Ds. D. Rietdijk - Galaten 5 : 22 - 23

De grote tegenstelling

Het werk van de Geest
De vrucht van de Geest
De vrijheid van de Geest

Galaten 5 : 22 - 23

Galaten 5
22
Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
23
Tegen de zodanigen is de wet niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 1: 1, 2
Lezen : Galaten 5
Zingen : Psalm 133: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 72: 2
Zingen : Psalm 119: 3

Gemeente, wij willen met de hulp des Heeren u het Woord van God bedienen zoals u dat vinden kunt in de Galatenbrief. Galaten 5, daarvan het 22ste en 23ste vers:

 

Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoe­digheid, matigheid. Tegen de zodanigen is de wet niet.

 

Gemeente, wij gaan luisteren naar: De grote tegenstelling.

 

We letten op:

1. Het werk van de Geest

2. De vrucht van de Geest

3. De vrijheid van de Geest

 

1. Het werk van de Geest

 

Maar de vrucht des Geestes, zo begint Paulus onze tekst.

Die tekst is genomen uit de Galatenbrief. Dat is een brief ge­schreven aan gemeenten die in de landstreek Galatië lagen. Die gemeenten waren daar door de Heere gebouwd door de kracht van de Pinkstergeest. Waar de Geest gaat werken, daar moet u altijd de satan verwachten. Waar de Heere werkt, daar komt de satan. Er is een spreekwoord dat zegt: ‘Waar de Heere Zijn kerk bouwt, daar bouwt de satan een kapelletje naast.’ En hoe harder hij tekeergaat, hoe meer dat u er zeker van kunt zijn dat de Heere op weg is om Zijn kerk te bouwen.

 

Dat blijkt uit het Woord van God. U moet altijd maar leven vanuit dat Woord, gemeente, want dat is het enige vaste dat u in uw leven hebt.

De Heere Jezus ging naar het land van Gadara om daar twee bezetenen te verlos­sen. En als Hij in een scheepje midden op het meer is, op de zee van Tiberias, dan komt er een storm. In die storm is de satan. Straks bestraft de Heere de zee. Het is de satan te doen om de Heere met Zijn kerk te laten omkomen. Hoe harder de satan tekeergaat, hoe meer de Heere op weg is om Zijn werk te werken.

 

Dat was ook in de gemeenten van Gala­tië zo. Daar waren mensen binnengekomen; de zogenoemde judaïsten. Dat waren mensen die wel van genade wilden leven, maar ze wilden bij die genade ook zélf wat doen. De mens wil er toch ook zélf wat bij doen. Zij droegen de gemeente op om de wetten van Mozes, de spijswetten, te onderhouden. Ze droegen op om bepaalde dagen en maanden te onderhouden. Een heel bedrijf van wettische verplichtingen en van inzettingen moesten zij vervullen.

 

Mensen die naast de genade nog iets willen toevoegen, die bero­ven Christus van Zijn eer. Zij beroven Hem van de eer dat Hij een volkomen Zaligmaker is. Zij beroven de kerk van de troost. Want als de kerk van haar werken moet gaan leven, gemeente, waar blijft zij dan? Waar blijft u dan? Kunt u van uw werken leven? Als wij van onze werken moeten gaan leven, dan is het verloren. Gemeente, als u nog één ding, nog één nagelschrap, tot uw zaligheid zou moeten toebrengen, dan was dat voor u, voor alle mensen, verloren.

Daarom is Paulus zo scherp in deze brief. Hij zegt: ‘Als de rechtvaardigheid uit de wet is – dus als de judaïsten gelijk hebben – dan is Christus tevergeefs gestorven. Dan is de Heere Jezus tever­geefs op de aarde geko­men; dan heeft Hij tevergeefs aan het kruis gehangen; dan heeft Hij Zich tevergeefs aan de dood overgegeven.’

Als de rechtvaardigheid uit de wet is, dus als er maar één daad van u bij moet, dan is Christus tevergeefs gestorven. Dan is het tevergeefs geweest dat Hij op de aarde kwam, en dat kan na­tuurlijk niet.

 

Gemeente, Paulus predikt de gerechtigheid die in Christus is. Hij zegt: Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen (Gal.5:1).

Dan preekt hij geen vrijheid zoals de mens vandaag aan de dag wil. Die wil vrij leven; men zoekt een beetje vrij­heid. Dat zoeken we allemaal, jongens, meisjes. Wij willen ook graag leven zoals de wereld leeft en dan toch tegelijk de kerk een beetje bij de hand houden. Zo willen we allemaal leven.

Maar dát preekt Paulus niet. Hij preekt de vrijheid die in Christus Jezus is. Hij preekt niet een vrijheid waarin de mens zich uit kan leven. Hij preekt een vrijheid waarmee Christus Zijn kerk vrijmaakt en waar Hij ze in vrijheid doet wandelen door Zijn Geest. Paulus spreekt over dat nieuwe leven der genade.

 

Gemeente, het gaat erom dat wij het leven der genade deelachtig worden. Want wat ons nodig is, dat is het werk van de Pink­stergeest. De Pinkstergeest, Die gekomen is op aarde. En toen, op de eerste pinksterdag, werden drieduizend mensen vernieuwd; die werden levend gemaakt. Je kunt ook zeggen: zij werden inge­lijfd in Christus, gingen leven uit Christus, werden bediend uit de Levensbron, Christus. Daar werden mensen van dood levend gemaakt.

Als mensen worden levend gemaakt, uit de doodslaap worden opgewekt, dan kun je dat zien. Dan gaan ze anders leven, hebben ze andere be­geerten, andere uitgangen van hun hart. Dan worden andere lusten in hun leven geboren. Kortom, er ontstaat een nieuw mens. Bovendien, dat zijn mensen die een heimwee hebben naar God.

Gemeente, het werk van de Heilige Geest is om heimwee naar God in je ziel te werken. Als je heimwee naar God kent, dan komt de grote vraag in je leven: hoe kom ik met God verzoend? Hoe kom ik ooit weer in gemeenschap met God? En dan gaat de Pink­stergeest Christus verheerlijken in een mensenhart. Hij gaat openba­ren waar het leven ligt, waar de weg ligt tot God.

Hoe kan een mens die totaal verlo­ren is en zonder God in de wereld is, en die alles verzondigd heeft, en geen rechten meer heeft, hoe kan die nu met God verzoend worden?

Dat gaat de Geest leren vanuit het eeuwig evangelie. Hij gaat leren dat er een weg is, door God gegeven, in de Zoon Zijner liefde. Het wordt de dier­baarste weg die u zich ooit kunt voorstellen.

 

Gemeente, het volk van God, dat zijn mensen die heimwee naar God kennen, die Christus dierbaar achten en die uit Christus gaan leven. Zij gaan vruchten voortbrengen. Waar dat werk van de Geest is, daar worden ook vruchten gezien. Waar het werk van de Geest gevonden wordt, daar worden de vruchten openbaar.

 

Er zijn tweeërlei vruchten. Er zijn vruch­ten van het vlees. ‘Werken van het vlees’, zegt Paulus in onze brief in hoofdstuk 5. Daar ontdekt de Geest aan. Het zijn de werken die u vindt vanaf het negentiende vers: De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving. Dat zijn alle­maal werken van het vlees. Die doen we van nature; daar is de wereld vol van.

Wanneer we dat gaan ontdekken in ons leven, door de kracht van de Geest, dan gaan we ons met heilige schaamte schamen voor God. Dan gaan we voor God buigen en gaan we onze zonden aan de Heere belijden.

 

Tegenover ‘de werken van het vlees’ staat ‘de vrucht van de Geest’. Die is nu zo nodig in ons leven. De Heere Jezus zegt: Uit de vrucht wordt de boom gekend (Matth.12:33). Aan de vrucht kun je zien welke boom je aantreft. Je leest geen druiven van distelen en je leest geen vijgen van doornen. Van een goede boom krijg je goede vruchten en van een kwade boom kwade vruchten. Het gaat om de vrucht des Geestes in ons leven.

En ‘de vrucht des Geestes’ staat nu recht tegenover ‘de werken van het vlees’. Dat is dat woordje ‘maar’ in onze tekst.

Dat is de grote tegenstelling waarover wij in de tweede plaats gaan spreken, wanneer we gaan handelen over:

 

2. De vrucht van de Geest

 

Maar de vrucht des Geestes….

Zij zal in ons leven gevonden moeten worden. Er zijn in het leven van het volk des Heeren twee dingen. Het zijn de werken van het vlees en de vrucht van de Geest.

Paulus laat ons in dit hoofdstuk horen dat er een inwen­dige strijd is. Waar de Geest komt, daar komt de strijd. Want wij hebben namelijk een oud hart, dat boos is en dat vol is van verderf. Waar de Geest komt wonen, is een nieuw hart, dat vernieuwd wordt naar het evenbeeld van God. Dus twee harten. Een nieuw hart en een oud hart.

In Romeinen 7 staat dat Paulus een inwendige strijd kende: Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt  (Rom.7:19,21). Paulus kende dus ook de strijd van het oude hart en van het nieuwe hart. Paulus noemt het de strijd tussen ‘het vlees en de Geest’ en ‘de Geest en het vlees’, en die twee staan tegenover elkaar.

 

Ge­meente, twee harten. Die vindt u bij het volk van God.

Het ene deel zijn de werken des vleses. Er staat ‘werken’. Dat is meervoud. De werken van het vlees komen voort uit ons boze hart. Je kunt ze nooit opsommen. Het zijn er zoveel. Er is zoveel ongerechtigheid!

Hebt u dat ontdekt, gemeente? Hebt u wel eens ontdekt dat er dingen in uw hart leven, waarvan u nooit hebt gedacht dat die uit u voortkomen? Zaken waarvan u nooit vermoed zou hebben dat ze in uw hart leven? Hebt u dat wel eens ontdekt? Daar kom je achter.

Dan worden de verzen 19 tot en met 21 van Galaten 5 niet iets voor een ander, voor de wereld. Nee, ze worden iets van mijzelf.

 

Tegenover de werken des vle­ses staat de vrucht des Geestes. Let u erop dat er niet staat: de ‘vruchten’ des Geestes. Het staat er niet in het meervoud, maar het staat er in het enkelvoud. De Geest heeft één vrucht. Enkelvoud!

Gemeente, waarom zou dat er zó staan? U moet het zo opvatten. Al de dingen die verder genoemd worden: liefde, blijdschap, vrede, lankmoe­digheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid, die horen bij één zaak. Het is één vrucht. Je kunt het vergelijken met een diamant. Een diamant heeft slijpvlak­ken, en als je hem draait krijg je telkens opnieuw een ander beeld. Zo is er ook één vrucht des Geestes en die kun je wentelen, die kun je keren en dan zie je telkens wat anders, maar het blijft die éne vrucht.

Dat heeft te maken met dat ene beeld van God, dat weer in de mens wordt opgericht in de weder-herstelling van de mens. Het gaat om dat ene beeld Gods dat we kwijtge­raakt zijn; dat in de genade door de herschep­ping terugge­ven wordt.

 

Het is dus één vrucht. Je kunt dus niet zeggen: ‘Matig­heid heb ik wel en blijdschap, maar liefde, nee, daar weet ik niet van.’ Dat kan niet, ze horen bij elkaar. Het is één vrucht des Geestes. Het is er of het is er niet. Begrijpt u?

Als je een plant hebt die groeit, dan komt aan die plant, als het goed is, vrucht. Dat is vanzelfsprekend; dat is een teken van leven. Het leven brengt vrucht voort.

Gemeente, ze zijn ingeplant in Christus door het dierbare geloof en door de Geest. Christus is het Hoofd en zij zijn in Hem als Zijn lidmaten. Ze brengen vrucht voort uit Christus. Hij is de Bron.

Ze brengen zelf geen vrucht voort. Gods volk spant zich niet in om vruchten voort te brengen, want dan zou het niets worden. Dan worden het werken van de mens. Maar er is een vrucht des Geestes. De Geest neemt het uit Christus en schenkt het aan een verloren zondaar. Een vrucht is een vanzelfsheid; zo ook het werk van de Geest.

 

Nu moet u erop letten dat de kerk, het volk van God, niet leeft van die vruchten. Het is niet zo, dat het volk van God leeft van de vrucht des Geestes. Zij leven niet van de vruchten, maar Gods volk leeft van de wortel, van de bodem waarin ze geplant zijn. Zij leven van die vette grond, waarvan u gezongen hebt in Psalm 1. Ze leven uit Christus. Dat is de levenswortel. Hij heeft die goede werken voorbereid, opdat zij erin wandelen zouden.

 

Ge­meente, de kerk leeft uit Christus. Hoe meer dat ze geoefend worden in het dierbare geloof, hoe meer dat ze gaan leren dat het uit hen in der eeuwigheid niet kan komen. Zij zullen geen vrucht meer voortbrengen in der eeuwigheid, maar zij leren dat het alleen uit Christus komt. Hij is de Bron, de Fontein. Hij is de Fontein des levens, in Wiens licht wij het Licht zien. Ze leven uit Hem. Uit Hem wordt door de Geest die vrucht voortgebracht die u hier genoemd vindt.

 

Die vrucht wordt niet voor niets gegeven. Zij is niet voor het volk van God, ze is voor een Ander. Die vrucht is voor de Heere, opdat Hij verheerlijkt worde. God verheerlijkt Zichzelf door Zijn volk.

 

Als u deze vrucht des Geestes beziet, dan hoort u daar negen dingen in noemen. Die negen dingen moet u in drieën splitsen. Driemaal drie.

-          De eerste groep is: liefde, blijdschap, vrede.

-          De tweede: lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid.

-          En de derde groep is: geloof, zachtmoedigheid en matigheid.

In deze volgorde.

De eerste groep is betrokken op God: liefde, vrede en blijdschap.

De tweede groep is op de naaste betrokken: lankmoedigheid, goedertierenheid en goedheid.

De derde is betrokken op de gelovige zelf: geloof, zachtmoedigheid en matigheid.

 

De eerste groep is betrokken op God: liefde, blijdschap en vrede.

Gemeente, dat is het Koninkrijk Gods. De apostel Paulus zegt: ‘Waar is dat Koninkrijk Gods in bestaande?’ Wel, het bestaat niet in uiterlijke dingen, het bestaat niet in uitwendigheden, het bestaat niet in ‘het wat zwaar opnemen of licht opnemen’.

Het Koninkrijk Gods bestaat uit drie dingen; uit liefde, blijdschap en vrede.

 

Waar de Geest gaat werken, is de eerste vrucht liefde.

U zult zeggen: ‘Het eerste is toch ‘overtuiging’, een mens wordt overtuigd van zijn zonden?’ Jawel. De Geest overtuigt van zonde. Maar weet u hoe u overtuigd wordt van zonde?

Er is tweeërlei overtuiging. Er is een overtuiging zoals van Ezau en Kaïn. Zult u eraan denken; dat waren mensen die nooit verbroken zijn voor God. Zij zijn altijd vijand van Christus en het Woord gebleven.

Weet u wat ware overtuiging is? Dat is dat de liefde Gods in het hart van een mens wordt uitgestort en dan wordt het hart verbroken. Is dat wel eens gebeurd in uw leven? Dat u voor God verbrak, dat u door de liefde Gods zo verbrak, dat u boog voor God en dat u zei: ‘Heere, het zou recht zijn en U zou recht doen wanneer U mij voor eeuwig voorbijziet’?

Dat doet de liefde die in het hart wordt uitgestort. Liefde is het wezen van het beeld Gods.

 

Johannes had er iets van gezien: God is Liefde (1 Joh.4:16). Wanneer God liefde in het hart uitstort, dan gaat een mens voor God buigen en dan gaat hij voor God zijn schuld belijden en dan wordt hij het waardig dat God niet meer naar hem omziet.

Hij zegt niet zoals Kaïn: ‘Deze zonde is te groot om vergeven te worden.’ Nee, dan gaat hij voor God buigen. U gaat Psalm 32 en Psalm 51 lezen, al de boetepsalmen. Dan wordt de liefde Gods in uw hart uitge­stort en wordt u verbroken. Daar gaat het om!

Gemeente, als de liefde Gods in het hart uitgestort wordt, dan komt er ook wederliefde. Hoe meer we gaan leren ken­nen Wie God is en wat God is, hoe meer we gaan verstaan: God is liefde. Des te meer wordt de wederliefde in het hart opgewekt; wederliefde tot God. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19).

 

Maar niet alleen dat. Gemeente, weet u wat ook? Liefde tot de naaste. Als de liefde Gods in het hart wordt uitgestort, dan krijg je je naaste mee, je vrouw of je man en je kinderen en kleinkinderen. Je krijgt ze mee, want ze dragen allen een ziel voor de eeuwigheid.

Gemeente, weten ze het thuis? Weten je kinderen het? Hebben ze het wel eens gehoord van u? Is het zo dat u ze meedraagt op de vleugelen van het gebed, omdat u iets geproefd hebt van wat het is om God te missen voor eeuwig?

Liefde in het hart uitgestort, noopt tot wederliefde tot de naaste. En liefde tot het volk van God en tot de dienst van God, tot het Woord van God. Johannes zegt: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben  (1 Joh.3:14). Als je de broeders haat, dan moet je maar zeker denken dat je dan toch echt niet vanuit de dood in het leven bent overgegaan.

‘Als we de broeders liefhebben,’ zegt Johannes, ‘dat komt, omdat we zijn overgegaan vanuit de dood in het leven.’ Dan ga je de broeders liefkrij­gen. Dan worden er banden gelegd door het Woord van God, door de prediking van dat Woord. Door het werk van God worden er banden gelegd. Die kunnen de eeuwigheid verduren. Ze kunnen wel eens wat rekken, maar dat is maar voor de tijd. Straks zal het volkomen zijn.

Ik zie een stokbewaar­der in Filip­pi, die Paulus’ rug en die van Silas kapotgeslagen had. Zijn eerste daad is de volgende dag om die striemen te wassen. Dan hoor ik de moordenaar ter rechterzij­de van de Heere, die zijn medebroeder in het kwaad aanspreekt: ‘Denk je er aan, wij zijn in hetzelfde oordeel. Zou je niet ophouden met spotten?’ Hij heeft zijn medebroeder gewaarschuwd in liefde. Dat was de liefde Gods die in zijn hart was uitgestort.

Wederliefde, u kunt ze door de Schrift heen vinden. Liefde tot God en Zijn dienst. Paulus zegt: De liefde van Christus dringt ons (2 Kor.5:14).

 

Liefde. Dat is het eerste. En u zou kunnen zeggen: dat is de volmaking van de wet, dat is ook hetgeen meegaat de eeuwigheid in.

Er zijn veel genadegaven. Paulus zegt in 1 Korinthe 13: ‘Er zijn drie dingen, geloof en hoop en liefde. Geloof is veel, en hoop is ook wat, want die richt zich op de toekomst, op de zalige toekomst voor de kerk, maar nu is de liefde toch de meeste.’

Weet u waarom? Geloof gaat straks over in zien en de hoop gaat over in bezit, maar de liefde gaat mee de hemel in. In de hemel voor de troon en voor het Lam, daar zal de kerk eeuwig, in volmaakte liefde, God en het Lam de eer geven, vanwege Zijn onuitsprekelijke, onbegrijpe­lijke genade, dat Hij naar haar heeft omgezien.

 

Liefde is het eerste. Daarop volgt blijdschap en die is ook uit God.

Gemeente, God is een God der blijdschap. Ware blijdschap komt uit de hemel. De wereld heeft alleen maar namaak. Satan maakt alles na. In de wereld denk je wel eens blijdschap te hebben. Je gaat eens naar de bioscoop toe en denkt daar blij te worden. Jongens en meisjes, ik moet je zeggen: dat is allemaal bedrog. De ware blijdschap, weet je waar je die kunt vinden? Die kun je bij God vinden. God is een God der blijdschap.

Ik zou willen dat je één keer iets van die beginselen van de hemelse vreugde in je hart zou proeven, dan was je bedorven voor de wereld en alles wat de wereld biedt. Dan was je bedorven voor al het kwaad.

Het is een blijdschap in God. Hemelse blijdschap. Beginselen der hemelse vreugde mag de kerk smaken, als ze iets mag merken van de tekenen van Zijn liefde, van Zijn ontferming, van Gods nabij­heid. Als je mag weten dat de Heere van je afweet.

Dan is er een blijd­schap in je ziel, die meer vreugde geeft dan de hele wereld, met al zijn hebben en houden, je bieden kan. Dát is blijdschap in God.

 

‘Ja, maar die mensen kijken altijd zo bedroefd.’ Ja, dat zijn ze ook. Ze zijn bedroefd naar God. Ze wenen over de zonde. Als zij wenen over de zonde, als ze in het verborgene liggen en naar God schreien vanwege heimwee en droefheid naar God, dan geeft dat meer blijdschap in de ziel dan ze ooit in de wereld kunnen vinden.

Dat beseffen ze op dat moment niet, maar achteraf weten ze het: er was blijdschap in, want ze ervoeren de gunst van God.

Paulus zegt: Als droevig zijnde, doch altijd blijde (2 Kor.6:10). Je zou zeggen: ‘Hoe is het mogelijk, hoe kun je nu altijd bedroefd zijn en toch altijd blij zijn?’ Ja, dat is nu het wonder. Dat is het geheim van de vrucht des Geestes. Ze kennen de heimwee naar God en ze kunnen toch voor God niet leven zoals ze zouden willen. Toch mogen ze Zijn goedkeuring ervaren en de tekenen van Zijn gunst en van Zijn lief­de.

 

Blijdschap, liefde. Blijdschap is daarin te vin­den. En die blijdschap gaat ook volkomen worden, als ze in de hemel zijn. Het staat in Psalm 68:

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielenvreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

 

De Geest heeft als vrucht liefde en blijdschap in God, en dan vrede. Vrede met God.

Er zijn veel mensen die zenuwachtig en overspannen zijn, maar er is bij God vrede te krijgen. We leven nog en we zijn nog op deze wereld. Er is bij God nog vrede te krijgen. Het bloed des kruises wordt uitgedeeld en meegedeeld door de Geest van Pinksteren.

Hij gaat leren waar die vrede te krijgen is. Hij breekt alles af wat van u is. Hij breekt uw vroomheid af, Hij breekt uw zelfzucht en uw godsdienst en uw eigenliefde af. Hij breekt alles af, totdat er niets meer over­blijft dan een arm, verloren mensenkind. Voor zo een wordt Jezus dierbaar. Boven alles. Dan deelt de Geest vrede mee, vrede met alles.

Dat is een vrede die zich wijd uitstrekt. Dat is een vrede met de dieren, met de hemel, met het leven, met God. Dat is een vrede die alle verstand te boven gaat en die harten en zinnen bewaart in Christus Jezus.

 

Gemeente, dat is een zoete vrede. Wel eens gesmaakt, deze vrede? Dat u over de aarde liep en dat het was alsof die aarde al vrede ademde? Het was misschien maar een ogenblik, maar een uur, die vrede met God in Christus Jezus. Heeft uw ziel zo wel eens gezon­gen? Dan is er ook de liefde en de blijdschap. Zij horen allemaal bij elkaar; liefde, blijdschap, ook die vrede.

 

U wordt dan ook een vredemaker. Mensen die vrede met God gevonden hebben in het bloed des kruises, worden vredema­kers. Dat staat in de zaligsprekin­gen. Zalig zijn de vreedzamen; - dat wil zeggen: vredemakers - want zij zullen Gods kinderen genaamd worden, zegt de Heere Jezus (Matth.5:9).

Als u iets gesmaakt hebt van die vrede met God, hebt u ook wel eens gezien wat God u vergeven heeft. Gemeen­te, als u iets gaat zien van wat God u vergeven heeft, dan is hetgeen een ander je aangedaan heeft, niets. Je gaat dan een vredemaker worden. Dan ga je vrede zoeken, voor zover het mogelijk is, voor álle mensen. Je wordt één van die vredemakers, die de vrede gaat zoeken voor elkaar. Je haalt dan niet meer van alles op, maar dan gaan liefde, blijdschap en vrede samen, als die ene vrucht des Geestes.

Kent u ze, die vredemakers? Hebt u ze ontmoet in uw leven, die vrede hadden gesmaakt en die een vredemaker werden? Dan sta je niet op de fronten met je geweer, in de aanslag om te vechten, Nee, dan ga je vrede maken. Dan gaat er iets van die innerlijke vrede naar buiten stralen.

 

In onze tekst staat vervolgens: lankmoedig­heid, goedertierenheid en goedheid.

Lankmoedigheid. Dat wil zeggen: geduld. Als de Geest in uw hart woont, dan gaat u zien dat het één vrucht is, dan ga je zien wat lankmoedigheid is. Je gaat zien wat God een geduld met u heeft gehad!

Gemeente, dan is het onbegrijpelijk dat ik nog leef. Het wordt een wonder dat de zon ‘s morgens nog opgaat, dat ik nog op de aarde ben, dat ik nog gezond ben. Dan is het een wonder dat God mij gedragen heeft; een leven lang. Dat Hij mij niet heeft weggedaan. Dat is lankmoedigheid. Je gaat iets van die lankmoedigheid zien.

Maar als je nu iets van die lankmoedig­heid Gods gezien hebt, dan ga je ook lank­moedig worden ten overstaan van je naaste. U weet, Petrus had een vraagje. Hij had een broer. Hij zegt: ‘Heere, hoeveel keer moet je je broer vergeven?’ Ik weet niet wie die broer was. Misschien een moeilijke broer. Maar Petrus wilde nu wel eens een grens weten van vergeven. Hij zegt: ‘Heere, hoeveel keer moet dat nu?’ En dan zegt de Heere: ‘Pe­trus, zeventig maal zevenmaal.’ Dat wil niet zeggen: bij vierhonderdnegentig stoppen, nee, het betekent: eindeloos vergeven.

Gemeente, als die vrucht des Geestes in het leven van de kerk komt en werk­zaam is, die vrucht des Geestes van liefde en blijdschap en vrede, dan is er ook de lankmoedigheid. Als de liefde van Christus en de genade van de Heere Jezus Christus in ons is afgedrukt, dan zouden we onze broeder wel duizend keer willen vergeven. Als we iets hebben geproefd van de vergevende liefde van Hem, gemeente, dan heb ik geen vijanden meer.

Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in Zijn voetstappen wandelen zouden. Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petr.2:23).

 

Er staat ook: goedertierenheid.

Dat is hetzelfde woord als ‘vriendelijkheid’. Als de Geest des Heeren komt en ons gaat onderwijzen Wie God is, wie wij zijn, dan ontmoeten we een vriendelijk God. Dan ontmoet je geen hard God. Dan ontmoet je een vriendelijk God.

 

Gods vriend’lijk aangezicht
Heeft vrolijkheid en licht
Voor all’ oprechte harten
Ten troost verspreid in smarten.

 

Paulus schrijft een brief aan de Filippenzen en daar waren twee vrouwen; Euodia en Syntyche. Tegen die vrouwen zegt hij: Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in de Heere (Filip.4:2).

‘Bescheidenheid’ is het­zelfde als vriendelijkheid. Dat iets daarvan toch van de kerk zou uitgaan. Dat die vrucht des Geestes toch veel gevonden zou worden in de kerk! Laten we in ons eigen hart beginnen.

 

Op vriendelijkheid volgt nog goedheid. Dat wil zeggen: gulheid. We hebben een God Die alle mensen wél doet. ‘Hij zegent mens en beest en doet Zijn hulp nooit vrucht’loos vergen.’

Gemeente, Gods volk heeft een gulle God. Maar zij worden zelf ook gul als ze de vrucht des Geestes kennen. Als de vrucht des Geestes er is, dan is er ook de gulheid. Dan zal de gulheid, die goedheid als een afdruksel van God Die alle mensen wel doet en die op alle mensen neerziet, ook in Zijn volk openbaar komen.

Gemeente, is er vrucht van de Geest in uw leven?

 

Gemeente, nu het laatste drietal: geloof, zacht­moedigheid en matigheid.

Geloof. Dat is op onszelf betrokken, want het dierbare geloof werkt de Heilige Geest door de prediking van het evangelie. Het geloof verlaat zich op God en op Zijn dierbaar Woord.

Dat geloof zegt: ‘Heere, gedenk aan het woord gesproken tot Uw knecht.’ Het geloof is een vrucht des Geestes; dat hoort bij de hele vrucht van de Geest. Als het geloof ontbreekt, ontbreekt verder alles en als de liefde ontbreekt eveneens. U ziet: het is één vrucht des Geestes.

Wat is een geoefend geloof? Wel, dan wordt een mens niets en Christus alles. Een geoefend geloof is een geloof waarbij ik niets meer ben, maar Christus alles wordt.

Gemeente, met het geloof wordt u nooit wat. Daar wordt u geen groot mens mee, daar wordt u niet een geoe­fend christen mee die overal het hoogste woord heeft. Nee, weet u wat u ermee wordt? Dit: zachtmoedig.

 

Zachtmoedigheid. Weet u wat zachtmoedigheid is? Dat is niet een aardi­ge man of vrouw zijn, maar dat is klein zijn. Het gaat niet om vriendelijke mensen, maar het gaat om ootmoedige mensen. U wordt dan steeds kleiner in uzelf.

Hoe meer het geloof geoefend wordt, hoe kleiner de mens in zichzelf wordt. Hij wordt ootmoedig voor God, maar ook voor de mensen.

Dan ga ik de laagte in en zing ik met Datheen:

 

Geen meerder goed, Heer’, Gij mij geven meugt
Dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.

 

Gemeente, lankmoedigheid was geduld. We moeten naar de Heere vaak geduld oefenen, want de Heere laat ons wel eens wachten. Het is niet zo dat de Heere aanstonds op ons gebed antwoordt. Er kan wel eens een wachtens­tijd zitten tussen bidden en verhoringen. Dan heb ik lankmoedigheid te be­trachten. Dan klinkt in mijn ziel:

 

Ik blijf de Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord.

 

Matigheid. Matigheid wil niet alleen zeggen: sober, eenvoudig. Vanzelfsprekend, als het waarachtige leven des Heeren gekend wordt, zal er ook matigheid zijn. Er is dan soberheid en eenvoud. Heus, een gelovige blik werpen op Hem Die rijk was en arm werd om onzentwil, Die Zich vernederde tot in de kribbe, en najagen alles wat groot en hoog is in de wereld, gaat niet samen.

Gemeente, dat bestaat niet. We moeten in het natuurlij­ke leven matigheid betrachten. Ook naar God. Dat betekent dat ik op de Heere wacht en dat ik mijn handen niet uitsteek naar het­geen mij niet toekomt. Dat ik op de Heere weet te wachten en dat ik hoop op Zijn Woord.

Gemeente, matigheid is de vrucht des Geestes die aan alle zijden schittert en die aan alle zijden uitblinkt. Als dit in de kerk meer gezien werd, wat zou de Heere verheerlijkt worden in liefde, in blijdschap en vrede en lankmoedigheid en goe­dertierenheid en goedheid en geloof en zachtmoedigheid en matigheid. Wat zou de kerk een sieraad zijn op aarde!

Ik dacht dat er dan wervingskracht van de kerk zou uitgaan. Dat gebeurde zo in Jeruzalem ook. In Handelingen 2 lees je hoe die mensen daar leefden. Daar leest u over die vrucht des Geestes en u leest tenslotte: De Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden (Hand.2:47). Dan zou er iets van die vrede geproefd worden, de vrede die alle verstand te boven gaat.

Psalm 72 vers 2 profeteert van deze vrede. Wij gaan dat met elkaar zingen:

 

De bergen zullen vrede dragen,

De heuvels heilig recht;

Hij zal hun vrolijk op doen dagen

Het heil, hun toegezegd.

‘t Ellendig volk wordt dan uit lijden

Door Zijnen arm gerukt;

Hij zal nooddruftigen bevrijden;

Verbrijz’len wie verdrukt.

 

Gemeente, het laatste:

 

3. De vrijheid van de Geest

 

Dat staat in het laatste vers: Tegen de zodanigen is de wet niet. Dat is wat, als de wet niet meer tegen je is!

Gemeente, die judaïsten wilden dat men in Korinthe de vrede zou gaan zoeken in het stipt houden van de wet. Paulus heeft gezegd: ‘Niets daarvan! Als Gods heil uit de wet is, is Christus tevergeefs gestorven.’ Het gaat erom of de Geest van Christus in u woont en of u de vrucht, die éne vrucht, meer niet, met de volle inhoud, kent.

Als die vrucht des Geestes in u is, dan klinkt het: Tegen de zodanigen is de wet niet. En waarom niet? Die is in Chris­tus vervuld. Gemeente, de wet is vervuld. Zij is zelfs verheerlijkt in Christus, ze is van haar vloek ontdaan. De wet is volkomen voldaan. Aan de voldoening van de eisen van de wet ontbreekt niets.

 

Zo mag een arm mens, een matig mens, elke dag weer leven, met zijn lege handen en met zijn lege hart naar de hemel geheven. Want we hebben niets. We kunnen niet leven met wat tien of twintig jaar geleden gebeurd is. Dat is dood, dat is krachteloos, daar is alle waarde uit. Het is nodig dat we telkens opnieuw bediend worden door de Geest van Christus, uit Christus. Zo komt de vrucht des Geestes openbaar.

U moet niet denken dat u de vrucht des Geestes op een dag krijgt en dat u vanaf dan kunt zeggen: ‘Dat heb ik en nu kan ik verder leven.’ Nee, zo is het niet. U hebt telkens opnieuw, elke dag weer opnieuw, de bediening van de Pinkstergeest nodig, elke dag opnieuw die dauw des Geestes. Daarom bidt de kerk:

 

Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!
Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken!

 

Kijk, aan de hand van die Geest gaan wande­len!

 

’k Hield dan Uw wet, dan leefd’ ik onbevreesd.

 

Kijk, daar hebt u die vrijheid!

 

Dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken,
Wanneer ik steeds opmerkend waar’ geweest,
Hoe Uw geboôn mij tot Uw liefde wekken.

 

Gemeente, zo is het Woord van de Geest elke dag opnieuw in het leven van de kerk nodig. Dat kun je geen dag missen. Er is een verschil in mate. Dat heeft de Heere Zelf gezegd. Daar is mate. Maar het gaat niet om de mate. Het gaat om het wezen. Is er de liefde, blijd­schap, vrede, zoals u in de tekst vindt? Tegen de zodanigen is de wet niet. De wet kan nu zo’n mens nooit meer verdoemen. McCheyne zingt: ‘Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet.’ Jawel, maar Hij verlost ook van de eis van de wet. Nu is de wet niet tégen, maar vóór dezulken!

 

Wandelen door de Geest. Dat is een biddend leven, dat is een afhankelijk leven, dat is een leven in het verborgene, dat is een leven op je knieën. Dat is een leven van arm zijn in jezelf, maar bediend worden in je armoede vanuit de volheid die in Christus is.

Gemeente, dát is de vrijheid des Geestes. Je hoeft naar die judaïsten niet te luisteren, en dan hoef je met al hun kunsten niet mee te doen. Je vraagt aan de Heere voortdurend: ‘Heere, leid mij, Uw goede Geest leide mij in een effen land.’ Zo word je door die Geest geleid en worden de vruchten des Geestes uit Christus voortgebracht.

Gemeen­te, tegen de zodanigen is de wet niet. Daar kan de wet nooit meer iets tegen inbrengen. Zij gaan aanstonds in. Dat zal een ogenblik zijn, als de kerk daar aankomt!

 

De vrucht? Misschien zeggen ze wel van binnen bij u: ‘Er is bij mij, in mijn leven, niets van te vinden. Verbeeld je maar niet dat je daar iets van kent, want in jouw leven wordt deze vruch­t niet gevonden.’ Vraag dan aan de Heere:

 

Zend, Heer’, Uw licht en waarheid neder,
En breng mij, door die glans geleid,
Tot Uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereder
Ten berge van Uw heiligheid,
Waar mij Uw gunst verbeidt.

 

Gemeente, vraag dan om het licht des Geestes, om het werk des Geestes in uw leven te mogen ontdekken. Wat een rijkdom, als je vrucht mag voortbrengen, als je van die liefde en van die blijdschap en van die vrede iets gezien hebt in je leven, als er dagen zijn waarin het leefde in je hart en dat het in je ziel was, dat je kon zeggen: ‘Ja, het was waar.’

Allen die vrucht voortbrengen, die snoeit Hij. Een landman gaat snoeien, hij steekt het mes in de ranken. En al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, zegt de Heere Jezus, opdat zij meer vrucht drage (Joh.15:2). Het mes gaat in de ranken en dat doet pijn. Dat doet pijn in je leven, maar het is zo nuttig! De dichter zegt:

 

’t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest,
Opdat ik dus Uw Godd’lijk recht zou leren.

 

Gemeente, als je het snoeimes van de grote Landman in je leven ervaart, dan is dat geen zaak van vreugde, maar een zaak van droefheid. Maar daarna komt de dag dat je de Heere gaat bedanken. Dan zul je met Jesaja hartelijk zeggen: Ik dank U, Heere, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij (Jes.12:1).

Dan gaat u met Jesaja zeggen: En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils (Jes.12:3).

 

Je gaat vragen om de hulp en de leiding van de Geest, opdat je zó, aan de hand van die Geest wandelend, het levenspad mag gaan. Als je dan boven komt, dan kom je niet met die vrucht des Geestes aan en zeg je niet: ‘Heere, moet U eens kijken wat ik allemaal bij mij heb!’ U komt er aan met uw berooide, met uw goddeloze, met uw akelige leven. Het wordt een wonder voor de kerk als ze boven mogen komen, en dat de Heere dan zegt: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.25:34).

Dan mag u dat Koninkrijk gaan beërven. Een bedelaar die elke dag zijn hand moest ophouden, en als hij niets kreeg, dan stond hij in zijn armoede. Maar dan ontvangt de bedelaar een Koninkrijk.

Ook die bedelaar wordt toegeroepen; Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.

Daar zal alles volkomen zijn. Daar zal de liefde, de blijdschap en de vrede eeuwig bloei­en.

Daar zullen ze altijd door gaan zingen:

 

Zijn Naam moet eeuwig’ eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen
Met amen, amen na.

 

Zult u dan meezingen?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119:3

 

Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!

Mocht Die mij op mijn paân ten Leidsman strekken!

’k Hield dan Uw wet, dan leefd’ ik onbevreesd;

Dan zou geen schaamt’ mijn aangezicht bedekken,

Wanneer ik steeds opmerkend waar’ geweest,

Hoe Uw geboôn mij tot Uw liefde wekken.