Ds. R. Kattenberg - Zondag 36

Het derde gebod en Gods Naam

De zonde van de mens die veroordeeld wordt
Het borgwerk van Christus dat verkondigd wordt
De wandel van Gods heiligen die voorgesteld wordt

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 1, 2
Lezen : Exodus 3: 1-14
Zingen : Psalm 145: 1, 2
Zingen : Psalm 130: 2
Zingen : Tien Geboden: 1, 4
Zingen : Psalm 141: 3

Wij schenken in deze dienst aandacht aan Zondag 36 uit de Heidelbergse Catechismus; de vragen 99 en 100:

 

Vraag 99: Wat wil het derde gebod?

Antwoord: Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam van God niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij de heilige Naam van God anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.

 

Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Antwoord: Ja gewis; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.

 

Gemeente, het gaat in Zondag 36 over: Het derde gebod en Gods Naam.

 

We overdenken drie gedachten:

1. De zonde van de mens die veroordeeld wordt

2. Het borgwerk van Christus dat verkondigd wordt

3. De wandel van Gods heiligen die voorgesteld wordt

 

Onze eerste gedachte:

 

1. De zonde van de mens die veroordeeld wordt

 

Gemeente, u hebt misschien wel eens iemand horen zeggen: ‘Stel je voor dat alle kleuren rood waren.’ Dat zou heel bijzonder zijn. Heel eentonig. Alle kleuren rood. De kinderen kunnen zich dat wel een beetje voorstellen: de kerkbanken rood, de collectezakken waar de diakenen net mee rondgingen rood, rode pakken aan en alle kleren die jij aan hebt rood. Wat eentonig!

Stelt u zich ook eens voor dat alle mensen dezelfde naam zouden dragen. Alle mannen en jongens, en alle vrouwen en meisjes dezelfde naam. Alle meisjes Linda de Ruiter, alle jongens Jaap de Bakker. Het is al moeilijk voor een groepsleerkracht als in een klas twee kinderen zitten met dezelfde voornaam. Dan moet je al een toevoeging gebruiken om aan te geven wie je bedoelt. Dus iedereen dezelfde naam is erg verwarrend.

Gelukkig is het zo niet. Niet alle kleuren zijn rood en niet alle mensen hebben dezelfde naam. Elk mens heeft zijn eigen naam. Daardoor onderscheidt hij zich van andere mensen. De naam van mensen is uniek. Wij dragen onze namen om ons van elkaar te onderscheiden.

 

Ook God heeft een Naam. Moet Hij Zich dan ook van iemand onderscheiden? Nee, want er is maar één God en er zijn geen goden naast Hem. Toch heeft God Zichzelf een Naam gegeven. Waarom zou dat nu zijn? Als Hij de enige God is, waarom draagt Hij dan toch een Naam?

Hij hééft een Naam. Je wordt er bij bepaald als je naar de kerk gaat, of als je een gebed doet: dat wonder dat God Zichzelf een Naam heeft gegeven. Het is de schuld van je leven dat je het zo gewoon vindt. Het is de zonde van de gewenning.

Maar toch, gemeente, heeft God Zijn Naam geopenbaard. En in die Naam zegt Hij Wie Hij is en wat Hij is. Wat een genade van God!

Kinderen, hoe zou je anders kunnen bidden, als de Heere Zijn Naam niet geopenbaard had? Dan wist je niet eens dat er een God was.

 

We hebben samen de geschiedenis van Mozes bij het brandende braambos gelezen. Mozes vraagt de Heere dan: ‘Wie, kan ik zeggen, is Degene Die mij gestuurd heeft? Zou U Uw Naam willen zeggen?’ Dan openbaart de Heere Zijn Naam als: Ik zal zijn Die Ik zijn zal (Ex.3:14). ‘Ik ben Die Ik ben. Die heeft u gestuurd!’ God heeft Zijn Naam bekendgemaakt.

Gemeente, merkt u het op? Het gaat van bovenaf naar beneden toe; van de hemel naar de aarde. Niet wij hebben God een Naam gegeven. Wie zou dat kunnen? Wie kan ooit in één naam aangeven Wie God is en wat God is? Dat kan alleen God Zelf maar zeggen. En dat heeft Hij gedaan. Van de hemel naar de aarde toe. Zó, dat Zijn Naam aangeroepen en uitgesproken kan worden.

God heeft Zich niet verborgen gehouden. Nee, Hij heeft Zich geopenbaard. Ik ben de Heere uw God (Ex.20:2). Zo is het geweest, zo is het nog en zo zal het blijven. God is niet een God Die Zich verborgen kan houden. God is een sprekend God en Hij komt tot ons in Zijn Naam. In Zijn Naam daalt God tot ons af. In Zijn Naam buigt God Zich tot ons neer.

 

Ook voor Mozes is het een wonder geweest dat de Heere Zijn Naam genoemd heeft en  daarin uitsprak: ‘Mozes, Ik ben de Onveranderlijke. Ik zal zijn Die Ik zijn zal. Ik ben Die Ik ben.’ Het kan ook vertaald worden met: Ik ben er bij; Ik ben er.

 

Gemeente, God heeft Zijn Naam bekendgemaakt. En nu mogen wij die Naam op onze lippen nemen. De mens mag de Naam van God noemen.

Maar er is een moeilijkheid. U zegt: ‘Welke?’

Wel, misschien weet u dat wel vanuit uw eigen leven. Onze kinderen misschien ook wel.

Als ze je naam kennen, dan kunnen ze je naam ook gebruiken om je uit te schelden. Dan kunnen ze je naam ook zomaar gebruiken. Dat geldt des te meer als het om de Naam van God gaat.

God heeft Zijn Naam geopenbaard. Mag ik het zo zeggen, dat God daarmee kwetsbaar is geworden? Want wij kunnen Zijn Naam dan ijdel gebruiken! De Heere heeft gezegd in Zijn wet: ‘Ik ben de Heere uw God, gij zult de Naam van de Heere uw God niet ijdel gebruiken.’ IJdel, dat wil zeggen: hol, zonder betekenis, zomaar.

Daarom geeft de Heere een gebod dat richting geeft aan onze mond. Gij, dat staat er in het enkelvoud, u en jij, zult de Naam van de Heere niet zomaar gebruiken.

U moet die Naam wel gebruiken. Jazeker, zegt de catechismus, gebruik die Naam om Hem te loven, te prijzen, te eren en groot te maken. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.

 

Gemeente, moeten we niet belijden dat we in het heilig gebruik van de Naam van God niet staande zijn gebleven? Altijd maar weer? Er kan geen preek zijn of het werk van Christus, het kruis van Golgotha, moet er hoe dan ook in genoemd worden. Maar dat betekent ook dat in elke preek het verloren paradijs en de zonden genoemd moeten worden. Want het kruis hangt niet in het luchtledige, nee, het staat midden in deze vervloekte wereld. Zo kom je ook vanuit het overdenken van dit gebod bij het paradijs uit. Toen wisten we ons geroepen om de Naam van God hoog te houden tegenover de vorst der duisternis. Maar we hebben dat niet gedaan; we hebben daarmee ons doel gemist. En het doel missen, dat is zonde!

Onze kinderen kunnen het ook begrijpen. Er wordt wel eens iets aan je gevraagd, bijvoorbeeld door iemand die je tegenkomt op straat. Je zegt dan: ‘Dat moet ik eerst even aan mama of papa vragen.’ Zo zou je kunnen zeggen dat Adam en Eva het ook eerst aan de Heere hadden moeten vragen. Dat is toch zo?

Voelt u het aan? We zijn onze eigen weg gegaan en we hebben de Naam van de Heere opgegeven voor een vreemde, die ons dingen voorspiegelde die helemaal niet waar bleken te zijn.

Laten we bedenken dat de Heere ons ook vandaag door het Woord wil ontdekken. Ontdekken, dat betekent: een deksel eraf halen. De Heere zegt door middel van het Woord: ‘Ik wil in uw hart kijken. Hoe leeft u voor Mijn aangezicht?’

 

Wat is de catechismus toch heel concreet, als het gaat om het aanwijzen van het misbruiken van de Naam van God: ‘Wat wil het derde gebod?’ Het antwoord is: ‘Dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren, de Naam van God niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken.’

Gemeente, is de kwestie van vloeken het voornaamste? Moeten we het daar vandaag op toespitsen? Misschien denkt iemand dit wel. Maar wat is het dan goed dat we elkaar vanuit het Woord van de Heere onderwijs mogen geven.

Want ik denk toch écht dat het anders ligt. U zegt: ‘Hoe dan?’  Wel, de diepste zin van het derde gebod is dat wij de Naam van God niet mogen gebruiken om persoonlijke belangen na te jagen, of om onze naaste te gronde te richten. Het gaat om de Naam van God met betrekking tot uw eigen leven.

 

Zeker, vloeken en andere woorden die niet passen gaan helaas onze deur niet voorbij. Maar waar het om gaat is, laat ik het zo zeggen: u mag God, en de Naam van God, niet zomaar voor uw karretje spannen.’

Ik geef een voorbeeld uit de kerkgeschiedenis: de kruistochten. Met vele duizenden trokken ze richting Jeruzalem, en wat zeiden ze? ‘God wil het! God wil het!’ Dat is toch het einde van alle tegenspraak?

Meisjes en jongens, jullie lezen misschien wel eens wat uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Dat moet je in ieder geval wel doen, zodat de geschiedenis zich niet herhalen zal. Jullie weten dan wel dat de leidende figuur uit de Tweede Wereldoorlog Hitler was, in Duitsland. Hij zei dat de Voorzienigheid – en dat woord schreef hij dan met een hoofdletter – hem had uitverkoren om de Joden uit te roeien…

Dat is de Naam van God misbruiken, om plannen te laten goedkeuren die dwars ingaan tegen de openbaring van God.

 

Zulke dingen gebeuren nog wel. Zeker, niet zo extreem zoals bij de kruistochten en bij Hitler het geval was. Maar sommige mensen vertalen de gebeurtenissen of hun  omstandigheden zo gauw naar zichzelf toe, ze zeggen zo snel: ‘Maar dat is naar Gods raad, hoor! Het is Gods leiding in mijn leven; het is Gods wil.’

We gebruiken, we misbruiken de Naam van de Heere zo gemakkelijk voor eigen zaken. Wij maken onze plannen. Wij maken een stukje bestek voor ons leven. Zus en zo ziet het eruit en dan de Naam van God eronder. Wie doet je wat? Gods Naam erbij; dat is toch goudgerand?

U voelt wel aan dat God Zijn Naam niet aan ons wil afstaan voor allerhande praktijken waarmee we ons eigen voordeel beogen, en waardoor we anderen benadelen. De Naam van God is een heilige Naam!

 

Ik zei u zo-even al dat het derde gebod uiteraard ook over het vloeken spreekt. Bedenk nu eens waar het derde gebod in de catechismus staat. In het stuk van de dankbaarheid! In Zondag 1 heeft de christen in het geloof gezegd: ‘Ik ben niet meer van mezelf, maar ik ben het eigendom van mijn getrouwe Zaligmaker, Jezus Christus.’

Als Hij u gekocht heeft naar lichaam en ziel en als Hij voor al uw zonden betaald heeft, zou u dan de Naam van de Heere misbruiken? Zou u de Naam van de Heere er dan zomaar bij halen in omstandigheden van het leven, en zeggen: ‘Dit is naar Gods wil, of dat is naar Gods raad’? De dankbaarheid jegens de Heere vereist toch dat we Zijn Naam niet zomaar gebruiken? Dat we Zijn Naam ook niet bij allerlei gelegenheden als een stopwoord in ons leven gebruiken?

Bij Christus horen en uit Christus leven en dan tegelijk vloeken en de Naam van de Heere misbruiken; dat kan niet. Dat is een onbestaanbare tegenstelling. Rechtvaardiging zonder heiliging is niet naar het Woord van God. Daarom moeten we de inhoud van het derde gebod niet terugbrengen tot de gedachte: als je maar niet vloekt. Natuurlijk, meisjes en jongens, zeggen we ook vandaag: kijk uit voor je woorden, weet wat je zegt, wees er bedacht op!’ Maar, gemeente, er is veel meer.

 

Dat er in ons land veel gevloekt wordt, weten we, helaas. Elke vloek is er één teveel. Kent u de posters van de Bond tegen het vloeken? Ze staan op verschillende plaatsen in Nederland langs de weg. Vloek niet, word geen naprater. Elke vloek stoort. We zijn het daar van harte mee eens. Het zou méér gezegd moeten worden, jazeker. Maar er zou ook meer achter zo’n uitdrukking gezegd moeten worden.

Stel je voor dat je je buurman hoort vloeken en je zegt tegen de beste man: ‘Doe dat nou niet, dat is niet naar het Woord van God, daar beledig je Hem mee. U weet dat misschien wel.’ Als hij dan niet meer vloekt, is dat fijn. Dan mag je zeggen: ‘Hij vloekt niet meer.’

Maar, gemeente, als we nu nóg eens aan die man denken. Zou je dan ook niet tegen hem moeten zeggen: ‘Bekeer je’? Hij moet toch voor God leven? Hij mag die Naam van God best gebruiken, maar niet om te vloeken.

 

U zult ook wel uit de praktijk van het leven weten dat het niet de makkelijkste dingen zijn in het leven. Ooit waren we in Limburg, waar veel rooms-katholieken wonen. Voor die mensen is vloeken geen doodzonde. We waren daar eens in een schoenenwinkel waar een oudere dame ons hielp. Terwijl ze ons hielp gebruikte ze een paar keer Gods Naam. Ja, hoe moet je dan reageren? Kun je daar iets van zeggen?

We zeiden: ‘Mevrouw, hebt u die poster buiten ook gezien?’ Er hing daar een poster van de Bond tegen het vloeken. Nee, die had ze niet gezien. Toen zeiden we: ‘Nou, dat is jammer, want er staat iets op over het eerbiedig spreken over God, en dat je de Naam van de Heere niet zomaar moet gebruiken.’

Ze zei: ‘Heb ik dat dan gedaan?’

‘Ja, u hebt de Naam van God gebruikt.’

Toen zei ze tot onze beschaming: ‘Dan zal ik Hem nodig gehad hebben.’

U kent misschien zulke situaties wel. En zo kwam er een gesprekje op gang. Dan weet u dat het niet altijd zo eenvoudig is; maar het gaat er wel om dat we over de dienst van de Heere proberen te spreken met de ander. Niet alleen maar met als doel dat hij of zij niet meer vloekt, maar dat zo iemand de Naam van de Heere belijden zal.

 

Kijk, dan kom je bij de kern van de zaak. Dan kom je bij het kruis van Christus. Want bekering is onlosmakelijk verbonden met het kruis van het Lam van God, de verzoening van de zonden, en de heenwijzing naar Hem. Om Hem moet het in uw, in jouw en in mijn leven gaan.

Gemeente, heeft u met het overdenken van dit gebod ook uw eigen schuld hierin gezien, uw eigen overtreding? Juist als we in de kerk zijn, horen we hoe God Zijn Naam heeft geopenbaard. Geopenbaard tot zaligheid.

 

Hoe indrukwekkend is het, als we bedenken hoe God Zijn Naam verbonden heeft met onze naam. Toen wij van ons bestaan nog niet afwisten, toen we nog maar een handvol waren, toen we in vaders of moeders arm gedragen werden tot het doopvont, toen  klonk: ‘Ik doop u, in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’ God beloofde toen heel nadrukkelijk: ‘Ik ben de Onveranderlijke in de trouw van Mijn verbond.’ God openbaarde Zijn Naam. God gaf Zijn Naam mee in ons leven. Hebben u en jij en ik Zijn Naam verheerlijkt en grootgemaakt? Is schuld, schuld geworden en zijn zonden, zonden geworden?

Wat kan ook hier het geloof van Gods kinderen worden aangevochten. Wat heb je er van terechtgebracht? Satan klaagt je aan en probeert je in uiterste engten te dringen. Je hebt gevloekt, of je hebt dit niet gedaan en dat wél gedaan. Wat kan de storm over de vlakte van je leven razen! Gemeente, hoe komt een mens hier doorheen?

Nee, niet vanuit zichzelf. Niet door je voor te nemen nooit meer een lelijk woord zeggen.

Nee, er is er Eén Die aan het einde van Zijn leven gezegd heeft: ‘Vader, Ik heb Uw Naam verheerlijkt op de aarde.’ En dat is Jezus. Heel Zijn leven was een borgtochtelijk leven. In Hem komt de genade van God openbaar. Ook bij dit derde gebod. Om te mogen weten wat we samen zingen: ‘Daar is vergeving, altijd bij God geweest.’

 

We zingen Psalm 130 vers 2:

 

Zo Gij in ‘t recht wilt treden,

O Heer’, en gadeslaan,

Onz’ ongerechtigheden,

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer’, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

 

Gemeente, het derde gebod en Gods Naam. De inhoud van het eerste punt was: de zonde van de mens die veroordeeld wordt. En nu als tweede aandachtspunt:

 

2. Het borgwerk van Christus dat verkondigd wordt

 

Alleen al het noemen van de tweede gedachte zou ons stil moeten maken. ‘Het borgwerk van Christus verkondigd… Wie verwondert zich er over? We kunnen het toch niet afdoen met de gedachte: ‘Och, dat hadden we wel gedacht’? Het wonder van het heilshandelen van God valt ook bij dit gebod open!  

Gemeente, het eerste en tweede gebod geven de weg aan voor ons hart: geen andere goden en geen beeldendienst. Het derde gebod geeft een weg aan voor onze mond, voor onze tong.

Dit gebod geeft de Heere om ons te bewaren voor de zonde van de lastering van de Naam van God. Dat is de ene kant. Maar er is ook een andere kant; die kwam al even ter sprake. We mogen van harte en uit volle overtuiging zoeken naar de positieve inhoud van dit gebod.

 

De catechismus gebruikt in het tweede gedeelte van het antwoord op vraag 99 rijke en ingrijpende woorden. In het kort, heel compact wordt gezegd dat we de heilige Naam van God niet anders dan met vrees en eerbied moeten gebruiken.

Waarom is dit?

‘Opdat Hij door ons recht beleden, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.’

Gemeente, er ligt enerzijds betrokkenheid, anderzijds terughoudendheid in het antwoord. De heilige Naam van God gebruiken. Maar hoe? Niet met angst, maar met vrees, staat er. Het zijn ongeveer dezelfde woorden. Vrees en eerbied. Er zit ook de hoogheid in. U mag de Naam van de Heere gebruiken, maar er zijn wel beperkingen. Ook in het goede gebruik slechts met vrees en met eerbied.

Met ontzag voor Zijn majesteit. Zoals staat in Psalm 8: Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde (Ps.8:1). Hier zie je niet iemand die zich opgeblazen heeft zoals Nebukadnezar: Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb? (Dan.4:30). Nee, hierin zie je alleen verwondering en kleinheid. Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde. Dat is het doel waartoe God ons heeft geschapen en het doel waartoe Hij Zijn Naam heeft geopenbaard.

Is dat ook uw dankzegging, gemeente? Is dat de weg van uw heiligmaking? Staande en levende voor het aangezicht van God? Heb je zo die Naam en de Heere lief gekregen? Kijk, het is gemakkelijk om met je vinger naar een ander te wijzen, bijvoorbeeld als iemand vloekt. Maar als de Heere ons zou doen naar de schuld die wij persoonlijk hebben bij dit gebod, niemand zou de kerk levend verlaten. We zouden hier achterblijven, neergeveld door het oordeel van God. Als het gaat om het misbruik van Zijn Naam, niemand zou in leven blijven.

 

Het zou kunnen dat er iemand in zijn gedachten zegt: ‘Luister eens, ik heb echt nog nooit gevloekt, ik kan me niet herinneren dat ooit gedaan te hebben.’ U mag daar dankbaar voor zijn!

‘Ja, maar gaat de intentie van dit gebod dan niet aan mij voorbij?’

Zullen we die vraag door de Bijbel laten beantwoorden? Wat denkt u van Saulus van Tarsen, die farizeeër? Hij was zo keurig en netjes. Gevloekt? O nee! Stipt en voorbeeldig geleefd en geijverd voor de dienst en de wet van God. Hij zou de wet van God niet graag overtreden. Stel je voor dat dat gebeuren zou! Maar later lezen we iets dat Paulus zelf jaren na zijn bekering geschreven heeft. Nooit gevloekt of gelasterd, maar hoe noemt hij zichzelf in hoofdstuk 1 van zijn eerste brief aan Timotheüs? Ik, die tevoren een godslasteraar was (1 Tim.1:13). Dat zegt Paulus, die nooit gevloekt had, nooit één onvertogen woord gesproken had.

Dát is nu het ontdekkend licht van de Heilige Geest. Het mag dan aan de buitenkant zo zijn in je leven – nooit één verkeerd woord gesproken – maar als het licht van de Heilige Geest in je hart schijnt, ga je dit Paulus nazeggen.

 

Gelukkig als je voor de uitbrekende daden bewaard gebleven bent. Maar dat wil niet zeggen dat je niet schuldig staat! Nooit gevloekt? Alleen maar stijve rechtzinnigheid in het leven? De geboden van God niet overtreden? Wel, als Gods Geest in ons leven schijnt, dan zeggen we uit de grond van ons hart en met schaamte voor het aangezicht van God: ‘Heere, met al mijn godsdienst en met al mijn rechtzinnigheid heb ik de eeuwige dood verdiend.’

Dan gaat het niet alleen om het niet vloeken, voelt u? Die andere kant gaat zo wegen. Dat is: die Naam van de Heere met vrees en met eerbied gebruiken. Want we staan voor de hoogheilige, de eeuwige God.

 

Jesaja heeft er ook mee geworsteld. De kinderen zeggen misschien: ‘Jesaja? De profeet? Dat was toch een man, een knecht van God?’ Jazeker! Maar als Jesaja in een visioen door de Heere wordt geroepen, zegt hij: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en ik woon in het midden eens volks dat onrein van lippen is (Jes.6:5).

Jesaja had het er dus ook moeilijk mee. Vandaag worden ook wij er bij bepaald. De ontdekkende spiegel van het gebod doet ons de hand op de mond leggen. Eerst zeggen we misschien nog wel: ‘Ik ben geen vloeker’, maar als het Woord van de Heere en dit gebod tot je doordringt in het binnenste van je hart, als de hoogheid en de heiligheid van de Naam van God in je leven gaat wegen, dan kun je over je schuld niet heen. Dan sta je beschaamd. Waarom? Omdat het recht belijden van God en het prijzen van God en het hoog aanroepen van God en het hoog uitspreken van Zijn Naam niet te vinden zijn in je leven. ‘Zet, Heer’, een wacht voor mijn lippen, en behoed de deuren van mijn mond, opdat mij niet op enig moment iets onbedachtzaams zou ontglippen.’

 

‘Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden? Ja gewis; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam; waarom Hij die ook met de dood te straffen bevolen heeft.’

Voelt u de ernst? Wat klinkt het spreken van God helder in dit gebod! De Heere zal geenszins, helemaal niet, onschuldig houden die Zijn Naam zomaar gebruikt. Onder die aanklacht van de hemel wordt u, voor het eerst en steeds weer opnieuw, zondaar voor God. Want u komt er niet bovenuit. Er zijn mensen die menen dat ze zo ver kunnen komen in de genade, dat ze de zonde te boven komen. De wederdopers in vroeger tijden dachten dat ook. We doen geen zonden meer.

Dat is echter niet naar het Woord van God. Niet om te zeggen: ‘Dan doet het er niet toe’, maar juist om te belijden: ‘Heere, wie ben ik, zondig mensenkind, tegenover U, de hoogheilige God.’

Dan wordt het zo’n wonder dat de Heere het doodsvonnis niet voltrekt in je leven en dat u de gedreigde straf nog kunt ontgaan. Een wonder dat er nog vergeving is. ‘Schoon mijn zonden vele zijn.’ Ook tegen het derde gebod. ‘Maak om Jezus’ wil mij rein.’ Vergeving voor godslasteraars. Ook al leid je een leven dat door een ringetje te halen is.

 

Vergeving. Hoe dat kan? Gemeente, ga in uw gedachten mee naar het rechthuis van Kajafas. Er staat er Eén met geboeide handen. Zijn Naam is Jezus Christus. De Gezondene van de Vader, de Gezegende van de Vader. Er wordt een aanklacht ingebracht tegen Hem: ‘Hij heeft God gelasterd!’ Dat is de ergste vorm van zonde tegen het derde gebod. ‘Hij heeft God gelasterd. Wat hebben we nog getuigen van node? U hebt zelf Zijn godslastering gehoord. Want Hij heeft gezegd dat Hij de Zoon van God is!’

Zonde tegen het derde gebod is een doodzonde. Alle leden van het Sanhedrin stemmen ermee in. De een na de ander. Ja, een doodzonde. Zij, leden van het Sanhedrin, hebben nog nooit een onvertogen woord gesproken. Zij hebben de Naam van de Heere nog nooit misbruikt. Maar die Man daar? Die zegt nota bene dat Hij de Zoon van God is. Weg met Hem!

 

Gemeente, Christus heeft ondervonden hoe hoog God de zonden tegen het derde gebod opneemt. Niet omdat Jezus Zelf een godslasteraar zou zijn, maar omdat Hij ook ten aanzien van dit gebod Borg wil zijn. Omdat Hij ook voor de zonde tegen dit gebod betalen wil voor een ander.

Kijk, hier komt ook bij dit gebod het gezegende evangelie, de blijde boodschap van de genade van God. Hier drupt het bloed van het Lam. Hij heeft geen zonde gekend en geen zonde gedaan en nimmer een onvertogen woord gezegd.

Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:21). Opdat wij ook met betrekking tot dit derde gebod zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Jezus staat  voor een schare van vloekers, spotters en godslasteraars, want dat zijn ze uiteindelijk.

Dan denken we weer aan het woord van Jesaja. Het blijde evangeliewoord. Jesaja sprak door het geloof: De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

 

Heb je Hem zo nodig, ook met het oog op dit derde wetswoord? Onschuldig is Hij veroordeeld in het gericht, opdat wij in het gericht van God zouden worden vrijgesproken. Die Naam, Zijn Naam, de enige Naam als grond voor ons heil en onze zaligheid. Door die Naam alleen kunnen we de welverdiende straf ontgaan en weer tot genade komen.

 

Gemeente, in Hem ligt de weg open naar de Vader. Hoe groot uw schuld ook is. Want het zou kunnen zijn dat u er mee zit. Het is anders geworden in uw leven, maar u hebt vroeger wel gevloekt. Het kan zo terugkomen. Kijk maar naar Paulus. Dan kun je zeggen: ‘Ach Paulus, dat is zo lang geleden. Dat was in je eertijds.’ ‘Nee’, zegt hij, ‘ik die tevoren een godslasteraar was…’

Kijk, daar heb je het werk van de Heilige Geest. Zo is het ook vandaag nog. Dan wordt het ook zichtbaar in het leven van Gods heiligen en als er de behoefte is om Zijn Naam aan te roepen.

Jazeker, met vrees en eerbied om te komen voor Zijn aangezicht. Betrokkenheid en terughoudendheid. Tot wie moet u anders heengaan dan tot Hem? Zo heeft God Zijn Naam geopenbaard, opdat de weg open ligt, opdat Zijn Naam zou worden grootgemaakt.

Zoals we dat ook zingen uit de berijming van de Wet des Heeren, de tien geboden, Gezang 1, het eerste en het vierde vers:

 

Mijn ziel, herdenk met heilig beven,

Hoe God met majesteit bekleed,

Zijn wet op Horeb heeft gegeven,

Waar Hij deez’ woorden horen deed:

 

Misbruikt geenszins de Naam des Heeren;

Zweert nimmer enen valsen eed;

Want hun, die Zijnen Naam onteren,

Is Zijn getergde wraak gereed.

 

Gods Naam en het derde gebod. We zagen de zonden van de mens, het borgwerk van de Heere Jezus Christus, en we sluiten af met ten derde:

 

3. De wandel van Gods heiligen die voorgesteld wordt

 

We lezen nog een keer expliciet in het antwoord op vraag 99: ‘Opdat Hij door ons recht beleden, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.’

‘Recht beleden...’, dat is het doel waartoe God ons Zijn Naam heeft geopenbaard. Niet om Zijn Naam te misbruiken, meisjes en jongens, maar om die Naam te belijden. Belijden wil letterlijk zeggen: hoe je er over denkt.

Kinderen, jullie kennen de geschiedenis van Anna wel. Als de Heere Jezus geboren is en in de tempel gebracht wordt, dan is er Simeon die zijn lofzang zingt, waarna Anna er ook bij gekomen is en evenzo Zijn Naam heeft beleden. Ook Anna heeft gezegd wat ze van haar Zaligmaker dacht.

Daartoe heeft God dus Zijn Naam geopenbaard; opdat Zijn Naam recht wordt beleden, opdat heel je leven met die Naam verbonden zou zijn, opdat met die Naam je leven staat of valt.

 

Gemeente, Zijn Naam belijden is alles zetten op de kaart van die ene Naam. Die Naam laten gelden in alle omstandigheden van het leven. Als u de was doet, als u het eten kookt, als je huiswerk maakt. 

‘Ja, maar ik kan toch niet tegelijk mijn huiswerk maken en aan God denken?’

Nee, dat kan ook niet; je kunt maar één ding tegelijk doen. Maar is je leven zó gericht op God, dat je huiswerk ook binnen dat kader valt? Is je leven er zó van doortrokken dat het naar alle kanten toe blijkt en onder alle omstandigheden?

Misschien moet er dan wel veel aan. Ja, als het gaat om die ene Naam moet uiteindelijk álles eraan. Dat kunnen we makkelijk tegen elkaar zeggen als we hier zo rustig bij elkaar zitten. Maar als het erop aankomt, dan redt u het niet. Alles opgeven omwille van die ene Naam, dat kan alleen in verbondenheid met de Heere Jezus Christus.

 

Zijn Naam belijden. Je loopt het risico dat je uitgelachen wordt. Je loopt het risico dat je de spot wordt van je omgeving; de mensen met wie je dagelijks omgaat. U loopt het risico dat u uitgescholden wordt. U loopt het risico dat ze tegen u zeggen dat u het niet zo nauw moet nemen. 

Ja, die ene Naam belijden. Dat betekent dat je je eigen naam moet opgeven. Als dat gebeurt, gemeente, dan begrijp je ook een beetje wat de dichter van Psalm 116 zong: Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem (Ps.116:1). Dat betekent dat je Hem aanroept, en dat Hij je stem hoort. Dat staat er ook: ‘Hij neigt Zijn oor, ‘k roep tot Hem, al mijn dagen.’

Er staat hier: aanroepen. Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? Ik zal de beker der verlossingen opnemen, en de Naam van de Heere aanroepen (Ps.116:12-13).

 

God openbaart Zijn Naam. Hij wil dat wij Zijn Naam aanroepen, en dat we in die Naam God Zelf aanroepen. Gemeente, dat is wat! Hoe rijk, hoe groot en hoe indrukwekkend is dat! Onze hulp is in de Naam des Heeren, Die hemel en aarde gemaakt heeft (Ps.124:8).

Die Naam aanroepen, of beter gezegd: die Naam belijden, brengt ons tegelijk ook tot het laatste deel van het antwoord: ‘En in al onze woorden en werken geprezen worde.’ Zijn Naam loven en grootmaken. In het loven van de Naam van God verliezen we onszelf aan de glorie van Zijn Naam.

Johannes zei: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30). Dat ging om de Heere Jezus. En u mag daar de Naam van God zo naast zetten. Opdat die Naam mag worden grootgemaakt. Al verdwijnt uw naam.

 

Gemeente, uw eigen naam zál ook verdwijnen. Ga maar naar het kerkhof. Hoe lang wordt het grafrecht van uw ouders bijvoorbeeld nog verlengd? U gaat er nog met de kleinkinderen heen, maar op een gegeven moment kom je er weer en dan lees je: ‘Willen degenen die bemoeienis hebben met dat en dat graf zich verstaan met de beheerder van de begraafplaats, anders wordt het graf geruimd.’

De steen wordt weggehaald, uw naam verdwijnt…

Maar Zijn Naam niet.

Zijn Naam zal eeuwig eer ontvangen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 141: 3

 

Zet, Heer’, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.