De gemeenschap aan het lijden van Christus

 

1. De worsteling om meer kennis van Christus

 

Gemeente, jongens en meisjes, de gemeente van Filippi krijgt een brief, gedateerd 62 jaar na Christus. De afzender is Paulus. Hij zit in de gevangenis in Rome. Maar hoewel hij in de gevangenis zit, bemoedigt hij de gemeente van Filippi, want het Evangelie wordt er bedreigd. Dwaalleraars doen een rechtstreekse aanval op de kern van het Evangelie. Het werk van God wordt weerstaan.

En dan wordt de apostel fel en bewogen. Het motto van de dwaalleraars is: Christus en nog iets van onszelf daarbij. Christus alleen is niet genoeg. Er moet van de mens nog iets bij komen. Dat maakt mensen hoogmoedig en zelfvoldaan.

Hiertegenover verkondigt Paulus de rijkdom van Christus alleen, zoals hij dat ook schrijft in de Korinthebrief: ‘Wij prediken u Christus, de Gekruisigde. Het leven van een christen wordt helemaal gestempeld door Christus. Drie keer achter elkaar zegt Paulus dat het hem alleen te doen is om Christus. In vers 8 schrijft hij: Opdat ik Christus moge gewinnen. In vers 9: Opdat ik in Hem gevonden mag worden. En in vers 10, onze tekst: Opdat ik Hem kenne.

 

Dat lijkt vreemd. Als je Christus aangenomen hebt, dan ben je er toch? Als je Hem echt mocht leren kennen, dan ben je toch gered? Wat moet je dan nog meer?

Ja, als u dat denkt, gemeente, dan moet u maar eens goed meeluisteren. Dan is er zeker wel onderwijs voor u in dit gedeelte.

Paulus verbindt het leven van een christen en het leven van Christus heel sterk met elkaar. Hij vlecht die twee levens helemaal in elkaar en dat doet hij met dat belangrijke, paulinische woordje ‘met’, dat hij zo vaak gebruikt. Dat is favoriet bij de apostel. Daarmee smeedt hij de christen en de Christus samen. Christen-zijn is met Christus zijn, met Christus leven, zodat de levensgang van Christus wordt afgetekend in ons leven.

 

Ik zal u een paar voorbeelden noemen die Paulus noemt in zijn brieven. Hij zegt: we lijden met Hem, we zijn gekruisigd met Hem, we zijn gestorven met Hem, we zijn begraven met Hem, we zijn levend gemaakt met Hem, we zijn met Hem opgewekt tot nieuw leven, we zijn met Hem gezet in de hemel, we zijn mede-erfgenamen met Hem, we worden verheerlijkt met Hem en we zullen eeuwig met Hem regeren.

Zo noemt hij negen stappen die Christus gezet heeft met Zijn kinderen, met Zijn Kerk, in Zijn hart. Dat is nu het leven met Christus. Samen met Christus leven, in de geloofsverbondenheid met Hem, uit de rijkdom van Hem. Een christen hoort helemaal bij Christus. Zo is voor Paulus de Heere Jezus Christus het centrum van zijn leven. U luistert toch mee voor uzelf, hè? Zo is Paulus’ alledaagse leven erop gericht om steeds beter de Heere Jezus te leren kennen. Want er is zoveel te leren in het leven met en voor en vanuit Hem.

 

In dat verband staat onze tekst, als Paulus zegt: Opdat ik Hem kenne. Dat kennen is een kennen in liefde, een vertrouwd raken met Hem, een omgaan met Hem. Niet alleen kennen met het verstand, maar ook met het hart. Geen theoretische kennis, maar bevindelijke omgangskennis. Want als de Heere Jezus Christus je leven binnenkomt kun je nooit meer genoeg van Hem krijgen. Dertig jaar na zijn bekering zegt Paulus niet: ‘Nu ken ik zo zachtjesaan wel genoeg van Hem.’ Nee, liefde verlangt altijd naar méér liefde. Net als in een goed huwelijk: je trouwdag is onvergetelijk, maar je hebt heel je huwelijksleven nodig om in die liefde te groeien en te bloeien.

Het geestelijk leven bij Gods kinderen komt nooit tot stilstand. Bekering is geen punt, maar een lijn. Het in niet statisch, maar dynamisch; het werkt, het leeft, het groeit, het ontwikkelt zich. In dat kader staan hier deze woorden: Opdat ik Hem kenne.

 

Opdat... Dat slaat terug op het voorafgaande, waar Paulus schrijft (in vers 7 bijvoorbeeld): waar ik vroeger mijn leven in vond, in heel die wettische, farizeïstische godsdienst, dat is mij de dood geworden; dat heb ik opgegeven om Christus te kennen. Het kennen van Christus is een wonder. Het blijft een worsteling om Hem steeds dieper en steeds inniger te mogen kennen in die zaken die Paulus hier noemt: het ervaren van Zijn opstandingskracht en het delen in Zijn lijden en het gelijkvormig worden aan Zijn dood. Dat proces gaat levenslang door. Het is een steeds intensere gemeenschap met Christus door het geloof, waarbij het oude leven hoe langer hoe meer afsterft.

Wilt u dat graag, gemeente? Is dat ook uw verlangen en jouw verlangen, dat je oude ‘ik’ hoe langer hoe meer afsterft en die nieuwe mens mag opstaan? Dat noemt de Bijbel ‘bekering’. En nu kun je dat natuurlijk wel wensen, maar misschien zegt u: ‘Hoe bereik ik dat? Wat kan ik daar dan voor doen, dat mijn oude leven meer afsterft en dat nieuwe leven meer opstaat?’

De apostel Paulus beschrijft dat in Kolossenzen 3 en 4. Daar zegt hij: weet je wat je kunt doen om toe te nemen in de kennis van Christus? Bijvoorbeeld het bijwonen van de kerkdiensten van de gemeente; het laten zien van vriendelijkheid en vergevingsgezindheid; het leven in de liefde en in de dankbaarheid; het bestuderen van het Woord van Christus, zowel in de uitleg als in de toepassing ervan, zodat het geloof in ons hart groeit en Christus door het geloof woont in ons leven. Ook door het zingen van psalmen en lofzangen en geestelijke liederen; door de volharding in de gebeden; door het getuigen van Christus.

Al die middelen noemt Paulus daar, om toe te nemen in de genade en de kennis van de Heere Jezus.

 

Opdat ik Hem kenne. Het is wel duidelijk dat hier niet iemand aan het woord is die Christus nog niet kent, iemand die voor het eerst van zijn leven ontdekt wordt aan zijn zonde en schuld en die vraagt om een Borg voor zijn ziel en verzoening van zijn schuld. Zeker, daar weet Paulus ook van. Denk maar aan dat gebeuren op de weg naar Damascus, waar de Heere hem staande heeft gehouden en geroepen: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? (Hand.9:4) Toen kwam hij voor het eerst van zijn leven in aanraking met de dynamische kracht van de opgestane Christus. Hij wist niet eens dat Christus leefde; hij dacht dat Hij dood was. Maar hij zag Hem vanuit de hemel verschijnen en toen moest al zijn godsdienstige ijver eraan. Toen is hij wedergeboren tot een levende hoop. Zoiets schrijft hij in vers 7: Hetgeen mij gewin was – heel die wettische dienstbaarheid, dat farizeïstische leven – heb ik om Christus’ wil schade geacht.

Jazeker, Paulus is echt wel tot bekering gekomen. Dat was al jaren geleden op weg naar Damascus gebeurd. Als Paulus vanuit de gevangenis in Rome aan de Filippenzen schrijft over deze worsteling om Christus te mogen kennen, dan is hij al een man van zestig jaar. Hij heeft een leven van zelfopoffering, strijd en uitreddingen achter zich. Wat heeft hij Christus gepredikt en het kruis der verzoening! Altijd stond Christus in het middelpunt; altijd ging het weer over de Heere Jezus Christus en Zijn bloed en Zijn algenoegzaamheid en Zijn gewilligheid om zondaren zalig te maken. Christus als de enige grond en het fundament van de zaligheid; de enige hoop.

 

En wat horen we nu van deze man? Na zo’n lange loopbaan in de dienst van het Evangelie en nadat hij zo krachtig is stilgehouden en tot God bekeerd is en nadat hij een leven van heiliging achter de rug heeft, al dertig jaar, wat horen we nu? We horen hem in onze tekst worstelen om Christus meer en meer te leren kennen. Hij voelt dat het beeld van Christus nog meer en nog dieper in hem afgedrukt moet worden, omdat hij in dit leven nooit volleerd, nooit uitgeleerd komt. Het gaat de apostel erom Christus te kennen in al Zijn heilsweldaden. Daar is het geloof werkzaam mee. Maar vooral heeft hij ook een hartelijke begeerte om gelijkvormig te zijn aan de grote Meester.

Begrijpt u dat nu, gemeente? Zo’n man, die zo krachtig predikte, die Christus heeft leren kennen, van Wie hij mag zeggen: ‘Het heeft Gode behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren’, worstelt deze man nu nog steeds om Christus beter te leren kennen? Is hij daar dan nog niet bovenuit gegroeid? Hij is toch bekeerd? Ja, maar hij wordt ook nog stééds bekeerd!

Hij is er niet bovenuit gegroeid. Dat zeggen nu juist die dwaalleraars in Filippi, die de gemeente van God misleiden en waar Paulus nu zijn pen tegen opneemt. Paulus noemt ze ‘honden’, omdat ze met al hun gekef en geblaf de mensen willen intimideren en de waarheid van God geweld aandoen. Ze proberen met al hun geschreeuw de gemeente te overbluffen, met hun talenten en met hun nieuwe ideeën. Die dwaalleraars willen de rechtvaardigheid die uit de wet is oprichten. Zij weten niet van een verliezen van je eigen leven voor God.

Daarom stelt Paulus daartegenover de theologie van het kruis. Hij zegt: Zijn dood moeten wij gelijkvormig worden. Nee, niet de rechtvaardigheid die uit de wet is, maar de rechtvaardigheid die geopenbaard is in het Evangelie, door de opstanding van Jezus Christus. Dat is de ware godsdienst.

 

Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding.

Ik, zegt hij. Hoort u dat Paulus niet in het algemeen schrijft? Nee, hij legt heel eerlijk zijn persoonlijke worsteling bloot. Hij begeert maar één zaak voor zichzelf, namelijk om aan die bevindelijke geloofskennis van de Heere Jezus, van Zijn sterven en opstanding, steeds meer deel te mogen hebben. Zoals hij daarover schrijft, komt het op ons over als een worsteling. Want dan moet u gewoon even het verband lezen, wat er vóór staat en wat er na. Pak uw Bijbel er maar even bij; dan wordt het wel duidelijk.

We lezen wat eraan vooraf gaat, bijvoorbeeld vers 7 tot 9. Daar schrijft hij: Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof. Daarna, bijvoorbeeld in vers 12, zegt hij: Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht.

 

Als u dit leest, zegt u: ‘Ja, dat is toch een goede typering, het thema van de preek: Paulus’ worsteling om de volkomenheid van het christelijk leven te bereiken.' Hij worstelt om Christus dieper te leren kennen, meer te leren kennen, meer op Hem te lijken, te groeien in heiligmaking. Daar gaat het ten diepste over.

Dat was ons eerste aandachtspunt. Het tweede gaat over de uitwerking van de kracht van Christus’ opstanding in Zijn leven, maar we zingen eerst uit Psalm 21, de verzen 4 en 5:

 

Hij heeft, o God, van U begeerd

Het onvergank’lijk leven;

Gij hebt het hem gegeven.

Zo zijn de dagen hem vermeêrd;

Zo leeft de Vorst altoos;

Zo leeft hij eindeloos.

 

Hoe groot en schitt’rend is zijn eer,

Door ‘t heil, aan hem bewezen!

Hoe is zijn roem gerezen!

O alvermogend’ Opperheer,

Wat glans, wat majesteit

Hebt Gij die Vorst bereid!

 

Het gaat in onze tekst over Paulus’ verlangen naar de christelijke volkomenheid. We hebben gelet op Zijn worsteling om meer kennis van Christus. En nu het tweede:

 

2. De kracht van de opstanding van Christus

 

Hij zegt immers: Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding. Onze aandacht wordt gericht op de opstanding van de Heere Jezus. Wat een rijke schatten liggen daarin verborgen!

 

Allereerst de rijkdom van de rechtvaardiging. Daar heeft Paulus ook al over gesproken in vers 9: de rechtvaardigheid die uit God is, door het werk van Christus, door het geloof toegeëigend, geschonken. Dat heeft gestalte gekregen in het leven van Paulus en in het leven van al Gods kinderen; de rechtvaardiging door het geloof. Want Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardiging. Pasen laat ons zien het welbehagen van de Vader over het werk van de Zoon. Zijn werk is volbracht en volmaakt en het wordt als zodanig erkend door de Vader. Christus heeft de schuld van de zonde volkomen gedragen. Hij is vrijgesproken. Hij heeft het recht ontvangen op het eeuwige leven en in Hem ook allen die door het geloof met Hem verbonden zijn; die Zijn verschijning in onverderfelijkheid hebben lief gekregen.

Bent u ook zo met Hem verbonden, door het geloof?

 

Paulus weet dat allemaal heel goed. Hij twijfelt daar ook niet aan. Maar hij ziet die schatten niet liggen als renteloos kapitaal. Er is méér. Wat Christus heeft gedaan en doet, dat moet ook doorwerken in zijn leven. Dat is niet alleen de rechtvaardiging; er is ook de heiliging. Jezus stond op uit de dood tot het nieuwe leven. Zijn opstanding is de bron en de norm van het nieuwe leven voor heel Zijn Kerk. In Hem mag er vrucht gedragen worden. Uit kracht van dat nieuwe leven bloeit de wijnstok en mogen de gelovigen vruchten dragen aan hun levensranken. De vrucht van geloof, hoop en liefde.

Zo spreekt de apostel over de kracht van Christus’ opstanding. Dat is de kracht van God die geopenbaard werd in de opstanding van Christus, maar tegelijkertijd ook de kracht die daarbij is vrijgekomen. Die kracht werkt, die doet iets. Hier staat het woordje ‘dynamiet’. U weet: met dynamiet kun je de grootste steenrotsen uit elkaar laten spatten. Dat woordje ‘dynamiet’ heeft iets in zich van een geweldige machtsopenbaring. En die is ook openbaar gekomen in de opstanding van Christus. Paulus zegt: ‘Ik wil toenemen in die kracht van Zijn opstanding in mijn leven, tot levensheiliging.’ Want in dat kader staat deze tekst: tot heiliging in mijn dagelijks leven. De kracht om op te staan uit de dood van de zonden; daar gaat het hier om. Daar jaagt hij naar, of hij het ook grijpen mocht.

Leg uw hart er eens naast, gemeente. Is dat niet een gezonde begeerte bij ieder kind van God? Als u door Gods ondoorgrondelijke genade de Heere Jezus mocht leren kennen in Zijn schuldvergevende liefde, dan komt u toch ‘s zondags weer opnieuw in de kerk? Dan zegt u toch niet: ‘Ik ben bekeerd en nu hoef ik niet meer te komen, want nu is het allemaal voor elkaar in mijn leven’? Nee, elk leven moet gevoed worden. Je komt toch om méér genade, om toename in de kennis van Hem?

Paulus zegt: Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht. Prachtige woorden; je ziet daar de worsteling in. Ik jaag er naar, naar meer heiligheid, meer heiliging, meer gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Ik jaag er naar!

 

U moet steeds opnieuw horen van al de rijkdommen die er in Christus zijn. Niet alleen tot rechtvaardiging, maar ook tot heiliging van uw leven. Want als u er niet van hoort, kunt u er ook niet naar verlangen. Dan kun je ook niet aan je gemis ontdekt worden. Vandaar de prediking vandaag en vandaar de brief van Paulus aan de gemeente van Filippi. Er is zoveel rijkdom en schoonheid in Christus, dat u de reeks van die schatten kunt tellen noch bevatten.

Het is ontdekkend om ontdekt te mogen worden aan je gemis. Het kan ook pijnlijk zijn, om aan je armoede ontdekt te worden, aan wat je nog niet bezit. Je kunt misschien denken al zo rijk te zijn, maar heb je dit al leren kennen en mocht je Christus in de gangen van Zijn verhoging leren kennen? Het is juist zo nodig om uitgedreven te worden naar Hem. Dat schrijft Paulus hier: Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding.

 

Gemeente, hoe grimmig en geweldig heerste de dood! Daar had de dood alle recht toe, want door de zonde hebben wij ons aan de dood uitgeleverd. De straf op de zonde is de dood. ‘Gij zult de dood sterven’, had God tegen Adam gezegd. We kunnen niet anders meer dan zondigen. Van nature liggen we dood in zonden en misdaden, zegt de Bijbel.

Maar Christus kwam! Hij verbrak die banden door Zijn geweldige opstandingskracht. Machtiger nog dan in de schepping openbaart God Zich in de herschepping. Dan laat Hij middenin de dood het leven komen door de levenwekkende kracht van Zijn Woord, van Zijn Evangelie.

Die rijkdom van Christus en Zijn opstanding heeft Paulus’ hart helemaal in beslag genomen. Hij wil niets anders meer weten. Hij is er mee bezig. Hij verlangt ernaar, steeds meer en meer.

 

O ja, er waren ook andere tijden in zijn leven geweest. We hebben dat gelezen in hoofdstuk 3. Hij is vol geweest van wettische ijver, vroomheid en zelfvoldaanheid. Hij leerde vroeger precies wat nu die dwaalleraars in Filippi leren. Hij begrijpt de mensen, die nu de gemeente van Filippi aan het verleiden zijn, het best van allemaal. Zo is hij zelf ook geweest. Dieven moet je met dieven vangen, zegt men wel eens. Nu, die dwaalleraars moet je bestrijden met mensen die vroeger ook in die dwaalleer geleefd hebben. Daarom heeft God Paulus gegrepen om het Evangelie te verkondigen.

Dat leven in wettische dienstbaarheid heeft alle glans en kleur voor Paulus verloren. Hij heeft Jezus gevonden. Misschien moeten we het omdraaien en zeggen: Jezus heeft Hem gevonden. Het klonk van de hemel: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Toen is zijn hart geraakt, is hij verloren gegaan onder God en heeft hij de Heere leren kennen. Hij heeft gebeden, de handen zijn op hem gelegd en hij is gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van zonden. Hij heeft Christus gepredikt.

 

Maar nu wil hij de Heere Jezus nog meer leren kennen, nog dieper, begrijpt u? Als je Christus niet kent, dan begrijp je dat niet. En als je de Heere Jezus wel kent, al is het nog maar heel weinig, dan begrijp je dit wel. Genade vraagt altijd om genade. De Geest vraagt om de Geest. Gebed vraagt om gebed. De kennis van Christus vraagt om meerdere kennis van Christus.

Dat betekent nu het zinnetje Opdat ik Hem kenne. Dat betekent: dieper kennen, meer kennen. Er blijkt zo een sterk verlangen uit deze woorden. Je kunt je afvragen: bezit hij die kennis dan niet? Hij heeft Christus toch gewonnen, gevonden? Hij is toch gerechtvaardigd door het geloof? Hij mocht toch vrijmoedig schrijven: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20)? Vanwaar dan dat verlangen?

Wel, gemeente, omdat er nog zo veel onvolmaaktheid is in zijn geloof en in de liefde. Wat denkt u van Romeinen 7, van die strijd? ‘Het goede dat ik wil doen, dat doe ik niet; en het kwade dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ Maar dan: ‘Ik dank God, door Jezus Christus, Die ons de overwinning gegeven heeft!’

Daarom is er juist die strijd. Paulus kan niet roemen in zichzelf, zoals die dwaalleraren. Hij is niet volmaakt. En bovendien, de heerlijkheid is zo groot en zo wijd dat Paulus het besef heeft dat hij daar nog lang niet van verzadigd is. Het is zijn begeerte om uit die Fontein Christus nog meer te drinken. Want wie eenmaal van dat water gedronken heeft, krijgt er nooit genoeg van. Die heeft de smaak er pas echt van te pakken en zegt: ‘Alles wat aan Hem, aan Christus is, dat is gans begeerlijk!’ Alles: de vergeving van je zonden, de vernieuwing van je leven, de verheerlijking van Gods Naam, het getuigen naar anderen toe en die biddende Hogepriester in de hemel. O, er is zóveel in Hem te kennen!

 

Het is maar een bedenkelijke zaak als je dat verlangen niet hebt. Dan is je geestelijk leven tot stilstand gekomen. Dat is niet best, als je tevreden bent met je geestelijke bevinding en je bekering, als je daaruit gaat leven. Maar als je het één en ander van Christus mocht ondervinden, door het werk van de Heilige Geest, omdat God je ogen daarvoor opende in de nood van je leven, dan kun je toch niet zeggen: ‘Nu ben ik er’? Paulus zal dat niet zeggen. Zo een oppervlakkige tevredenheid hoort niet bij het ware geloof. Het ware geloof strijdt. Het ware geloof verlangt om méér vervuld te worden met die schatten en weldaden van Christus.

 

Opdat ik Hem kenne. Daar hebt u eerst het verlangen naar Christus persoonlijk, naar die persoonskennis van de Heere Jezus. Christus is het brandpunt, het middelpunt van Paulus’ verlangen. Het gaat niet om een bepaalde leer over Christus. Al minacht Paulus de leer nergens, integendeel! Maar het gaat hier om de verbondenheid met de levende Christus Zelf. Het gaat er hier om dat Christus Koning is in heel zijn leven.

Paulus heeft Christus niet alleen nodig tot rechtvaardiging, tot verzoening, maar – en daar gaat het over in ons tekstgedeelte – vooral tot heiligmaking. De apostel begeert de kracht van Christus’ opstanding te kennen om in nieuwheid van leven voor de Heere te wandelen. Zijn oude leven is hem tot een last en verdriet geworden. Hij begeert dat die kracht van Christus in hem over zal vloeien, om Zijn beeld gelijkvormig te zijn, om voor de Heere te leven.

Kent u dat verlangen ook? Nee, u hoeft uzelf niet te vergelijken met Paulus. Dat haal je toch niet, denk ik. Maar kent u dat verlangen om echt voor de Heere te leven, tot de eer van Zijn Naam? Wie Christus liefheeft, zal Hem, met eerbied gesproken, toch niet voor de helft willen gebruiken, alleen maar tot vergeving van de zondeschuld? Die zal toch ook begeren om bevrijd te worden van de macht van de zonde? Een halve Christus bestaat niet.

Wie denkt vergeving van zonde te hebben en niet wil breken met zijn zondige leven, die heeft niets. Die vergist zich. Alleen door de kracht van Christus’ opstanding kunnen we in nieuwheid van leven wandelen. Dan hoef ik de strijd van de dagelijkse bekering niet krampachtig te voeren in eigen kracht. Dan mag je dat doen in de wetenschap dat het Pasen is geweest, dat door de opstanding van Christus een enorme kracht is vrijgekomen tot vernieuwing van mensenlevens.

 

Wat kun je gebonden zijn aan de machten van de zonde. Juist een christen ervaart dat. Want als je de Heere niet kent, dan leef je erin als een vis in het water. Dan voel je dat niet als een macht. Dan denk je: Het gaat wel goed zo en moge de Heere me nog maar eens bekeren...

Maar als je er echt achter gekomen bent Wie de Heere voor je is, dan ga je pas zien wat voor macht de zonde is. Dat je er gewoon niet tegenop kunt. Dat er momenten zijn dat je onder ligt in de strijd. Zo onvolmaakt is je leven. Dan kun je helemaal niet tevreden zijn over jezelf. Dan zeg je: ‘Heere, ik word zo aangevochten!’ Want als je in zonden valt, komt de duivel direct naar je toe en zegt: ‘Dat doen kinderen van God niet; als je een kind van God was, zou je het er veel beter van afbrengen.’ Dus dan komt van het één het ander; als je in de zonde valt, gaat de zekerheid omver en dan kom je tot de vraag: ‘Zou de Heere nu eigenlijk nog wel van me afweten? Zal er ooit wel iets van me terechtkomen? De zonde wordt me telkens weer de baas!’ Dat is een strijd.

 

Paulus schrijft hierover het volgende, tot bemoediging ook van u en van mij: Laten we toch biddend en verlangend naar Hem toe kruipen en schuilen bij Hem. Opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding, opdat ik meer en meer op Hem vertrouw en uit Hem leef. En dat die nieuwe kracht in mijn leven openbaar komt, zodat ik toch Zijn beeld ga vertonen. Opdat ik Hem kenne in de gemeenschap aan Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig wordende. Dat gaat nog een stapje verder; dat is onze derde gedachte.

 

Maar we zingen opnieuw, nu uit Psalm 68, de verzen 14 en 17:

 

Uw God, o Israël, heeft de kracht

Door Zijn bevel u toegebracht.

O God, schraag dat vermogen.

Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht

En laat Uw hulp, door ons verzocht,

Uw volk voortaan verhogen.

Dan passen, Uwe Naam ter eer,

Om Uwes tempels wil, o Heer’,

De vorsten op Uw wenken.

Zij zullen U van alle kant,

Zelfs uit het allerverste land,

Vereren met geschenken.

 

Hoe groot, hoe vrees’lijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd'lijk Opperwezen!

‘t Is Isrels God, Die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

Onze tekst gaat over Paulus’ verlangen naar de christelijke volkomenheid. We hebben gelet op de worsteling om meer kennis van Christus en op de kracht van de opstanding van Christus. In de derde plaats letten we op:

 

3. De gemeenschap aan het lijden van Christus

 

Nu moet u eens even op de volgorde letten. Valt het u niet op dat Paulus het eerst heeft over opstanding, daarna over lijden en sterven? Bij Christus was het lijden, sterven, opstanding! Dat noemen we heilshistorisch, volgens de geschiedenis. Maar bij de gelovigen schrijft Paulus het hier net andersom: de kracht van Zijn opstanding, de gemeenschap aan Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig worden. Dat is wat we wel noemen: het heilsordelijke.

De vrucht van Jezus’ lijden, sterven en opstanding is een diep geheim. Want als we door de kracht van Christus’ opstanding mogen opstaan tot een nieuw leven – en dat nieuwe leven met alles wat daarbij hoort noemt de Bijbel wedergeboorte – dan brengt dat ons in gemeenschap aan Zijn lijden. Dan zullen we de smaadheid van Christus moeten dragen. Vervolgingen horen daar ook bij. Denk maar aan wat Paulus over zichzelf schrijft. Hoe vaak is hij niet gestenigd, hoe heeft hij schipbreuk geleden en is hij in de diepte geweest. Hij is gegeseld en noem maar op. Een dienstknecht is niet meer dan zijn meester.

Wat een wonderlijke begeerte van de apostel. Er is toch niets waar een mens meer voor terugschrikt dan voor lijden? Maar dat is nu juist het diepe geheim. Het ging de apostel niet om het lijden en om al die strijd en al die nood die dat met zich meebracht, maar het ging hem om het middel tot het grote doel. En dat grote doel is het kernwoord van heel de tekst: de levensheiliging. Heel vers 10 gaat over de heiliging van het leven, het verzoende leven voor God, met God, uit God en voor de naaste. Paulus zag daar geen andere weg toe dan de weg waarin het vlees vernederd en gekruisigd moet worden en dat hij uit de wereld zou worden uitgeworpen, om zo het leven met en in en door Christus te verwerven.

 

Paulus wist hoe zwak hij was van zichzelf en dat hij in zichzelf geen ogenblik staande kon blijven. Maar in al die verdrukking en vervolging kende hij de nabijheid van de Heere. Dat was het wonderlijke. Zo kan hij schrijven: Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden (2 Kor.4:10).

Dat betekent dan ook een streep door je eigen ik. Het geloof kost offers. Als de levendmakende kracht van Christus doorzet in je leven, bewerkt dat een sterven. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak, maar het is echt waar. Zo diep zit de zonde in ons leven, zo verdorven is ons hart, dat het breken met de zonde gelijk staat aan sterven; sterven aan jezelf. En dat doet pijn. Want al het oude moet sterven: alle zelfgenoegzaamheid en alle godsdienstigheid en alle eigengerechtigheid en alles wat wij menen te moeten aanbrengen en meebrengen om tot God te naderen.

 

Paulus moest ook afzien van zijn godsdienstig verleden. Heel dat farizeïstische leven heeft hij schade en drek leren achten, want daarmee kun je voor God niet bestaan. Als farizeeër niet, met wat je hebt en bent en doet. En ook als tollenaar niet, met wat je niet hebt en niet bent en niet doet. We kunnen voor God helemaal niet bestaan. Daarom zegt de Bijbel: Doodt dan uw leden die op de aarde zijn (Kol.3:5).

Dat is ook de gemeenschap aan Christus’ lijden en sterven. We moeten breken met hebzucht, roddel en het koesteren van wraakgedachten. Dan kunnen we anderen tot zegen zijn. Dan kan het licht uitstralen en anderen aantrekken. Daar gaat het hier ook om.

 

Wat een volgorde, gemeente! Het is mooi om dat hier te ontdekken. Eerst de gemeenschap aan de opstanding van Christus, daarna ook aan Zijn lijden. Als het nieuwe leven openbaar komt, dan moet het oude leven er aan. Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen. Leven brengt sterven mee, zegt de Bijbel.

Maar in dat lijden en sterven worden we niet op onszelf geworpen, maar op Christus Die voor ons gestorven en opgewekt is. We worden geworpen op de gemeenschap met Christus. In Hem is niet alleen de kracht van Zijn opstanding, maar ook de kracht van Zijn overgave tot de dood toe.

In die overgave van Christus begeert Paulus hier ook te delen. Zo begeert de apostel in de gemeenschap aan Zijn lijden te vorderen en de versmaadheid van Christus te dragen in zijn leven. Hij wist van vervolging en verdrukking, van noden en benauwdheden, van gevangenschap, geseling, smaad, spot en hoon. En nu verlangt hij ernaar om nog meer die versmaadheid van Christus te mogen dragen.

 

U zegt misschien: ‘Wat is dat toch een dwaas verlangen! Hoe kun je daar nu naar verlangen? Zit daar dan zoveel vreugde in, om de smaad van Christus te mogen dragen?’ ‘Ja’, zegt de Bijbel. Van de apostelen die gegeseld werden en gevangen en gesmaad om Jezus’ Naam, staat geschreven: ze waren verblijd dat ze om Jezus’ wil smaadheid mochten dragen.

Waarom toch? In de eerste plaats moeten we zeggen: voor een christen is de bittere angel uit het lijden weggenomen. Wie om Zijnentwil lijdt, lijdt niet om zijn eigen zonden of om het ongenoegen van God, want dat heeft Christus moeten ervaren. Maar dan is het kruis een heiligend kruis. Dan brengt het lijden dichter bij de Heere, in gemeenschap met Hem. Dan wordt zelfs het bittere zoet. Dan vinden we de nabijheid van Christus. In onze lijdensgang mogen we bemoedigd worden door Zijn belofte: ‘Vreest niet, Ik ben met u!’ Juist als we er zo diep door moeten, heeft dat zijn grootste waarde.

Het lijden brengt niet alleen gemeenschap aan Christus met zich mee aan de voet van Zijn kruis, maar het kruisigt ons ook aan de wereld. Dat is het tweede.

Die wereld kan ons toch zo in beslag nemen. Als het allemaal goed gaat, denken we de Heere wel te kunnen missen. Het is veel moeilijker om in voorspoed dankbaar te zijn dan in tegenspoed geduldig. Je dreigt zo in wereldse zaken op te gaan. Zo een hart hebben we allemaal. En daarom, wat geeft het lijden een goede vrucht. Dan zingt de dichter: ‘Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.’ Ja, hij zegt dat wel achteraf, hoor! Maar het is wel goed voor mij geweest, opdat ik aldus Uw Goddelijk recht zou leren. Je hebt veel meer de Heere nodig. Je wordt gebroken in je eigen kracht en geworpen op de bodem van Gods genadekracht.

De apostel zegt: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig, door Christus Die mij kracht geeft.’ Door het kruis wordt de wereld ons gekruisigd en wij der wereld. Dat wordt iedere dag werkelijkheid: gekruisigd aan de wereld, in verdrukking vluchten tot de Heere, Zijn nabijheid ervaren, gemeenschap hebben aan Zijn lijden.

 

Wat is er een strijd tegen de zonde, die zijn wortels zo diep heeft ingeslagen in de bodem van ons hart! Wat zijn de overblijfselen van de zonde een zware last, een oorzaak van bitter verdriet in het leven van al Gods kinderen. Wat doen we de Heere er een verdriet mee. Wat krijgen we in die strijd ook een verlangen om volmaakt voor de Heere te leven.

Hebt u dat ook? Dat is een kenmerk van het nieuwe leven, als je volmaakt voor de Heere wil leven.

En met welke zonde heb je dan te strijden? Wel, zojuist noemde ik Kolossenzen 3. Als ik de begrippen die daar staan, nog eens even één voor één de revue laat passeren, dan hebben we allemaal wel genoeg voor vandaag. Ik zal ze noemen: zondige begeerten, seksuele onreinheid, geldzucht, hebzucht, afgoderij, toomigheid, laster, vuile praat, liegen tegen elkaar, hoogmoed, zelfvoldaanheid, ongehoorzaamheid, gebrek aan vergevingsgezindheid, onbetrouwbaarheid. Al die zonden noemt Paulus in Kolossenzen 3, waar het gaat over de heiliging vanuit de opstanding van Christus.

 

Nu voelt u wel aan, gemeente, wat een worsteling dat is. Kent u iets van die worsteling? Dat valt niet mee. Zeg maar gerust: dat valt tegen. Het is niet eenvoudig om gemeenschap te hebben aan het lijden en sterven van Christus, om dat te aanvaarden in je leven, om dat nuttig te vinden, daar om te bidden. Alle dingen, ook de toejuiching van de mensen, schade en drek te achten, om Christus te gewinnen. Wat zijn we daar soms ver vandaan.

Laten we maar eerlijk zijn, kiezen wij op bepaalde momenten toch niet de weg van de minste weerstand? Zoals Petrus bijvoorbeeld: je warmen bij het vuur en de Heere Jezus verloochenen voor een paar zure opmerkingen van een dienstmeisje. Maar dan kijken die liefdevolle ogen van de Zaligmaker je aan, alsof Hij zeggen wil: ‘Ook jij?’ Dan ga je door de grond en zeg je: ‘Heere, ik heb U verloochend, ik heb niet goed over U gesproken. Vergeef mij al mijn zonden!’

Juist in de strijd van de heiliging worden we steeds groter zondaar voor God. Het is voor Paulus net zo moeilijk geweest als voor Petrus. En het is voor u en mij even moeilijk als voor hen.

Begrijpt u nu dat het een steeds weerkerende worsteling is om te strijden tegen de zonde? U begrijpt nu misschien ook wel dat Paulus zegt: Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht. Wat wil je dan grijpen, Paulus? Wel, zegt hij, ik wil de heiligheid grijpen die God van mij vraagt en ik haal het steeds niet. Maar gelukkig dat hij ook weet: in Hem, in Hem alleen ben ik volmaakt.

 

Een vraag: wat voor geloof heb jij, jongen, meisje? Wat voor geloof hebt u, gemeente? Is dat een geloof waarbij je precies dezelfde kunt blijven en waarbij alles er mee door kan; een geloof waarbij je geen zonden hoeft na te laten en geen verbroken en verbrijzeld hart hoeft te hebben? Dan moet ik u zeggen: dat is geen waar geloof. Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Een geloof zonder de werken is dood.

Het geloof is een strijd. Maar we staan in die strijd niet alleen! Jezus is voorgegaan en de kracht van Zijn opstanding werkt in al Zijn leden door. In eigen kracht is het onbegonnen werk. Daarom zegt Paulus ook: Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.

Wat een inspanning: door de diepte naar de hoogte! Onder het kruis door naar de kroon!

 

Misschien bent u wel eens met vakantie naar Zwitserland geweest. Daar moet je jezelf soms heel wat inspanning getroosten om al die bergpaadjes langs te lopen, om al slingerend omhoog te klimmen. Maar als je dan bezweet en moe bovenaan gekomen bent, zeg je: ‘O, wat prachtig, wat een uitzicht!’ Na alle inspanning kijkt u naar al die besneeuwde toppen. Wat een schitterend vergezicht!

Juist in de heiligmaking ligt de rijkste openbaring van Christus. Daar leert u Hem het meest kennen; in de dagelijkse omgang met Hem en in Zijn gezegende voorbede aan de rechterhand van de Vader. Het is de zonde en de wereld die ons het meest van Hem aftrekken, maar de kruisiging van ons vlees en de strijd tegen de zonde brengt ons Hem het meest nabij. De gemeenschap aan Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig wordende. Ja, het kost zelfs ons leven, maar we houden Jezus over en de kracht van Zijn opstanding. En dat is genoeg!

Span jezelf er maar voor in, want zonder dat zal het niet gaan. Jaag naar de volkomenheid die Paulus bedoelt in het elfde vers, waar hij zegt: Opdat ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

 

Ik heb dat vers niet meer bij de tekst genomen, want dan is er nog een heleboel uit te leggen. Maar ik wil er wel mee eindigen. Paulus bedoelt met deze woorden het heimwee naar de volkomenheid uit te drukken.

Dit vers heeft allerlei moeilijkheden opgeleverd voor verklaarders. Sommigen zeggen: hij bedoelt hier de opstanding des vleses op de jongste dag. Als dat waar zou zijn, begrijp ik niet het woordje ‘enigszins’. Paulus was helemaal zeker van de opstanding des vleses; lees 1 Korinthe 15 er maar op na. Dan zou hij niet zeggen: Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, want hij was helemaal zeker van de opstanding des vleses, ook voor zichzelf.

Het gaat hier over de worsteling die verbonden is aan de heiliging. Het gaat over de strijd tegen de zonde en het vlees, het graf van de zonde dat mensen gevangen houdt. Het elfde vers gaat dus eveneens over de levensheiliging, om ook daarbij in Christus gevonden te worden en vruchten te dragen uit Hem als de Wijnstok. Het is dat sterke verlangen naar de volkomenheid van het leven met Christus, dat als een gouden draad door al Paulus’ brieven heen loopt.

 

Daarmee is nu de levensgang getekend van al Gods kinderen op aarde. Het verlangen naar de volkomenheid, vanwege de gebrokenheid van deze aardse bedeling, vanwege de onvolmaaktheid hier, vanwege de macht van de zonde en van de dood. Ik jaag ernaar, of ik ook enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden, tot de opstanding uit het leven van de zonde. Nu al, in dit leven.

 

En dat loopt uit op de opstanding des vleses ten laatsten dage. Kijk maar naar het slot van dit hoofdstuk. Vanuit de nieuwe levenswandel die hij nog een keer beschrijft in vers 20, komt Paulus tot de verheerlijking in de opstandingsdag. Lees maar mee in de verzen 20 en 21: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen.

Dan zijn we volkomen gelijkvormig aan Christus. Dan krijgen we een verheerlijkt lichaam. Dan is de worsteling om heilig voor de Heere te leven, voorbij. Dan zullen we volmaakt Zijn lof ontvouwen, Hem in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Zijn Goddelijk beeld.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 17:8

 

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)