Ds. H. Paul - Zacharia 1 : 18 - 21

Onderwerp

Zacharia's tweede nachtgezicht over de gemeente des Heeren
De kracht van haar vijanden
De macht van haar helpers
De troost daarin gelegen

Zacharia 1 : 18 - 21

Zacharia 1
18
En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen.
19
En ik zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israel en Jeruzalem verstrooid hebben.
20
En de HEERE toonde mij vier smeden.
21
Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 76: 1, 5
Lezen : Zacharia 1: 1-21
Zingen : Psalm 74: 2, 11, 12
Zingen : Psalm 27: 7
Zingen : Psalm 93: 3, 4

Gemeente, de tekst vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen uit Zacharia 1 en daarvan de verzen 18 tot en met 21, waar we Gods Woord en onze tekst lezen:

 

En ik hief mijn ogen op en zag, en zie, er waren vier hoornen. En ik zeide tot de Engel Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dit zijn die hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. En de Heere toonde mij vier smeden. Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar dezen zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke de hoorn verheven hebben tegen het land van Juda om dat te verstrooien.

 

De tekst bevat: Zacharia’s tweede nachtgezicht over de gemeente des Heeren.

 

Drie gedachten:

1. De kracht van haar vijanden

2. De macht van haar helpers

3. De troost daarin gelegen

 

1. De kracht van haar vijanden

 

De nachtgezichten die Zacharia ontving, bevatten een openbaring. Ze zijn een bekendmaking dat de Heere Israël en Juda zal gedenken en de gerichten over haar vijanden zal doen gaan.

Ook nu is het een vertroostend gezicht waarin weliswaar de macht van de vijanden getekend wordt, maar waarin de Heere ook openbaart dat Hij de Almachtige is. Hij zal voor Zijn werk instaan en bij Hem is geen ding onmogelijk.

Juda is niets, vergeleken bij de machtige wereldrijken. Het is tot niet gebracht. Het is Sion, niemand vraagt naar haar.

Maar het is bij de Heere bekend, want de Man op het rode paard, de Engel des verbonds, is in het midden van haar. Dan gebeuren er om haar grote dingen. Ze is begrepen in de voorbede van de Engel des Heeren. Als Hij voor haar pleit, komen de hemel en de aarde in beweging. Dan gebeurt er wat in deze wereld, want alles wordt bepaald door het welzijn van Sion, van de Kerk, die wordt vergeleken bij de mirten in de diepte.

Dan is er toekomst, ondanks de machten die er zijn. Dan zal Jeruzalem herbouwd worden, de tempel in het midden van haar gesticht, de steden zullen worden uitgespreid en het richtsnoer, het meetsnoer, gaat over Jeruzalem. De Heere zal Zijn Kerk gedenken en Sion herbouwen.

De tijd om haar genadig te zijn, de bestemde tijd, is gekomen. En dan zijn er geen machten – hoe sterk ook – die kunnen tegenhouden wat God tot verlossing van Sion aanbrengt. Dan gaan wel de gerichten over de vijanden. De machten die er zijn, die zo stil zijn, zo gerust zijn en zich zeker wanen van hun bezit, zullen verstrooid worden.

 

De tekst is een aankondiging van de gerichten over de vijanden van Gods Kerk, maar ook van de zekerheid van haar herbouw en het herstel van Sion. Daarover gaat het in het eerste nachtgezicht.

Het tweede nachtgezicht is er nauw mee verbonden. Want hier wordt de uitvoering aangewezen van wat in het eerste nachtgezicht was toegezegd. Dan zal de Heere tonen op welke wijze Hij Zijn belofte vervult en Zijn woord waarmaakt.

Het zijn acht nachtgezichten die bij elkaar horen, waarschijnlijk in één nacht aan Zacharia gegeven. Nachtgezichten waarin de raad Gods ontvouwd wordt tot heil van Sion en tot de neerwerping van de machten die zich tegen haar verzetten, die haar benauwen en gevangen houden, die trachten haar ten onder te brengen.

 

We lezen: En ik hief mijn ogen op en zag, en zie, er waren vier hoornen. Dus Zacharia aanschouwt wat de Heere te zien geeft. Hij heft zijn ogen op, al is het dan nacht. Hij is in wakende toestand. Als met een inwendig geestelijk oog aanschouwt hij wat de Heere hem toont.

En zie, ofwel: ‘Merk op!’

Dan ziet hij vier hoornen. U weet, een hoorn is een symbool van macht en kracht. Wat kunnen dieren door middel van hoornen hun kracht uitoefenen. Denk aan een stier die met z’n hoornen iemand aanvalt, in de lucht slingert en hem opvangt met de puntige hoornen. Wie is daartegen bestand?

Zacharia ziet vier hoornen. Ze zullen niet los van elkaar gestaan hebben. Mogelijk op de kop van een monsterachtig dier. Het getal vier betekent eigenlijk een afgesloten geheel.

‘Vier hoeken van de aarde’ betekent ‘de gehele aarde’. Zo ook hier. Vier hoornen betekent een afgesloten geheel van machten.

Machten die dus, zoals ook straks de Engel zal zeggen, Jeruzalem en Juda met Israël verstrooid hebben. Ze zijn rondom omgeven door geweldige machten die het op haar ondergang hebben gemunt. Hetzij van het noorden, van het zuiden, oosten en westen, overal komen die machten vandaan. Dat zijn de verdrukkers van Gods Kerk op aarde.

 

Dan stelt Zacharia een vraag: ‘Wat zijn deze?’

De Engel Die hem de openbaring geeft, de Dienstknecht van God, antwoordt: ‘Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.’

Dus dat was de uitwerking van die macht, van die hoornen. Die hebben Juda en Israël (Juda hoort ook bij Israël) en Jeruzalem verstrooid, van haar plaats weggedreven.

Ik denk aan Ezechiël 34: Omdat gij al de zwakken met de zijde en met de schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt (vers 21).

Ze werden dus naar buiten toe verstrooid, machteloos tegen de kracht van die hoornen. Ze werden omver gestoten. Ze lagen machteloos ter aarde en verstrooid over de aardbodem, als weggevaagd. In Gods oog waren het de mirten, maar voor het menselijk oog was er bijna niets overgebleven: verstrooid onder de heidenen, terneergeslagen, krachteloos, onmachtig.

 

Was niet de heilige stad verwoest? Was de tempel niet verbrand? Waren de wetboeken niet verscheurd?

Denk aan Psalm 74 die op zo’n aangrijpende wijze de toestand tekent van Jeruzalem en van Juda, van de tempel, waar de macht van de vijanden getriomfeerd heeft. Zij hebben hún tekenen tot tekenen gesteld. Dat wil zeggen: wat zij als machtssymbolen, als afgodssymbolen hebben, hebben zij gesteld in de plaats waar de Heere werd gediend.

Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet hoe lang (Ps.74:9).

 

Zo heeft Israël gezucht in de tijd toen de machten over haar getriomfeerd hadden en zij ter aarde toe nedergestoten waren. De vijand lijkt oppermachtig. Alles is in zijn ijzeren greep. Hij liet zijn gevangenen niet los.

In eigenwaan zeggen ze, zoals Jesaja dat zegt: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen, en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst, aan de zijden van het noorden (Jes.14:13). Dat is de taal van de hoornen, de taal van de machten die menen te kunnen doen en laten wat ze willen. Te heersen over Gods Kerk, te heersen over het volk des Heeren. Te heersen over mensen die verlangen hun God te dienen.

Dan ziet Zacharia die machten. Wat is het een voorrecht als ook wij die machten zien, als antigoddelijke machten, die er ook in onze tijd zijn. Wat zijn er ook nu een hoornen, die trachten de gemeente Gods terneer te stoten! Wat zijn er een krachten die erop uit zijn om te verwoesten: satan, de wereld en ons boze hart.

 

De hoornen zijn de kerken binnengedrongen en hebben verwoesting aangericht. Hoeveel zijn er door de macht van die hoornen uitgestoten uit de gemeente des Heeren. Hoeveel hebben zich op die hoornen laten nemen en zijn weggestoten van de bijeenkomsten van de gemeente Gods, weggestoten van het Woord en van de dienst van de Heere.

Dat kan soms langzaam gaan, want die hoornen worden niet altijd direct in haar volle kracht aangewend.

Denk aan satan, zoals hij begonnen is in het paradijs: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? (Gen.3:1)

Dat is twijfel zaaien. En als hij dan voelt dat hij greep heeft, dan God voor leugenaar verklaren en de dienst van de Heere als onwaarachtig voorstellen. Wat is satan bezig! Is dit ook niet één van die hoornen? Zijn die hoornen niet altijd bezig uit te stoten en om weg te stoten, bij de dienst van God vandaan? Soms langzaam en soms plotseling.

 

Wat hebben die hoornen veel aanvallen gedaan op het Woord van God. Wat heeft satan geprobeerd van de vaste grondslag van het Woord van God af te stoten. Wat heeft hij met de schriftkritiek zijn tienduizenden verslagen. Wat richt hij zijn aanvallen op het Woord als Góds Woord. Het zijn ook aanvallen op de belijdenis die zo getrouw Gods Woord naspreekt. Satan zegt: ‘Je hoeft het niet zo nauw te nemen, er is wel een andere, een aantrekkelijker weg.’

Is de kerkelijke verdeeldheid, de verscheurdheid, niet mede een gevolg van het stoten van die hoornen?

Wat is de overheid ook bezig om zich als instrument van de hoornen te laten gebruiken in het uitvaardigen van wetten die tegen het Woord van God ingaan.

Steeds verder stoot satan, stoot de wereld met die hoornen van de grondslag van het Woord af.

 

Eerst lijkt er nog bescherming van het leven te zijn, maar steeds verder stoot hij door, verwoestend en vernietigend. We zien dat bij het begin van het jonge leven en ook aan het einde van het leven. We zien het ook bij het loslaten van de eerbiediging van Gods dag.

De hoornen zijn rondom de gemeente Gods en de hoornen trachten altijd van de vaste grondslag van het Woord des Heeren te stoten en er vandaan te voeren.

Wat laten we ons gemakkelijk op de hoornen nemen, als het gaat om het leven naar Gods Woord. We laten ons door die hoornen mee wegstoten, opdat het leven in de tere Godsvrucht maar niet mag plaatsvinden.

 

Wat is de vijand van het Woord en het leven naar Gods Woord – satan, wereld en ons boze vlees – een machtige vijand! Altijd bezig als die machtige hoornen om daarvan los te stoten. Hij is altijd actief. Denk niet dat hij ons voorbijgaat. Denk niet dat hij onze kringen, onze gemeenten, voorbijgaat.

Hij stoot in de gezinnen, hij stoot in de huwelijken, hij stoot hier en daar. Waar hij stoten kan, stoot hij. Hij gaat altijd door. Verwoestend, vernietigend en pogingen doende om de band die de Heere gelegd heeft te verbreken. Dat moet Zacharia zien. Het zijn de hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

 

We komen nu bij ons tweede aandachtspunt:

 

2. De macht van haar helpers

 

Maar dan lezen we in vers 20: En de Heere toonde mij vier smeden.

Laten we eerst beginnen iets te zeggen over het verschil in formulering. Het was een voorrecht dat Zacharia het zag dat er hoornen waren en wat die hadden aangericht. Maar hij zag die smeden niet. De Heere toonde hem die. Daar moesten zijn ogen extra voor geopend worden. ‘Hij toonde mij de vier smeden.’

Hij moest er opmerkzaam op gemaakt worden, anders had hij ze niet gezien. Juist die vier smeden zijn tegenover die vier hoornen gesteld. Die tonen het verlossingswerk aan, dat God gaat verrichten.

 

Als God ter hoge vierschaar steeg,

’t Zachtmoedig volk verlossing kreeg,

Ontzette zich het gans heelal.

 

De Heere verricht wonderen. De hoornen hebben niet het laatste woord. Daar staan vier smeden. De kanttekenaren zeggen van het woord ‘smeden’: ‘Dat kan ook handwerkslieden zijn of timmerlieden.’

We lezen van Hiram, die Salomo uit Tyrus liet komen, dat hij wijsheid en verstand had en met kennis was vervuld, nodig om elk werk met koper te verrichten. Daar wordt dit woord ook bij gebruikt. Mensen dus die kundig zijn, die iets tot stand brengen.

Het kan ook een geestelijke betekenis hebben. We lezen in de Spreuken van Salomo: Dwalen zij niet die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen die goed stichten (Spr.14:22). Bij ‘goed stichten’ vinden we hetzelfde woord als hier bij ‘smid’. Het is zo nodig om dat te verstaan, om de betekenissen met elkaar te vergelijken. Anders zouden we denken: smeden, dat zijn krachtige mannen met grote handen. Dan denken we aan een aambeeld en aan een grote hamer, aan vuur en aan kracht. Maar het gaat ook om ‘die goed stichten’.

 

De Heere kan natuurlijk wel geweldige krachten gebruiken om Zijn wil te volbrengen. Dat zien we bij de verwoesting van Babel. Dan worden de Meden en de Perzen door de Heere gebruikt om Babel in te nemen en om de macht van Babel te breken.

We weten het – de kinderen weten het ook – toen Bélsazar, de laatste koning van Babel, feestvierde. Hij misbruikte de zilveren en de gouden vaten van de tempel des Heeren om er wijn uit te drinken. Toen heeft de Heere op de wand geschreven: MENÉ, MENÉ, TEKEL, UPHARSIN (Dan.5:25). Dat betekent: gewogen, gewogen en te licht bevonden. Het was afgelopen! Hij had God, in Wiens hand zijn adem was, bij Wie al zijn paden waren, niet verheerlijkt. In diezelve nacht werd Bélsazar, der Chaldeeën koning, gedood (Dan.5:30). Daar is zo’n machtige smid gekomen, als middel in Gods hand, om het geweldige rijk van Babel ten onder te brengen.

 

Vier smeden, dat betekent het geheel van de krachten die de Heere gebruikt om de machten, die zich oppermachtig wanen, ten onder te brengen. Tegenover elke hoorn een smid. Tegenover elke dreiging een krachtige hulp. Tegenover elke zwakte een krachtige steun.

 

Als Zacharia de vier smeden ziet, zegt hij: Wat komen die maken? Wat komen die smeden eigenlijk doen? Wat is hun taak? Dan antwoordt de Engel eerst weer met wat die hoornen gedaan hebben. Want er is sprake van die hoornen die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief.

Maar deze smeden zijn gekomen om die hoornen te verschrikken, om de hoornen der heidenen, die machten, terneer te werpen. Om die machten, die de hoorn verheven hadden, tegen het land van Juda, te verstrooien.

Zacharia mag uit de mond van de Engel horen dat er tegenover die machten, die zo verwoestend werken, van Gods kant smeden zijn gesteld om de kracht van de hoornen te doorbreken.

We zien hoe de Heere met toorn vervuld is over het doen en laten van die hoornen. Opnieuw spreekt de Engel over het boze dat die hoornen gedaan hebben. Ze hebben Jeruzalem verstrooid en verschrikt, die hebben Mijn volk ten kwade geholpen. Ze waren wel als middel in Gods hand gebruikt. Als een roede in de hand des Heeren. Maar ze hebben ten kwade geholpen. Uit haat tegenover Gods Kerk hebben ze geprobeerd haar ten onder te brengen. Ze hebben niets ontzien. In blinde haat hebben ze geprobeerd om Gods Kerk ten onder te brengen.

Hij, Die Zijn volk wel tuchtigt maar niet vergeet, ziet wel Wiens oogappel zij aanraken. Daarom stelt Hij tegenover die machtige hoornen krachtige smeden, waardoor de hoornen ten val worden gebracht.

Een tijdelijke voorspoed, een schijnbare overwinning brengt hun geen gewin. Zij zijn het voorwerp van de wraak Gods. Zo groeien en bloeien de werkers der ongerechtigheid opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden. Satan heeft zijn hoornen, maar God heeft Zijn smeden, heeft Zijn helpers.

 

De Joden in Babel waren machteloos, klein, onbeduidend, van geen betekenis en telden niet mee. Zo staat het ook nu nog met Gods Kerk op deze wereld.

Wat betekent de Kerk des Heeren nog, in Nederland? Wie zijn we nog? Zijn we niet een randverschijnsel van de maatschappij?

Wat komen die maken? Welke betekenis heeft dan Gods Kerk, in haar huidige vorm, nog op deze aarde? Wat is ze bijna tot niets gebracht. Wat wordt er in de grote steden, denk aan Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, nog aan ware dienst van God gevonden?

Echter, niet de hoornen die zo oppermachtig lijken, maar de smeden hebben de volmacht van God. Zij hebben God aan hun zijde! De Heere kan wonderen doen.

Op de voorbede van de grote Hogepriester treden de smeden op en doen ze hun werk en zullen ze die hoornen verstrooien.

 

Door de eeuwen heen heeft de Heere van die krachtige smeden in de kerk willen gebruiken. Mensen die naam gemaakt hebben in de geschiedenis. Ik denk aan Augustinus tegenover Pelagius. Ik denk aan Athanasius tegenover Arius. Ik denk aan Luther en aan Calvijn. Krachtige smeden, door God gebruikt. Wat hebben ze een machten terneer mogen stoten. Wat zijn ze gebruikt als krachtige middelen in Gods hand! Smeden, waar de eeuwen van getuigen.

Maar de Heere gebruikt ook vaak het voor het oog schijnbaar nietige. Hij kan ook eenvoudige mensen gebruiken die Hij als middel inzet om de kracht van de hoornen te breken, om de zonde te stuiten en om de macht van de zonde te breken.

Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen (Zach.4:6). Dan kan de Heere ook van die eenvoudige, stille smeden gebruiken, die in het verborgene hun smidswerk verrichten. Dat zijn van die binnenkamerzoekers. Dat zijn bidders en strijders. Dat zijn worstelaars aan Gods troon. In de nachtelijke uren zijn ze bezig met hun smidswerk. Zij bidden: ‘O God, werp de troon des satans neer. O Heere, betoon Uw almacht tegenover de krachten die er zijn.’

 

Denk aan Monica, die een middel in Gods hand mocht zijn om het werk Gods in het leven van Augustinus te brengen. Niet óm haar gebed, maar Ambrosius zegt tot haar: ‘Een kind van zulke gebeden kan niet verloren gaan.’ Een eenvoudige moeder. Die hoornen hadden Augustinus weggestoten van de godsvrucht van zijn moeder en van de gemeente des Heeren. Hij was gevangen in de machten van de Manicheeën en andere denkers. Augustinus was verdwaald, verdreven, gevlucht naar Rome, om maar niet meer in die omgeving te hoeven zijn. Maar de Heere gebruikt een eenvoudige smid, dat wil zeggen: het gebed van zijn moeder. Dan wordt die hoorn terneer geworpen.

Denk eens aan Petrus. Petrus verblijft in de gevangenis, maar het gebed van de gemeente heeft de hoorn van Herodes verbroken. Herodes dacht zeker te zijn van zijn zaak. Hij had vier wachten gesteld, die Petrus zouden voorleiden op het tijdstip dat Herodes dacht te kunnen bepalen. Een machtige hoorn, wie zal hem kunnen tegenstaan? Maar het gebed van de gemeente, als middel in Gods hand, heeft Petrus uit de gevangenis verlost. Het was een gedurig gebed. Laten we dan bij die smeden maar niet denken aan mannen met grote handen, grote kracht en zware voorhamers.

Laten we de eenvoudige bidders en bidsters in het bidvertrek maar zien als smeden in Gods hand, als worstelaars aan Gods troon. Dan horen we bidden: ‘O God, werp de troon des satans neer in het hart van mijn man, van mijn kind, van mijn vrouw en van wie dan ook. O God, werp de troon des satans neer. U bent de Machtige.’

Het zal niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest geschieden, zegt de Heere.

 

Alles komt in beweging op de voorbede van Christus. De hoornen van de vijanden hebben ook Hem nedergestoten.

 

Een stierenheir uit Basan, sterk van krachten,

En fel verwoed,

Omringt m’ aan alle zijden.

 

Ze hebben Hem nedergestoten tot in de dood: En het hoofd buigende, gaf de geest (Joh.19:30). De vijanden meenden overwonnen te hebben. De hoornen juichten: ‘Die nederligt zal niet weder opstaan.’ Maar Hij heeft overwonnen. In en door Hem is er verlossing en nu beschikt de Heere over Zijn overwinningskracht en gebruikt Hij middelen, ofwel smeden, dat wil zeggen: die goed stichten, bekwaam om iets tot stand te brengen. Die verstand van kermen hebben.

Maar weldadigheid en trouw is voor degenen die goed stichten (Spr.14:22), die iets goeds tot stand brengen. En dat niet uit zichzelf, niet in eigen kracht of door eigen vermogen, maar door de kracht van Hem Die Zich heeft laten neerstoten tot in het stof waarin Hij werd begraven.

Maar Hij heeft overwonnen! Niet de hoornen, maar de smeden hebben de overwinning door Hem, om het eeuwig welbehagen, behaald.

Wat kunnen er machten zijn die ons terneerdrukken, waar je niets anders ziet dan die machten. Dat kan ook zo zijn in ons persoonlijk leven. Je ziet niets dan die hoornen die je maar neerstoten. Je ervaart de kracht van de zonde en waar je je ook heen wendt en waar je ook kijkt, het zijn alleen maar hoornen en hoornen en hoornen die je neerstoten en in het stof brengen. Je ziet geen smid en je ziet geen uitweg. Maar Hij regeert!

Als de Heere de ogen opent voor wat er bij Hem is, wat in Hem te vinden is, welk een zaligheid er bij God is en welk een kracht er bij de Heere is, dan ben ik even onmachtig, even krachteloos, onwaardig en terneergeworpen in mijzelf. Maar dat is dan niet het laatste woord. Want Hij heeft overwonnen en alles is volbracht.

Wat een wonder als dan het oog van jezelf, van je onmogelijkheid, van je verlorenheid en van je goddeloosheid wordt afgewend en een ogenblik aanschouwd mag worden wat er bij de Heere en wat er bij Christus is. Wat er is in het verbond der genade en in de volheid van de verlossing die er bij de Heere is. Wat gaat er dan een ruimte open. Dan zijn die hoornen niet het laatste meer. Dan zijn ze wel machtig, maar Hij is almachtig!

Dan zijn mijn zonden groot en veel en die stoten mij ook neer. Maar de Heere staat er boven. Want bij Hem is verlossing, opdat Hij gevreesd wordt.

Waar dat waar wordt, stemmen we in met de psalm die we nu eerst samen gaan zingen, Psalm 27 vers 7:

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja, wacht; verlaat u op de Heer’.

 

3. De troost daarin gelegen

 

Dit nachtgezicht bevestigt duidelijk wat het eerste reeds leerde: dat het grote wereldgebeuren zich naar Gods raad beweegt en dat de gemeente Gods, de Kerk des Heeren van alle tijden, de spil is. De wereld ziet en gelooft dat niet. Die houdt er helemaal geen rekening mee. Maar de Heere verzekert het met grote nadruk in Zijn Woord. Hij heeft allerlei machten die hij kan gebruiken als een roede, of als een gesel, om Zijn Israël te tuchtigen.

Dan rijden ze over hun hoofd, maar ze randen Hem daarmee aan. Want die Mijn volk aanraakt, raakt Mijn oogappel aan. Dat doen ze niet straffeloos.

De Heere gebruikt soms weer andere machten om die eerste machten, die zich daarin tegen God en Zijn volk verheven hebben, ten onder te brengen.

Tenslotte, er is geen noodlot, maar de Heere regeert. Dan zijn er wel grote machten, maar Hij staat boven alles. Hij regeert en bestuurt alle dingen naar Zijn welbehagen, tot de eer van Zijn Naam en tot de komst van Zijn Godsrijk. God schrijft geschiedenis en niet de mens.

Met de krachten die er zijn, handelt de Heere naar Zijn welgevallen. Dat zal uitlopen op de komst van het rijk des Heeren. In zichzelf machteloos en onwaardig. Van onze kant moeten we zeggen: Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen de Heere onze God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn der stem des Heeren onzes Gods niet gehoorzaam geweest (Jer.3:25).

Aan de mirten in de diepte gaat men voorbij. Wie ziet die mirten daar in de diepte? Maar de Heere ziet ze en de Heere gedenkt ze. Zijn Zoon is in het midden van haar. Daarom wordt ze niet verteerd. Daarom blijft ze. Daarom bepaalt dat de geschiedenis. Want op de voorbede van Hem, als de Ruiter op het rode paard, komt de hemel en de aarde in beweging.

 

De Heere spreekt: Hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt deze zeventig jaren? (vers 12).

Het kan in het leven wel eens zijn dat je zegt: ‘Hoe lang, o God, zult U Zich niet ontfermen? Gaat het maar door? Gaan die hoornen maar door? Blijven ze stoten?’ Maar de Heere spreekt goede en troostrijke woorden.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat op onze tijd gebeurt, wanneer wij de tijd daarvoor rijp achten, dat de Heere dán de smeden tegenover de hoornen stelt.

Calvijn zegt daarvan: ‘Door niet geringe verzoekingen beproeft de Heere de Zijnen en Hij oefent hen niet zacht. Hij brengt ze dikwijls tot het uiterste en wanneer ze daar gebracht zijn, laat Hij hen lang in het slijk steken voor Hij hun enige smaak van Zijn liefelijkheid schenkt. Maar, terneergeslagen, verlaten en reeds half dood, worden ze opgericht door de gedachte dat God aan hen denkt en dat er een eind aan komt en ze houden niet op om te bidden.’

Daar heb je die smeden. Die houden niet op om te bidden. Die stichten goede dingen. Hoe komt dat? Wel, de Heere houdt dat in stand door de bediening van Zijn Heilige Geest. Waar misschien van binnen wel duizend keer wordt gezegd: ‘Houd er maar mee op, het is toch een hopeloze zaak; schei er maar mee uit, het kan toch niet meer’, daar drijft het gebed tot Gods troon en ze zeggen: ‘Heere, bij U zijn alle dingen mogelijk. Al is er voor het oog geen verandering, geen verbetering, al zijn er voor het oog niets dan hoornen die maar stoten en maar stoten, dan bent U toch de Machtige om die smeden te schenken en de verlossing te bewerken.’

 

Door vele verdrukkingen moeten we ingaan in het Koninkrijk Gods, zegt Gods Woord. Die verdrukkingen hebben een nut. Vooral in de verdrukkingen leer je ook jezelf kennen. Dan zie je ook wie je bent en blijft, als Gods weg anders is dan onze weg. Om jezelf meer te leren verfoeien. Om meer aan allerlei zaken af te sterven. Om meer en meer van alle mensen af te leren zien en om gespeend te raken van datgene waarop we ons vertrouwen stellen, buiten God. In die weg gaat de Heere dóór, oefenend in de verdrukking.

 

Maar alle dingen moeten medewerken ten goede. De Voorbidder, aan de rechterhand van de Vader, houdt Zijn Kerk in stand. Hij gedenkt ze. Hij is de goudsmid Die het goud gadeslaat. Het kostbare goud zal Hij nooit laten verbranden en de oven van de verdrukking wordt niet heter gestookt dan Hij met Zijn wijsheid en met Zijn trouw toelaat.

Als de Heere op Zijn tijd werkt, dan is er geen macht op de wereld die de verlossing tegenhoudt. Dan moet alles ertoe medewerken.

 

Daarom, wat zien we een hoornen. Misschien in het persoonlijke leven. Misschien in het huiselijke leven. Misschien in het kerkelijke leven en zeker ook in het staatkundige leven. Wat zien we veel machten en krachten. Alles komt tegen de Kerk van God op. De tijdgeest, de cultuur, de wetenschap, het sociale, maatschappelijke en politieke leven. Ook ongeloof en bijgeloof. Nu hebben wij nog niet eens openlijke vervolging. Denk aan de vele christenen die wonen in landen waar het niet mogelijk is om openlijk Zijn Naam te belijden. In het verleden was er openlijke vervolging in het Oostblok. Denk aan de kerk in Rusland. Wat is ze neergestoten door hoornen. Vele tientallen jaren waren er alleen maar hoornen en hoornen. Maar het systeem zakte in elkaar en er is een vrijheid gekomen om de Heere te mogen dienen naar Zijn Woord. Wie had dat destijds kunnen denken?

Vanuit de gehele wereld keren Joden terug naar Israël, hun vaderland. Er waren hoornen, geweldig machtig, maar de Heere heeft Zijn smeden.

Dan zingt Luther in zijn bekende lied ‘Een vaste burcht is onze God’:

 

               Al drukt het leed, al dreigt het lot,

               Hij doet zijn hulp verschijnen!

 

Ten slotte zegt hij:

 

Vraagt gij zijn naam? Zo weet

dat Hij de Christus heet,

Gods eengeboren Zoon,

Verwinnaar van de troon;

de zeeg’ is ons beschoren!

 

Hij is de Voorbidder Die tussentreedt. Dan komen de machten in de hemel en op de aarde in beweging tot verlossing en redding. Dan is Hij de Profeet Die onderwijst en het hardste hart wordt verbroken.

Dan is Hij Koning Die beschut en bewaart bij de verkregen verlossing. Hij stelt Zijn smeden tegenover de machten van de hoornen. Hij bezit alle macht in de hemel en op de aarde.

 

We hopen straks te zingen uit Psalm 93. In de onberijmde psalm lezen we: De rivieren verheffen, o Heere, de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting (vers 3). Wat kan er een geweldig bruisen zijn van rivieren, van machten en krachten waarin we dreigen onder te komen. Doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee. Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen (vers 4 en 5). Het is maar een korte psalm, maar zo onuitsprekelijk rijk van inhoud en betekenis. Wat kunnen de rivieren zich verheffen. Wat kunnen de golven bruisen. Wat kan het onmogelijk lijken in het persoonlijke leven, ook tegenover zondemachten die zich verheffen. Maar de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van die grote wateren.

Dan mag Gods Kerk weten: ‘Mijn Redder is mijn God.’ De Heere staat boven alles en van Hem mogen we dan ook alle hulp en sterkte verwachten. Dat we dan al onze hoop op die God zouden stellen, met Wie we nooit beschaamd worden.

 

Maar wanneer we aan de zijden van die hoornen staan, laten we dan bedenken dat het kwaad en bitter is om tegen de Heere vol te houden, om niet voor Hem te buigen.

Wat is het vreselijk om in de hand van de boze te dienen en daarmee Gods Kerk en werk tegen te staan. De Heere regeert! Als we de zijde kiezen van die machten en van die hoornen – dat doen we van nature allemaal omdat dat ons bestaan is vanuit onszelf – weet dan dat we voor God niet kunnen bestaan. Dan moeten we het onderspit delven. Dan zal Hij straks zeggen: Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor mij dood (Luk.19:27).

Maar aan de andere kant, als we aan Gods kant mochten komen en het geweld, van welke hoorn dan ook, moesten ervaren en beleven, laten we maar nooit mismoedig zijn. Laten we maar niet denken dat die hoornen het laatste woord hebben. Dan zijn er de smeden en wat de Heere daarvoor gebruiken wil. Daar is de Heere volkomen vrij in. Het gaat erom te mogen weten dat Hij regeert! Hij zal Zijn almacht tonen. Hij bestuurt alles.

Op de voorbede van Hem Die leeft aan ’s Vaders rechterhand komt alles in beweging.

 

De bevrijding genaakt. Daar zal Gods Kerk toe geraken, om straks bevrijd van alle machten en van alle krachten, eeuwig te zingen van Gods goedertierenheid. Tot Sion zal Hij komen, Jeruzalem wordt herbouwd, de tempel verrijst en Gods Kerk heeft toekomst.

De smeden zijn gesteld en zijn door de Heere Zelf bekrachtigd. Zij zullen de hoornen terneer werpen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen.

Die boze hoornen, die de hoorn verheven hebben, het was hun voornemen om het land van Juda te verstrooien. Maar de smeden zijn gekomen om die te verstrooien en te verschrikken, dat ze voor Gods aangezicht niet meer bestaan.

 

Gemeente, aan welke zijde staan wij? Zijn we, door genade, hartelijk onderworpen aan de wil van de Heere? Leeft in ons hart de begeerte dat Hij regeren zal over ons leven en de machten in ons ten onder zal brengen? Daar kunnen we wel tegenop zien en zeggen: ‘Heere, het zal een wonder zijn…’

Maar voor de Heere is niets te wonderlijk. Dan gebeurt het niet altijd langs de weg die wij denken. Maar Hij regeert en zal Zijn almacht tonen, op welke wijze dan ook.

De toekomst ligt veilig in de handen van Hem, Die Zijn welbehagen zal volvoeren door de hand van Christus, de tussentredende Borg en Zaligmaker, Die veler zonden gedragen heeft en voor overtreders gebeden heeft.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 93: 3 en 4

 

Maar, Heer’, Gij zijt veel sterker dan ‘t geweld

Der waat’ren, dien Uw almacht palen stelt;

De grote zee zwijgt op Uw wenk en wil,

Hoe fel zij bruis’, hoe fel zij woede, stil.

 

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;

Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.