Ds. K. de Gier - Markus 16 : 7m

Onderwerp

Markus 16
De paasboodschap van de opgestane Christus voor Petrus
De paasboodschap is aan de vrouwen gegeven om mee te delen
De paasboodschap is een boodschap die Christus' liefde bevat
De paasboodschap is een boodschap die gebaseerd is op Christus' trouw

Markus 16 : 7m

... en Petrus.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1, 2
Lezen : Markus 16: 1-8
Zingen : Psalm 68: 1, 2, 5
Zingen : Psalm 16: 6
Zingen : Psalm 89: 1

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het voorgelezen Schriftgedeelte, Markus 16 vers 7 en dan speciaal deze woorden:

 

               … en Petrus.

 

Wij vinden in deze tekst: De paasboodschap van de opgestane Christus voor Petrus.

 

Vroeg in de morgen zijn de vrouwen naar het graf gekomen. Bij het opstandingsgraf aangekomen, gaf de engel hen de boodschap dat zij naar de discipelkring moesten gaan om daar te verkondigen dat Jezus Christus de Levensvorst was, de Overwinnaar van graf en dood. Deze boodschap was daarbij ook in het bijzonder voor Petrus. Bekend is dat het vooral de apostel Petrus geweest is die de evangelist Markus, de schrijver van dit evangelie, mededelingen gedaan heeft over zijn leven en over het optreden van de Heere Jezus.

Petrus heeft ook zeker deze woorden, die speciaal aan hem waren gericht, aan Markus meegedeeld, want het is opmerkelijk dat zij alleen maar in dit evangelie te vinden zijn. Zij zijn in ieder geval van grote betekenis geweest voor Petrus zelf, maar ook als onderwijs voor de Kerk van alle eeuwen.

Toen Petrus deze mededelingen aan Markus deed, moet hij daaraan teruggedacht hebben, zodat deze woorden, geïnspireerd door de Heilige Geest, ook nu nog een boodschap voor ons hebben, een boodschap die Petrus zijn hele leven niet vergeten is: en Petrus.

 

Ik wil u daarom nu bepalen bij deze paasboodschap en doe dat aan de hand van drie aandachtspunten:

1. De paasboodschap is aan de vrouwen gegeven om mee te delen

2. De paasboodschap is een boodschap die Christus’ liefde bevat

3. De paasboodschap is een boodschap die gebaseerd is op Christus’ trouw

 

Als eerste punt dus:

 

1. De paasboodschap is aan de vrouwen gegeven om mee te delen

 

De engelen hebben van de hemel de opdracht gekregen om aan het graf te gaan zitten en de boodschap van de opgestane Christus aan de vrouwen te geven als zij zouden komen om het graf te bezien. Bij de opstanding zelf is niemand aanwezig geweest. Die opstanding in het graf is zo heerlijk geweest, dat geen mensenoog dat zou hebben kunnen aanschouwen. Het is een zaak geweest van God Zelf.

God de Vader heeft de Zoon opgewekt, de Zoon is in eigen kracht opgestaan en de Heilige Geest heeft Christus afgezonderd van het verderf en van de zonde. Nu hebben de engelen de boodschap gekregen om bij het lege graf te zijn, zodat zij tegen de vrouwen kunnen zeggen dat Christus leeft en hen de boodschap kunnen meegeven die in onze tekst staat: Gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.

 

Wij weten allemaal dat de mens, toen hij gevallen was, het paradijs moest verlaten. Engelen stonden met een vlammend zwaard bij de ingang, om de mens te beletten weer terug te keren. Maar ook nu bij de verlossing van de mens zijn engelen betrokken. Zou de duivel alsnog triomferen? Zou het werk van God in de schepping ongedaan gemaakt worden? Maar wij weten ook dat boven het verzoendeksel van de ark twee engelen stonden. Dat was symbolisch: een teken dat ook bij de verlossing van de Kerk van God de engelen betrokken zouden zijn.

Wat zal dat voor de engelen een blijde opdracht geweest zijn om nu bij het lege graf te kunnen zitten om aan de vrouwen mededeling te doen: Hij is hier niet, want Hij is opgestaan (Matth.28:6). Het werk van God heeft voortgang gekregen, de duivel zal het niet winnen, maar Christus heeft de overwinning voor Zijn Kerk verkregen. Hij is de laatste Adam, opgestaan in heerlijkheid en vol glans. De eerste Adam heeft zijn werk gestaakt, maar de laatste Adam heeft Zijn werk volbracht.

Voor de engelen een aangename taak. Er is ook geen aangenamere taak dan te prediken dat Christus leeft, dat er voor de Kerk een verlossing teweeggebracht is, omdat Christus Zijn werk volbracht heeft, maar ook dat Hij nu als de Opgestane zal uitdelen genade na genade.

 

Het is opvallend dat Christus Zich in de opstanding eerst aan vrouwen heeft geopenbaard. Zij krijgen als eersten de boodschap van de engel: ‘Ga naar Jeruzalem, zeg Zijn discipelen en in het bijzonder Petrus, dat de Heere hen voorgaat naar Galiléa en daar zullen zij Hem zien.’ Een boodschap die de Heere achtergelaten heeft en die de engel moet doorgeven aan de vrouwen.

 

Maar dan komt bij ons natuurlijk de vraag op: waarom wordt er nu nadrukkelijk bij gezegd ‘zegt Zijn discipelen, en Petrus’? Hoorde Petrus dan niet bij de discipelen? Hij was toch ook één van de discipelen? Waarom wordt hij dan nu apart genoemd?

Gemeente, er was toch wel enige aanleiding voor om hem hier apart te noemen. Men zou zelfs kunnen denken en wij zouden de vraag kunnen stellen: hoort Petrus nog wel bij de discipelkring? Kan iemand die zulke daden gedaan heeft als hij, iemand met een dergelijk verleden, nog wel een discipel zijn? Want wij weten wat er gebeurd is in de nacht dat Christus gevangengenomen is. Misschien heeft de duivel hem ook wel ingefluisterd: ‘Dacht je nu dat je discipel kunt zijn, nu je dit soort dingen doet? Ben je nu nog wel een discipel? Man, praat er niet meer van, een man die zoiets gedaan heeft kan geen discipel meer zijn.’

Ja, gemeente, de Kerk weet wel van binnenpraters. En de duivel is er altijd op uit om die binnenpraters behoorlijk op te stoken. ‘Kan dat nou wel? Ja, je praat wel over genade, en je hebt het wel over de vreze Gods, en je zegt wel dat je een bekeerd mens bent, maar is dat allemaal nu wel waar? Als de mensen nou eens alles van jou wisten, en God weet dat allemaal… Kan dat allemaal wel?’

Misschien zijn wij op een gezelschap geweest en hebben wij ruim mogen praten over het werk van God. Dan kom je thuis en dan zegt de duivel: ‘Dat heb je nou allemaal wel gezegd, maar is dat wel zo?’ Gemeente, niet alle dingen stichten, dus wij moeten er niet te lang over praten, maar deze dingen zijn er. En als wij geen vreemdelingen zijn van Gods werk, wordt dit in ons leven ervaren.

 

Wat had Petrus toch gezegd in die nacht? Hij had zelfs tegen die dienstbode gezegd: ‘Ik hoor niet bij Christus, en als ik er één van Christus ben, dan ben ik de hel waard.’ Zo ver was Petrus gegaan in de verloochening van de Naam van Christus. Wat kan een kind van God diep vallen! Wat kan het in het leven van Gods kinderen anders gaan dan zij zich voorgesteld en ingedacht hadden.

De ouden zeiden vroeger wel eens: ‘Dan loochenen wij de Naam van Christus voor mensen.’ Dan schamen wij ons uit te komen voor de Naam van Christus, voor mensen. Zeker ook als er wat te verdienen valt of als er eer en roem aan verbonden is. Wij schámen ons in plaats van Hem te belíjden en uit te komen voor Zijn Naam. In dit opzicht geloof ik dat wij nu niet speciaal naar Petrus hoeven te kijken.

 

En zie, nu komt het wonder. De engel zegt tegen de vrouwen: ‘Je moet de boodschap dat Christus is opgestaan gaan brengen aan de discipelen, én aan Petrus.’ Hij hoort er ook bij; de boodschap is óók voor Petrus. Dat is die vrijmachtige, soevereine genade van Gods liefde en Gods trouw. Christus heeft het ook tegen hem gezegd: Simon, Simon, ziet, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Luk.22:31-32). En toen heeft de Heere er bij gezegd: En als u eens bekeerd zult zijn, zo versterk uw broeders (Luk.22:32).

Maar Petrus was toch bekeerd? Petrus was toch een man met genade? En toch zei de Heere: En als u eens bekeerd zult zijn, zo versterk uw broeders. Toen mocht Petrus de blijde boodschap horen, maar daar begreep hij niets van. Dat kon hij niet begrijpen en dat wílde hij niet begrijpen. Hij heeft daartegen gevochten, hij heeft Christus van de dood willen afhouden.

Maar dit wordt nu het wonder voor Petrus: Christus is ook voor hém de dood in gegaan. Christus heeft de helse angsten geleden, óók voor Petrus. Christus heeft aan het kruis gehangen, óók voor Petrus. En toen Christus zei: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Matth.27:46), toen leed Christus óók voor Petrus.

Ons avondmaalsformulier zegt het zo eenvoudig: ‘Opdat wij tot God zouden genomen worden en nimmermeer verlaten worden.’ In die verlatenheid van Christus aan het kruis ligt de zekerheid en de vastheid dat de Kerk van God nooit meer door God verlaten zal worden.

Uit deze boodschap blijkt de trouw en goedheid van de Heere. Hij heeft Petrus gewaarschuwd: ‘Petrus, je denkt dat je zoiets niet zou kunnen doen, maar eer de haan gekraaid zal hebben, zul jij Mij driemaal verloochend hebben.’ En dat is gebeurd.

Toch krijgen de vrouwen nu de boodschap mee: ‘Zegt het de discipelen, en Petrus.’ Het is een boodschap van Christus’ liefde, een boodschap voor Petrus apart.

 

Wij komen nu bij ons tweede punt:

 

2. De paasboodschap is een boodschap die Christus’ liefde bevat

 

Het is eigenlijk toch wel wat bijzonders: eerst worden in onze tekst de discipelen genoemd, want er staat ‘zegt het Zijn discipelen’ en dan komt Petrus’ naam achteraan. Vroeger is dat anders geweest. Voorheen werd altijd, als het over de discipelkring ging, éérst de naam van Petrus genoemd. Ik zal u een paar voorbeelden geven.

 

In Lukas 6 staat dat de Heere Jezus de discipelen heeft uitgekozen. Hij koos twaalf uit hen die Hij apostelen genoemd heeft, en dan komen hun namen, namelijk Simon, als eerste, die genoemd wordt Petrus, en dan de hele rij van de andere discipelen. En als laatste wordt genoemd Judas Iskariot, en dan staat daar uitdrukkelijk bij: ‘Die hem verraden heeft.’

Uit genade was Simon door Christus Zelf ‘Petrus’ genoemd. Wij weten wel wat Petrus betekent, de jongens en meisjes weten dat ook wel: rotssteen. Als de Heere Jezus Petrus roept (en dat kunt u lezen in Johannes 1 vers 43), dan zegt Hij: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Céfas, hetwelk overgezet wordt: Petrus, dat is rotssteen.

Toen hij met zijn broer bij het Meer van Galiléa bezig was, werd hij door de Heere geroepen: ‘Volg Mij na en Ik zal maken dat u vissers der mensen zult worden.’ Dat is Petrus. Hij heeft van de Heere al een nieuwe naam gekregen: ‘Gij zult genaamd worden Petrus’, en een opdracht: ‘Volg Mij na.’

 

Dat had Petrus gedaan, met al de liefde van zijn hart. Met al de onstuimigheid die hij had, want Petrus was een onstuimig mens. Maar hij deed het uit liefde en met grote ijver. Hij heeft zich de Naam van Christus niet geschaamd.

Als de Heere Jezus in het Overjordaanse tegen Zijn discipelen zegt: ‘Willen jullie ook niet weggaan? Laat Mij maar in de steek’, dan zegt Petrus: ‘Nee, wij gaan niet weg, Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God. Tot Wien zullen wij heengaan dan tot u? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven.’ Petrus was een eerlijk en oprecht man, die met de liefde van zijn hart een navolger van Christus was geworden.

 

Maar nu is het zo anders. Want wat was het grote gevaar bij Petrus? Dat is het grote gevaar dat er altijd is: dat een mens bekeerd wordt in de overschatting van zijn eigen kunnen. Dat een mens, ook na ontvangen genade, op eigen krachten gaat vertrouwen, dat een mens denkt dat hij de Heere kan navolgen, wel goed bedoeld, uit liefde, maar hij denkt in eigen kracht de bekering te kunnen gaan uitleven. In eigen kracht overschat hij zichzelf. Dat was niet alleen bij Petrus het geval, maar dat is een zaak die altijd weer terugkomt, ook in de waarachtige bekering van de mens.

Vroeger had men er wel een uitdrukking voor. Dan werd gezegd: ‘Een mens moet twee keer bekeerd worden.’ Dan bedoelde men met de eerste keer natuurlijk de vernieuwing van het hart, maar daarná moet de bekeerde mens weer bekeerd worden van zijn bekering.

En zie, dat is het grote gevaar waarin Petrus geleefd heeft, en waar niet alleen hij, maar waar de Kerk van God altijd weer mee te strijden heeft. Petrus had geprobeerd in eigen kracht zijn bekering uit te leven en hij had zich daarin overschat.

 

Bij Petrus was dit een dubbel gevaar, want zijn karakter speelde daarbij ook een rol. Ieder mens heeft een eigen karakter. Het is wel waar dat in de bekering het karakter ook mee bekeerd wordt, natuurlijk, want God bekeert de hele mens, maar het karakter blijft altijd een rol spelen, ook na genade. Voor Petrus, de man met het onstuimige karakter, was dat zeker een groot gevaar.

En ja, hij méénde het, die laatste nacht in Gethsémané. Toen de Heere Jezus bij die laatste gang tegen de jongeren zei: ‘In deze nacht zullen jullie allemaal aan Mij geërgerd worden, want er staat geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden’, toen was het Petrus die zei: ‘Nee, nee, al zouden zij allemaal aan U geërgerd worden, ik niet! Heere, op Mij kunt u rekenen. Ik zal mijn leven voor U zetten.’

Dat had Petrus gezegd. Maar dan in diezelfde nacht komt de val van Petrus, hij verloochent zijn Meester. En toen hij daar in die tuin bij het vuur stond en zei: ‘Ik ken Hem niet’, toen hoorde hij de haan kraaien en toen herinnerde hij zich wat Jezus tegen hem gezegd had. In datzelfde ogenblik staat Christus voor de hogepriester en wordt Hij daar geslagen en bespuwd, maar Hij keert Zich om en kijkt naar Petrus. En dan komt het ogenblik waarvan wij lezen: ‘Toen ging Petrus naar buiten en weende.’

 

Dat was er met Petrus gebeurd. Petrus had gemeend dat hij echt het gebed van Christus niet nodig had; nee, hij kon het zélf wel. En gemeente, nu het wonder van Gods liefde. De opgestane Christus blijft Zijn drie ambten voortzetten, zoals Hij dat ook in de omgang met Zijn discipelen had gedaan. Ook nu weer, na de opstanding, en Petrus mag er ook weer bij zijn. Petrus heeft ook weer een plaats gekregen in de bediening van Christus. Hij moet nu uit Christus gaan leven en niet meer uit zijn bekering. Hij mag nu zien dat Christus is opgestaan zodat Hij Petrus nieuwe kracht kan schenken, zodat hij in de kracht van Christus zijn taak en zijn werk kan gaan doen.

 

Ja, gemeente, wat is gebeurd in die nacht waarin Petrus naar buiten ging en weende? Wel, Petrus is Pétrus kwijtgeraakt en hij heeft Chrístus overgehouden. Dat is het grote wonder voor Petrus: Petrus is Pétrus kwijtgeraakt, en hij kreeg Christus terug. Meer niet. Dat is het. Dat is de grote liefde, ook voor Petrus. Daarom ben ik begonnen met te zeggen dat Petrus die boodschap van de vrouwen nooit vergeten is, dat de vrouwen van de engel de opdracht kregen: ‘Ga het de discipelen zeggen, en ook Petrus.’ Petrus mag het ook horen, al staat hij dan niet meer vooraan op de lijst. Het is voor Petrus een wonder geworden dat hij nog op de lijst mag staan, dat hij er nog bij mag horen. Dat is het wonder voor Petrus. Al staat hij dan niet meer nummer één, als staat hij dan achteraan, maar hij mag er nog bij horen: ‘Zeg het ook tegen Petrus, dat Ik ben opgestaan, ook voor Petrus.’

De Heere heeft hem lief en er is weer een mogelijkheid voor Petrus gekomen dat hij Christus in Zijn liefde mag ontmoeten. Want dat ligt in dit woord besloten. De Heere zegt als het ware tegen Petrus: ‘Er is weer een weg gevonden dat wij weer samen in liefde met elkaar kunnen verkeren.’ Uit Christus is er nu nieuwe kracht gekomen voor Petrus. Nu begrijpt Petrus pas wat Christus eenmaal tegen hem gezegd had: ‘En als je eens bekeerd zult zijn, zo versterk uw broeders.’ Nu begrijpt hij dat hij van die opgestane Christus de kracht en de sterkte zou krijgen om tegen de meeslepende kracht van de zonde, van de ongerechtigheden en van de wereld te strijden. Het is de strijd waar de Kerk mee te maken heeft: die drievoudige strijd tegen het eigen, verdorven vlees, de wereld en satan. In de kracht van Christus, de opgestane Zaligmaker, mag zij de krachten ontvangen om in Zijn kracht nu verder te kunnen leven.

 

Dat werd het wonder voor Petrus. Toen begon Petrus te begrijpen wat de Heere tegen hem gezegd had: Zo gij eens bekeerd zult zijn, zo versterk uw broeders. Ja, de Heere leert Zijn Kerk wel eens achteraf wat Zijn woorden betekenen. Men krijgt soms wel eens een tekst in de ziel en daar kan men soms jarenlang mee lopen: wat zou dat te betekenen hebben? Maar de opgestane Christus rekent ook toe met Zijn genade in toepassende kracht. Maar op een toepassing van Gods Woord in het hart moet ook altijd een goddelijke uitwerking komen, op Gods tijd en naar Zijn welbehagen. Ook daarin moet de Kerk leren achter God aan te lopen, op de Heere te vertrouwen en niet een eigen uitwerking te geven van een woord of van een tekst.

Er is een uitspraak die zegt: als God de Kerk een tekst geeft, dan komt er een tijd dat de tekst eerst in de grond gestopt wordt, en dan haalt God hem er weer uit om hem toe te passen.

Wij vinden daar voorbeelden van in Gods Woord. Een man als Abraham, die genoemd wordt ‘de vader van de gelovigen’, van hem staat duidelijk dat hij niet aan de belofte van God heeft getwijfeld. Maar hij heeft wel aan de uitvoering van de belofte getwijfeld. Hij heeft zelfs op verzoek van Sara een andere vrouw genomen, Hagar, opdat hij zo een zoon zou krijgen. Het was echter niet de zoon uit de belofte, maar een zoon uit het vlees. De zoon uit de belofte, Izak, zou geboren worden op Gods tijd, naar Zijn welbehagen, toen het naar menselijke berekening niet meer mogelijk was.

Op een goddelijke tekst komt een goddelijke toepassing en uitwerking. Dat moest Petrus hier ook leren, dat op de voorbede van Christus (die Petrus niet begreep en niet wilde begrijpen), hij er nu tóch nog bij mocht zijn. Dat was het wonder voor Petrus.

 

Gemeente, misschien zijn er ook wel mensen onder ons die er iets van hebben leren kennen. Zij mogen er nog bij zijn. En waarom mogen zij er bij zijn? Omdat zij zo netjes zijn? Omdat zij zo bekeerd zijn? Omdat er zo veel vruchten zijn? Nee. Zij mogen er bij zijn omdat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid. Omdat Hij leeft, omdat Hij is opgestaan om voor de Kerk de zaligheid te verdienen en uit te delen. En laat Petrus dan achteraan op de lijst staan, hij mag er nog bij zijn. En dat zal voor de hele Kerk een wonder zijn, dat zij er nog bij mogen zijn. En dat is alleen vanwege Gods trouw en Zijn goedheid, want dat is het derde punt wat ik u wil voorhouden.

 

3. Deze paasboodschap is een boodschap die gebaseerd is op Christus’ trouw

 

Want wat zegt de Heere tegen Petrus door middel van de vrouwen? Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft. In de nacht, toen de Heere met de discipelen uit de opperzaal waar het avondmaal gehouden was, door het Kedrondal naar Gethsémané ging, heeft Hij tegen de discipelen gezegd: Gij zult in deze nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden (Mark.14:27).

‘Maar’, had Christus er bij gezegd, ‘nadat Ik zal zijn opgestaan, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.’ Petrus had zich er tegen verzet, de anderen natuurlijk ook, maar Petrus toch het meest. En nu grijpt de Heere terug op het woord dat Hij tegen de discipelen gezegd had. ‘Ik zal u voorgaan naar Galiléa.’ Dat was dezelfde boodschap die de vrouwen nu meekrijgen, de boodschap die dus ook voor Petrus is bedoeld.

 

Na de opstanding is Galiléa voor al de discipelen een bijzondere plaats geworden. U kunt dat lezen in Mattheüs 28. Daar staat namelijk: En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar de berg, waar Jezus hen ontboden had (vers 16). Toen zij daar waren, kwam de Heere Jezus ook. En dan staat er dat sommigen twijfelden. Maar de Heere Jezus neemt de twijfel weg en zegt: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (vers 18). Dat is de boodschap die de Heere Jezus hier aan de discipelen geeft.

En verder stelt Hij hen in het ambt dat zij moeten gaan verrichten, want Hij zegt tegen hen: ‘Gaat heen, predik het evangelie, dopende in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’. ‘Maar’, zegt Hij, ‘Ik heb van de Vader alle macht gekregen in hemel en op de aarde. In die kracht, discipelen, kunnen jullie gaan.’

 

Zo is Galiléa voor de discipelkring een bijzondere plek geweest. Maar toch wel heel in het bijzonder voor Petrus. Ik denk dat wij toch allemaal wel weten wat er daar aan het Meer van Galiléa eenmaal gebeurd is, toen zij daar met die zeven discipelen op het strand bij elkaar zaten en het middagmaal gegeten werd. Toen is de Heere Jezus een gesprek begonnen met Petrus. ‘Petrus, heb je Mij lief? Petrus, houd je van Mij? Meer dan de andere discipelen? Dat heb je toch vroeger gezegd, dat je meer van Mij zou houden dan de andere discipelen?’ En wij weten het: driemaal stelde de Heere aan Petrus deze vraag. En Petrus, die kon alleen maar zeggen: ‘Heere, U weet het.’ Daar aan het Meer van Galiléa heeft Christus Petrus in het openbaar in zijn ambt hersteld.

De Heere Jezus is ook een keer aan Petrus alleen verschenen, maar daar weten wij verder niets van. Bij die ontmoeting is de persoonlijke verhouding tussen Christus en Petrus hersteld. Maar Petrus had een dubbele schuld. Hij had ook nog een ambtelijke schuld, en hij moest dus ook hersteld worden in zijn ambt. En dat gebeurde in het openbaar aan het Meer van Galiléa, in het bijzijn van die andere discipelen.

Toen stelde de Heere Jezus driemaal de vraag: ‘Petrus, heb je Mij liever gehad dan die andere discipelen? Je was toch nummer één, je dacht toch dat je een betere discipel was? Dat je een betere ouderling bent, en dat je een betere dominee bent, en dat je een betere bekeerde man was? Dat dacht je toch, Petrus?’ Dan moet Petrus zeggen: ‘Heere, met smart en met droefheid, Gij weet alle dingen, maar één ding weet U: ik heb U lief.’

Dan zegt de Heere tegen Petrus: ‘Weid Mijn lammeren.’ En Hij zegt het ten tweeden male: ’Hoed Mijn schapen.’ En zelfs ten derde male: ’Weid Mijn schapen.’

Zo werd Petrus hersteld in zijn ambt. Officieel. Toen kreeg hij opnieuw de opdracht met de lammetjes te beginnen. Zo werd Petrus ook een man die kon preken voor de lammetjes. ‘Weid Mijn lammeren.’ En ook voor de schapen.

 

Dan komt straks de pinksterdag, dan mag Petrus weer nummer één zijn. Nee, niet in zijn bekéring, maar dan mag hij in Chrístus de boodschapper zijn. Wij weten het, het staat in de Handelingen: op de pinksterdag, staande met de elven, mag Petrus preken.

Hij mag daar staan, maar dan preekt hij niet meer de bekeerde Petrus. Dan preekt hij het wonder van Gods trouw, goedheid en genade. Dan roept hij zelfs die vijandige Joden nog toe: ‘Hij kan ook u bekeren. Er is nog genade voor Jood en voor heiden. Er is geen zondaar te groot, nee, er is nog genade van die Zaligmaker Jezus Christus.’

Als Petrus later, op het einde van zijn leven, zijn brief schrijft, zet hij die bekende woorden neer: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr.1:3).

Hoort u het, dan komt de opstanding er weer bij. Voor Petrus is dat een onvergetelijke zaak. En waarom? Wel, zegt hij, om nu die erfenis te bewaren, die onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor u, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. God houdt in Christus het testament en houdt de zaligheid in handen, en dat is beter dan bij de bekeerde Petrus.

Dan is Petrus verwonderd. Dan blijft er de troost voor de Kerk, en mogen zij zingen zoals wij dat ook samen gaan zingen uit Psalm 16 vers 6:

 

Gij maakt eerlang mij ‘t levenspad bekend,

Waarvan, in druk, ‘t vooruitzicht mij verheugde;

Uw aangezicht in gunst tot mij gewend,

Schenkt mij in ‘t kort verzadiging van vreugde;

De lieflijkheên van ‘t zalig hemelleven

Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.

 

Deze boodschap heeft Petrus nooit vergeten. Ook Petrus mag er bij zijn: én Petrus. Daarom schrijft Petrus later ook als troost over die onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis die in de hemelen bewaard wordt. En dan zegt Petrus erbij: Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd (1 Petr.1:5).

Opdat de Kerk Gods in het geloof door de kracht Gods bewaard wordt om die zaligheid, om dat testament te mogen ontvangen. Daar is Petrus van Petrus verlost. Daar is Petrus van zijn bekering verlost, en van zijn ijver. Dan blijft er één ding over: God alleen. De Eerste en de Laatste, Die trouwe houdt.

 

Maar hij zegt er wel bij: om door het gelóóf tot de zaligheid te komen. Het gaat wel door het geloof heen. Wij weten dat Petrus veel spreekt over de geloofsoefeningen. Als hij het over de beproevingen heeft, dan zegt hij dat, als de beproevingen aanwezig zijn, het geen zaak van vreugde is, maar achteraf werkt zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid.

Dat is een accentverschil met de apostel Johannes, de apostel der liefde, die spreekt altijd over de liefde. ‘Broeders, hebt elkaar lief.’

Petrus spreekt veel over de geloofsoefeningen. Zo wordt de Bijbel een vol boek voor de Kerk: het ene vult het andere aan. Petrus schreef: ‘De beproevingen van het geloof, zij zijn geen zaak van vreugde als ze aanwezig zijn, maar achteraf (daar komt het weer: maar achteraf) werpen zij een vreedzame vrucht der gerechtigheid.’

Ik heb altijd de gedachte dat, toen Petrus dit schreef, hij aan deze tekst dacht, aan deze boodschap: én Petrus. Hij mocht er nog bij zijn. En ik denk dat zo de gehele Kerk naar de hemel gaat, als het goed is. Dat zij zo straks die erfenis, die in de hemelen bewaard wordt door het geloof mag ontvangen: ik mag er toch nog bij zijn. Ja, alleen door Gods goedheid en trouw. Dat was de prediking die Petrus ook op de pinksterdag deed.

 

Ik heb het u al gezegd, aan het Meer van Galiléa werd Petrus in zijn ambt hersteld. Hij moest de lammeren en de schapen weiden. Want hij heeft geleerd voor de kleintjes een woord te hebben, maar ook voor de geoefenden. Zo leert God Zijn Kerk toch ook steeds weer dat er nog een blijvende troost, sterkte en kracht zal zijn: Jezus Christus, Hij is gisteren en heden Dezelfde, tot in der eeuwigheid.

 

God greep hier terug op Zijn eigen woord. Van tevoren had de Heere het tegen Zijn discipelen gezegd: ‘Gij zult allemaal aan Mij geërgerd worden, maar Ik ga u voor naar Galiléa en daar zult gij Mij zien.’ En in onze tekst staat de boodschap, die ook voor Petrus was: Zegt Zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.

De Heere greep op Zijn eigen woorden terug. Dat is het ook wat de Kerk Gods altijd weer overhoudt: ‘Gedenk het woord, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.’

 

Alexander Comrie heeft een boek geschreven over de eigenschappen van het geloof. Ik ken geen beter boek dat hierover gaat. In het laatste hoofdstuk beschrijft hij waar de Kerk van God op leeft: op de belofte van Christus. Dat blijft over.

Van de bekering blijft niet zoveel meer over. Vroeger werd er wel gezegd: ‘Och ja, als God een mens bekeert, dan kan hij een lang verhaal vertellen, maar dat verhaal wordt korter en korter, uiteindelijk kun je op een luciferdoosje schrijven wat er nog overblijft.’ Maar Christus’ woord is waar, én Zijn belofte, én Zijn trouw én Zijn goedheid. Dan wordt de boodschap: ‘Zegt het aan de discipelen, en óók Petrus.’ Hij mag er nog bij zijn. Dat was Gods goedheid, dat was de verwondering.

 

De Heere zegt: ‘Ik zal Mijn woord waarmaken.’ Dat blijft de troost voor de Kerk van God in het leven. ‘Gedenk het woord tot Uw knecht gesproken.’ Dat is ook de zekerheid en de vastheid om door het geloof dat testament te zullen ontvangen, zoals de Heere belooft. En waarom dat kan? Omdat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en blijft tot in eeuwigheid. En omdat Hij dat niet alleen tegen Petrus gezegd heeft, maar tegen de gehele Kerk: ‘Zegt het de discipelen, en óók Petrus…’ Daarom gaat de Kerk naar de hemel.

 

Dan blijft er maar één ding over:

 

Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;

Men loov’ Hem vroeg en spâ;

De wereld hoor’ en volg’ mijn zangen,

Met amen, amen, na.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:1

 

’k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;

Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên;

Ik weet hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,

Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;

Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,

Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.