Ds. Th. van Stuijvenberg - Efeze 5 : 14a

Een ernstige roepstem ten leven

Efeze 5
Het ontwaken van de zondaar
De opstanding door Christus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

Efeze 5 : 14a

Daarom zegt Hij: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 92: 1
Lezen : Efeze 5: 1-21
Zingen : Psalm 63: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 119: 87
Zingen : Psalm 72: 11

Gemeente, met de hulp des Heeren wensen we in deze dienst stil te staan bij de tekstwoorden uit Efeze 5 en daarvan het 14e vers, het eerste gedeelte:

 

Daarom zegt Hij: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden.

 

De Heere is machtig om ons, te midden van de maalstroom van een zondige wereld, waarin wij leven, te bewaren. En dat geldt niet alleen ons als ouders, maar dat geldt ook onze jongens en meisjes. Te midden van de maalstroom der wereld is de Heere de Almachtige om ons vast te houden.

In onze tijd is het toch wel bijzonder nodig om wakende en biddende te zijn. Dan is het nodig dat we de bede, die de Heere Jezus Zelf aan Zijn discipelen en de hele Kerk geleerd heeft en op de lippen gelegd heeft: Leid ons niet in verzoeking (Matth.6:13), van harte leren bidden. En waarom? Wel, omdat we allen een boos hart omdragen. En dat boze, verdorven hart van ons vindt zo gemakkelijk aansluiting bij hetgeen rondom ons is in de wereld. En daarom moeten wij wel zeggen: zonder die bewarende hand Gods blijven wij niet staande.

Dan zal ook de Kerk des Heeren, in de strijd waarin ze geplaatst is, niet kunnen volharden. Want niemand kan zich toch geheel onttrekken aan de invloed die er van de wereld en van onze naaste omgeving uitgaat? We zouden het zo kunnen zeggen: de zonde is als een smetstof die op ons overgedragen wordt, zonder dat wij er zelf erg in hebben. En dat is helaas ook zo in het hart van Gods kinderen. Want al heeft de Heere dan genade in hun ziel verheerlijkt, toch hebben ook zij een dwaalziek hart. Dat hart van hen is ook niet hermetisch toegesloten voor de zonde. Die inklevende verdorvenheid, die zich uitgestrekt heeft over de gehele mens, komt ook zo openbaar in het leven van Gods kinderen. Wat zijn er niet een struikelingen in hun leven. Wij struikelen allen in vele (Jak.3:2), heeft de apostel gezegd.

 

Dat constateren we ook in de gemeente van Efeze. Die mensen leefden in een door en door onheilig milieu. Dat zien wij in het teksthoofdstuk wat ons voorgelezen is. Het heidendom heerste er op een geraffineerde wijze. En met de zeden was het allerdroevigst gesteld. De Kerk des Heeren stond wel onder de hoede van de Almachtige, dat is zeker waar, maar toch heeft al die invloed van buitenaf aansluiting gevonden ook in het midden van de gemeente. Paulus weet dat ook en daarom, als hij deze brief schrijft aan de gemeente van Efeze, gaat hij er bijzonder op wijzen. Want er waren ook kinderen des lichts, die vanuit de duisternis tot dat wonderbaar licht getrokken waren, maar die niet wandelden naar het Woord van God en die geen weerstand boden aan de zuigkracht van de wereld. En nu vreest de apostel dat zij gemeenschap hielden met de werken der duisternis. Daarom roept hij hen toe: Ontwaak, gij die slaapt, en staat op uit de doden.

 

Dit zijn de tekstwoorden voor deze dienst. We beluisteren daarin: Een ernstige roepstem ten leven.

 

We letten op twee zaken:

1. Het ontwaken van de zondaar

2. De opstanding door Christus

 

1. Het ontwaken van de zondaar

 

Daarom zegt Hij, zo schrijft de apostel. De profeten onder het Oude Testament hebben ook elke keer gesproken over ‘Alzo zegt de Heere’. En hier zegt de apostel dat ook, als hij schrijft aan de gemeente van Efeze: Daarom zegt Hij... Het is dus niet Paulus’ stem, maar het is de roepstem van Christus. En die roepstem van Christus bracht Paulus nu over aan de gemeente van Efeze. Ontwaak, gij die slaapt.

Dat was dus nodig, want er was een verachtering ingetreden. De Heere had wel krachtig en onwederstandelijk gewerkt. Maar hoe dikwijls zien we dat niet in de gemeenten waar de Heere krachtig gewerkt heeft, ook in de tijd van de Reformatie en de Nadere Reformatie en in de vorige eeuwen, dat de Heere wel een opwekking gaf, maar dat er ook zo spoedig weer een verachtering kwam in het leven der genade.

Daarom, de vermaning die de apostel uit naam van de Heere doet uitgaan zou geen zin hebben als een gedeelte van de gemeente niet met een diepe slaap bevangen was.

 

Gemeente, elk mens ligt in zijn geestelijke slaap, zijn doodsslaap. Zijn oog is gesloten voor het grote gevaar waarin hij zich bevindt. En een mens bekommert zich ook niet om de omgang met de Heere. U heeft Hij mede levend gemaakt, zegt de apostel in deze brief, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef.2:1).

Maar een mens heeft er geen oog voor. De slaap is hem zoet en hij wil liever in de rust, die hij zogenaamd geniet, niet gestoord worden. Een mens denkt zo dikwijls dat het nog wel goed met hem staat. En al is het waar dat elk mens niet even diep slaapt, toch zijn wij allen in die geestelijke slaap gekomen door onze moedwillige ongehoorzaamheid en door onze afval van God.

En dat geldt ook voor de levende Kerk des Heeren. Want de apostel schrijft aan de gemeente van Efeze, waar de Kerk des Heeren in slaap is gedommeld. Nee, hij twijfelt er niet aan dat de Heere krachtig en onwederstandelijk het Woord heeft geheiligd en met Zijn zegen heeft achtervolgd. Dan moet u maar kijken wat er staat in het achtste vers: Want eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in de Heere; wandelt als kinderen des lichts. Er is daarover geen enkele twijfel bij de apostel, maar hij berispt ze omdat velen der gelovigen, die tot de kennis des Heeren gebracht zijn, weer ingeslapen zijn.

Gemeente, we hebben daar genoeg voorbeelden van in de Schrift. Als wij bijvoorbeeld het Hooglied van Salomo nagaan, dan lezen we dat de bruid in slaap gevallen is. En we beluisteren het ook in de gelijkenis die de Heere Jezus vertelt van de wijze en de dwaze maagden: de wijzen zijn met de dwazen in slaap gevallen. Ze slapen niet allemaal even diep; er zijn er ook die sluimeren. En u weet: sluimeren dat is een toestand tussen waken en slapen in. Er is dus wel verschil in graad, dat wel, maar in wezen is het toch gelijk.

Al Gods kinderen die sluimeren hebben een onvruchtbaar geestelijk leven. Dan staat het geestelijke leven niet op zo’n hoog peil. Weet u waaraan dat te bemerken is? Als het geestelijke leven van Gods kinderen op een laag peil staat, dan kwijnt het gebedsleven, dan ontbreekt ook het onderzoeken van Gods Woord. Dan zijn ze het zicht kwijt op wat eenmaal David gezegd heeft: Uw woord is een lamp voor mijn voet (Ps.119:105).

Dan rusten ze soms op dingen die al zo veel jaren geleden plaatsgevonden hebben. En dan is het ook niet: ‘Hoe branden mijn genegenheên om ‘s Heeren voorhof in te treên.’

En weet u wat zo erg is? Dan missen ze de vruchten van ootmoed. Want dat is nu juist iets wat in het geestelijke leven zo’n belangrijke plaats inneemt: ootmoed! Dan is ook de liefde aan het verkoelen. Dan wordt de liefde jegens elkander niet waargenomen. Dan is het zo vaak dat de een de ander niet uitnemender acht dan zichzelf.

Dan is er ook geen smart over het feit dat Gods Kerk zo verstrooid en zo verdeeld is. Daar is geen smart over. Dan zijn het trage handen en slappe knieën.

O, als het aan een kind van God, als het aan de Kerk des Heeren zou liggen, gemeente, dan was het een hopeloze zaak. Maar de Heere doet wonderen, ook in het geestelijke leven. De Heere roept niet alleen de mens die nog in zijn onbekeerde staat voortleeft, maar ook Zijn kinderen toe: Ontwaak, gij die slaapt!

 

Dat is het Woord van God, gemeente! Wat lezen we daar toch dikwijls overheen, terwijl dat Woord ons wijs kan maken tot zaligheid. Dat Woord is als het ware als een hamer en als een vuur. Dat Woord is als een zwaard des Geestes. O, dat het toch eens door moge dringen tot de binnenste verdeelselen van ons hart.

 

Wat gebeurt er nu als de zondaar ontwaakt? Dat is precies eender als wanneer de natuur ontwaakt uit zijn winterslaap. Dan begint alles weer opnieuw te leven. Als de zondaar ontwaakt, dan moeten we het beeld van de verloren zoon maar voor ogen houden. De omgeving waarin hij verkeert begint hij in ogenschouw te nemen. Als een mens in het natuurlijke leven ontwaakt, dan staat hij op en dan gaat hij aan de arbeid. Als de Heere in het leven van een mens gaat spreken, dan heeft er wat plaats. Dat geschiedt niet in een hoek, daar zijn we bij. Als de Heere spreekt, dan ontstaat er een geestelijk ontwaken.

 

U moet maar eens kijken wat er gebeurt met die verloren zoon, die alles kwijt is, die al zijn goed heeft doorgebracht. Wat gebeurt er dan? Dit: hij komt tot zichzelf, dat wil zeggen: hij gaat zich bezinnen.

En zo is het ook als de Heere ons oog opent in geestelijk opzicht. Dan raken we alles kwijt; dan moeten we sterven. Dat hebben we al zo lang voor ons uitgeschoven.

Toe, jongens en meisjes, denk er ook eens bij na. En wij als ouderen, dat we ons toch eens zouden bezinnen; dat we ons niet vergapen aan de dingen van de wereld en aan de wereldse omstandigheden, maar dat we eens tot onszelf zouden inkeren.

De verloren zoon kwam tot zichzelf toen hij ontwaakte uit zijn zondeslaap. Toen ging hij zijn ellende pas recht zien. Tot onszelf komen is zo nodig, gemeente. Dan gaan we onze ellende recht zien. Dan gaan we zien wat wij veroorzaakt hebben door onze zonde. Dan leren we onszelf kennen als diep ongelukkig voor God. Want dan krijgen we met God te doen.

Dat is iets anders dan een algemene overtuiging hebben. Die kan er ook zijn, natuurlijk, dat een mens verschrikt, dat een mens onrustig wordt, dat een mens gaat schreien. Maar ach, het is slechts een vroeg komende dauw en een morgenwolk. Hoe komt dat dan? Omdat de liefde erin gemist wordt, gemeente. Want er kan heel veel zijn wat het niet is en er kan weinig zijn wat het wel is.

Het gaat erom of de liefde Gods in het hart is uitgestort door de Heilige Geest. Dan gaat een mens zich verootmoedigen, dan gaat hij zich vernederen. Dat moet u maar zien als de oude dichter zingt: ‘Geen meerder goed, Heer’, Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleene.’

Als de Heere komt vernedert dat, het brengt in de laagte, in het dal van ootmoed. Maar let eens op: daar groeien de altijd groene mirten en daar wordt die heerlijke reuk verspreid. Dan gaat een mens een ander de schuld niet meer geven, maar dan wordt hij zelf de schuldige voor de Heere. En dan gaat hij vragen: ‘Hoe kom ik nog ooit met God verzoend? Is er nog een weg ter verlossing? Zou het voor mij nog kunnen?’ Er komt een betrekking op het Woord van de Heere en op Zijn inzettingen en op Zijn dienst en op Zijn volk.

 

De wijze waarop dit geschiedt is erg verschillend. Want de middelen waardoor de zondaar ontwaakt zijn zeer verschillend. Maar ze ontwaken! De Heere doet het!

Als we nu een Manasse zien of een Saulus van Tarsen; of we nu Lydia zien of de stokbewaarder, het is allemaal onderscheiden. Maar op één punt komen ze allen overeen: ze worden een ellendige zondaar, die buiten God leeft, die zonder de Heere zijn weg gaat. En ze gaan allemaal belijden wat ook Mefiboseth eenmaal uitgeroepen heeft. Die man zag zichzelf als een dode hond. Wat is uw knecht, zegt hij tegen David, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? (2 Sam.9:8)

En dat geldt niet alleen in het begin, nee, dat is ook zo in de voortgang van het geestelijke leven. Want de Kerk des Heeren, die onder de bediening van de Heilige Geest ligt, wordt nooit iets in zichzelf. U moet er altijd maar om denken als we die verdorven hoogmoed bij onszelf constateren of bij een ander, dan is dat van de mens. Dat is van onze verdorven natuur. Dat is van Adam. Want God maakt geen hoge mensen. De Heere vernedert en verootmoedigt en Hij maakt klein.

 

U moet eens kijken naar Petrus – want het geldt ook bij de voortgang, zeiden we – Petrus is geestelijk in een diepe slaap gezonken wanneer hij meent dat hij wel mee kan lijden en dat hij voor de Heere nog wel wat doen kan.

Dan moet u eens kijken wat er gebeurt: hij is in slaap gevallen in de hof van Gethsémané. Ja, eigenlijk ook in de zaal van Kajafas. ‘Ik ken de Mens niet’, zegt hij. Hij had er geen oog voor dat de satan bezig was hem te ziften als de tarwe. Wat zou er gebeurd zijn als de Heere niet voor hem gebeden had...?

O, wat is dat toch een onuitsprekelijk wonder dat de zaligheid in geen ander ligt, gemeente, en dat er onder de hemel geen andere naam gegeven is door welke wij zalig kunnen worden! Want anders zou het een hopeloze en een verloren zaak zijn.

 

Ontwaak, zegt Hij. Weet u wat David gezegd heeft? David heeft gezegd: ‘Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.’

Ontwaken! Dat we dat persoonlijk, of in ons huisgezin, en in de gemeente, ja, dat we dat in de samenleving, in ons volk toch eens zouden mogen zien! Ontwaken! Want denk er wel om dat de vorst der duisternis probeert om zijn grote overwinning te behalen.

Maar u zult mogelijk zeggen: ‘Christus heeft toch overwonnen? Die heeft toch des vijands kop vermorzeld?’ O zeker! Dat is geen misschien, dat staat onomstotelijk vast! Maar de Kerk des Heeren kan in zulke slaperige toestanden terechtkomen, dat men het niet in de gaten heeft in welke grote gevaren we verkeren.

U weet het: er zijn in ons volksleven zonden die straks niet eens meer bestraft mogen worden. De vorst der duisternis gaat de duimschroeven steeds meer aandraaien, hoor. O, dat de levende Kerk des Heeren toch ontwaken zou! En dat we samen voor God in het stof zouden buigen. Ja, want het gaat in deze tekstwoorden niet alleen over de belijders van de waarheid, het gaat ook over de levende Kerk des Heeren. Die moet ontwaken. Want anders gaat het ons net als Petrus. Als het dienstmeisje tegen hem zegt: ‘Gij waart ook bij Jezus, de Galileeër’, dan antwoordt hij: ‘Ik ken de Mens niet.’ Dan zijn ook wij op het hellend vlak, gemeente. Dan kunnen we, ook met de genade die ontvangen is, niet blijven staan. Want dat kan ook alleen maar in de vreze Gods. Dat kan alleen maar als we ontwaken; als we aan de troon der genade gebonden mogen liggen en daar uitroepen: ‘Zie mij aan, Heere, wees mij toch genadig, naar het recht dergenen die Uw Naam beminnen.’

 

Maar als de Heere er aan te pas komt, dan wordt de hoogmoed in het leven van Petrus gebroken en dan wordt hij een arme zondaar, die bitter weende toen hij naar buiten ging. En dat is voor ons – voor het eerst of opnieuw – ook zo nodig, dat wij ons hoogmoedig bestaan leren kennen en verfoeien voor het aangezicht des Heeren. En dat er aan toegevoegd wordt hetgeen onze tweede gedachte zegt. Niet alleen een ontwaken van de zondaar, maar ook een opstanding door Christus, waarop we letten in onze tweede gedachte:

 

2. De opstanding door Christus

 

Als we denken aan onze slaap, daar is heel veel verschil in. Sommige mensen kunnen de hele nacht vast geslapen hebben, en als ze worden gewekt dan stappen ze gelijk uit hun bed en gaan ze over tot de orde van de dag. Er zijn ook anderen die wel meerdere keren geroepen moeten worden, die gemakkelijk weer insluimeren, want het ontwaken heeft niet geleid tot opstaan. En zo is het nu ook in geestelijk opzicht.

De gemeente van Efeze was in een geestelijke slaap gekomen. Ingeslapen. En hoe kwam dat? Dat moeten we onder ogen leren zien. Ik weet wel: de Heere moet onze ogen openen. Maar weet u wat op onze weg ligt? Weet u welke verantwoordelijkheid wij dragen? Dat we waakzaam zijn! Waakt en bidt dat gij niet in verzoeking komt (Matth.26:41).

Welk een geestelijke traagheid was er gekomen in de gemeente van Efeze. Ach, aan de buitenkant viel het nog wel mee. Maar omdat ze niet waakzaam waren en omdat ze verslapt waren, ondergingen zij de invloeden van buitenaf, uit die heidense omgeving waarin ze verkeerden. Het kwaad heeft hen aangestoken. Besmet zijn ze geworden. Lichtzinnig, oneerbaar, hebzuchtig, gierig, het wordt allemaal in dit hoofdstuk genoemd.

En dat waren nu zulke ondermijnende krachten, gemeente: lichtzinnigheid... eerzucht... geestelijke hoogmoed... wereldgelijkvormigheid…

Daarom gaat de apostel – uit naam van de Heere, uit naam van de Koning van de Kerk – hen bestraffen. Hij gaat er tegen getuigen. Ze mogen daar geen vrede mee hebben. Ze moeten opstaan! Die slapende Kerk moet ontwaken, die moet opstaan. Ze liggen temidden van de geestelijk doden, zo zouden we kunnen zeggen. En daar moeten ze uit. Opstaan! Het is een sprake Gods! Want het is de stem van de Heere. Daarom zegt Hij: Sta op uit de doden! Het opstaan uit de doden is een gevolg van het geestelijk ontwaken.

 

Opstaan uit de doden… We gaan nog eventjes naar die gelijkenis van de verloren zoon. Toen hij tot zichzelf kwam, toen stond hij op uit de doden. Want opstaan, dat is de voortzetting, dat is de vrucht van de waarachtige bekering, wanneer de Heere het nieuwe leven gaat werken. En dat kunnen we niet missen, gemeente, jongens en meisjes! Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ez.33:11) Die sprake Gods geldt nog, die is niet verouderd. Nee, dat is nog steeds urgent! Elke keer opnieuw laat de Heere uit Zijn Woord ons toeroepen: ‘Bekeert u nu!’

We zeiden: dat opstaan is vrucht van de bekering. Want waar dat niet is, daar is nooit een recht ontwaken geweest. Dat moet er gevonden worden: een recht ontwaken, een opstaan. Velen zijn misschien wel ontwaakt, hebben we straks gezegd, maar ze zijn niet opgestaan met de verloren zoon. En dat is zo noodzakelijk.

 

Ik wil u enkele voorbeelden noemen hoe het kan zijn in het leven van een mens. Dan moet u eens naar het leven van Herodes kijken. Als we er zo tegenaan kijken, dan zeggen we: Herodes, dat zou best een bekeerde man kunnen zijn. Hij hoorde Johannes graag preken, en de dingen die hij deed, daar had Herodes bewondering voor. Die man was ontroerd. Ja, dat kan; een mens kan ontroerd zijn, maar verder gebeurt er niets. Hij was onrustig in zijn geweten.

Maar weet u – en dat is nu een kenmerk van de opstanding tot een nieuw leven – als die kracht van Christus’ opstanding in ons leven tot openbaring komt, dan komt er een loslaten van de zonde, dan wordt er een droefheid over de zonde geboren, dan wordt er een afwijken van de zonde gevonden. Dat is het.

Want anders stillen we onze consciëntie en dan leggen we de hand op de mond en dan sussen we het geweten. Nee, er moet een breken komen. Want anders is het zoals de apostel het zegt tegen de Hebreeën: ‘Eens zijn ze verlicht geweest, hebben ze de gaven des Geestes gesmaakt en de krachten der toekomende eeuw...’ En nochtans verloren! O gemeente, wat zal dat toch een ontnuchtering zijn, als een mens meent dat het goed met hem staat en hij bouwt op een zandgrond... Immers, dan deugt het fundament niet. Daarom: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden.

Wel een ontwaken, maar niet een opstaan, dan ook geen ingaan in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Wel aan de rand geleefd, wel godsdienstig geleefd, maar nooit een verloren zoon geworden, die sprak: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden (Luk.15:21). Zelfonderzoek is toch zo nodig, en ons hart voor de Heere uitstorten met de bede: ‘Doorgrond me en ken mijn hart, o Heere.’ Het kan er zo op lijken, het kan allemaal zo mooi schijnen. Maar is het werkelijk wel van God? Daarom: dat zelfonderzoek is zo nodig. Er kan veel zijn wat het niet is, maar er kan weinig zijn wat het wel is, als het maar van God is, gemeente. Dat is nu juist de vraag van de ziel die oprecht bekommerd is over zijn zonde.

 

U moet er om denken: als het nieuwe leven zich gaat openbaren, waar bestaat dan die ware bekering toch in? Wel, in een haten en vlieden van de zonde. O, vraag het maar aan zo iemand; al kan hij het allemaal dan misschien niet zo op een rijtje zetten, maar hij zou de zonde wel met wortel en tak uit willen roeien. Er is dan een ernstige lust en liefde om niet naar één, maar naar ál de geboden Gods te gaan leven.

Ja, gemeente, ook als we oud geworden zijn kan de zonde nog zo’n grote plaats krijgen. En dan kan de ziel in de gewaarwording van zichzelf heel ver van de Heere af leven. Dan zegt hij wel eens: Ik had nooit gedacht dat zoiets nog in mijn hart zou opkomen...

Maar in beginsel is er een hartelijke lust en liefde om de zonde af te sterven. Waar Gods genade wordt verheerlijkt, daar is niet alleen een ontwaken uit de slaap, maar door de opstandingskracht van Christus zal zo’n ziel opstaan en tot de Heere gaan en met de verloren zoon zeggen: ‘Heere, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor U, en ik ben niet waard dat U nog naar me omziet.’ Daar heb je nu dat ‘de Heere toevallen in Zijn Goddelijke gerechtigheid’ en dat ‘buigen onder Zijn doen en onder Zijn Majesteit’, dat ‘er onder komen’, dat ‘niets worden voor de Heere’. Dan worden we het waardig voor God om eeuwig van voor Zijn aangezicht verstoten te worden.

U moet er maar om denken: vanuit eigen beweging en vanuit onze godsdienst en vanuit onze vroomheid komen we nooit op die plaats. Maar het is het werk van Goddelijke genade, dat wij aan Gods kant mogen gaan staan en zeggen: ‘Heere, Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Uw oordeel rust op de allerbeste wetten.’

 

Dat is nu het werk van de opgestane Christus in het leven van die dode zondaar. Hij wordt een verloren mens voor de Heere; de zonde wordt hem een last en de dienst van de Heere wordt hem een lust. U moet maar eens kijken naar Christen in Bunyans Christenreis. Die man blijft niet in de stad Verderf, maar trekt er uit, hij kan het daar niet meer uithouden. Dan verlaat hij die stad. Dat is dat ‘opstaan’.

Gemeente, als de zondaar opstaat uit zijn slaap, dan is dat het begin van de heiligmaking. Want u weet het: de ganse uitverkoren Kerk ligt in de opstanding van Christus wel rechtvaardig voor God. Maar de weg van heiligmaking begint in de opstanding uit de doden van de zondaar. Daar wordt het begin gemaakt van een weg van heiligmaking, door genade.

Hij heeft het Zelf gezegd: Ik leef en gij zult leven (Joh.14:19). Ziet u wel dat het zo noodzakelijk is om uit die opgestane Christus bediend te worden? Wat is een mens toch dikwijls bezig om uit zichzelf nog wat naar voren te brengen en voor God zich een bestaansrecht op te bouwen. Maar dat is totaal onmogelijk, gemeente. Nee, alleen door de opstandingskracht van Christus worden wij een arme zondaar. Het is waar dat in een weg van waarachtige bekering, als wij mogen bediend worden uit die opgestane Christus, het toch nog struikelen en vallen blijft. Dan is het zo waar: ‘Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren.’

En al is het waar dat de Christus der Schriften gegeven is tot wijsheid, om onze blindheid en onze armoede te ontdekken; dat Hij gegeven is tot rechtvaardigheid, om te zien dat alleen in Zijn bloed en in Zijn kruiswonden de zaligheid gelegen ligt, evenwel blijft het een arm volk. En zo houdt de Heere ze ook, opdat ze op de Naam des Heeren zullen vertrouwen.

Dat ze niet rusten op hetgeen ze geschonken is uit genade. Dat is wel groot hoor, o ja, al wat de Heere geeft is groot. Maar Hij zegt: ‘Mijn kinderen, voorwaarts trekken, want de strijd is nog niet ten einde. Zie toch op Mij, Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven en niemand komt tot de Vader dan door Mij. Zie toch op Mijn offer, zie toch op Mijn doorboorde handen, zie toch op Mijn doorstoken zijde. Zie toch op het werk dat Ik tot stand gebracht heb.’

 

Gemeente, jongens en meisjes, we moeten dat allen maar eens onderzoeken in ons hart: is de zonde een last? Is de strijd aangebonden tegen de zonde? Of is het dikwijls nog als een lekkere bete onder de tong? Of praten we er wel over dat we toch zo diep ongelukkig zijn en in Adam gevallen zijn en dat we zulke zondige mensen zijn, maar in de grond van de zaak is er toch geen breken met de zonde. En dat is nu juist zo noodzakelijk. Door de opstandingskracht van Christus Jezus wordt de zonde dan de dood. Dan zeggen we: ‘Henen uit, henen uit! Wat heb ik nog meer met de afgoden te doen?’

 

In de weg van heiligmaking en godzaligheid gaat de Kerk des Heeren Hem ook leren benodigen. Als dat opwaken en die opstanding plaatsvindt in het leven van Gods kinderen, dan gaan ze proberen met hun doen en laten heilig voor de Heere te leven. Maar de Heere laat alles falen. Hij snijdt alles af, opdat er alleen nu maar plaats kome voor Hem.

Want de opgestane Christus gaat al die heerlijke weldaden, die Hij voor Zijn Kerk verworven heeft, in hun hart verheerlijken. En dat gaat altijd gepaard met een stervend leven. Een stervend leven, ja. ‘Ik sterf alle dagen’, zegt de apostel. O gemeente, dat dit ook in onze tijd toch eens gezien zou mogen worden. Niet alleen het ontwaken, maar ook die opstanding. Om door die opgestane Levensvorst Christus gezaligd te worden, om niet, uit enkel genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. Daar ligt de zaligheid!

 

De zonde wordt een last, niet alleen de zondige daden. O, die ruwe takken gaan er nog wel gauw af misschien, maar onze gedachten... onze woorden... Misschien meenden we dat het toch wel beter zou worden bij het ouder worden. Maar dan laat de Heere zien dat het vaak minder wordt in het leven van de Kerk des Heeren.

Waarom? Waarom handelt de Heere nu zo? Wel, opdat ze zien zullen uit welke grote nood en uit welke dood ze verlost zijn. Dat het alleen maar uit vrije goedheid is dat ze zalig kunnen worden.

Kijk, daar werkt de Heere op aan. Wat werken wij dan toch vaak tegen, volk des Heeren. Wat werken wij toch tegen, wat zijn we toch bezig met onszelf. Wat zijn we toch allerlei fortificaties en kastelen aan het bouwen om daaruit de zonde eens te lijf te kunnen gaan. Maar ach, u moet er maar om denken dat dit altijd tot mislukken gedoemd is. Dat wordt een geestelijk faillissement in uw leven. Gelukkig dat we er achter komen dat we in onszelf geen kracht hebben tegen zulk een grote menigte. Maar weet dat de Kerk wel eens leert om te zingen: ‘Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht, Uw vrije gunst alleen die worde de ere toegebracht.’

 

O gemeente, zouden we in de tijd waarin we leven tegen onze kinderen, tegen onze jonge mensen niet spreken over de goedheid Gods? Dat Hij, Die opgestane Levensvorst, de dood heeft overwonnen en het leven in onverderfelijkheid heeft aangebracht? Toe, vaders en moeders, als u er iets van kent, spreek dan toch eens met uw kinderen over de goedheid Gods aan ellendigen bewezen; dat u om niet gezaligd bent, uit enkel genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.

Dat er een opwaken, een opstanding zou mogen komen, ook te midden van onze gemeente. Opdat we als kinderen des lichts zouden leven en dat de bede uit het hart zou stijgen, wat we samen nu eerst gaan zingen uit Psalm 119 vers 87:

 

Kom mij te hulp; mijn ziel die U verbeidt,

Heeft Uw bevel met lust en liefd’ ontvangen.

Ik haak, o Heer’, naar ‘t heil mij toegezeid;

Bestier in gunst naar Uwe wet mijn gangen;

Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,

In Uw gebod; dat is mijn hoogst verlangen.

 

Gemeente, we hebben stilgestaan bij wat de apostel uit naam van de Heere tot de gemeente van Efeze zegt: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden. Het is onze hartelijke wens en bede dat de Heere aan de nood van Zijn kerk gedenken wil, in de nood van de tijd waarin we leven.

 

Maar ik stel u nu een heel persoonlijke vraag: Moet u ook niet zeggen dat u zelf ingesluimerd bent? Als u genade van de Heere gekregen hebt, moet u dan niet dikwijls zeggen: ‘Heere, wat ben ik toch ver ingedommeld... wat staat mijn geestelijke leven toch op een laag pitje... wat moest er toch veel meer van me uitgaan...’ Als we iets van dat ontwaken hebben gekregen uit de doodsslaap en als we iets hebben ontvangen uit die opstanding van Christus Jezus – want beide zijn daaruit afkomstig, zowel het opwaken als de opstanding – moeten we dan niet zeggen: ‘Heere, wat wordt er toch weinig van waargenomen? Wat straalt er toch weinig van me uit.’

Zou er van ons misschien gezegd worden: ‘Zou dat een man zijn, zou dat een vrouw zijn, zou dat een jongen of een meisje zijn in wie de Heere wat gewerkt heeft?’ ‘Ja’, zegt mogelijk iemand, ‘ik geloof het vast wel; ik heb wel eens iets uit zijn mond, uit haar mond gehoord.’ Maar verder... wat straalt er soms weinig van uit. Wat is de Kerk des Heeren toch ingezonken! O, wat is er dan toch een opwaken nodig!

 

Als straks de duimschroeven aangedraaid gaan worden... We moeten er maar om denken: de vijand haast zich om onze overheid wetten te laten maken en die uit te laten voeren, welke lijnrecht tegen God en Zijn Woord en wet indruisen. Het gaat ons raken, hoor, mij en u en jullie! Daar moet u om denken! De duivel is een geest die al vele eeuwen achtereen zit uit te dokteren hoe hij de Kerk des Heeren het beste kan benauwen. Of hij dat nu in het openbaar doet, of op een geraffineerde wijze, dat komt er niet op aan, als hij zijn doel maar bereikt. Want hij is de tegenstander van de Koning. Die heeft wel zijn kop vermorzeld, maar met zijn staart gaat de duivel tekeer en slaat hij. Johannes zag hem wel als een bliksem uit de hemel vallen, maar weet u wat nu zo erg is? Dat wij zo dikwijls er aan toegeven, zo dikwijls bij hem in het gevlei komen, ook in het godsdienstige leven, zonder dat we er erg in hebben. Dat we de vorst der duisternis zo vaak een kans geven.

Daarom: Ontwaak, o volk des Heeren! Ontwaak, o gemeente! Laten we samen in de binnenkamer gaan en ons voor God verootmoedigen en Hem bidden om genade. ‘Zie ons toch aan, wees ons genadig.’ En laten we het pad der zonde toch verlaten.

 

Maar u zegt wellicht: ‘Dat is toch wat! Een mens zondaar worden? De zonde loslaten? Daar is toch die almachtige kracht Gods voor nodig?’ Ja, daar hebt u gelijk in. Maar meent u dat ernstig? Zijn we in hetgeen nog in ons vermogen ligt, in wat de Heere ons nog overgelaten heeft, werkelijk ernstig bezig? Of kan alles er mee door? Heeft de verwereldlijking ook in onze gemeente en in onze gezinnen zo’n geweldige overhand gekregen, dat we het eigenlijk niet meer opmerken dat we mee slapen met de wereld? Nee, met die uitspattingen van de wereld doen we dan nog net niet mee, maar verder kan er wel ontzettend veel mee door in onze gezinnen.

O, dat er toch eens schuld gevoeld werd bij ons allen. Dat we met Daniël toch de Heere aan zouden roepen en zeggen: ‘O God, U houdt Uw hand zo stil, maar er ligt aan onze kant zoveel schuld. Wij en ons volk hebben gezondigd.’

 

Denk erom: de profeten hebben zelf altijd persoonlijk ook schuldbelijdenis afgelegd, én met hun volk. Dat is de rechte plaats. Wie weet of de Heere het nog zou wenden. Maar we moeten wel in de binnenkamer gaan om de Heere te smeken om Zijn genade. En we moeten wel in de schuld komen, we moeten wel tot verootmoediging geraken. En we moeten ook wel eens een keertje schoonmaak gaan houden in onze gezinnen, op allerhande terrein. Ja, want o zo gauw zeggen we: ‘Ach, dat is toch niet zo erg? Dit kan toch nog wel en zo kan het toch ook nog net?’ Alles zo net langs het randje... Nee, gemeente! De Heere zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart.’ Niet een klein beetje, maar je hele hart, je hele leven!

 

Jonathan Edwards verhaalt in een van zijn boeken hoe het in zijn gemeente toeging. Dat de Heere zo krachtig en onwederstandelijk werkte, dat de dagelijkse dingen – hoewel die toch noodzakelijk zijn – bijzaak werden in hun leven. Andere zaken kregen voorrang, zoals: Hoe kom ik met God verzoend? Hoe krijg ik vrede voor mijn ziel? Hoe zal ik ooit God kunnen ontmoeten? Hoe krijg ik een Borg voor mijn ziel en een God voor mijn hart?

Dat moet ook voorrang gaan krijgen in ons leven, gemeente, jongens en meisjes! O, dat de Heere Zijn wonderen nog heerlijk zou maken en Zijn kracht wilde openbaren in onze gemeente.

En dat in de levende Kerk, onder het volk van God, er toch eens een nauw onderzoek zou mogen zijn in het leven. Hoe staat het met ons in de weg van heiligmaking? Hoe staat het met ons in de weg van godzaligheid? Zien onze kinderen dat we de Heere vrezen? Gaat er wat van uit? Of zegt u alleen maar: ‘Dit mag je niet’ en ‘Denk erom dat je dat niet doet’? Ach, dan is het een verspeelde zaak, vrees ik! Maar ga de dienst van de Heere toch eens aanprijzen, ook al komt het vanuit de bekommering, vanuit de armoede.

Dan zegt u wellicht: ‘O, ik breng er niets van terecht.’ Maar smeek dan de Heere: ‘O God, wees toch gedachtig aan mijn kinderen, aan mijn nageslacht Geef nog eens een opwaken, geef nog eens een opstanding. Heere, mogen we samen U vrezen met een kinderlijke vreze en met diep ontzag.’

O, ik weet het ook wel, de Heere doet het niet om ons vragen, nee, maar Hij wil wel Zijn welbehagen tonen in de weg van verootmoediging, hoor, in de weg van terugkeren en wederkeren en het verlaten van de paden der zonde en des doods. Daar wil de Heere Zijn welbehagen, Zijn gunst en Zijn genade in betonen.

 

O gemeente, laten we het toch niet als kennisgeving aannemen. Dat gebeurt toch ook zo dikwijls, nietwaar; het is weer gezegd, het is weer gehoord en dan gaan we weer over tot de orde van de dag. Nee! Ontwaak, gij die slaapt! Hij zegt het door middel van de apostel Paulus aan de gemeente van Efeze, maar Hij zegt het ook tegen ons!

Hij zegt het ook tegen de kerk van Nederland, die zo verdeeld en verstrooid is. O, als we samen toch eens in de schuld voor God zouden mogen komen, dat we samen naar elkaar toe zouden kruipen en dat de een niet boven de ander uit zou tronen. En dat we het samen zouden uitroepen: ‘Wij hebben gedaan wat kwaad is in Uw ogen.’

 

Die geestelijke doodstaat waarin we verkeren, waarin we ons gebracht hebben, is onze schuld. Maar de Heere laat Zich niet onbetuigd, gemeente. Hij roept het ons nog toe in Zijn lankmoedigheid: ‘Sta toch op uit de doden!’

O, neem het toch mee naar huis, gemeente; spreek er eens over met uw kinderen. Verootmoedig u voor God. Ga niet over tot de orde van de dag, maar laat de dienst van de Heere toch meer in het middelpunt staan. Wie weet, God mocht Zich wenden en ons brengen op die plaats waar we komen moeten, tot de eer van Zijn Naam en tot de zaligheid van onze zielen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 11

 

Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen,
Met amen, amen na.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)