Ds. D.W. Tuinier - Hebreeën 10 : 23 - 25

Onderwerp

Een apostolische vermaning tot onderlinge liefde en zorg
Een vermaning om vast te houden aan de belijdenis der hoop
Een vermaning om op elkaar acht te nemen
Een vermaning om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten

Hebree├źn 10 : 23 - 25

Hebreeën 10
23
Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);
24
En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;
25
En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 146: 3
Lezen : Hebreeën 10: 14-31
Zingen : Psalm 115: 1, 6, 7
Zingen : Psalm 93: 4
Zingen : Psalm 133: 3
Zingen : Psalm 98: 4

Geliefden, Gods Woord ligt open bij de brief van de apostel aan de Hebreeën, hoofdstuk 10, de verzen 23 tot en met 25. Daar lezen we onze tekst:

 

Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden (want Die het beloofd heeft, is getrouw);

En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;

En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

 

We schrijven onder dit gedeelte en boven de preek: Een apostolische vermaning tot onderlinge liefde en zorg.

 

Drie aandachtspunten komen daarin naar voren:

1. Een vermaning om vast te houden aan de belijdenis der hoop (vers 23)

2. Een vermaning om op elkaar acht te nemen (vers 24)

3. Een vermaning om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten (vers 25)

 

1. Een vermaning om vast te houden aan de belijdenis der hoop

 

Jongens en meisjes in de kerk, stel dat je de Hebreeënbrief mag inkleuren, met welke kleur zou jij dat doen? Wat denk je? Precies, je hebt het goed: met rood! Waarom met rood? Omdat rood de kleur is van het bloed. Heel de Hebreeënbrief staat vol van het priesterlijke werk en het offer van de Heere Jezus Christus. Hij is de grote Hogepriester van Zijn Kerk.

In dit Bijbelboek worden er lijnen getrokken vanuit het Oude Testament naar het Nieuwe Testament. Vanuit de schaduwdienst onder de oude bedeling spreekt de apostel over de Heere Jezus Christus, de Hogepriester van Zijn huis. Al de oudtestamentische beloften zijn nieuwtestamentisch in Hem vervuld. Ook Hebreeën 10 staat vol van het werk en de gezegende Persoon van de Vervuller!

De apostel spreekt de christen-joden, de Hebreeën, aan met: ‘broeders’. U leest in vers 19: Dewijl wij dan, broeders… Wat een liefdevolle aanspraak! Indringend en ernstig dringt Gods knecht bij de Hebreeën aan om met vrijmoedigheid in te gaan in het heiligdom. Daarvoor is grond. Welke? Het bloed van Jezus. U leest het in vers 20.

Daar is een verse en levende weg, zo gaat hij verder in 20. En Jezus heeft die weg om in te gaan in het heiligdom ingewijd door het voorhangsel. Hij zegt in 21: ‘Wij hebben’, tegenwoordige tijd, Hebreeën, wij hebben een grote Priester over het huis van God. En dan gaat hij verder in 22: ‘Dus laat ons toegaan.’

 

Ziet u de lijn van vers 19 naar vers 22? In vers 19 gaat het over ingaan in het heiligdom op grond van Christus’ verzoeningswerk. Daarom mogen zij ook toegaan. Dan worden vervolgens in vers 24 vier dingen genoemd. De Hebreeën moeten ingaan in het heiligdom door het bloed van Jezus en toegaan, ten eerste: met een waarachtig hart, ten tweede: in volle verzekerdheid van het geloof, vervolgens: uw harten gereinigd hebbend van het kwade geweten en tenslotte: het lichaam gewassen zijnde met rein water. Dan volgt onze tekst: Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden (want Die het beloofd heeft, is getrouw).

 

Laat ons… Dat is kenmerkend voor de apostel in zijn brief aan de Hebreeën. Laat ons, zo wekt de apostel op. Laat ons ingaan, laat ons toegaan, en in de tekst: Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden.

U vraagt: ‘Wat bedoelt de apostel? Wélke belijdenis, en waarom wordt deze belijdenis de belijdenis der hóóp genoemd?’ Het is de belijdenis aangaande de grote Hogepriester. Hij is de grote Inhoud van hun belijdenis. Het is de belijdenis aangaande Jezus Christus en Zijn hogepriesterlijk werk.

Over Hem en Zijn belijdenis heeft de apostel al eerder geschreven. In Hebreeën 3 vers 1 schrijft hij: Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus. En in Hebreeën 4 vers 14 lezen we: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Wie is dus de grote Inhoud van de belijdenis? De Heere Jezus Christus.

 

Deze belijdenis heeft alles te maken met de belijdenis die de Hebreeën hebben gedaan toen zij gedoopt zijn. In het voorgaande vers worden zij daaraan herinnerd. Wat een onvergetelijke gebeurtenis was dat, toen zij voor hun doop met mond en hart hebben beleden dat Jezus Christus de Zoon van God is. Als bevestiging daarop hebben zij het zegel en teken van het genadeverbond ontvangen.

Als vrucht van het eenzijdige genadewerk van God in hun hart en leven, mochten zij toegaan met een waarachtig hart. Ze komen in de volle verzekerdheid des geloofs. Hun harten werden gereinigd van hun kwade geweten en hun lichaam gewassen met rein water. Ze hebben de betekende zaak van het sacrament van de Heilige Doop, de vergeving van zonden in het bloed van de Heere Jezus, de vernieuwing van hun hart en leven door de Geest van Christus ervaren. Zij hebben daarop hun geloofsbelijdenis afgelegd.

Gemeente, wanneer hebt u uw geloof beleden? De Heere herinnert u door middel van deze preek aan uw geloofsbelijdenis. Hoe is dat geweest? Het gaat om uw hart! De Heere ziet naar waarheid in het binnenste. U kunt niet met uw nette kleren of wat rechtzinnigheid voor Hem bestaan. Is de Heere Jezus ook uw belijdenis geworden? De Hebreeën hebben eenmaal met mond en hart beleden, zoals eenmaal de Moorman dat heeft gedaan: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is (Hand.8:37).

De apostel herinnert de Hebreeën aan hun belijdenis. Dat is de belijdenis van hun hoop. Dat is de belijdenis van hun leven! Ze mochten met Petrus zeggen: Tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij hebben geloofd en bekend dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God (Joh.6:68-69). Welnu, zo schrijft de apostel, aan de Hebreeën: Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden. Blijf bij die belijdenis. Wees trouw. Houd daaraan vast.

 

De belijdenis der hoop. Waarom wordt hij zo genoemd? Omdat aan deze belijdenis een rijke verwachting verbonden is. Jezus Christus is immers de centrale Inhoud! Hij is het Middelpunt van hun belijdenis! In Hem hebben zij door het geloof, in hun zonden, in hun ellende, hun zaligheid, hun reinigmaking mogen zoeken en vinden! Hoe rijk en hoe heerlijk zijn de weldaden, de schatten, de gaven en de zegeningen die Hij voor hen heeft verworven! Daarin mogen ook zij delen. Is dat geen onuitsprekelijke troost? Daarom: het is de belijdenis der hoop.

Jezus Christus is hun Hoop. In zichzelf hebben ze, als een hopeloze, hun hoop en hun verwachting mogen stellen op Hem alleen. Hij is het Anker van hun ziel. Zij stemmen in met de dichter: ‘In de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heer’ gerust.’ Hij is de belijdenis der hoop.

 

De apostel zegt: ‘Laat ons die onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden.’ Die belijdenis der hoop is onwankelbaar, jazeker! Maar hier valt de nadruk op: Laat ons de belijdenis van de hoop onwankelbaar vasthouden. Wat er ook wankelt in deze ondergaande wereld, wat er ook betrekkelijk en vergankelijk is, blijf bij de belijdenis aangaande Jezus Christus en Zijn hogepriesterlijk werk. Blijf bij Zijn Woord! Zoek Hem te kennen, Hebreeën. Zoek Hem meer en meer te kennen. Zoek op Hem gebouwd te worden, als het enige Fundament van uw hoop en zaligheid. Zoek op Hem gefundeerd te zijn.

 

Om hen nog meer aan te sporen, voegt Gods knecht er aan toe: Want Die het beloofd heeft, is getrouw. Met andere woorden: ‘Uw hoop, uw verwachting, uw leven, uw zaligheid is op een goede, een zekere en vaste grond gebouwd en gefundeerd, namelijk op Gods trouw.’ Hij kan niet liegen. Hij doet wat Hij belooft. De zaligheid, de troost en uw hoop is niet afhankelijk van uw belijdenis, van uw geloof en van uw hoop. Dan is alles zo wankel en onzeker. Dan is er geen hoop en verwachting. Maar het is een onwankelbare belijdenis, die vast en zeker is in Hem Die Dezelfde is, gisteren en heden en tot in der eeuwigheid.

De vastheid, de troost en de zekerheid van uw hoop ligt in de belovende God. Hij, Die het goede werk in u begonnen is, Hij zal het voor u voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

 

Gemeente, nogmaals de vraag: hoe hebt u belijdenis van uw geloof afgelegd? De Heere neemt geen genoegen met uw mond. Hij is niet tevreden met alleen de uiterlijke vorm. Belijdenis doen is geloven met uw hart en belijden met uw mond. Het gaat toch om beiden?

Als het goed is, doet u dat dagelijks. Elke dag belijdt u, door Gods genade, dat u midden in de dood ligt. Ook belijdt u dat uw reinigmaking en zaligheid buiten uzelf leert zoeken en vinden, in de Zaligmaker, in de grote Priester over het huis van God. Hij is voor u alles geworden. U stemt in met David in Psalm 39: En nu wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U (Ps.39:8).

Hebreeën, houd deze onwankelbare belijdenis vast! Dat kunt u niet in eigen kracht. Verwacht het daarom ook niet van uzelf. Maar verwacht het van de belovende God. Hij is getrouw. Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. (1 Thess.5:24). Straks gaan we het zingen: ‘Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan. Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.’

 

Want Die het beloofd heeft, is getrouw. Horen jullie dat, jongens, meisjes? Als de Heere belooft in Zijn Woord: En die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.8:17), dan moet je daar je vinger eens bij leggen! ‘Heere, U hebt het beloofd, als ik U zoek, als ik naar U vraag, als ik mijn knieën buig en U smeek om Uw liefde en genade in mijn hart, dan zult U het geven, want U bent de Getrouwe. U bent een Waarmaker van Uw Woord.’

 

We gaan er van zingen, Psalm 93 vers 4:

 

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan.

Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.

 

We hebben gezien dat de apostel oproept om vast te houden aan de belijdenis van de hoop. Het is ook een vermaning om op elkaar acht te nemen, ons tweede aandachtspunt.

 

2. Een vermaning om op elkaar acht te nemen

 

We lezen in vers 24: En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken.

Treffend is dat in dit korte Schriftgedeelte de drieslag van het geestelijke leven onze aandacht trekt. Het ware geloof in vers 22, de vaste hoop in vers 23 en de vurige liefde in vers 24 krijgen een plaats. Wijlen professor G. Wisse noemt ze: ‘De drie gezellinnen op de pelgrimsreis.’ Ze zijn onmisbaar om getroost te leven en zalig te kunnen sterven.

Geloof, hoop en liefde. Jongens en meisjes, vergelijk het met een plantje. Het geloof is de wortel, de hoop is de stengel en de liefde zijn de (bloesem)vruchten. Geloof, hoop en liefde zijn onmisbaar in ons leven.

Uit het geloof, dat is de wortel die de Heere door Zijn Geest werkt in de wedergeboorte, wordt de hoop geboren. Het geloof heeft onder andere als vrucht de liefde. Deze is voelbaar. De apostel Paulus zegt in zijn brief aan de gemeente van Korinthe: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde. (1 Kor.13:13).

Het gaat uiteindelijk, als het goed is, om de liefde. Ja, als het goed is! Is het goed met u? is het goed met jou? Het is alleen goed met u en met jou als we door een waar geloof verbonden zijn met Jezus Christus, Die Zichzelf de Wijnstok noemt.

Als u vanuit Zijn bediening levenssappen ontvangt, draagt u vrucht. Nu scherpt de apostel de Hebreeën op om dat ware geloof te zoeken, daarin op te wassen, de belijdenis van de hoop onwankelbaar vast te houden. Dan zal de vurige liefde niet ontbreken.

 

Die liefde openbaart zich in het op elkaar acht nemen. In de oorspronkelijke taal staat er: ‘Laat ons elkaar bespioneren.’ Dat klinkt negatief, maar het wordt juist in de meest positieve zin bedoeld. Gods knecht heeft het al eens eerder geschreven: Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde (Hebr.3:13).

Hebreeën, neemt acht op elkaar! Heb zorg voor elkaar. Heb elkaar lief. Pas goed op de ander. Dat is Gods bevel. Ouders brengen hun kinderen naar de oppasdienst. Wat verwacht u van hen die op uw kinderen passen? Natuurlijk dat zij uw kleine in liefde en met zorg omringen. Wat een verantwoordelijke taak. Ouders, wat verwacht u van de meester of juf als uw kind ’s morgens rond de klok van half 9 naar school gaat? Dat het onderwijzend personeel het beste voor uw kinderen op het oog heeft. Dit beeld moet u voor ogen staan als het gaat om de apostolische aansporing om op elkaar toe te zien.

Wij krijgen allemaal de opdracht om voor elkaar te zorgen. U moet uw naaste omringen met veel liefde en zorg. Waak over elkaar. Nooit op een negatieve wijze. Dat gebeurt helaas maar al te vaak. Dat weet de apostel ook. Dat bedoelt hij niet. Hij zegt niet: ‘Bespioneer de fouten van de ander.’ Hij schrijft niet: ‘Je moet elkaar veroordelen.’ Nee! Laten we in de goede zin van het woord op elkaar acht geven. Laat er oprechte zorg zijn voor en met elkaar.

 

Ja, het moet zo zijn, tot opscherping van de liefde, zodat deze weer vurig wordt. Dus u moet worden opgescherpt. Het mes is bot geworden. Blijkbaar moeten de Hebreeën en wij uit onze geestelijke doodslaap worden opgewekt. Daarom roept Paulus ons op en spoort ons aan om elkaar te bespioneren. U moet worden aangevuurd. Zodat het ene kooltje het andere kooltje aansteekt en het vuur van de liefde Gods branden zal. Dat zal zijn tot Gods eer en tot heil van de naaste en tot verzekering van het geloof.

De goede werken zijn de vruchten van de bediening van Jezus Christus. Als Gods liefde er is, hoe meer die in beoefening is, des te meer zal er een drang zijn tot liefdebetoon.

‘Hebreeën, in het verleden is dat ook bij u geweest.’ De apostel schrijft in een voorgaand hoofdstuk: Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. (Hebr.6:10). Toen was de onderlinge liefde er, tot roem van Gods genade. Maar hoe is het nu?

 

Als er geen geloof is, als het geloof niet in beoefening is, dan is er ook geen hoop. Als het geloof en de hoop wegkwijnen, als er verachtering is in de genade, als de verborgen omgang met de Heere wordt gemist, dan kwijnt ook de liefde. En als de liefde kwijnt, wordt de vrucht van de liefde overwoekerd door zelfzucht, egoïsme, achterdocht, wantrouwen, afgunst en hoogmoed.

Dan bedroeven we de Heilige Geest. Dat is schadelijk voor uw geestelijk leven.

Daarom: En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken. Heb zorg voor elkaar. Zet je oren en je ogen open. Dat is de christelijke opdracht. Dat is Bijbels. Daarom zegt Hij: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. (Ef.5:14). Dat is een woord voor ons allemaal, heel de gemeente, niemand uitgezonderd. Met als doel? Tot opscherping der liefde. Dat is de ware liefde, de liefde van God, als vrucht van de Geest van Christus.

Hij heeft Zijn Kerk liefgehad tot het einde toe, tot in de dood van het kruis. Zijn liefde noopt tot wederliefde.

 

Jongens en meisjes, denk eens aan Tabitha. Ze woont in Joppe, een havenstad aan de Middellandse Zee. Ze wordt ook wel Dorkas genoemd. Je leest van haar iets heel moois in de Bijbel. Ze is een discipelin. Dat betekent dat ze een leerlinge is op de school van de Heere Jezus, de grote Leraar en Profeet. God werkte door Zijn Geest het ware geloof in haar hart. Het gevolg is dat zij goede werken doet. Aan haar levensboom hangen veel en rijke vruchten. Ze is verbonden met de Wijnstok, met Jezus Christus. Van Hem krijgt zij levenssappen. Zij geven vrucht in haar leven.

Je leest dat ze vol is van goede werken. Dat komt omdat ze vol is van God en vol van de liefde van de Heere Jezus. De Heilige Geest werkt in haar hart. Daarom kent iedereen in Joppe haar. Het hart en het huis van Tabitha staan vooral open voor arme mensen en weduwen. Ze maakt niet alleen kleren voor hen, ze leeft ook met hen mee. Als er verdriet is of nood, Tabitha is er. Is iemand blij, dan is zij het ook. Ja, zij is een echte christin. Ze leeft dicht bij de Heere. Zij denkt en spreekt klein van zichzelf en groot van God. En ze steekt haar handen uit de mouwen. Ze helpt waar dat nodig is. En dat alles doet ze omdat ze de Heere liefheeft. Ze wil leven voor Hem, in dankbaarheid. Ze mocht de belijdenis der hoop onwankelbaar vast houden.

Er was onderlinge liefde en zorg in de gemeente. Daarover geeft de Heere Zijn zegen. En Zijn zegen maakt alleen rijk. We gaan er van zingen, Psalm 133 vers 3:

 

Waar liefde woont, gebiedt de Heer’ de zegen:

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ‘t leven tot in eeuwigheid.

 

Het thema van de preek is: Een apostolische vermaning tot onderlinge liefde en zorg.

We hebben gezien dat het een vermaning is, ten eerste om vast te houden aan de belijdenis der hoop (vers 23), ten tweede om op elkaar acht te nemen (vers 24) en ten slotte letten we op:

 

3. Een vermaning om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten

 

Daarover gaat het in vers 25. Daar leest u: En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

Ook dit vermanend woord moet u niet los zien van het voorgaande. Lees Gods Woord altijd in haar verband. Onze tekst is één geheel. Kennelijk zijn er onder de Hebreeën die opzettelijk de ambtelijke samenkomsten verzuimen. De oorzaken noemt de apostel niet. Daar gaan we dan ook maar aan voorbij. In het volgende vers heeft de apostel het over willens zondigen. Willens, opzettelijk. Bent u dat? Laat u uw plaats leeg om een bepaalde reden? Zijn er onder ons die opzettelijk niet in de kerk komen? Leest u eens verder in de verzen 26 tot en met 31. Aangrijpend!

Hoewel er ook zijn, dat weet u, die graag de onderlinge bijeenkomsten zouden bijwonen maar niet kunnen, door psychische problemen of lichamelijke zorgen. Er zijn ook gemeenteleden die wel willen, maar niet durven. Het is geen onwil, maar onmacht. Laten we daar als gemeente ook oog voor hebben. Maar eveneens elkaar opscherpen en vermanen als we onnodig onze plaats in Gods huis leeg laten.

 

De Hebreeënbriefschrijver vindt opzettelijk wegblijven en de ambtelijke samenkomsten verzuimen, een zeer kwalijke zaak. Waarom? Omdat men zich dan onttrekt aan de onderlinge vermaning. Men onttrekt zich aan de onderlinge opscherping. Als u de onderlinge samenkomsten nalaat, als u niet naar de ambtelijke samenkomsten komt, wordt u niet opgescherpt. Dan mist u zo veel. Dat is ook schadelijk voor u. Dat is altijd onvruchtbaar.

U mist het onderwijs vanuit Gods Woord. U komt niet in de werkplaats van Gods Geest. Wat erg. Wat verdrietig. Dan is het gevaar groot dat u de belijdenis der hoop niet vasthoudt. Dan mist u ook de troost. Bovendien, God is niet aan de middelen gebonden maar Hij bindt ons wel aan de middelen. Hij werkt middellijk. De apostel drukt de Hebreeën op het hart dat onnodig de onderlinge samenkomsten verzuimen, niet goed is. Daar kan nooit de zegen van de Heere op rusten.

 

Daarom: En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

Elkaar vermanen! Het woordje ‘vermanen’ betekent niet vanuit de hoogte op de ander neerzien en iemand de les lezen. Vermanen heeft in Gods Woord de betekenis van: met liefde omringen, je arm om iemand heen slaan en de enige, juiste weg wijzen. Vermanen zoals Jezus Zelf het volk onderwezen heeft. In alle ernst waarschuwen, en eenvoudig, lieflijk en bewogen de Weg van heil en behoud wijzen.

Ja, dat is het. Vermanen heeft altijd uw zaligheid op het oog. Het is altijd medisch, helend van aard. Gods eer is op uw hart gebonden. Ook het gewicht van de onsterfelijke ziel van uw naaste.

 

Het laatste van de tekst wijst daar ook op: Maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

Welke dag? De dag dat de Heere Jezus zal terugkomen op de wolken van de hemel. De dag van het oordeel, de dag van het gericht. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad, schrijft Paulus in zijn Korinthebrief (2 Kor.5:10).

Maar het is ook de dag van de grote bruiloft voor allen die God liefhebben en vrezen. ‘Daarom, Hebreeën, laat ons onze belijdenis onwankelbaar vasthouden! Heb acht op elkaar. Laat er een onderling liefdesvuur zijn in uw hart en leven, alles door de bediening, aangestoken en aangevuurd door Gods Geest.’ En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

Kom trouw op onder de middelen van Gods genade, want de voetstappen van Hem, Die komt om de aarde te richten, worden gehoord. De grote bruiloftsdag is aanstaande. Dan zal de scheiding vallen tussen de schapen en de bokken. Zij die God vrezen en zij die Hem niet liefhebben. Gods kinderen zullen aan Zijn rechterhand een plaats krijgen. Dan zal de eeuwige bruiloft beginnen. En zij begonnen vrolijk te zijn. En dat zoveel te meer, als gij ziet dat de dag nadert.

 

Voelt u de ernst van dit woord, geliefden? Beseft u de noodzaak om God te leren kennen? Bekeert u, bekeert u, zoek de Heere en leef. Christus komt. Hij is komende. U moet toch wel doof of stekeblind zijn, als u Zijn naderende komst niet opmerkt in het wereldgebeuren.

‘Ja’, zegt u, ‘dat is al eeuwen zo. Dat was in de tijd van Paulus ook al.’ U hebt gelijk, maar de wereldgeschiedenis loopt nu toch wel naar een climax. De dag nadert.

 

Geliefden, nog is het genadetijd, Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes.55:6). Wee u, als u onbekeerd blijft. Aangrijpende zaken beschrijft Paulus in de verzen 27 en verder. Hij eindigt met de woorden: Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods (vers 31).

 

Daarom besluiten we met de dichter in de berijming van Psalm 95 vers 4:

 

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord,

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 98 : 4

 

Laat al de stromen vrolijk zingen,

De handen klappen naar omhoog;

’t Gebergte, vol van vreugde, springen,

En hupp’len voor des Heeren oog;

Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten,

De wereld in gerechtigheid;

Al ’t volk, daar ’t wreed geweld moet zwichten,

Wordt in rechtmatigheid geleid.