Ds. D. Rietdijk - Markus 16 : 6 - 7

De paasboodschap met een opdracht

Markus 16
De hemel weet van de discipelen af
De Heere is opgestaan uit de doden
Hij gaat hen voor naar Galiléa
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 25)

Markus 16 : 6 - 7

Markus 16
6
Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.
7
Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 8
Lezen : Markus 16: 1-8
Zingen : Psalm 21: 4, 5, 6
Zingen : Psalm 118: 11
Zingen : Psalm 30: 3

Gemeente, wij willen met u overdenken het paasevangelie, zoals u dat vinden kunt in het heilig evangelie naar de beschrijving van Markus, daarvan het zestiende hoofdstuk, de verzen zes en zeven:

 

Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus de Nazaréner, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats waar zij Hem gelegd hadden.

Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

 

Wij gaan luisteren naar: De paasboodschap met een opdracht.

 

Uit deze paasboodschap blijkt:

1. De hemel weet van de discipelen af

2. De Heere is opgestaan uit de doden

3. Hij gaat hen voor naar Galiléa

  

1. De hemel weet van de discipelen af

 

De Heere is waarlijk opgestaan.

Dat is de boodschap van Pasen. Niet alleen dat Hij weer levend is geworden moet verkondigd worden, maar ook moet gepredikt worden dat alles is voldaan. De schuld is betaald en de kwitantie is op de paasmorgen aan de Heere Jezus, als de Borg, door Zijn Vader uitgereikt.

Hij heeft voldaan, en daarom werden de banden van de dood verbroken. Daarom werd het graf geopend en mocht Jezus uitgaan als de Borg. Hij is de Vrijverklaarde van de hemel.

 

Die blijde boodschap van het paasfeest is op die vroege morgen verkondigd aan de vrouwen die op weg waren naar het graf. Ze waren ‘s morgens vroeg al op weg gegaan. Als de zon opging waren zij al bij het graf.

Wat betekent toch die haast en voortvarendheid waarmee de vrouwen op pad waren gegaan? Wel, gemeente, het is de liefde die hen drong. De liefde kent geen rust. De liefde heeft haast. Liefde kan niet langer wachten. Deze vrouwen hebben op het eerste ogenblik dat het kon het huis waar zij woonden verlaten en zijn met hun specerijen op pad gegaan.

Liefde. Ja, maar deze vrouwen hebben ook verdriet. Want liefde beleeft het verdriet het diepst. En verdriet zoekt een uitweg; verdriet zoekt een weg om zich te kunnen uiten, om gestalte te kunnen geven aan het leed.

 

Zo zijn deze vrouwen ‘s morgens vroeg, op de eerste dag van de week, naar de plaats gegaan waar Jezus begraven is, naar het graf waar Jozef en Nicodémus Hem hadden neergelegd. En nu willen zij een laatste dienst der liefde bewijzen aan het dode lichaam van de Heere Jezus.

Ze dragen specerijen met zich mee. Niet om het lichaam van de Heere Jezus te balsemen, want dat zou na drie dagen niet meer kunnen, in gewone, normale omstandigheden. Maar ze wilden het lijnwaad gaan bestrijken om zo de graflucht te verdrijven. Met dit doel om liefde te bewijzen aan de dode Jezus, zijn zij van huis gegaan.

 

Ze zijn wel zó haastig op stap gegaan dat zij, toen zij thuis weggingen, niet eens overdachten dat er een steen voor dat graf was gerold. Pas onderweg komen zij op de gedachte wie die grote steen nu van dat graf zou kunnen afwentelen. Met schrik hebben zij dat overwogen. Als zij er thuis aan gedacht hadden, dan waren zij misschien niet eens op pad gegaan. Want het is geen vrouwenwerk om deze grote steen weg te rollen. Zij hebben daar geen krachten voor. En of Jozef en Nicodémus, die de steen voor het graf gerold hebben, nu ook op weg gegaan zijn op deze vroege paasmorgen, dat staat nog te bezien. Wie zal het doen?

 

Ach, gemeente, wij kunnen alleen maar stenen voor graven wentelen; wij kunnen graven alleen maar sluiten, wij kunnen ze niet openen, wij kunnen die stenen niet wegwentelen. Zo is het ook met de stenen van ongeloof op ons hart; ook die stenen van het ongeloof kunnen wij niet wegwentelen.

En weet u, ten diepste ligt er bij die vrouwen ook een steen van het ongeloof op hun hart. Want hadden zij het woord van de Meester gehoord en door het geloof aangenomen, het woord dat Hij gesproken had over Zijn lijden en sterven, maar ook over Zijn opstanding ten derde dage, dan zouden ze geen verdrietige harten gehad hebben op deze vroege morgen. Dan zouden ze geen zorgen over een steen hebben gehad. Dan zouden ze in blijde hoop en verwachting van huis zijn gegaan. Dan hadden ze uitgezien naar Zijn komst, naar de ontmoeting met Hem. Dan hadden ze zich voorbereid om de Levende te ontmoeten. Al de zorg om de specerijen die ze nu met zich meedragen was achterwege gebleven.

 

O, wat maken wij ons vaak druk om de specerijen, maar hoe weinig om de Levensvorst. Want dit is het wonderlijke van het paasgeheim: de Heere is nabij, de Heere leeft, de Heere komt. Hij ziet ons en kent ons en leidt ons.

 

Deze vrouwen hebben het woord van de Heere aangehoord, maar zij hebben dat woord laten liggen, ze hebben het niet aangenomen door het geloof. Vandaar dat zij op die vroege morgen niet alleen het graf gaan bezien, maar ook specerijen met zich meedragen. En wat een zorgen kennen ze over de steen, die niet afgewenteld is!

Daar hebt u nu de vruchten van het ongeloof, gemeente, daar hebt u de vruchten van het kleingeloof. Niemand is in staat om die steen van ongeloof van ons hart weg te nemen, dan de Heere Zelf. Niemand kan dat.

De evangelist Markus gaat juist in dit laatste hoofdstuk van zijn evangelie de klemtoon leggen op de onmogelijkheid om die steen van ongeloof van het hart van mensen, zelfs van discipelen, weg te krijgen.

 

Zo komen die vrouwen bij het graf. En zo komen zij ook bij het wonder, het wonder van de paasmorgen.

De feiten die deze vrouwen gaan zien in de hof van Jozef van Arimathéa, zijn helemaal in overeenstemming met het woord dat de Heere gesproken had. Maar ziedaar: al die feiten botsen op het ongeloof van de vrouwen. Want het graf is open! En de steen is weg!

Wat een oorzaak van zorg was, wordt nu een oorzaak van ontzetting. De steen is weg! Het graf is open! Wat een oorzaak van blijdschap had moeten zijn, een bevestiging van het woord des Heeren, een open graf, is door het ongeloof een aanleiding tot vrees. Het graf is open! Wat zal er gebeurd zijn?

 

En nog meer schrik is er. Want als zij in het graf komen, in die grafkamer, dan zit daar een jongeling ter rechterzijde van de ingang. Hij is met een wit lang kleed bekleed. Dat is een engel. Een ‘jongeling’ wordt hij genoemd. Typisch dat in de paasevangeliën de engelen bij het graf ‘jongelingen’ worden genoemd. Weet u waarom dit zo opmerkelijk is? Dat tekent ons het eeuwige leven dat geen veroudering kent. Het eeuwige leven dat bij God is, kent geen aftakeling, geen veroudering, maar dat kent een eeuwige jeugd.

De hemelbode die hier in dat graf gezeten is, is een engel. Die heeft de heerlijkheid van de hemel verlaten en is gekomen in dat donkere graf, de grafspelonk van Jozef van Arimathéa. De hemel daalt af tot in een graf.

Maar dat graf is geen plaats meer van ontbinding en van verderf.

Nee, dat open graf spreekt van de overwinning op de dood, dat spreekt van leven!

Dat open graf spreekt van goedkeuring over het werk van de Heere Jezus Christus.

Dat graf spreekt van een eeuwige toekomst voor allen die in Gods hart besloten zijn.

 

Het geloof zou hier, uit de tekenen, het bericht hebben gehoord van de overwinning van Jezus op de dood en van de waarheid van Zijn opstandingswoord. Maar de vrouwen zijn verbaasd, zij zijn bevreesd, zij zijn verschrikt. Benauwende angst omknelt hun hart.

Hier zien we hoe blind en hoe doof we zijn voor de woorden en voor de daden van de Heere. O, wat zorgen het kleingeloof en het ongeloof voor vreesachtigheid! En wat beroven we de Heere daardoor van Zijn eer! Want in plaats dat deze vrouwen juichend hebben uitgeroepen: De Heere is waarlijk opgestaan, hebben zij in angstige vrees de geopende grafspelonk betreden.

 

Gemeente, jongens en meisjes, nu, op de paasmorgen, blijkt hoe diep God in Christus neerdaalt tot mensen. Op de paasmorgen ziet u, nog meer dan op de kerstdag, de neerbuigende goedheid van God. Want op de kerstdag wordt het heilsfeit verkondigd aan mensen die dat heilsfeit niet wisten en die het ook niet konden weten. De herders konden niet weten van de geboorte van de Heere Jezus, de Zoon van God, Die in deze wereld gekomen is in een stal. Maar op de paasmorgen komt de hemelbode met een boodschap tot vrouwen die het wél hadden kunnen weten, maar die dat woord vergeten zijn en die dat woord naast zich neer hebben gelegd. Dan komt de paasboodschap tot de discipelen die weggelopen zijn en die de Heere verloochend hebben, die gevlucht zijn. Op Pasen buigt de hemel zich zo laag neer, dat Hij komt tot mensen die het in alle opzichten hebben laten zitten en die het voor de Heere verdorven hebben. Dan komt de paasboodschap bij vrezende vrouwen, bij gevluchte discipelen, bij een Petrus die Jezus heeft verloochend. En dan klinkt in de oren van juist deze mensen het woord: Vreest niet en Zijt niet verbaasd. Welk een geruststelling voor vreesachtige mensen!

 

Wat heeft de Heere het toch dikwijls in Zijn Woord gezegd: Vreest niet. O, gemeente, de mens vreest zo veel, ook na ontvangen genade. Wat zou een mens eigenlijk hebben te vrezen als de Heere ons heeft opgezocht, naar ons heeft omgezien? Want elk mens die door de Heere is opgezocht, wandelt onder het oog van liefde van die God en Koning. Wat zouden we dan toch gerust kunnen leven!

Maar u ziet het aan deze vrouwen; de engel zegt: ‘Zijt niet verbaasd, vreest niet, want de hemel weet van uw verlangen, de Heere kent uw begeerte, Hij weet wat er in uw hart leeft.’ De hemel weet immers precies het begeren van deze vrouwen?

De Heere ziet tot op de bodem van ons hart. ‘Hij kent al onze gedachten van verre’, staat er in die oude Psalm 139, die vroeger in de kerk van de eerste eeuw als een paaspsalm werd gezongen.

‘Hij kent van verre uw gedachten.’ Hoort u maar: Gij zoekt Jezus de Nazaréner, Die gekruist was. Die zoekt u. Dat weet God. En die engel weet dat van God, want engelen zijn niet alwetend, die zien niet in het binnenste van een mensenhart. Dat kan God alleen. Als de engel zegt: ‘Ik weet dat gij zoekt Jezus’, dan heeft die engel dat van God als boodschap meegekregen. De vrouwen zoeken Jezus de Nazaréner, Die gekruist was. ‘Ik weet het’, zegt de engel. Ja, gemeente, de hemel weet van uw begeren af!

De dichter van Psalm 38 zingt:

 

Mijn begeren

Is voor U, in al mijn leed,

Met mijn zuchten en mijn zorgen,

Niet verborgen;

Daar Gij alles ziet en weet.

 

Deze vrouwen zoeken Jezus de Nazaréner, Die gekruist was. Ja, die zoeken ze, want Die hebben ze van hun goederen gediend, drie jaar lang. Jezus, Die uit Nazareth kwam. Ze zijn Hem gevolgd vanuit Galiléa.

Jezus, de Nazaréner, het is het smaadwoord waarmee de Joden Hem hebben betiteld. Dat was immers de naam die boven Zijn kruis was geschreven: Deze is Jezus, de Koning der Joden (Matth.27:37). Het duidt Zijn vernedering aan, het duidt Zijn lijden aan. Er kleeft bloed aan deze naam.

En nu zegt de engel: ‘Wie zoekt u?’ Ziet u dat dit een feit is dat aan de hemel bekend is? Want nu hebben deze vrouwen weliswaar in ongeloof aan het woord van de opstanding van de Heere het graf bezocht, maar één ding was er in hun ziel gebleven, en dat was de liefde. Dat was een liefde die sterker is dan het graf. Want uit liefde zijn zij gegaan, zo vroeg mogelijk, om de Heere te vinden, Jezus, de Nazaréner, Die gekruist was.

 

Zou de hemel dat van jullie ook weten, jongens en meisjes? Gemeente, zou de hemel dat ook van u weten, dat uw begeerte naar Hem uitgaat? Of zou die engel dat van u niet kunnen zeggen, omdat u Hem inderdaad niet zoekt en omdat uw begeerte inderdaad niet naar Hem uitgaat en omdat u Hem nooit gezocht hebt?

Dan zegt u misschien: ‘Ja, maar het gaat toch om God, het gaat toch niet om Jezus?’ Ja, gemeente, juist daarom, omdat het om God gaat. Want wij kunnen God nooit meer zoeken en nooit meer vinden buiten Jezus. We kunnen nooit meer gemeenschap hebben met God dan alleen in Jezus de Nazaréner, Die gekruist was.

 

O, daar hebt u de weg tot God, daar hebt u de weg tot de Vader: Jezus, de Nazaréner, Die gekruist was. Alleen door Hem en in Hem kunnen we gemeenschap hebben met God. En daarom: een mens die door genade een God-zoeker wordt, die wordt ook een Jezus-zoeker.

In onszelf kunnen we nooit meer iets vinden dan alleen maar zonde en schuld. In onszelf kunnen we nooit anders vinden dan oorzaken waarom God nooit meer met ons te doen kan hebben. Bij mensen is nooit meer wat te vinden. En in uzelf is het ook niet meer te vinden. Dan zoeken we verkeerd en dan wordt het bij de verkeerde gezocht. Maar Jezus, Hij is de Enige Die ons verlossen kan.

Dat wisten die vrouwen. Het is hen te doen om Jezus de Nazaréner, Die gekruist was. Daar gaat het om. En al is het dan dat dit zoeken gepaard gaat met kleingeloof, en al is het dat zij Hem zoeken op de verkeerde plaats, dan nog weet de hemel van dat zoeken naar Hem af. Je kunt Hem verkeerd zoeken – en misschien bent u daar mee bezig – maar de vraag is: is het om Hem te doen?

 

De engel zegt: ‘Ik weet dat u Jezus zoekt, de Nazaréner. Maar u zoekt Hem op de verkeerde plaats. U zoekt Hem bij dat graf, u zoekt Hem hier, maar Hij is hier niet.’

En dat is het neerbuigende van de hemel, gemeente. We horen helemaal geen bestraffing van hun kleingeloof. Er is geen scherpe terechtwijzing hier. Nee, de hemel vertroost hen, de hemel schenkt hen de zalving van het opstandingsevangelie. De hemel gaat aan mensen die Jezus zoeken, en die Hem op de verkeerde plaats misschien zoeken, door het opstandingsevangelie de zalving geven van de wonden in hun hart.

Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere gelegen heeft (Matth.28:6).

Daarom:

 

Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet,
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet;
Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

 

Wie het om Hem te doen is, die zullen Hem ook vinden.

Want Christus is opgestaan, dat is het tweede dat wij met elkaar gaan overdenken.

 

2. De Heere is opgestaan uit de doden

 

De vrouwen zoeken Hem op de verkeerde plaats bij het geopende graf. En daarom gaat de engel hun de paasboodschap prediken: ‘Hij is niet in het graf, Hij is niet in de dood, Hij is hier niet, Hij is opgestaan; ziet de plaats waar zij Hem gelegd hebben.’

 

Hij is opgestaan, zegt de engel.

Gemeente, dat is het wonder van het paasevangelie van alle eeuwen, dat de Heere is opgestaan. Want dat is nog nooit van iemand gezegd. De dood ging door, van Adam af, over alle mensen. En al die duizenden, die miljarden, zijn weggezonken in het moeras van de dood.

Er zijn wel eens mensen opgewekt uit de dood, u kunt het in het Oude en in het Nieuwe Testament lezen, maar al die mensen zijn weer gestorven, die zijn niet blijven leven. Zoals Lazarus bijvoorbeeld, of de jongeling te Naïn; die zijn opgewekt uit de dood, maar ze zijn later weer gestorven. Ze zijn ook niet ‘opgestaan’, maar ze werden ‘opgewekt’.

 

Jezus is opgestaan.

Ook Hij zonk in het moeras van de dood. Maar als Enige van al die miljarden die weggezonken zijn in de dood, is Hij als enige uit de dood verrezen. Hij is er niet in teruggezonken. Op de paasmorgen is Hij als de Eerste en als de Enige van al die miljarden opgestaan uit de dood. Als de meerdere Simson heeft Hij de banden van de dood verbroken en heeft Hij de poorten van het graf weggedragen.

Hij heeft het graf geopend. En het is nog nooit gebeurd dat een graf geopend werd door één die erin gelegd was. Mensen hebben wel graven gedolven en graven gesloten, maar nooit heeft een dode het graf geopend. Maar Jezus opende het graf. Al heeft een engel die steen weggerold, Jezus heeft het graf geopend. Want Hij had daar recht op, omdat Hij de hele wet vervuld heeft tot de laatste tittel en jota toe, omdat Hij al de schuld betaald heeft. Daarom had Hij recht op het leven. Jezus heeft een levensrecht, want Hij heeft de wet vervuld, die zei: Doe dat en gij zult leven (Luk.10:28). Hij heeft het leven verworven, Hij heeft het leven verdiend.

Jezus opende het graf. Hij ging als Enige uit dat graf, om er nooit weer in terug te keren. Jezus’ graf is voorgoed geopend. Van Jezus’ graf is de steen definitief weggewenteld. Dat graf blijft achter Jezus open.

 

Hij is hier niet, Hij is opgestaan.

Dat is de triomf van Jezus op Pasen. Dat is een prediking: Hij is hier niet, Hij is opgestaan. Dat geopende graf zegt ons dat Jezus het leven heeft, dat Hij het graf en de dood achter Zijn rug heeft. Daar is Hij doorheen gegaan, daar is Hij uit opgestaan, dat heeft Hij achter Zich gelaten. Hij leeft voor eeuwig!

 

Gemeente, dat leven deelt Hij mee. Het leven dat Hij verworven heeft, het leven dat de dood en het graf achter de rug heeft, dat deelt Hij mee aan mensenkinderen die geen levensrechten hebben, maar die de dood verdiend hebben.

Geen levensrechten! De dood verdiend! Aan zulken gaat Christus het leven meedelen, een leven dat niet meer naar de dood reist. Want de Kerk des Heeren reist niet meer naar de dood, die reist naar de doorgang van het eeuwige leven, die reist naar de verlossing van een lichaam der zonde en des doods.

De kinderen des Heeren gaan de zonde afsterven, die gaan dan volkomen eeuwig leven. Leven, dat het graf niet meer voor zich heeft. Want het graf, de plaats der ontbinding, is voor de Kerk des Heeren een rustplaats geworden, een slaapstede, waarop hun lichamen rusten zullen tot de morgen der verrijzenis, wanneer ze op zullen staan uit het graf en de Heere tegemoet zullen gevoerd worden in de lucht. Het is een slaapstede geworden. Het is een leven dat de eeuwige dag voor zich heeft. Want het leven dat Christus aan Zijn Kerk geeft door de eeuwige Geest, dat sterft nooit meer.

Dat gaat hier wel door het leven heen, maar bij het sterven ontplooit het zich ten volle. Het zal eeuwig leven met Hem. De Kerk des Heeren ontvangt op de dag dat Jezus ze levend maakt, nieuw leven, een leven dat een dag voor zich heeft zonder avond, waar ook geen nacht meer komt, maar waar eeuwig leven in hun ziel neerdaalt. Dat leven heeft Christus voor hen verworven.

 

Hij is hier niet.

Hij is niet meer in het graf, Hij is opgestaan uit de doden. Allen die Christus zijn ingelijfd, die zullen leven met Hem. Die zullen de dood niet zien in der eeuwigheid. Die zullen door de dood heengaan om eeuwig bij de Koning te zijn.

 

Hij is hier niet.

En daarom kunt u Hem hier ook niet meer vinden, u kunt Hem in dat graf niet meer vinden, u kunt Hem hier in uzelf niet meer vinden, u kunt Hem bij de mensen niet meer vinden. Hij wordt alleen in de hemel gevonden.

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods (Kol.3:1).

Christus leeft, Hij leeft in de hemel. Christus is alleen daar te vinden waar Hij nu is. Hij leeft eeuwig aan de rechterhand des Vaders. En daar, aan die rechterhand des Vaders, leeft Hij ten goede van Zijn Kerk. Niet alleen om daar voor hen te bidden, maar ook om door Zijn Geest eeuwig met hen te zijn en om hemelse gaven in Zijn lidmaten uit te storten.

De levende Jezus heeft de dood gedood, Hij heeft het leven aangebracht, en daarom zal Hij altijd met Zijn Kerk zijn.

 

Hij is opgestaan.

En dan nodigt de engel deze vrouwen uit om in dat graf te gaan kijken en daar te zien de plaats waar zij Hem gelegd hadden. Zij moeten gaan zien naar de rustbank, waarop dat in lijnwaad gewikkelde lichaam van de Heere Jezus door Jozef en Nicodémus neergelegd is. Daar heeft dat gemartelde lichaam gerust. Maar nu is die plaats leeg. Hij is er wel geweest. Daar hadden ze Hem gelegd. Mannenhanden hebben Hem in het graf gedragen en hebben Hem op die bank gelegd. Maar nu is Hij opgestaan. Hij is er niet meer. Hij ligt daar niet meer. Hij stond op en Hij ging uit. Hij is wel in het graf geweest, maar Hij heeft het graf overwonnen en heeft het verlaten. Hij is geen gevangene van de dood gebleven, maar Hij is uitgegaan.

 

Gemeente, nu is het Hoofd van de Kerk het eerst opgestaan en uitgegaan uit het graf. En nu zullen, alle eeuwen door, zondaren en zondaressen opstaan uit het graf van de geestelijke dood, uit het graf van de zonde en van de misdaden. Op het machtswoord van Christus, van de Levensvorst, leggen zij het doodskleed af. Door de prediking van Zijn evangelie, dat een kracht van God is tot de zaligheid, staan mensen op. Door de bediening van de Heilige Geest, de Geest des levens, staan zij op en gaan zij het graf der zonde verlaten. Dan gaan ze echt leven. Dat wil zeggen: dan gaan ze uit Hem leven. En dan gaan ze door Hem leven, dan gaan zij ook met Hem leven. Ja, dan gaan ze ook leven, zóeken te leven tot Zijn eer.

 

O, gemeente, dat is wat, om op te staan uit het graf van de zonde! Kent u dat? Leeft u dat leven door Hem en uit Hem al? Dat is een vraag die wij eerlijk te beantwoorden hebben.

Waar leven wij uit, jongens en meisjes? Leef je naar je eigen wil en zin en lusten? Leeft u op uw eigen kracht? Kunt u het leven zelf wel aan? Leeft u bij dat Woord van God? Of leeft u misschien bij mensenwoorden die in het verleden gesproken zijn en waarachter u zichzelf wegschuilt? Mogelijk waren het mensen die God vreesden en achter wie u uzelf nu verschuilt. Maar het schiet wel allemaal tekort als wij straks voor God moeten verschijnen. Wij kunnen in eigen kracht trachten te leven en wij kunnen in eigen wil en lust de dingen doen, die wij menen dat nodig zijn. Of wij kunnen mogelijk zeggen: ‘Ja, ik heb een vader of moeder, een grootvader of grootmoeder gehad die God vreesde.’

Maar denk er toch aan, gemeente, straks staan wij voor God en dan gaat het om één ding: hebben wij in Jezus de Nazaréner, Die gekruist was, maar Die is opgestaan uit de doden, hebben wij in Hem het leven gevonden? Is het zo dat Hij mijn dood is gestorven, dat Hij mijn graf heeft overwonnen?

 

Leven wij met Hem? Daar gaat het om.

Dat wil zeggen dat Hij mijn wijsheid is.

Dat wil zeggen dat Hij mijn levenskracht is.

Dat wil zeggen dat Hij mijn licht is, mijn eeuwige gerechtigheid.

Dat wil zeggen dat Hij mij steunt in al mijn wankele schreden, dat Hij mijn Voorbidder is, dat Hij mij beschermt, behoedt en bewaart.

Dat wil zeggen dat Hij mij alles geworden is, omdat ik niets meer overhield.

Is dat in uw leven waar geworden? Want dan moet u geleid worden aan Zijn hand.

 

Uw rechterhand, vol mogendheden,
Doet mij getroost en veilig gaan.

 

O, dan is die levende Jezus Degene Die mij lief wordt en nodig is boven alles.

 

Gemeente, jongens en meisjes, hoe is het? Laat het ons eigenlijk onberoerd of we onbekeerd zijn? Of hebben we daar zo onze oplossingen voor?

Zeggen we misschien heel rechtzinnig: ‘Ja, een mens kan zichzelf niet bekeren, een mens kan het zomaar niet grijpen.’ Dat wordt ook nergens gezegd dat u het grijpen moet en kunt. Daar wordt ook nergens gezegd dat u het kunt. Maar daar wordt wel gezegd dat Hij het kan! Dat is nu juist de boodschap van Pasen, dat is nu juist de boodschap van het evangelie. Wat u niet kunt en niet hebt en niet wilt, dat is allemaal bij Hem te verkrijgen.

Hij wil het geven. En Hij wil het zó gaarne geven dat Hij op Zijn laatste gang naar Jeruzalem, toen Hij op de Olijfberg zat met Zijn discipelen en die stad daar zag liggen, dat Hij toen geweend heeft. Dat Hij toen gezegd heeft: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37). Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42).

 

Jezus is de dood ingegaan. Maar Hij heeft de dood overwonnen en is opgestaan ten derde dage. Het is Pasen geworden. Pasen zegt ons dat Jezus de poort van de dood heeft geopend om de gevangenen van de dood los te maken en om de gebondenen van de hel vrijheid te geven.

En daarom de boodschap dat Christus is opgestaan. Het is een boodschap van leven! Het is een boodschap van zaligheid aan dode zondaren!

 

De levende Jezus gaat Zijn Kerk vóór. Hoort u maar: Doch gaat heen.

De ontmoeting van de engel met de vrouwen heeft dus een doel. Zij moeten niet rusten met die boodschap van de opstanding van Christus. Nee, Hij zegt: ‘Gaat heen! Christus is hier niet, maar gaat nu heen naar Zijn discipelen, en naar Petrus.’ Deze vrouwen moeten een schakel worden door de boodschap die zij gaan brengen, een schakel tussen de levende Jezus en de discipelen.

 

‘Een paasboodschap met een opdracht’, schreven we boven deze predikatie. Niet zómaar een opdracht, maar een heel zorgzame opdracht. De vrouwen moeten een boodschap gaan brengen aan de discipelen. Nauwkeurig wordt het omschreven: aan de discipelen en Petrus. Misschien zult u vragen: ‘Waarom niet gewoon aan de discipelen?’ Waarom voegt de engel er nu zo met nadruk aan toe: en Petrus? Wel, het is hierom: die Petrus is er het ergste aan toe! Die man heeft zijn Meester verloochend. Hij heeft gezegd: Ik ken de Mens niet. Hij heeft gezegd: ‘Ik ben niet één van Zijn discipelen, ik hoor daar niet bij, ik sta daar helemaal buiten.’

Als de engel, in opdracht van de Heere, nu gezegd zou hebben: ‘Zegt aan Zijn discipelen’, dan had Petrus er niet bij gehoord in Petrus’ waarneming, want dat had hij zelf – met ede – gezegd: ‘Ik hoor daar niet bij, ik behoor niet tot Zijn discipelen.’ Als dus dat alleen gezegd was, dan was het juist voor die wanhopige Petrus een onmogelijke zaak geworden. Maar nu zegt Jezus: ‘Simon Petrus, je hoort er ook bij!’

 

Zegt Zijn discipelen én Petrus…

Zorgvuldig is die boodschap aan de engel meegegeven: ‘Zeg nu tot die vrouwen dat ze tegen Mijn discipelen en Petrus moeten zeggen, dat Ik opgestaan ben.’

Is dat nu geen liefde, gemeente? Is dat nu geen tere liefde, is dat nu geen zorgvuldige liefde, dat hier wordt gezegd: ‘Zegt het Zijn discipelen, en Petrus’? Petrus kon zich er niet meer bij rekenen. Maar Jezus zegt: ‘Ik reken jou er nog steeds bij.’ Jezus gaat Petrus in het bijzonder noemen.

 

De boodschap die zij moeten gaan brengen, is deze: Hij gaat u voor naar Galiléa. Jezus gaat voor, de discipelen zullen dus moeten volgen. Dat is een les voor de discipelen geweest. Maar zeker ook een les voor Petrus, die altijd voorop wilde lopen en altijd haantje de voorste was. Die man moet gaan volgen. Petrus, die zelfs de Heere voor de voeten liep, zodat de Heere moest zeggen: ‘Petrus, ga achter Mij.’ Ze horen nu: ‘Ik ga u voor naar Galiléa. En aldaar zult gij Mij zien.’ Daarover handelt onze derde gedachte:

 

3. Hij gaat hen voor naar Galiléa

 

Galiléa is het land van de eerste ontmoeting. Daar heeft de Heere Zijn discipelen vandaan gehaald, daar heeft Hij ze opgezocht. De één van zijn scheepje vandaan, de ander uit een tolhuis. Galiléa, daar heeft Christus ze vandaan gehaald. En nu gaat de Heere ze daarheen weer voor, naar het land van Galiléa. Daar zullen ze Hem zien.

 

En gemeente, dat is ook een les. Want als ze daar weer terug zijn, als ze weer zullen zijn in Galiléa, dan kunnen ze zichzelf af gaan vragen:

‘Wat is er nu veranderd in die drie jaren? Is er wat verbeterd bij jou? Doe je het beter? Zie je het beter? Ken je Mij beter? Als je nu eens terugkijkt, is er dan wat veranderd in jouw leven?’

En dan zal elk van die discipelen moeten zeggen:

‘Nee, daar is niets verbeterd, integendeel.’

 

Toen ze drie jaar geleden de Heere gingen volgen met goede moed en vol vuur en met liefde, toen hebben ze gedacht dat zij het voortaan wel goed zouden doen. Petrus heeft dat ook eens letterlijk zo gezegd: ‘Ik zal desnoods voor U sterven!’ Maar wat is er nu van dat alles terecht gekomen? Helemaal niets. Integendeel, Petrus heeft Hem verloochend. En de discipelen hebben Hem verlaten. Dus als het erom gaat of ze beter zijn geworden... Integendeel, ze zijn nu minder dan toen zij begonnen waren.

 

Maar… Jezus leeft!

En wat zij nu moeten leren is niet alleen om achteraan te komen, om te volgen, maar ook om uit Hem te leven, in de wetenschap: wij kunnen niets.

Petrus schrijft dat trouwens ook in de eerste brief die hij geschreven heeft aan de vreemdelingen in de verstrooiing. Daar schrijft hij: Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof (1 Petr.1:5). Weet u wat dat betekent, gemeente? Dat wil zeggen: bewaakt worden, omringd worden, als met schildwachten omgeven worden. O nee, ze zijn niet beter geworden in die drie jaar.

 

Ik ga u voor naar Galiléa.

Dan komen die discipelen daar dus ook weer, minder dan toen ze daar vertrokken. Maar daar ontmoeten ze de Levensvorst, daar ontmoeten ze Jezus. Aldaar zult gij Hem zien. Dat heeft Jezus voorheen gezegd. Gelijk Hij u gezegd heeft.

 

In de boodschap van die vrouwen zit dus als het ware een wachtwoord voor de discipelen ingebouwd; daar zit een kenmerk van echtheid in. De vrouwen zelf konden dat niet weten, dat de Heere dit tegen de discipelen gezegd had, want de Heere heeft dat gezegd in de laatste nacht dat Hij met Zijn discipelen vergaderd was, de nacht dat Hij verraden werd. Toen heeft Hij gezegd: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa (Mark.14:18). Dat kon dus niemand weten dan alleen de discipelen. Dus als die vrouwen tegen de discipelen zeggen: Gelijk Hij u gezegd heeft, dan kan dat nooit anders dan een woord van de Meester Zelf zijn. Want alleen zij en de Meester weten dat Hij dat gezegd heeft. Kenmerk van echtheid dus, ingebouwd in de boodschap van Pasen. Het is waarachtig waar: ‘Ik ben opgestaan. Ik leef! Weten jullie het nog van die avond toen we uit de paaszaal gingen naar de Olijfberg, dat Ik het u toen gezegd heb: Ik ga u voor naar Galiléa?’

 

Gemeente, die discipelen hebben wel het kruis onthouden, maar ze zijn dit woord van de Heere Jezus vergeten. En wat zij nu, op de paasmorgen, gaan horen uit de mond van vrouwen, is de boodschap van de hemel, door middel van een engel.

Het is deze boodschap, dat de steen, die door de tempelbouwers verachtelijk was een plaats ontzegd, nu, tot verbazing der beschouwers, van God ten hoofd des hoeks is gelegd.

 

Wij gaan dat nu zingen uit Psalm 118 het elfde vers:

 

De steen die door de tempelbouwers

Veracht’lijk was een plaats ontzegd,

Is, tot verbazing der beschouwers,

Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen,

Door ‘s Heeren hand alleen geschied;

Het is een wonder in onz’ ogen;

Wij zien het, maar doorgronden ’t niet.

 

Pasen. Christus is opgestaan naar de Schriften. Dat is de blijde boodschap op het paasfeest. Jezus leeft!

 

Maar nu de vraag: leeft u met Hem? Want daar gaat het om. Geestelijk dode zondaren kunnen levend gemaakt worden, omdat Jezus is opgestaan uit de doden.

Is dat met u gebeurd, gemeente, jongens en meisjes? Een kenmerk van de dood is rust. Maar een kenmerk van leven is beweging. Daar is alles in beweging. Ook als ons hart uitgaat naar Hem. Evenals bij die vrouwen. Ik weet dat gij zoekt Jezus, de Nazaréner, Die gekruist was.

Pasen roept ons toe: ‘Allen die het om Christus te doen is: Hij leeft!’ En daarom mag u ook leven, want Hij heeft een volheid van heil bereid, waaruit Hij gaarne uitdeelt.

En is er bij u een gebrek te vinden? Hij kan dat vervullen. Hij schenkt hulp, Hij schenkt leven, Hij schenkt vergeving. Ja, Hij zoekt weggedwaalden weer op. Hij verbindt al degenen die wonden hebben opgelopen. Hij geneest al de builen die zij hebben. De Heere geneest en de Heere vergeeft en de Heere redt.

Is Christus reeds voor ons alles geworden? Gemeente, Hij is het waard dat we van Hem spreken en van het heil dat in Hem is en wat we in Hem gevonden hebben. Hij is het zo eeuwig waard, dat we dat gaan vertellen.

 

De oprechten gaat het licht op in de duisternis (Ps.112:4). Dat gebeurde daar met Pasen. Dat gebeurde daar bij die vrouwen, bij de discipelen, bij de Emmaüsgangers. De één na de ander. Ze hebben allemaal dat Licht van Pasen ontmoet, de levende Christus. En wat is Hij het dan waard dat we Hem vanwege Zijn goedheid prijzen.

 

Zoek Hem niet waar Hij niet te vinden is. Zoek Hem niet in allerlei dingen van uzelf, in allerlei dingen van mensen. Doe dat niet, want daar is Hij niet. Hij is in de hemel. En wij verwachten Hem ook weer uit de hemel, deze levende Jezus.

 

Ja, dan is er wel eens een heimwee in het hart van Gods kinderen, het heimwee om altijd bij Hem te zijn. Want de Kerk heeft weliswaar de levende Jezus in de hemel, maar zij zijn in de strijd hier op de aarde.

Maar gelukkig, Hij gaat met ze mee de strijd in en Hij sterkt ze in de strijd door Zijn Geest en Hij onderwijst ze door Zijn Woord, Hij oefent ze in het strijdperk van dit leven.

Maar ze zien uit naar het ogenblik, dat ze altijd bij Hem zullen mogen zijn. Dat is het heimwee naar de levende Jezus, om straks altijd bij de Heere te mogen zijn.

En dat ogenblik komt, hoor!

De apostel Paulus heeft in de brief aan de Thessalonicenzen daartoe opgewekt en het die gemeente toegeroepen: En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden (1 Thess.4:17-18).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 30:3

 

Psalmzingt, Gods gunstgenoten, geeft,

Geeft lof de Heer’, Die eeuwig leeft;

Zijn vlekkeloze heiligheid

Zij ter gedachtenis verbreid;

Een ogenblik moog’ ons doen beven;

Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 25)