Ds. J. IJsselstein - Johannes 20 : 24 - 29

De verschijning van de Heere Jezus aan Thomas

Een afwezige Thomas
Een komende Jezus

Johannes 20 : 24 - 29

Johannes 20
24
En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.
25
De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.
26
En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!
27
Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.
28
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!
29
Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Liturgie : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van God komt vandaag tot ons vanuit het tekstgedeelte dat u voorgelezen is. De tekst voor de preek kunt u vinden in Johannes 20, vers 24 tot en met 29. Ik lees u samenvattend alleen nog het 26e vers voor. We lezen daar het Woord van God als volgt:

 

En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen en Thomas met hen. En Jezus kwam als de deuren gesloten waren en stond in het midden en zeide: Vrede zij ulieden.

 

Het thema voor de preek is: Jezus’ verschijning aan Thomas. De verschijning van de Heere Jezus aan Thomas.

 

Er zijn twee aandachtspunten:

1. Een afwezige Thomas, vers 24 en 25

2. Een komende Jezus, vers 26 tot en met 29

 

We zouden ook twee vragen kunnen stellen:

1. Wie is Thomas? En, daartegenover:

2. Wie is de opgestane Heere Jezus Christus?

 

Dus als eerste:

 

1. Een afwezige Thomas, of de vraag: Wie is Thomas?

 

Wie is Thomas? Nou, Thomas was de helft van een tweeling. En wie die andere helft geweest is, dat weten we niet. Zijn naam is in het Aramees, in de Aramese taal, Thomas. In de Griekse taal Didymus.

 

Wat was die Thomas eigenlijk voor een soort mens? Dat is een beetje lastig vast te stellen en te omschrijven. Sommige mensen zeggen: die man was van aard een beetje terneergeslagen, een beetje een somber, een moedeloos mens van karakter.

Maar wat mij betreft (en ik denk vooral ook wat de Schrift betreft) zijn daar niet zoveel aanwijzingen voor.

We komen Thomas in het evangelie van Johannes (naast de lijst van de discipelen, waarin hij regelmatig wordt genoemd) drie keer tegen.

 

Als eerste in Johannes 11, bij de opwekking van Lazarus. Als Lazarus gestorven is, dan stelt de Heere Jezus aan Zijn discipelen voor om daar naar toe te gaan. En dan zegt Thomas: ‘Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven’. Nou, dat klinkt meer als een teken van moed en overgave, dan als een bewijs van somberheid.

 

We zien Thomas voor de tweede keer in Johannes 14, waar Jezus dit zegt: Zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn (met de hemelvaart) en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen (bij de wederkomst), opdat u ook zijn moogt waar Ik ben. En waar Ik heen ga, weet gij. En de weg weet gij. En dan komt het: Thomas zeide: Heere, wij weten niet waar U heengaat en hoe kunnen wij (wij, de discipelen; niet hoe kan ik), hoe kunnen wij discipelen de weg weten?

Het is inderdaad een wat vertwijfelde vraag, maar het gold al de discipelen. Wij met elkaar weten niet waar U heengaat en hoe kunnen wij de weg dan weten? Het is meer een vraag van betrokkenheid, van liefde en toewijding, dan een vraag van somberheid.

 

En nu hier, na Pasen, ontmoeten we Thomas in Johannes 20 opnieuw. Hij was er niet toen Jezus kwam. Dat staat in vers 19, kijk maar in uw Bijbeltje. Toen de Heere Jezus kwam op de eerste dag van de week. Toen de deuren gesloten waren, omdat ze bang waren voor de Joden. Toen kwam Jezus en stond in het midden en zei: Vrede zij u. En dit gezegd hebbende toonde Hij hun de handen. Kijk maar naar de littekens van de spijkers in Mijn handen. En de discipelen, staat er, werden verblijd als ze de Heere zagen.

Later schrijft de kerkvader Ignatius aan de gemeente van Smyrna: Ze raakten Hem aan. Met andere woorden: ze voelden… en ze geloofden.

Maar, zegt vers 24, Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was niet met hen toen Jezus daar kwam.

 

U zegt, waarom was hij er niet?

Misschien vragen andere mensen dat ook wel eens, als het om u gaat... Waar was hij? Waar was zij? Ik zag hem niet. Ze waren er niet. Het was avondmaal, maar volgens mij waren ze er niet... Het was een doordeweekse dienst, maar volgens mij heb ik ze niet gezien…

Waarom niet?

Geen zin. Het is gisteravond zo laat geworden, het werd diep in de nacht. Slecht geslapen, teveel gedronken. Wakker geworden met hoofdpijn. Beroerd… ‘Ik sla een keer over’. Trouwens, waarom zou je twee keer naar de kerk gaan, een keer is toch ook genoeg? Geen zin.

Slordigheid, dat kan ook. Een keertje overslaan. Leesdienst? Saai. Avondmaal? Die dienst die duurt zo lang. Om van de rest van al die andere argumenten maar te zwijgen.

 

Thomas was er niet en daarom zag hij Jezus niet. En dat is het gevaar, dat dat misschien ook wel voor u geldt: Toen, toen in het verleden, als u er toen was geweest, dan had u Jezus ook gezien. Hij was heel dichtbij in de dienst van het Woord. ‘Roep Mij aan terwijl Ik nabij ben’.

 

Wij zouden zeggen: gemiste kans. Ja, dan kan je in je hart wel vroom doen en zeggen: ‘nou, als God het wil, dan gebeurt het echt wel een andere keer. Dan gebeurt het de volgende keer wel, als ik er wel ben’. Maar ik denk dat dat niet zo is, als u er zo gemakkelijk over doet en denkt. Strijd om in te gaan door de enge poort. En de schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten (niet thuisblijven dus!), gelijk sommigen zelfs de gewoonte hebben om te doen. Geen gewoonte om te komen, maar een gewoonte om thuis te blijven…

En laat ons (en dat is een taak van ons als gemeente) elkaar op dit punt ook vermanen. En dat zoveel te meer als u ziet dat de dag, de grote dag des HEEREN nadert.

U moet gewoon, jij moet gewoon, niet meer, nooit meer thuisblijven! Anders mist u Jezus!

 

Waarom was Thomas er niet? Er zijn verschillende argumenten te bedenken. Als het gaat om onszelf misschien: geen zin, slordigheid.

Het kan ook zijn, en dan denk ik vooral aan Thomas: ongeloof, onvrede, verdriet, getob. En toch is ook dat, gemeente, en ik zeg dat in het bijzonder tegen u die de Heere zoekt en dient, dat is toch ook geen goede reden om thuis te blijven. Want door zijn ongeloof mist Thomas de zegen, de tegenwoordigheid van de Heere Jezus Christus, de kracht van de Heilige Geest en de vrede en de vreugde voor zijn hart.

 

Met al uw getob en met al uw ongeloof moet u hier zijn, bij het Woord van God.

Deze plaats heeft de Heere lief.

Hier zijn de meeste kinderen van Gods kinderen (vraagt u het straks maar na), hier zijn de meeste kinderen van God ontwaakt uit hun zondeslaap, wakker geworden uit hun dodelijke rust. Hier hebben de meeste kinderen van God (hier, in de kerk) voor het eerst hun blik mogen slaan op Christus, Hem mogen leren kennen en Hem door Gods genade, door het geloof mogen omhelzen.

Hier moet u zijn, gemeente, ook in de toekomst: bij het Woord, in de kerk.

Er zijn heel veel goede en mooie initiatieven, maar dit is Gods initiatief. Hier wil God spreken. Tot u, tot jullie, tot mij. Heel persoonlijk. Hier in de kerk wil de Heere wonen. Hier wil God nooddruftigen met heil verzadigen. Hier wil God aan hongerigen en dorstigen het Brood en Water des Levens geven.

 

Maar, er gebeurde op die zondag, toen Thomas er niet was, wel iets heel moois. Kijkt u maar in vers 25. De andere discipelen zeggen tegen Thomas: ‘Wij hebben de Heere gezien!’

Ze zeggen niet tegen Thomas: “Jammer, jongen, je was er niet bij, pech.’ Nee, het is de liefde van de opgestane Heere die hun harten in brand gezet heeft om ook dit dwalende schaap terug te brengen. Ze zeggen: ‘We hebben de Heere gezien, man, moet je toch eens luisteren we hebben Jezus ontmoet!’

Dat is een bewijs van onderlinge liefde. Dat hoort ook bij een gezond gemeenteleven. Als je iemand niet in de kerk ziet, en je hebt zelf een zegen ervaren vanuit het Woord van God, dat je dan zegt: ‘de Heere heeft gesproken; we hebben de Heere gezien!’ Dat hoort ook bij een wandel in de vreze des HEEREN.

Dat moet je ook proberen te doen, jongelui, als je je vrienden niet ziet in de kerk. Je kent ze, je weet ook waar ze meestal zitten en ook waar ze nu waarschijnlijk wel zullen uithangen. Dan moet je toch zeggen na de dienst of doordeweeks: ‘joh, kom weer terug, je moet naar de kerk, daar wil de Heere spreken tot je hart’.

Gemeente, als u ziet dat gemeenteleden wegblijven, dan moet u niet gaan roddelen. Dan moet je niet zeggen: ‘joh, heb je het ook al gezien: die zit tegenwoordig daar, of die zit daar in de kerk, of: die blijft thuis…’. Laat Thomassen, laat kerkverlaters niet gaan, maar houdt ze vast.

Vers 25 zegt: ‘De andere discipelen dan zeiden tot Hem: Wij hebben de Heere gezien’.

 

‘Doch hij zei tot hen: Indien, als, ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagels (van de spijkers) en mijn vinger steek in het teken van de nagels en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal niet, ik zal nooit geloven!’

Scherpe reactie van een kind van God, van een ongelovige gelovige. Maar laten we niet te snel zijn met ons oordeel. Laten we eens goed kijken.

 

De tien discipelen hebben een week tevoren de Heere Jezus ontmoet. Hij toonde hun Zijn handen: ‘kijk maar, hier! Hier zijn de littekens. De gaten van de spijkers, waarmee Ik aan het kruis geslagen ben. Kijk maar! Ik ben het echt.’

En wat staat er dan in Lukas 24? Aanvankelijk zijn ze verschrikt en zeer bevreesd en ze zien Hem aan voor…, voor wat? Voor een geest!

En dan moet de Heere Jezus het weer zeggen: kijk, Ik ben een Man van vlees en been, een Man van vlees en bloed’. En dan nog twijfelen ze. Ze durven het van blijdschap niet te geloven. En dan zegt de Heere Jezus: ‘is er misschien iets om te eten?’ En dan krijgt Hij een stuk van een gebraden vis en van honingraten en (zo staat er): ‘Hij nam het en at het voor hun ogen en zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen ik nog met u was’.

Toen, zegt Lukas, opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.

 

Wat was er toch veel voor nodig, voor die andere discipelen om te gaan geloven in de opgestane Christus. Christus Zelf was er voor nodig. Zijn almachtige kracht en het werk van Zijn Heilige Geest, die, zegt Jesaja in hoofdstuk 61, de ogen van de blinden opent. Niemand, van de discipelen, Johannes niet, Petrus niet, Jakobus niet, de andere discipelen niet, niemand, was in staat om in eigen kracht te geloven.

 

Thomas is in zekere zin niet minder gelovig dan de anderen, maar hij was wel afwezig. Het is zijn zondige slordigheid geweest.

En daardoor kunt ook u, kinderen van God, door zondige slordigheid, in het donker terecht komen. Maar als het gaat over die ongelovige gezindheid en over de noodzaak van het werk van Christus en van de Heilige Geest die de ogen opent, daarin zijn ze allemaal, alle elf, gelijk.

En dat brengt die ongelovige Thomas, ineens heel dichtbij.

 

Soms zeggen mensen tegen elkaar (en je hoort het verwijt in hun stem, in hun toon): ‘geloof dan toch! Je moet geloven!’ Maar wie als mens een ander ongeloof verwijt, kent ongetwijfeld zijn eigen ongelovige hart niet. Dat hart, dat zegt: ‘ik moet het eerst zien, ik moet het eerst voelen, ik moet het eerst proeven en anders geloof ik niet!’

 

Misschien, jongelui, lijkt die reactie van Thomas ook wel een beetje op jullie gedachten. Is de Bijbel wel echt waar? Bestaat God eigenlijk wel echt? Ja, mijn ouders zeggen het wel, maar ik weet het niet hoor: Ik moet het eerst zien. Ik wil eerst bewijzen. Ik wil het eerst zeker weten en dan ga ik geloven.

Ja, dat snap ik wel, dat je dat zegt en denkt. Maar je moet niet als Thomas doen.

Want, wie kan je overtuigen? Wie kan je laten zien en laten voelen dat het wel waar is? Wie? Ik niet, zij niet, God alleen kan dat doen. En dus moet je zijn, waar de Heere is. Dus moet je hier zijn, in de kerk en luisteren naar de preek. Dus moet je daar zijn, als er catechisatie is. En dus moet je thuis uit je Bijbeltje lezen.

Ja, zeg je, en daarna kan ik dan wachten tot ik een ons weeg. En maar zien en maar hopen tot er ooit iets gebeuren zal in mijn leven.

Nee! Als je komt op deze plaats... Als je biddend naar de kerk gaat… Als je ’s ochtends als je naar de kerk gaat je knieën buigt en vraagt: ‘Heere, zegen toch Uw Woord?’ En als je zo naar de catechisatie gaat en als je zo in je Bijbeltje leest, dan zal de Heere horen.

Want we hebben een God die hoort en die verhoort. Dan zal Hij komen, ondanks al dat ongeloof in je hart. Dan zal Hij je laten zien, je laten proeven, je laten ervaren dat het echt waar is. Dat Hij leeft, dat Hij echt bestaat. En dat Christus, de Heere Jezus, echt gekomen is om verloren mensen -zo slecht als jij en ik- zalig te maken en te redden van de dood.

 

Misschien herkent u het wel. Misschien zit u ook wel, net als Thomas, te tobben in uw hart: ‘Kon ik het maar geloven. Ik kan maar niet geloven dat ik de Zijne ben. Dat Hij Zijn werk voor mij gedaan zou hebben. Ik kan het niet geloven’. U zegt: ‘Ik tob er al jaren mee. Is Zijn dood nu ook een verzoening voor mijn zonde? En is Zijn bloed nu ook om mijn schuld af te wassen?’

U moet het zoeken… waar? Hier, ook hier, waar God is. Hier, in de kerk, wil de Heere antwoord geven. Hier! Dat heeft de Heere gezegd en beloofd, en beloofd is beloofd! De Heere doet wat Hij gezegd heeft. Hier is de Heere, onder de prediking van het Woord. En de Heere heeft gezegd: Hier zal Ik spreken. Dat staat in Exodus 22. Hier zal Ik spreken van boven het verzoendeksel.

U brengt uzelf, kinderen van God, Godzoekende zondaars, u brengt uzelf in het donker en houdt uzelf in het donker, als u slordig bent in uw kerkgang. Als u met doordeweekse diensten thuis blijft. En als u met al uw getob, bij een avondmaalsdienst toch thuisblijft. U brengt uzelf in het donker.

Genoeg, meer dan genoeg over Thomas.

 

Ons tweede gedachte:

 

2. Een komende Jezus, of: Wie is de opgestane Heere Jezus Christus?

 

Wie is Hij? Zelfs voor Thomas, die er vorige week niet bij was. Zelfs voor mensen - leg uw eigen hart er eens naast – die nog wel eens verstek laten gaan in de kerk? Wie is Jezus? Zelfs voor jongeren die het niet zo nauw nemen met de catechisatie en ook nog wel eens spijbelen van de kerk?

Wie is Jezus voor Zijn kinderen, die het altijd maar weer zeggen met een zucht in het hart: ‘O, Heere, ik weet niet hoe het moet, ik weet niet hoe ik moet geloven, ik kan niet geloven, mijn hart wil maar niet mee’?

 

Wie is Jezus voor Thomas? Wat doet de Heere Jezus, nu Thomas er wel is? Wordt hij weggestuurd? ‘Jongen, jij was er de vorige keer niet bij, daar is het gat van de deur? Je mag gaan, ongelovige Thomas? Je vroeg zo scherp om bewijzen, je was daarin zo onredelijk... Je kon het toch weten? Je wist toch de Schriften, dat Ik uit de doden moest opstaan? Trouwens, je was er toch ook bij toen Ik Lazarus uit de dood heb opgewekt? Daar stond je bij! Je hebt het gezien en gehoord: Lazarus kom uit! En het graf ging open en hij kwam uit…’

‘Je wist het toch, Thomas, van de profeten. Trouwens, Ik heb het toch ook nog drie keer voorzegd, dat Ik zou moest lijden en sterven en begraven worden en daarna van de doden zou opstaan. Trouwens, je hebt het nog gehoord ook, van Maria, van Petrus, van Johannes, van de Emmaüsgangers, van de anderen. Thomas…, daar is het gat van de deur!’

 

Gemeente, zie nu toch Wie Jezus is. De deur is dicht. De deuren zijn gesloten. Maar Hij opent de deur met Goddelijke kracht en komt binnen. En het ongeloof en de scherpe woorden van Thomas houden Hem niet tegen, ze weerhouden Hem niet om terug te komen.

 

Als u, kind van God, de vorige keer ten onrechte verstek liet gaan bij het Heilig Avondmaal, omdat uw hart zo gesloten was, zo vol van twijfel en ongeloof. U kon niet geloven, u zei: ‘Ik durf niet te geloven, ik ga niet…’

Het zal Hem niet weerhouden om toch tot u te komen. Maar u deed Hem wel veel verdriet. U hebt Hem veel verdriet gedaan en het is goed dat u uw knieën buigt en vergeving vraagt voor zoveel hardheid tegen een zo goede Meester.

Maar, bedenk, Hij is Dezelfde gebleven. Hij wil uitkomst geven. Want, we hebben het gezongen, Hij doet ons niet naar onze zonden. En Hij vergeldt ons niet naar onze afmakingen. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: Hij wist wel, en Hij weet het, dat wij mensen zijn. Hij is het die mildelijk geeft en niet verwijt.

De Heere Jezus Christus laat Thomas ook geen weken wachten. Hij zegt niet: ‘Nou toen was je er niet, nu moet je maar eerst drie maanden op Mij wachten.’ Hij bestraft hem niet. Hij stuurt hem niet weg. Hij zegt niet: ‘Thomas, nu is het genoeg geweest. Die anderen geloofden wel, maar jij niet. Daar is het gat van de deur!’ Nee, niets van dat alles.

 

Wat hebben we toch, u die de Heere dient en vreest, een goede Meester. Hij doet ons nooit naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. We hebben een Heere die menigvuldig vergeeft. Dat wil zeggen: als je tien keer gezondigd hebt, dan vergeeft de Heere tien keer tien: honderd keer.

En, die Jezus, die komt. Het is een week later. Er staat acht dagen later. In onze telling is het een week. Er staat: Hij kwam, als de deuren gesloten waren. En Hij zei: Vrede.

Zie toch, gemeente, hoe Hij het ongeloof van de Zijnen, van Zijn kinderen draagt en verdraagt.

Want? Waarom? De schuld ervan, de schuld van dat ongeloof is door Hem gedragen en weggedragen en Hij heeft het verzoend.

 

U zegt, terwijl u kijkt naar uw eigen hart, hoe kan dat, als het gaat om mijn hart, dat het toch zo lang duurt... Misschien al wel maanden, misschien al wel jaren. U zegt: Ik verlang daar zo naar, dat ik dat ook uit Zijn mond zou horen. Dat Hij Zich ook aan mijn ziel zou openbaren en zou zeggen: Vrede zij u! Hoe komt het toch, dat het zo lang duurt en dat ik alsmaar blijf hangen in twijfel en ongeloof? Hoe komt het?

Goed lezen hier! Jezus komt als de deuren gesloten zijn. Dat staat er.

Ik zeg het maar eerlijk tegen u (kijk maar in uw hart): Misschien is het wel zo, ik weet het bijna wel zeker, Hij komt niet (zo, met dit Woord ‘vrede zij u’ in uw hart en uw leven) omdat het niet vastgelopen is in uw leven wat uzelf betreft. Er zijn nog zoveel deuren die open staan en zoveel weggetjes waarin u zelf de vrijheid en de vrede zoekt.

U zoekt - ik zal eerlijk zijn tegen u - u zoekt een gedeelde Jezus. U zou Hem graag als Zaligmaker willen hebben, maar u zou graag zelf ook nog wat willen toevoegen. Samen doen. Maar Deze Jezus wil niet, wil nooit met u samenwerken. Hij is òf geen Zaligmaker, en dan doet u het zelf, òf Hij is een volkomen Zaligmaker, en dan doet Hij alles.

U vindt geen vrede, zolang u het op andere plaatsen zoekt. U vindt geen vrede, zolang niet iedere uitweg, niet iedere deur, niet iedere weg is afgesloten en dichtgedaan.

U vindt pas vrede voor uw hart, als u zingt met een traan in uw hart: Ik wou vluchten, maar ik kon nergens heen. Toen vluchtte ik tot Jezus, en Hij heeft mij gered.

Jezus komt en zal komen, als de deuren gesloten zijn. Als u voor u zelf geen weg meer ziet om er uit te komen, om uzelf te verbeteren en iets aan te brengen bij God.

Als de deur gesloten is. Als de mond gesloten is. Als u zegt: O God, Uw doen is rein. Uw vonnis over mijn leven is gans rechtvaardig.

Als ik geen weg en geen uitkomst meer zie in mezelf, dan komt Hij. En dan zal Hij zeggen, ook in uw leven: Hier, hier ben ik, Ik ben de Weg, de enige Weg. Vrede zij u.

 

Een komende Jezus. Bij Hem, gemeente, is alles wat u nodig hebt. Bij Hem is verzoening, ook voor uw slordige kerkgang. Voor uw slordige, zondige leven. Voor je gespijbel op de catechisatie. Kom terug jongens, meisjes. Ouderen in de kerk, als u er niet altijd bent. We zijn blij als u er bent. En we kijken u – ik beloof het u – niet verwijtend aan. Want wij, allemaal, zijn precies hetzelfde. Dat ongeloof dat leeft in uw hart, leeft ook in ons hart, leeft ook in mijn hart. Maar hier moet u zijn onder de dienst van het Woord, anders gaat het fout en goed fout ook. Anders komt u voor eeuwig om. Dan komt u letterlijk, niet in de hemel maar in de hel. Hier is de plaats waar God uw hart, uw leven wil veranderen. Hier is de plaats, jongeren, waar God je een nieuw hart wil geven.

 

Bij die Jezus, u die de Heere zoekt, is verzoening, ook voor uw ongeloof. Je kunt daar zo onder gebukt gaan. ‘Heere, ik zou zo graag willen geloven dat het ook voor mij is, maar ik kan het niet. Ik durf het niet. Wat moet ik toch doen’, zegt u, ‘met dat ongeloof van mijn hart?’

Nou, niet in de eerste plaats naar de dominee, naar de ouderling of diaken of naar je vader of moeder of naar een kind van God. U moet bij Hem zijn. U moet bij God zijn. U moet met al uw ongeloof bij Christus zijn. Hij maakt zalig. Niet alleen van openbare en zichtbare en van verborgen zonden, maar ook en vooral van die zonde die Hem zoveel verdriet doet, van de zonde van ongeloof. Bij Hem is de macht en de kracht en het vermogen en de bereidheid om ook die zonde van uw hart te vergeven.

 

Wat een wonder. Hij stuurt die ongelovige Thomas niet weg, zo van ‘jongen, ga maar’. Nee, nog nooit heeft onze God een van Zijn kinderen, hoe ongelovig ook, weggestuurd. Ik(!) zeg het in mijn hart (tegen de Heere en misschien nog niet eens, maar het leeft wel zo in mijn hart): ‘ik weet niet hoe ik geloven moet en hoe ik geloven kan’.

En wat is Zijn(!) reactie? Hij biedt mij Zijn vrede! Vrede door het bloed van het kruis. Vrede door de wonden van Zijn handen en Zijn hart. Vrede door Zijn dood en door Zijn leven en door de kracht van Zijn opstanding.

 

Wanneer? Waar? Hier, als wij het Woord horen. Want wat is dat Woord toch een krachtig middel om het ongeloof van het hart van Thomas te breken.

Als God hier in de kerk God, tegen u, zoekende zondaars, die buiten Hem niet leven kunt maar niet weet hoe u geloven moet, gaat zeggen: ‘Ik heb U liefgehad. Ja, Ik heb u zelfs liefgehad met een eeuwige liefde en daarom heb Ik u getrokken. Ondanks al uw vijandschap en weerstand en verzet en ongeloof. U wilde niet en u kon niet. Maar Ik heb u getrokken met koorden van goedertierenheid. En Ik zal blijven trekken. Ik zal u niet loslaten…’ Wat is dat woord, en wat zijn andere woorden uit de Schrift, dan toch machtige middelen om het ongeloof van uw hart te breken. Als Christus zegt: ‘Ik leef en u zult leven’. Zijn Woord is machtig. En daarom moet u hier zijn.

Het Woord is een machtig middel om het ongeloof te breken. En de tekenen! Ook dat zijn machtige middelen om het ongeloof van ongelovige gelovigen, kinderen van God als Thomas, te breken.

Als u, die de Heere dient soms (en die mensen zijn er, ook hier), soms wegblijft bij het Avondmaal, doet u de Heere heel veel verdriet. Waarom? Omdat u de nood van uw ongeloof niet bij Hem brengt. U gaat er thuis zelf mee zitten. Maar u moet het bij Hem brengen. Juist op dat moment, waarop Hij de tekenen van Zijn liefde voor zulke slechte mensen, voor weglopers, voor mensen die niet willen en kunnen geloven, juist als Hij de tekenen van Zijn liefde voor zulke mensen laat zien en zegt: ‘Kijk maar, hier zijn de tekenen van Mijn lijden en van Mijn verzoening voor de zonden van uw ongeloof. Hier ben Ik’. Dat zegt de Heere niet als u thuis blijft. Ook niet als u thuis blijft in ongeloof. Dat zegt de Heere hier, door Woord en sacrament.

 

Er is geen enkele reden om hardheid naar u toe te uiten. Maar wij die de Heere mogen dienen en vrezen, mogen wel zeggen (we zeggen het de andere discipelen maar na): ‘Wij hebben de Heere gezien. Hier onder het Woord. Hier in de kerk, bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Bij de bediening van de Heilige Doop. We hebben de Heere gezien. En Hij zei tegen ons (even slecht zijn wij, vol van ongeloof en ook zo weglopend als u), Hij zei tegen ons: Vrede zij u’.

 

Blijf, kind van God, de volgende keer niet meer thuis. Dit is de les hierin gemeente, voor allen die God vrezen. Vooral als ons leven koud geworden is. En dat gebeurt. Het geloof is niet meer levend. En de innige verbondenheid met Christus zijn we kwijt geraakt. Luister dan, luister eens goed. Laat dat, wat hier in de kerk uw hart ooit overreedde, de kostbaarheid van Zijn bloed voor zo’n slecht mens en de waarde van Zijn liefde voor zo’n wegloper als U en ik, laat dat toch vanmorgen uw hart opnieuw breken.

Zie door het Woord Zijn handen, waarmee Hij zegt tegen u, die de Heere vreest: ‘Ik deed dat voor u’. Zie het litteken van de speerstoot in Zijn hart. Zo veel heeft het Hem gekost. Uw ongeloof, mijn ongeloof. Zo veel lijden heeft dat Hem gekost. In die tekenen, in het Woord, in de tekenen van de sacramenten, in die tekenen leest u Zijn zondaarsliefde. Zijn stervende liefde voor u. En mijn dringende vraag is: Kan die liefde van Christus, uw hart niet breken? Zoals het hart van Thomas brak. Zijn stervende liefde, Zijn opzoekende liefde, Zijn vasthoudende liefde… Hij laat nooit varen het werk dat Zijn hand begon.

 

Wees toch niet ongelovig maar gelovig, Thomas. Een milde berisping. Een vriendelijke terechtwijzing. En tegelijkertijd ook een aansporing, een les voor de toekomst.

 

En dan zegt Thomas in vers 28 (Thomas antwoordde en zeide tot Hem): ‘Mijn Heere en Mijn God.’ Van zo’n Jezus (die niet zegt ‘ga maar’, maar die de deur open doet en zegt ‘vrede zij ulieden’), van zo’n Jezus, het kan niet anders, breekt het ongelovige hart.

Dan hoef je die Jezus, die zegt ‘raak Mij maar aan, Thomas’, niet meer aan te raken. Dan is het genoeg: Zijn liefde, Zijn blik, Zijn woorden. Het is genoeg.

Kijk maar in vers 29. Daar staat niet: omdat U mij aangeraakt hebt, maar daar staat: omdat u Mij gezien hebt. Dat was genoeg.

 

En dan breekt het hart van die ongelovige Thomas uit in (letterlijk) de meest heldere geloofsbelijdenis van alle Evangeliën.

U (zegt hij), bent de Heere, U bent de opgestane Koning. En U bent God.

U bent mijn Heere en U bent mijn God.

Wat denk je, jongens en meisjes? Thomas heeft het weer op een rij. Schittert hier de logica, de nieuwe optelsom van Thomas? Ik weet het weer, dit is mijn Heere?

Nee, dit komt niet van Thomas. Hier schittert Gods werk. Hier schittert ten diepste de eenzijdige liefde van God in Christus. En hier schittert de trouw van Christus.

 

En, gemeente, Hij is nog steeds Dezelfde. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Hij komt niet zichtbaar, letterlijk zichtbaar met je ogen. Maar Hij komt toch echt. Door het Woord. Als de deuren van je hart gesloten zijn. En het vreesachtige hart geen weg meer ziet. ‘Heere, waar moet ik toch naar toe met mijn ongeloof? Ik zie geen weg meer. Ik weet niet meer hoe het moet. En ik kan het niet en ik durf het niet en ik weet ook niet hoe ik het moet geloven. Ik moet het eigenlijk toch eerst zeker weten…’

En dan, dan komt Hij. Dan opent Hij de deuren en zegt: Hier ben Ik. Ik voor u, daar u anders, ook vanwege uw hardheid en ongeloof, de eeuwige dood had moeten sterven.

Die zekerheid (we kunnen zo gebukt gaan, u die de Heere vreest, onder twijfel en gebrek aan zekerheid), die zekerheid, die geloofsjubel van Thomas, ‘Mijn Heere en mijn God’, dat is geen optelsom van eerdere ervaringen en bevindingen. Het is om zo te zeggen niet als een checklist, waarop je kunt afvinken: ik geloofde eerst dit, en toen beleefde ik dat, en toen dat, en nu heb ik 10 punten op de lijst van mijn geloof, nu weet ik het zeker...

Ik zal u zeggen: Ik heb 10 punten op de checklist van mijn ongeloof, van mijn hardheid en van mijn weglopen. En toen, en dat is een eenzijdig wonder van Goddelijke genade, en toen kwam Jezus in mijn leven. En toen brak ik met al mijn ongeloof en twijfel en zonde voor God. En toen zag ik Hem in Zijn onvergelijkbare, weergaloze liefde voor zo’n slecht mens, voor zo’n wegloper, die niet kon en wilde geloven. Toen zag ik Hem, toen zag ik iets van Zijn zondaarsliefde. En toen brak mijn hart. En toen brak mijn ongeloof.

En de grote vraag is, gemeente, leg uw hart er naast: is uw Thomashart ooit zo gebroken? Niet toen u de optelsom maakte: tien punten van mijn geloof. Nee, toen u de optelsom moest maken: tien punten van mijn ongeloof en ik weet geen weg meer en ik weet niet meer hoe het verder moet.

Hebt u ooit zo, als een arme en rechteloze zondaar, hulpeloos gebogen aan de voeten van deze opgestane Christus? Terwijl u het zei in uw hart: ‘Heere, ik verdien het niet dat U ooit nog in liefde naar mij om zou zien’.

En Hij zei (onbegrijpelijk wonder van genade), Hij zei: ‘Vrede zij u’.

 

Zalig u, die Hem nooit letterlijk met lichamelijke ogen hebt gezien, maar wel met de ogen van het geloof. En geloofd hebt. Dat, gemeente, hebben we allemaal nodig, zonder enige uitzondering. Dit is wat u nodig hebt te weten: ‘ik ben van Hem en Hij is mijn Heere en mijn Zaligmaker’.

En ik zeg het eerlijk: zonder dat u daar iets van kent, kunt u niet met vrede en blijdschap leven, maar u kunt zeker niet in vrede en rust sterven.

Het is niet genoeg dat u weet dat er een ark is. U moet in de Ark zijn.

En het is niet genoeg, het is tekort voor de eeuwigheid en voor het Goddelijke gericht, dat u alleen maar weet dat er een Zaligmaker is en dat de Zaligmaker is opgestaan. U moet het weten dat deze Zaligmaker van zondaren uw Zaligmaker is, die u als een goddeloze gerechtvaardigd heeft door Zijn bloed.

 

Zoekende zondaars onder ons, tot slot.

U, die door Goddelijke genade ontwaakt bent uit uw dodelijke rust. U zoekt een weg (misschien sinds kort, misschien al veel langer), een weg om zalig te worden.

Ik roep u toe in de Naam van de Heere Jezus Christus: Hij kwam om het verlorene te zoeken! Niet om vrienden en gelovige mensen zalig te maken, maar om vijanden met God te verzoenen. Het Hij is van harte bereid om u uit genade met God te verzoenen!

U zegt: ‘ja, maar dat kan ik en durf ik voor mezelf niet te geloven. Ik kan niet geloven dat God zo genadig is, dat Hij die losprijs heeft bereid voor mijn ziel.’ En u zegt: ‘ik kan het niet geloven, dat er zoveel liefde is in Christus dat Hij mij zou willen wassen van al mijn zonden’.

Ik zeg u: ‘het zou meer dan rechtvaardig zijn, als God vanmorgen tegen u zou zeggen: Ga!’ Maar Hij zegt het niet. Hij zegt: Kom! Zie naar Mijn handen. De littekens van de spijkers. En leg uw hand maar in Mijn zij. In het teken van de speerstoot in Mijn liefdehart. Ik deed het, zoekende, Godzoekende zondaar, voor u. Om u als een vijand, als een goddeloze, met God te verzoenen.

Durft u Zijn zondaarsliefde nog langer af te wijzen?

 

Amen.