Ds. Th. van Stuijvenberg - Efeze 5 : 14b

De roepstem ten leven

Efeze 5
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Efeze 5 : 14b

En Christus zal over u lichten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 145: 6
Lezen : Efeze 5: 1-21
Zingen : Psalm 97: 1, 7
Zingen : Psalm 68: 2
Zingen : Tien Geboden: 6

Gemeente, met de hulp des Heeren willen we in deze dienst stilstaan bij het laatste gedeelte van Efeze 5 vers 14, waar we lezen:

 

En Christus zal over u lichten.

 

In deze tekstwoorden wordt gesproken over: De roepstem ten leven.

 

De apostel Paulus is door de Heilige Geest als het ware aangevuurd om het de Efeziërs toe te roepen: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!

De apostel is ervan overtuigd – en hij heeft het ook in zijn eigen leven ervaren – dat niemand uit zichzelf ertoe in staat is om die roepstem ten leven op te volgen. Maar de Heere weet precies wat Zijn Kerk, die Hij liefgehad heeft met een eeuwige liefde, nodig heeft. Daarom wordt de apostel als het ware opgewekt om te zeggen: En Christus zal over u lichten.

 

Wat wordt daarmee bedoeld? Wil dat zeggen dat het licht van Christus pas over ons schijnt wanneer we ontwaakt zijn uit onze doodsslaap, wanneer we zijn opgestaan uit de doden? Nee, want dan zou er toch nog enig vermogen in de mens liggen om op te waken en op te staan. En zo is het niet. Maar dat is ook de bedoeling van de apostel niet. We kunnen er het hele Woord van God op doorlezen, maar nergens wordt er enig vermogen gelegd in de mens.

We moeten er echter goed om denken dat Gods Woord wel elke keer de verantwoordelijkheid van de mens heel duidelijk naar voren brengt. Enerzijds is er het soevereine, eenzijdige werk Gods, anderzijds ook de grote verantwoordelijkheid van de mens.

Het Woord van God laat heel duidelijk horen wie een mens was in het paradijs en wat hij geworden is na die ontzettende val. Nee, een mens zal nooit enige verontschuldiging hebben als hij geplaatst wordt voor de Rechter van hemel en aarde. Hier kunnen we dan misschien menen het van ons af te schuiven. Hier kunnen we proberen weg te kruipen achter onze onmacht. Maar straks, als we komen te staan voor Hem, de Rechter van hemel en aarde, zal dat niet meer lukken.

Daarom, laten wij er toch ernst mee maken, gemeente. Hoedanig is ons leven? Wij moeten ontwaken! Wij moeten opstaan!

Maar wat is er dan de oorzaak van dat een mens moet ontwaken, dat een mens moet opstaan uit de doden? Wel, als Christus in ons leven gaat werken, als Hij, die volkomen en algenoegzame Zaligmaker, door Zijn kracht en door de bediening van Zijn Geest ons de weg der zaligheid gaat leren, dan zullen we gaan zien wie we geworden zijn door de zonde, door de vreselijke zondeval in het paradijs. Dan zien we dat we daar God de rug en de nek hebben toegekeerd, dat we daar in zelfgekozen wegen zijn gaan wandelen.

We hebben zojuist gezegd: van de mens komt er niets in aanmerking. Mogelijk zitten we soms te kijken naar deze of gene die zo werkheilig is en die zo druk met zijn goede werken bezig is. Maar als het ontdekkend licht van de Heilige Geest in ons hart gaat schijnen, gaan we zien dat we zo met ons eigen doen en laten bezig zijn, ondanks dat we zuiver gereformeerd zijn in onze belijdenis.

Wat heeft de Heere toch een werk aan een mens, om hem vanuit zijn godsdienst tot God te bekeren. Om hem vanuit zijn farizeïsme op de knieën te brengen, evenals de tollenaar die uitriep: ‘O God, wees mij, de zondaar, genadig!’ Dat zal alleen plaats kunnen vinden door de kracht van Hem, Die dood geweest is en Die leeft tot in alle eeuwigheid.

 

Ook onder het Oude Testament zijn al degenen die tot het leven en tot de zaligheid gebracht zijn, opgewekt door de opstandingskracht van Christus Die toen nog stond te komen, om in die diepe weg van lijden en sterven een eeuwige gerechtigheid voor Zijn Kerk aan te brengen. Daardoor zijn ze opgewekt. De Kerk van het Nieuwe Testament evenzo.

 

Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.

Hebt u het wel eens als een wonder gezien, dat God een weg geopend heeft in Zijn soeverein welbehagen? Dat Hij met zo’n dode zondaar, die daar zo gerust ligt te slapen, bemoeienis wil maken? Dat God ons elke keer vanuit Zijn Woord toeroept dat er een weg ter zaligheid is? Telkens weer klinkt het: ‘Laat u met God verzoenen!’ En: ‘Bekeert u, bekeert u, gij mensenkind, want waarom zoudt gij sterven?’

Wat zou het toch erg zijn als er van de mens iets bij moest! Dan was immers het werk van de Zaligmaker, van de Christus der Schriften, van de Zoon van de levende God, niet volkomen geweest. Nee, er kan van de mens niets bij en er hóeft gelukkig ook niets van de mens bij. Het is een eenzijdig Godswerk. En dat is nu juist de inhoud van het Evangelie, dat een ellendige zondaar om niet gezaligd wordt, alleen door de genade van de opgestane Levensvorst. In Hem ligt de zaligheid voor heel Gods Kerk. In Hem, Die van de Vader is gegeven tot wijsheid, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing.

Zouden we dan niet veel meer bezig moeten zijn om erachter te komen of we in Hem geborgen zijn, of de Heere dat werk in ons begonnen is of dat wij zelf bezig zijn om door doen en door laten gezaligd te worden? Het is een om niet gezaligd worden, uit enkel genade.

 

Dan hoeven we niet te denken dat er bij de Heere een tekort is. Nee, bij Hem is een overvloed van genade! Er is een fontein ontsloten voor het huis van David, tegen de zonde en tegen de onreinheid. U spreekt daar toch ook thuis wel eens over tegen uw kinderen, vaders en moeders? Dat wij en onze kinderen midden in de dood liggen en onszelf daar nooit uit op kunnen heffen, maar dat Hij bij machte is om ons uit die dodelijke gerustheid op te halen en ons uit de duisternis te brengen tot het wonderbaar licht van Christus. Christus, Die zal over u lichten! Van onszelf zijn we totaal onbekwaam, maar onze bekwaamheid is uit God. Van onszelf zijn we geneigd tot alle kwaad, maar in Hem, in Christus Jezus, kunnen we tot het leven, tot de ware vrede en de zaligheid geraken.

 

Onze tekst leert niet dat het ontwaken en het opstaan van onszelf is en dat daarna Christus over ons zou gaan lichten. Dat kunnen we trouwens ook al zien in het rijk van de natuur. Pas als de zon gaat schijnen, breekt er in de natuur een tijd aan van ontwaken. Alles groeit weer en alles bloeit weer op. Dan zeggen we wel eens: ‘Waar komt het toch in zo’n korte tijd vandaan? Waar is dat toch aan te danken?’ ‘Ja, dat is de natuur’, zeggen een hoop mensen. Nee, dat is te danken aan het zonlicht dat God doet schijnen. Als de zon de aarde gaat verwarmen, ontwaakt alles. Dan spruit alles opnieuw uit. Dan hebben we misschien wel gemeend dat zo’n boom of struik die zo verdord was, helemaal doodgegaan was. Maar als de zonnestralen het aardrijk gaan verwarmen, wat zien we dan weer veel wonderlijke dingen.

Zoals het nu op natuurlijk gebied is, zo is het ook op geestelijk gebied, als de Heere door Zijn Geest gaat werken. Als we de geschiedenis nagaan, zien we dat er zo dikwijls in de kerk des Heeren donkere tijden geweest zijn, tijden van verval, afval en geestelijke duisternis. Maar dan zijn er ook wel eens perioden van geestelijke opwekking waargenomen.

 

Bijzonder ook in de tijd waarin wij leven is het zo nodig dat de Heere door Zijn Woord en Geest in ons werkt en woont. Niet alleen in ieders persoonlijk leven, maar ook in onze huisgezinnen, in de harten van ons als vader en moeder en in de harten van onze kinderen. Is het uw bede al eens geworden: ‘Ontwaak, gij noordenwind, en kom, gij zuidenwind! Doorwaai toch mijn hof!’

Als die Geest werkzaam wordt, gaat alles tot ontwaking komen. Dan is er een opstanding uit de doden. Doden zullen Zijn stem horen en die ze gehoord hebben zullen leven.

O, dat we het nog zien mogen dat de Heere werkt onder onze kinderen en onder onze jonge mensen! Er zijn ontzettend veel dingen die ons bezorgd maken. Maar het is wel een groot voorrecht dat ze nog mogen leven onder het levenwekkende Woord van God. En de Heere gaat met Zijn werk door, hoor! Dat er dan maar veel werkzaamheden zouden zijn of de Heere tot die noodzakelijke opwekking en dat ontwaken zou willen brengen, om te komen tot die opstanding uit de doden.

 

Die opstanding vindt plaats als de Geest van Christus uitgaat. Een mens is niet in staat om dat zelf te bewerken. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat we daar niet toe moeten oproepen. Wij moeten als ouderlingen, als dienaren des Woords, ja, al degenen die in de dienst van de Heere bezig mogen zijn, ook onderwijzers, als gezanten van Christuswege daartoe oproepen: ‘Wij bidden u van Christuswege: laat u met God verzoenen!’

Maar weet u wat ook zo nodig is? Dat de Heere dat opwaken en die opstanding door het licht van Zijn Geest schenkt in het leven van degenen die Hij reeds heeft wedergeboren tot die levende hoop. In het leven van hen die reeds opgestaan zijn, maar die elke keer opnieuw tot ontwaken moeten komen. Anders had de apostel die brief niet aan de gemeente van Efeze hoeven te schrijven. U moet maar eens kijken wat er allemaal gezegd wordt. Hij zegt: Wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode, tot een welriekende reuk (Ef.5:2).

Hij dringt er dus bijzonder op aan dat in de gemeente van Efeze de liefde beoefend wordt. De liefde die uit God is. Nee, dat is geen medemenselijkheid, dat weet u wel. Naastenliefde of medemenselijkheid is op zich goed. Maar weet u, daarvoor legt men het vermogen in de mens. En dat is verkeerd. De ware liefde vloeit echter voort uit God. De ware liefde vloeit voort uit Christus Jezus.

Dan wijst de apostel verder op het offer van Christus. Dan wordt de Kerk des Heeren opgewekt om nog eens met de gedachten te verkeren op Golgotha, waar Sions betalende Borg de prijs betaald heeft. Dan worden ze geroepen om bij het lege graf te gaan kijken. Dan worden ze meegenomen naar die berg even buiten Bethanië, vanwaar de Heere opgevaren is ten hemel. Moet u eens lezen: Overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode, tot een welriekende reuk.

 

Gemeente, zou Paulus dat ook tot ons gezegd hebben: Wandelt dan in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft? Want dat zegt hij tot de levende Kerk in de gemeente van Efeze. Dan moet u er ook eens op letten waartegen hij waarschuwt: hoererij, onreinigheid, gierigheid. Hij zegt: Laat ook onder u niet genaamd worden, gelijk het de heiligen betaamt, noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging (Ef.5:3-4).

 

Het Woord van God, dat ons wijs kan maken tot zaligheid, moet altijd maar het richtsnoer blijven voor ons hart en leven. Dat we niet indommelen, kinderen des Heeren, maar dat we wakende bevonden mogen worden. Dat de vijanden niet binnensluipen en ons tot andere gedachten proberen te brengen. De apostel zegt: als het licht opgaat, komt de vrucht des Geestes wel openbaar; dat is in alle goedheid en waarheid en rechtvaardigheid, beproevende wat de Heere welbehaaglijk is. Daar gaat het over. Niet wat ons behaagt. Niet waar we onszelf mee strelen en waar we onszelf mee vleien of waar anderen ons mee vleien. Maar beproevende wat de Heere welbehaaglijk is.

Dat is een les! Dat is een les voor ieder mens. Ook voor een kind van God! Want die moet er ook steeds maar weer achter gebracht worden dat hij zo dikwijls zichzelf behaagt en zich door anderen laat behagen. O, heb toch geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraf ze veeleer!

 

Door die Geest wordt er een smeken om genade geboren. Dan wordt een mens, over wie Christus gaat lichten, werkzaam aan de troon van Gods genade. Dan komt er voor het eerst of opnieuw in het leven een opwaken, een opstaan. Alles wat wij aanwenden is tekort; dat heeft geen waarde. Maar de Heilige Geest gaat het oog verlichten.

Misschien zegt u in uw binnenste: ‘Ja, dat ogenblik weet ik nog wel.’ Een ander kan dat ogenblik misschien niet zo bepalen, maar u weet wat er plaatsgevonden heeft in uw leven. En u weet ook dat de vruchten van dat nieuwe leven heerlijk tot openbaring zijn gekomen, toen Christus over u ging lichten.

Bij nadere ontdekking gaat in het leven van de zondaar het licht op omtrent zichzelf. Als we in ons leven nooit schuldgevoel gehad hebben, als we geen schuldenaar voor God geworden zijn, wat moeten we dan met de Heere Jezus doen? Maar als Christus over ons gaat lichten, als Hij dat profetisch werk in ons leven gaat bekendmaken, dan komen we er wel achter hoe schuldig we staan tegenover een heilig en rechtvaardig God.

Nee, de Heere leert ons niet alles op één dag. Maar ik denk dat we, naarmate de bediening van de Heilige Geest zich openbaart in ons leven, meer zondaar gaan worden. Dat wil niet zeggen dat we er altijd mee te koop lopen. Nee, juist niet; dat brengt de Kerk des Heeren meer in het verborgene. Dat doet ze op de knieën voor God hun zondig bestaan uitschreien en zeggen: ‘O God, wees mij, de zondaar, toch genadig!’ En: ‘Heere, wilt U me maar bekeren van die farizeeër, wilt U me bekeren van die eigengerechtigde wetsdienaar, wilt U me bekeren van dat werkheilige, wilt U me bekeren van mijn doen en van mijn laten!’

 

Christus zal over u lichten. Als Hij, zowel in het begin als in de voortzetting, komt en ons gaat beschijnen door het Goddelijke licht dat van Zijn aanzicht straalt, dan gaan we recht zien wie we zijn. Zo iemand kan zijn hoofd niet meer boven een ander uitsteken. Nee, beslist niet. Als het licht van Christus in ons leven schijnt, blijven we arm. Dan blijven we bedelaar. Dan blijven we mensen met lege handen. Dan blijven we een arme zondaar.

En weet u wat nu het wonder van genade is, als Christus gaat lichten en die arme zondaar in zichzelf niets kan vinden? Dan gaat Christus Zichzelf openbaren, als het aan onze kant een hopeloze en verloren zaak wordt. U moet er maar om denken dat dit nu elke keer in het leven plaats moet vinden, dat God al die dromen van ons, al die houvasten van ons, al die gronden van ons, gaat wegnemen. Die kroon van ons moet omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd worden. Arme zondaren wil Hij rijk bedelen met de weldaden die voortvloeien uit het eeuwig verbond, dat van geen wankelen of bezwijken weet. Het licht over Hem gaat op. Niet alleen bij het begin, maar ook in de voortzetting van het leven der genade.

Dat die doorbraak toch eens plaats mocht vinden! Dat er in onze huizen nog eens goed van God gesproken zou worden. Dat Zijn Naam nog eens in het middelpunt gezet zou worden en dat wij met al onze godsdienst eens ondersteboven gaan, zodat we God in Christus alleen overhouden. God, in de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, Die Zich gegeven heeft tot een rantsoen.

 

Als het licht eens opgaat over die dierbare Zaligmaker, dan ligt er toch zo’n rijkdom en zo’n zaligheid in deze woorden: En Christus zal over u lichten. Want alleen Hij geeft maar licht, hoor! Wij maken dikwijls heel veel kunstlicht en dat zien we nog aan voor echt licht ook. Maar dat is het niet. Echt niet!

U moet er altijd maar op letten wat Gods Woord zegt. Laat dat steeds het richtsnoer zijn van ons leven en niet wat deze en gene zeggen. ‘Alzo zegt de Heere!’, hebben de profeten elke keer gezegd. En de apostel zegt het hier in onze tekstwoorden ook: Daarom zegt Hij... Dat is de opgestane Zaligmaker, Die ten hemel is gevaren en aan de rechterhand Gods heeft plaatsgenomen. Hij zegt: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.

U moet eens luisteren wat de profeet Jesaja gezegd heeft: Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien (Jes.9:1). Is dat ook niet tot troost van een volk dat in duisternis gezeten is? Dat is tot troost en bemoediging van mensen die niet durven zeggen dat er niets plaatsgevonden heeft in hun leven. Nee, veracht de dag der kleine dingen niet! Als u uw grond er maar niet in legt en als u, door genade alleen, maar mag komen bij het enige Fundament dat gelegd is, vóór de grondlegging der eeuwen.

Christus zal over u lichten! Daar ligt toch het licht? Daar ligt toch de zaligheid? Daar ligt toch het leven? Daar ligt nu alleen maar wat ons wijs kan maken tot zaligheid. Alleen Christus, Die zal over u lichten.

 

U moet eens kijken naar Simeon. Die man kende de profeten goed. Onderzoeken wij het Woord van God ook nog, vaders en moeders? Of blijft het alleen maar bij het bijbellezen en verder niet? We gaan wel naar de kerk en dat is allemaal best natuurlijk, maar zijn we nog wel eens in ernst bezig met het Woord van God?

Simeon is er mee bezig geweest. Hij kende de profeten. Hij kende ook de beloften. Een belofte heeft hij zelf ook gekregen, namelijk dat hij de dood niet zien zou voor hij de Christus der Schriften gezien zou hebben. En hij hééft Hem gezien, want dat licht is opgegaan.

Hij komt door de Geest in de tempel en daar wordt Christus binnengedragen. We kennen de geschiedenis: als het Kindeke de tempel binnengedragen wordt om voorgesteld te worden, naar de opdracht van Zijn Vader, dan neemt Simeon dat Kind in zijn armen en zegt hij: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord! (Luk.2:29) Dan gaat hij Hem aanprijzen. Zijn hart is vervuld van heilbespiegelingen als hij het uitzingt: Een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël (Luk.2:32).

Het Licht is opgegaan! Hij alleen schenkt het licht. Hij geeft het licht der kennis. Wij zijn zo verduisterd in ons verstand, dus dat licht der kennis hebben we zo nodig. Dat hebben we nodig in het begin, bij dat opwaken, bij dat opstaan. Maar ook bij de voortzetting, omdat ons verstand zo verduisterd is.

 

Let maar eens op de Emmaüsgangers. Dat waren toch wel mensen die de Heere vreesden. Daar kunnen we echt wel jaloers op zijn, op die Kleopas en op die andere man. Zijn naam wordt niet genoemd, maar dat is niet zo erg. Die zijn er wel meer onder Gods kinderen. Dat zijn naamlozen. Het geeft niet of de mensen u roemen en prijzen; het gaat er maar om of de Heere er vanaf weet.

Het licht is ook bij hen opgegaan. O, wat zijn die mensen toch verslagen in het hart! Het is al de derde dag nadat de Heere Jezus opgestaan is en ze zitten nog in het duister. Maar dan komt Hij bij hen.

Gemeente, jongens en meisjes, hebben we ook wel eens bezoek gehad van Hem, uit Zijn Woord, door de bediening van de Heilige Geest? Jullie vragen daar toch wel eens om? Doen hoor! Als deze mannen op weg zijn van Jeruzalem naar Emmaüs, voegt de Heere Zich bij hen. Dan gaat Christus Zijn licht over hen geven. Dan gaan ze Hem nader leren kennen. Wat is dat groot! Ze ontvangen een nadere kennisname van Christus Jezus.

Ja, ze hebben wel met Hem omgegaan, al behoorden ze dan niet tot de nauwere discipelkring, zoals Petrus en Andreas bijvoorbeeld. Maar ze hoorden wel bij degenen die de Heere Jezus volgden, dus ze hebben Zijn omgang ervaren. Ze hebben Zijn onderwijs genoten. Ze hebben gehoord dat Hij ten derde dage zou opstaan. Maar hun verstand is niet verlicht geweest. Ze hebben alleen maar zitten staren op de dood van Christus.

Maar nu gaat de Heere hun ogen openen. Dat doet Hij uit de Schriften. Dan zegt Hij: O onverstandigen en tragen van hart! (Luk.24:25). De Heere berispt ze, jazeker. Moest de Christus niet deze dingen lijden? (Luk.24:26) ‘Emmaüsgangers, luister nu toch eens: dat was toch noodzakelijk?’

En daar gaat het licht van Christus op. Het licht van Christus gaat niet alleen op in de geboorte van Hem. Ja, dat is ook rijk. Wat is het rijk als we mogen blikken in de kribbe van Bethlehem, als we de Naam mogen horen van de Immanuël; God met ons. Maar de Heere gaat hen nader onderwijzen aangaande de kennis van Christus, dat Hij aan het kruishout genageld moest worden. Ook voor jullie, Emmaüsgangers! Bij het licht van boven leert de Kerk des Heeren dat voor zichzelf zo duidelijk zien, dat Hij in de dood moest gaan om voor hen de schuld te betalen en de ongerechtigheid te verzoenen. Dan wordt het praktijk: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Hij gaat ze onderwijzen.

 

Dat moet u bij uzelf eens onderzoeken, gemeente. Als er over de Naam Jezus gesproken wordt, gaat uw hart dan ook branden, net als bij die Emmaüsgangers? Of is het een steen des aanstoots? Want daar weet Gods Kerk ook iets van. Dat hebben ze ook geleerd in hun leven, dat die Naam voor hen een aanstoot is. Maar ze hebben het gelukkig ook anders leren kennen. Er zijn tijden dat ze Hem leren zien in Zijn vernederde gang, maar er mogen toch ook tijden zijn dat ze Hem leren zien in Zijn verhoogde gang.

Er is een volk op aarde dat weet, met eerbied gesproken, hoe Hij eruitziet. Ja, die weten het bij ondervinding. Hoe ziet Hij er dan uit? Wat voor antwoord zou u daarop geven? Nou, hoor ik iemand zeggen, dan zou ik toch zeggen: ‘Hij is blank en rood en Hij draagt de banier boven tienduizend!’ En: ‘Zulk Eén is mijn Liefste en zulk Eén is nu mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!’

Weet u wat Ambrosius zegt? Hij zegt: ‘Als ik de Naam Jezus er niet in bespeur, dan is het voor mij smakeloos.’ En zo is het nu ook in het leven van de Kerk. Die mensen weten hoe Hij eruitziet: blank en rood; en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk Eén is mijn Liefste!

 

Daarom, wat is het gelukkig als wij het Woord van God mogen onderzoeken, met de bede door Hem verlicht te worden, met de bede of de Heere er licht over wil laten vallen, om zo kennis te mogen verkrijgen aan die opgestane Zaligmaker, Die de prijs volkomen betaald heeft door Zijn zoenoffer aan het vloekhout. Maar Die ook opgestaan is, opgestaan tot onze rechtvaardigmaking. Ja, de schuld van de hele Kerk des Heeren is achtergebleven in het graf! De hitte van Gods gramschap is geblust in het bloed en in de kruiswonden van Sions betalende Borg!

Wat is het toch groot als het licht daarover opgaat, over die opgestane Jezus. ‘Hij is hier niet, Hij is opgestaan!’ De doeken zijn achtergelaten, de schuld is achtergelaten. De hitte van Gods gramschap is geblust. Er is vrijspraak voor een schuldige zondaar, die het eeuwig verderf moest ondergaan.

 

Die ware kennis is er als Christus over ons gaat lichten. Als alle raadsels, die er zo vaak kunnen zijn, eens ontraadseld worden. Een mens verkeert zo dikwijls in een situatie dat hij in raadsels gehuld is, zodat hij zegt: ‘Ik weet het niet; hoe moet het toch ooit weer goed komen tussen de Heere en mij?’ Asaf begreep dat ook niet en ik niet en u niet. Nee, we begrijpen het echt niet hoor, gemeente, als het licht er niet over valt. Maar Asaf heeft het wel leren begrijpen toen de Heere hem bracht in het heiligdom. Toen werd hij een groot beest voor God. Toen ging hij het verstaan. Toen heeft hij er licht over gekregen. Toen mocht hij uitroepen: ‘Heere, Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna in heerlijkheid opnemen.’ Toen zag hij het onderscheid. Toen ging het licht erover op dat de Heere helemaal niet verplicht was om dat aan hem te doen, maar dat hij bevoorrecht was boven zo velen die het goede hier in dit leven hebben, maar straks eeuwig zullen omkomen.

Het is wel ten dele hier. Het is alles nog zo onvolmaakt. Ze vallen zichzelf zo ontzettend tegen. Of niet? Bent u uzelf nooit tegengevallen? Kunt u uzelf nog een beetje op de been houden? Ach, dat de Heere dan de grond maar onder uw voeten mocht weghalen, om als een arme zondaar bij Hem terecht te komen. Dan zult u er achter komen dat er zoveel tegenvallers zijn in het leven. Maar straks, als ze in Jeruzalem zullen komen, dat hemelse Jeruzalem, dan zullen ze zichzelf niet meer tegenvallen. Dan zullen zij Hem zien zoals Hij is. Hem, Die hen gekocht heeft met de prijs van Zijn dierbaar hartenbloed en Die zij door het geloof hebben gezien.

 

Want er is ook een volk dat Hem mag omhelzen, dat nadere oefening mag kennen in hun leven, om de Zaligmaker door het geloof te mogen drukken aan hun hart: ‘Gij zijt toch mijn Koning!’ Dat gebeurt als het licht opgaat.

Het blijft hier onvolmaakt en ten dele. Maar er zal straks toch een tijd aanbreken dat zij volmaakt zullen delen in Zijns volks genoegen. Dan zullen ze Hem mogen zien, Die hen liefgehad heeft. Ja, dan zullen ze niet meer over het tekort van zichzelf hoeven te spreken. Hier doen ze dat wel. Dat moet dan wel waarheid zijn; dat mag geen napraten zijn. Hier is zoveel tekort aan onszelf; zoveel struikelingen, zoveel vallen. Maar ze krijgen van Hem, wanneer Hij dat licht doet opgaan, kennis van God en Goddelijke zaken. Ook over de raadsels die er in hun leven zijn. Dan zullen ze Hem de lof, de aanbidding en de dankzegging toebrengen, die Hij waard is te ontvangen in alle eeuwigheid.

 

Christus zal over u lichten. Wat een vertroosting vloeit daaruit voort! In de bergrede heeft de Heere Jezus daar al over gesproken: ‘Zalig zijn die treuren.’ Daar heb je de vertroosting. ‘Zalig zijn die hongeren en dorsten; zalig zijn de zachtmoedigen.’ Dat is de vertroosting die voortvloeit uit het licht dat opgaat.

Vraag het eens aan een kind van God. Als dat licht in zijn of haar ziel opgegaan is, dan is toch alles nieuw geworden? Zo lang in duisternis gezeten en geen licht gehad. Maar als dan dat licht opgaat, wat een vertroosting vloeit daaruit voort. Dan zingt David: ‘Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht.’ En dat zingen ze hem na, hoor! Want de Kerk des Heeren leert ook zingen, al hebben ze helemaal geen geweldige stem. Maar ze gaan het wel doen, al is het met een gebroken stem.

U moet maar eens kijken naar Petrus, die zo’n diepe val gemaakt heeft door zijn Meester te verloochenen. Als de Heere hem opgezocht heeft, wat is hij dan vertroost. Als de Heere niet voor hem gezorgd had, was het radicaal mis geweest in zijn leven. Driemaal heeft hij zijn Meester verloochend. Maar de Heere heeft voor hem gebeden, dat zijn geloof niet zou ophouden. Hij heeft naar hem omgezien. En straks, als hij in zijn ambt hersteld wordt, wordt het hem driemaal gevraagd: ‘Simon, zoon van Jonas, heb je Mij nog wel lief?’ Toen is het licht opgegaan. Toen heeft hij, ondanks zijn struikelen en zijn vallen, driemaal getuigenis afgelegd: ‘Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.’

Die liefde gaat nooit meer weg, want die heeft de Heere door Zijn Geest in het hart verheerlijkt. Die liefde Gods, zo schrijft Paulus in Romeinen 5, is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest Die ons gegeven is. Anders was Petrus omgekomen, want de satan heeft hem zeer begeerd te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:32). Wat een vertroosting!

 

In dat licht van Christus ligt kennis, vertroosting, maar ook blijdschap. In hetgeen God geeft ligt blijdschap. In hetgeen van ons is, ligt geen vertroosting en blijdschap.

U moet ook maar eens kijken naar de verloren zoon, die alles doorgebracht heeft. Misschien zit er wel een jongen of meisje in de kerk die zegt: ‘U moest eens weten wat ik allemaal doorgebracht heb en hoe ik geleefd heb.’ Ben je er ook al achter gekomen dat je bij de zwijnendraf van de wereld en de zonde niet leven kunt? Je krijgt er niets! De wereld is keihard. Maar wat zegt de Bijbel? Hij, tot zichzelf gekomen zijnde, zeide: ‘Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan.’ Horen jullie het: het licht is opgegaan in zijn leven! Daar heb je het nu! Daar heb je nu die hartelijke schuldbelijdenis! Hij zal gaan zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.’

En dan moet je eens kijken hoe het meevalt: die vader staat al op de uitkijk! Zo staat de Heere als het ware ook op jullie te wachten. Die jongen heeft helemaal niet meer om zijn vader gedacht daar in dat verre land, maar die vader wel om hem. En dan neemt die vader hem in zijn armen. Dan wordt hij vertroost. Dan krijgt hij een ring aan zijn vinger en de beste maaltijd wordt hem voorgezet.

Zo troost de Heere Zijn kinderen ook zo dikwijls. Of niet? Moet u die troost helemaal missen? Durft u dat te zeggen? Hij troost ze door hun gebed te verhoren. Hij troost ze door hen in hun duisternis hemels licht te schenken. Hij troost ze door de Schriften te openen en tot hun ziel te spreken. Hij spreekt door Zijn Woord van blijdschap en van vreugde.

 

We zien het in het rijk der natuur. Als de zon opgaat, krijgt alles een heel andere tint, een heel andere kleur. Bij de bloemen, bij de bomen, noem maar op. Dan zien we de rijkdom van de schepping. Maar zo is het nu ook in het rijk der genade, door die herscheppende daad van God. Als het licht opgaat, als Christus gaat lichten, dan ontstaat er vreugde en blijdschap. Dan horen we de Kerk zingen met de dichter van Psalm 4: ‘Gij hebt m’ in ‘t hart meer vreugd gegeven dan and’ren smaken in een tijd; als zij, door aards geluk verheven, bij koorn en most wellustig leven, in hunne overvloed verblijd.’

Als dat licht opgaat, maakt Hij alle dingen nieuw. Blijdschap komt dan na veel smarten voor alle oprechte harten. Al is het dat de Kerk hier dikwijls bedrukt met tranen zaait, straks zullen ze juichen, als ze vruchten maaien. Straks!

Houd daarom maar moed, godvruchte schaar! Want de Heere zal niet rusten totdat Hij die zaak zal voleindigd hebben. Hier is er wel eens blijdschap en vreugde; dat is zeker. Maar dan zal er een eeuwige blijdschap zijn. Wat wordt het leven dan toch rijk. Dan is het: ‘Weg wereld, weg schatten! Gij kunt niet bevatten hoe rijk dat ik ben!’ Wat is de wereld dan toch arm met al zijn feestgedruis. Wat is ook de eigenwillige godsdienst toch arm, want ze mist nu juist de kern van de zaak erin, namelijk het licht van Christus. Maar als voor de ware Kerk des Heeren dat licht opgaat, dan zien ze de leiding, dan zien ze het bestuur, dan zien ze de hand Gods erin. Dan gaan ze Hem grootmaken. Dan gaan ze zingen.

 

Dat gaan wij nu ook doen, uit Psalm 68 vers 2:

 

Maar ‘t vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wens verkrijgen;
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door ‘t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft Hem eren;
Bereidt de weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is Heer’ der heren.

 

Blijdschap wordt zelfs wel ervaren in de donkerste wegen die de Heere met Zijn Kerk houdt. Zelfs het kruis dat wordt opgelegd en de smart die ze moeten dragen, krijgen een heel ander aanzien door dat licht van Christus.

Weet u wie dat ook ondervonden heeft? Job, op de puinhopen van zijn leven. Wat een smartelijke tijd was dat in zijn leven. Maar dan zegt hij: Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? (Job 2:10) De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd! (Job 1:21) Die man heeft het ook uit genade gekregen. Hij had nooit zo kunnen spreken als de Heere het licht van Christus in zijn leven niet had laten opgaan. Want alleen Gods vriendelijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht, ten troost verspreid in smarten, voor alle oprechte harten.

 

Ontwaak, gij die slaapt! Dus het is zo noodzakelijk dat het licht van Christus opgaat, zowel bij het begin als bij de voortzetting. Hoe dikwijls heeft die stem al in onze oren geklonken? We kunnen toch niet zeggen dat we het niet weten. Hoe vaak heeft de Heere tot ons gesproken door sterfgevallen, vooral ook als er jonge mensen uit het midden van de gemeente werden weggenomen? Mogen we u eens vragen, en ook jullie, jonge mensen: bent u al ontwaakt? Ben je al opgestaan? Of dommel je nog gewoon verder? Bent u nog in uw verloren toestand, in uw geestelijke doodsslaap? Wat erg! In het voorjaar zien we hoe de natuur ontwaakt uit de winterslaap. We zien alles weer groen worden. Maar wat is het erg als we dat in de natuur hebben waargenomen, maar in het geestelijke leven missen.

O, wat erg is dat: de weg geweten en niet bewandeld. Ontzettend om straks, evenals die rijke man, onze ogen op te slaan in de rampzaligheid, omdat de Heere nooit waarde voor ons gekregen heeft, omdat we nooit onze zware schuld gevoeld hebben. Misschien hebben we wel veel over de ellende geredeneerd, wel over de Heere Jezus gemediteerd en over de dankbaarheid gesproken, maar zijn we nooit ellendig geweest. Of misschien zijn we daarin juist blijven steken, hebben we geen hulp verwacht van de Verlosser. Want daar werkt de Heere toch wel op aan in het leven van een zondaar: dat hij daar hulp en heil zoekt. De Heere drijft zo’n ellendige zondaar uit om bij Hem te geraken. Maar als u niet komt, dan zult u straks in het oordeel moeten roepen: ‘Bergen, valt op ons! En heuvelen, bedekt ons voor het aangezicht van Degene Die op de troon zit!’

 

O gemeente, dat we toch eens leerden bedelen om genade, dat we toch zouden gaan smeken om dat licht van boven. Want de Heere roept het ons, ook jullie, jongens en meisjes, vandaag nog toe: Ontwaak, gij die slaapt, en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten!

Bent u net als Saulus op de weg naar Damascus, als een vrome farizeeër terneer geworpen? Of is bij u het hart misschien geopend zoals bij Lydia, de purperverkoopster? Waarschijnlijk is ze in Thyatira het Evangelie ontlopen, maar nu in Filippi gaat de Heere haar opzoeken. Daar is ze wakker geschud. Daar kon ze het bij de purperwol niet meer uithouden en ook niet bij haar joodse godsdienst. Natuurlijk was het goed dat zij de sabbat onderhield en met de andere vrouwen aan de rivier placht samen te komen om te bidden en om de profeten te onderzoeken. Maar tóen ging Christus over haar lichten! En toen werd die vrome Lydia in eigen oog een onbekeerd mens.

Dat is altijd zo. Als de Heere door Zijn Geest tot ons komt, gaan we zien dat we onbekeerde mensen zijn, ook al hebben we altijd onder de zuivere waarheid geleefd. Dat gaat ook Gods kind zien, als dat licht in zijn leven opgaat. Dan gaat hij zijn onbekeerlijkheid zien in een weg van heiligmaking. U weet: de Kerk is rechtvaardig in Christus. Maar Hij gaat ze verder leren en onderwijzen in een weg van heiligmaking. Dan laat Hij het licht over Zijn Woord opgaan.

 

De Heere leert niet alles op één dag, maar Hij gaat ze wel leren waar ze vandaan komen. Dan worden ze teruggeleid naar het paradijs. Weet u wat ze daar gaan leren? Daar worden ze Adam voor God. En wie nu Adam voor God mag worden, die krijgt door het licht van de Heilige Geest een levende betrekking op de tweede Adam, Die met één offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen die geheiligd worden.

Daar gaan ze om vragen, of dat licht maar veel schijnen mag. Dan gaan ze met Datheen vragen: ‘Laat Uw klaarheid, o God waarachtig, en Uwe trouw ons toch schijnen zoet.’ Dan gaan ze bedelen aan de troon van Gods genade: ‘Heere, wilt U nog eens aan ons denken?’ Ja, dan gaan ze steeds meer de toevlucht nemen tot Hem, Die gegeven is tot wijsheid. Want in zichzelf zijn ze zo blind en zo onrechtvaardig en zo onheilig. Hoe ouder ze worden, hoe meer ze dat gaan waarnemen.

Maar als dat licht over hen opgaat, het licht van Hem Die met Zijn hart Borg geworden is om tot Zijn Vader te genaken, als ze dan in Hem de zaligheid zien liggen en als de Heilige Geest dat toepast, als Hij het wegschenkt in hun hart dat Hij hun Zaligmaker is, dan ligt daar zo’n blijdschap in! Ja, wanneer het licht opgaat en Sions Koning wordt aanschouwd door het dierbaar geloof, dan mogen ze Hem wel eens aangrijpen. Vaak zijn hun armen te kort om Hem te omvangen. Maar toch mogen ze dat wel eens ervaren en zeggen: ‘Gij zijt toch de Mijne en ik ben de Uwe!’

Daarin ligt het leven: Gods vriendelijk aangezicht in Christus Jezus, Die voor hen alles gaat betekenen. Buiten Hem kunnen ze niet meer leven.

 

Ontstaat er dan nooit geen donkerheid meer in hun leven? Jawel, daar geeft Gods Woord ook de voorbeelden van. Daarom zegt de apostel ook: Ziet dan hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, de tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn. Daarom, zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren is (Ef.5:15-17).

 

Dat licht moet opgaan in ons leven, voor het eerst of opnieuw. Anders wordt het omkomen, eeuwig verloren gaan. Dat wordt het, als we in de duisternis blijven zitten. Misschien menen we wel dat we verlicht zijn, maar in werkelijkheid leven we toch in duisternis. Het moet dagelijks onze bede wel zijn: ‘Ontdek mij, Heere, doorgrond mij en ken mijn hart; en zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.’

En anderzijds: dat Gods Kerk toch eens in het licht geplaatst mag worden. Dat hun oog verlicht worde. Dat de nevels eens mogen opklaren en ze Hem meer en meer gaan leren kennen.

 

Zo mocht de God aller genade in Christus Jezus ons allen tezamen onderwijzen, ons leren en ons bekeren. Hij mocht ons bovenal afbrengen van alles wat het niet is en ons bouwen op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Tien Geboden: 6

 

Gij zult uw ouders need’rig eren,
Opdat uw God, die eeuwig leeft,
Uw dagen gunstig moog’ vermeêren,
In ‘t land dat Zijne hand u geeft!

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)