Ds. L. Huisman - Genesis 22 : 14

Een lam ten brandoffer

Genesis 22
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Genesis 22 : 14

Genesis 22
14
En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 56: 5, 6
Lezen : Genesis 22: 1-19
Zingen : Psalm 123: 1
Zingen : Psalm 27: 5, 7
Zingen : Psalm 118: 10

Gebed:

 

Heere, onze God, U roept ons samen voor Uw aangezicht, om met onze kinderen U dankend te erkennen voor Uw trouw en genade, die Gij aan ons bewijst.

U hebt ons gespaard en in Uw liefde ons met alle dingen verzorgd, die we nodig hadden om te leven. U doet ons, aan de morgen van deze Uw dag, elkaar in gezondheid ontmoeten. Gij hebt ons voor elkaar en met elkaar nog een plaats gegeven aan Uw genadetroon en Gij hebt Uw Heilige Geest van ons niet weggenomen.

U alleen komt daarvoor de dank en de aanbidding toe. Gij blijft Dezelfde, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal.

Zoals Gij Uzelf aan Abraham hebt bekendgemaakt, zo maakt Gij U bekend aan al Uw uitverkorenen, tot aan de grenzen der aarde. Diezelfde genade, waarin wij mogen roemen, mogen al Uw kinderen smaken: blank en bruin en zwart en rood en zelfs waar men ooit de wildste volkeren vond, daar ontvangt U aanbidding, eer en dankb’re lofgezangen.

 

Zo paren wij ook onze dankzegging, met de stem der duizenden die Uw Naam belijden deze morgen, om U, o Lam Gods, te aanbidden, overmits Gij het waardig zijt, want Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.

Heere, laat dat de centrale plaats in ons leven innemen en het voorwerp van onze aanbidding zijn, zoals het bij Abraham was. Als het nog niet zo is, Heere, laat het dan vanmorgen zo worden.

Uw Woord is nog levend en krachtig en Uw Geest wordt niet moede om voor U, Heere Jezus, een bruid te vergaderen, die eeuwig zal zingen van Uw goedertierenheid. Laat vanmorgen doden Uw stem horen, dan zullen ze leven, Heere.

Laat al degenen die nog buiten U rondzwerven, Uw roepstem tot bijeenvergadering en tot redding mogen horen, opdat ze komen om te aan bidden op Uw heilige berg.

Gij hebt ons duidelijk en klaar Uw wil getoond, namelijk dat wij ons tot U zouden bekeren. Ach, zend dan Uw licht en Uw waarheid, dat die ons leiden.

 

Laat het ook voor onze kinderen een gezegende ure zijn, dat ze niet zitten te vervelen en dat ze niet aan andere dingen zouden denken en daarmee bezig zijn, waar vooral ons jonge hart zo licht toe geneigd is.

 

Maar dat ze Uw stem, o dierbare Zaligmaker, zouden horen, Die ook kinderen tot U roept en zegt: Verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen. Mijn zoon, geef Mij uw hart en denk aan uw Schepper in de dagen als ge nog jong zijt, eer de kwade dagen komen en de jaren naderen waarvan gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.

 

Laat Uw Woord ook spijze zijn voor Uw kinderen, Heere. Laat hen gevoed, met die geestelijke spijs, huiswaarts gaan, lovende en dankende God, Die ons uit de ellende van onze zonde gered heeft en Die ons brengt tot Uw heilige berg.

 

Laten al degenen die nog gebonden zijn door banden van zonden en ongeloof, door machten en verzoekingen van satan, die rondgaat als een briesende leeuw, ontbonden worden. Laat ze in de vrijheid van de kinderen Gods gesteld worden, opdat we met een nieuw gemoed die lofzang mogen aanheffen, die met diep ontzag tot U klinkt uit Sions zalen.

 

Zegen allen die hier niet kunnen komen, de zieken, de ouden van dagen, zegen hen ook die met ons mee mogen luisteren.

Zegen hen in het bijzonder, die het zwaar krijgen op deze dag, in moeite en ziekte, in rouw en verdriet. Laat Uw vriendelijk aangezicht het grauwe waas van onze twijfelmoedigheid wegvagen, zodat we in het heldere zonlicht van Uw vaderlijk mededogen ons hart tot U mogen opheffen. Dat onze ogen op U geslagen zouden zijn, gelijk de ogen van een dienstmaagd op de hand van haar vrouw.

 

Zegen Uw kerk over het rond der aarde.

Zegen het werk der liefde op de zendingsvelden. Ga hen met Uw vriendelijk heillicht voor, opdat ook daar vandaag Uw genade verkondigd wordt en Uw kinderen mogen leven voor Uw aangezicht.

 

Zegen ook Uw dienstknechten.

Zegen ook hem die de mond van Uw volk tot U is aan deze plaats. Laat ons, als dienstknechten, een goed gerucht van onze Koning en het beloofde land mogen voortbrengen, opdat we ons zo samen voor Uw voeten mogen neerbuigen en het manna mogen smaken dat buiten onze tent valt, en ons verblijden in de Heere alleen.

 

Heere, als U naar onze zonden ziet, waar zullen we blijven? Als U met ons afrekent naar dat we verdiend hebben, we zouden nooit ons aangezicht tot U kunnen opheffen, maar aanschouw ons door de doorboorde handen van Uw veelgeliefd Kind, onze dierbare Borg en Zaligmaker, Die Zijn leven voor ons in de dood heeft uitgestort, opdat we van kinderen des satans, kinderen Gods gemaakt zouden worden.

 

Gedenk ons dan in Hem en zegen ons door Hem in de gemeenschap des Heiligen Geestes, alleen om Jezus’ wil.

 

Amen.

 

 

Geliefden, het Woord van de Heere dat wij u in deze dienst willen prediken is uit het voorgelezen hoofdstuk, Genesis 22, en dan denken wij in het bijzonder aan het 14e vers:

 

En Abraham noemde de naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien. Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg des HEEREN zal het voorzien worden.

 

Dat was de krachtige geloofstaal van hem die wij noemen: de vader der gelovigen. Die krachtige geloofstaal sprak hij na een diepe geloofsbeproeving.

Want God durft het aan met Zijn werk in deze wereld. Onder Zijn toelating geeft God satan en de zonde alle ruimte en dan zal God glorierijk laten zien dat Hij alleen God is. Dat doet Hij in deze wereld, in het groot, in Zijn handelingen met de volken. In het toelaten van de machten van de boze, die we tastbaar zien om ons heen, maar dat doet Hij ook ten opzichte van Zijn gemeente, van Zijn kerk. God is niet zoals wij, bang, onzeker of onze zaak wel zal slagen, of het toch wel goed zal aflopen. Nee, God gaat glorieus Zijn gang.

Naar onze menselijke begrippen waagt God ontzaglijk veel. Dan geeft Hij het ongeloof, satan, de zonde, het boze, alle ruimte, opdat ten slotte hemel en aarde zal erkennen dat Hij alleen God is. Dat Zijn werk het uithoudt in alle verdrukking en vervolging, onder moeite en verdriet, onder aanvechting en verdenking.

 

Dat doet God natuurlijk niet voor Zichzelf, want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.

De Heere behoeft Abraham niet op de proef te stellen om uiteindelijk aan de weet te komen of Abraham wel een gelovige is. Dat is natuurlijk te dwaas om aan te denken.

Dat doet God opdat wij in Zijn Goddelijke handelingen van stap tot stap vertrouwd zouden raken met Gods beleid. Zoals eenmaal één van Jobs vrienden tot hem zei: Gewen u toch aan Hem en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen (Job 22:21).

Met andere woorden: God gewent Zich nooit aan jou! Jij moet je aan de Heere gewennen; dán zul je vrede hebben.

 

Wij leven dikwijls zoals ik het telkens weer opnieuw zie, zoals de heidenen leven. De heidenen hebben altijd een god die hén moet dienen. Ze manipuleren hun god, ze gebruiken hun god.

Ze gebruiken God veelmeer dan dat zij God vereren. Ze kennen geen Godsverering, omdat zij geen liefde kennen, en dat is tegelijk het grote onderscheid met de dienst van onze God.

Het hart van onze eredienst is aanbidding. O, dat zijn we bijna kwijt, dat weten we haast niet meer. Het valt me steeds weer op dat we ook in onze gemeenten nog zo afgodisch kunnen denken.

We willen God manipuleren, en Hem voor ons gebruiken.

Dan gaat ons leven op in: ‘Heere, mag ik bekeerd worden, Heere, schenk me toch het goede, geef me toch de vergeving van mijn zonden, geef me toch een beetje vrede en vrijheid in mijn hart, laat dat onheil me toch niet treffen.’

Zo zijn we altijd maar bezig, net als de heidenen.

 

In deze geschiedenis – het is een geschiedenis die we natuurlijk wel kunnen dromen, die het kleinste kind hier in de kerk wel na kan vertellen, maar toch altijd weer zo’n nieuwe geschiedenis – in deze geschiedenis laat God Abraham komen tot het doel van Zijn handelen met de mens. Hij laat Abraham namelijk komen tot de aanbidding. En als je tot aanbidding komt, dan houdt al het bidden op, dan heb je aan God genoeg.

Hoe het dan ook in je leven gaat en wat er ook met jezelf of met je kinderen of met wie ook in deze wereld gebeurt, dan ben je veilig in Jezus’ armen, dan ben je veilig aan Jezus’ hart.

 

Kijk nu eens hoe dat gegaan is. En dan begint u natuurlijk al met te zeggen: Ja, Abraham, maar wie was Abraham en wie ben ik daarentegen? Abraham, die aan de beloftenissen niet getwijfeld heeft door ongeloof, gevende God de eer.

Wie van ons kan dat zeggen? Aan de beloftenissen Gods niet getwijfeld door ongeloof. De beste van ons, het meest geoefende kind van God moet zeggen: ‘Ja, als het dan zo is met Abraham, dan ben ik nergens meer, want ik twijfel nog duizend maal.’

Aan de beloften Gods niet getwijfeld! Natuurlijk, dat staat in de Bijbel, maar eerlijk gezegd, zou God daar nu mee bedoelen dat Abraham geen twijfel in zijn leven gekend heeft? Moeten we daar nu uit opmaken dat Abraham altijd, voor honderd procent wáár was?

Ach, natuurlijk niet. Van Abraham geldt ook wat van Elia geschreven staat: hij was een mens van gelijke beweging als wij. Vanzelfsprekend, dat kun je in de Bijbel lezen.

 

Als hij daar in Egypte komt, dan begint hij met een leugen, dan is hij doodsbang voor die Egyptenaren. Dat houdt natuurlijk in dat hij zo weinig vertrouwen heeft in de Heere, dat hij een afspraakje maakt met zijn vrouw: ‘Zeg maar dat je mijn zuster bent! Want als de Egyptenaren jou zien, zullen ze mij doden en jou in het leven behouden. Je moet maar zeggen dat je mijn zuster bent.’

Nou, dat was toch waarlijk geen zaak van geloof, dat was toch waarlijk geen zaak van Godsvertrouwen, als je met zulke grove leugens bij de heidenen komt.

Wat moet ik verder nog aanhalen? Gods Woord verzwijgt het niet, want Gods Woord is nu eenmaal geen romannetje. Gods Woord is pure werkelijkheid. Ook de ellendige werkelijkheid van de zonde en van het ongeloof en van de twijfel. Die laat God gewoon neerschrijven, zo ook van Abraham.

 

Dacht u werkelijk dat wanneer Abraham geen twijfel gekend had aan het Goddelijk Woord, hij dan een andere vrouw genomen zou hebben?

Dan had hij tegen Sara gezegd: ‘Daar begin ik niet aan; ik neem geen andere vrouw, want God heeft gezegd dat wij samen een kind zullen hebben.’ Maar Sara begint en zegt: ‘Ik geloof toch eigenlijk dat het niet meer kan, want ik ben al zo oud en jij bent ook oud en dacht je dat we nu nog een kind kunnen krijgen? Dat zal wel nooit meer gebeuren. Ja, de Heere heeft het wel gezegd, maar kijk nu eens, hoe het gaat in ons leven. Daarom, geef maar toe en neem mijn dienstmaagd, dan kan ik naar de gewoonte van onze dagen toch nog roemen dat ik een kind heb; al is het dan niet mijn vlees en bloed.’

En Abraham? Hij geeft haar gehoor en doet het gewoon.

Geliefden, dat is geen zaak van geloof geweest. Hij liet zich door zijn vrouw ompraten en ging mee redeneren met alle vleselijke beweegredenen en zei toen ook: ‘Nou, dan neem ik er maar een tweede vrouw bij; dan hebben we tenminste toch een kind.’

Terwijl God gezegd had: ‘Abraham, jij en Sara, jullie tweeën zúllen een kind hebben.’

 

Abraham heeft twijfel gekend, hij heeft dodelijke twijfel gekend, en datzelfde bedrog dat hij in Egypte uithaalt, dat haalt hij later weer uit bij Abimelech.

God heeft hem toen uit die put gered en een aantal jaren later haalt hij diezelfde ellende weer uit. Dan is hij daar bij Abimelech, en Sara doet ook weer mee. ‘Zeg maar dat je mijn zuster bent’, enzovoort. U kent die geschiedenis natuurlijk.

Abraham was – in zichzelf aangemerkt – net zo’n man als wij en net zo’n mens zoals wij allemaal hier zijn voor Gods aangezicht. Ook Abraham moest het alleen maar hebben van de verlichting en de leiding van de Geest van God, maar dat heeft God hem dan ook geleerd.

 

Daar – en dat moet ik er haastig bij zeggen – daar heeft Abraham dan ook zijn vertrouwen op leren stellen, want als Abraham hier op de berg Moria zegt: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden, dan betekent dat: ‘Heere, ik heb mijn faillissement aanvaard; ik zie het bankroet van al mijn doen en laten. Heere, ik moet het alleen van Uw genade hebben en ik geloof dat het voor mij genoeg is.’

 

Nu, dat is in elke omstandigheid van het leven ook voor ons noodzakelijk.

Dat we zeggen: ‘Heere, ik heb aan Uw Woord, aan Uw trouw genoeg.’

Als ik straks ga sterven en als voor u straks de vale ruiter van de dood binnenkomt, dan behoeft er niets over te blijven en dan zal er niets anders over blijven dan: ‘Heere, Uw genade is voor mij genoeg.’

Al wat ik voor God ben, ervaar en beleef, dat is toch altijd weer met zonden bevlekt en de beste van Gods weldaden heb ik de volgende dag alweer verzondigd. Dus als ik daar op moest zien… En daarbij komt nog dat al mijn oprechtheid en al mijn liefde en alles wat ik voor God heb, toch ten diepste, zolang ik hier op de aarde ben, maar een deel van mijn heiligmaking is en daarom maar gebrekkig, zelfs in mijn hartelijkste liefde tot God.

In de beoefening van mijn vurigste gemeenschap met Hem, blijft er toch altijd nog een zondige smet, een zondige aankleving aan mij, waardoor ik toch niet kan zeggen: ‘Heere, ik ben rein; ik ben puur; ik kan nu al in de hemel; ik kan nu al zeggen: ik ben zonder zonde.’

 

Dus dat alles is tekort om voor Gods aangezicht te bestaan. Maar dít, wat hier in onze tekst staat, dat is genoeg!

Dat is waar de catechismus van zegt: dit is nu mijn enige troost! Dat is wat de engelen in Efratha’s velden aan de herders verkondigden. Dan beginnen ze niet met alle toestanden van de herders te verklaren, en te zeggen: ‘Ja, mensen jullie zijn toch wel op de goede weg en jullie hebben dit ervaren en dat ervaren en jullie zijn toch mensen die zo en zo gesteld zijn.’ Nee, dan beginnen ze glorieus te vertellen, vanuit de geopende hemel: ‘Herders, God is genadig, ga het maar zien! Je hoeft je zelfs niet tevreden te stellen met een Woord, maar voor jullie is het geopenbaard, je kunt het gaan zien. Daar in de kribbe van Bethlehem, daar ligt het hart van God. Daar ligt het, tastbaar en zichtbaar en hoorbaar.’

Dat verkondigden de engelen en dat verkondigt God altijd weer opnieuw. Dat maakt ons hart weer opnieuw gaande, dat geeft ons krediet op God, dat geeft ons liefde tot God, dat geeft ons léven.

Dát is de enige troost, beide in leven en in sterven, dat God wat goeds spreekt van Zichzelf en tot ons mensen, van wie ten diepste toch alles met zonden bevlekt is.

 

De Heere verzoekt Abraham.

Ik heb er iets van gezegd, dat Abraham, de vader der gelovigen, maar een mens was, van gelijke bewegingen als wij. Maar God heeft de mens Abraham en ook Sara, zijn vrouw, met Zijn genade bezocht.

Het leven van Abraham en Sara had ondanks alle hoogte- en dieptepunten één centraal punt, en dat centrale punt was Izak. Natuurlijk, God had ook beloofd: ‘Je krijgt dat ganse land, het land Kanaän en Ik geef je een nageslacht zoals de sterren aan de hemel en het zand dat aan de oever van de zee is.’

Abraham heeft dat geloofd en Abraham was daar verblijd in. Ook al krijgt hij op aarde van die belofte niets anders dan een grafspelonk, die hij met goed geld moet kopen en al ziet hij in zijn hele leven van zijn kinderschaar niet meer dan alleen Izak, zo heeft hij toch aan de belofte Gods niet getwijfeld in ongeloof, maar heeft God de eer gegeven. Dat wil zeggen: hij heeft geen afscheid van God genomen, al ging het niet zoals hij gedacht heeft.

Al kreeg hij dan niets anders dan een grafspelonk.

Al moet hij dan met zijn kinderen Izak en Jakob in tenten wonen, terwijl het land in bezitting blijft van de vijanden, en, zoals ik al zei, al het zaad dat hij heeft is Izak, één kind.

 

De apostel Paulus schrijft dat Abraham, door alles heen, de stad verwachtte die fundamenten heeft, waarvan God de Kunstenaar en Bouwmeester is. Met andere woorden: die beloften Gods, van het land hier op aarde en van een zaad als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee, dat was als het ware maar een teken, een sacrament. Een klein bewijs van dat grote, dat eeuwig grote: ik ben een kind van God. Na de dood is het leven mij bereid, God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.

Dan is al dat genieten hier op aarde, al die heerlijkheid van God die we hier op aarde mogen ontvangen, in eten en drinken, in kleding en woning, in de opening van Zijn Goddelijk getuigenis, in het samenleven als christenen, dan zijn dat maar voortekenen, sacramenten.

Dan zijn zelfs de ervaringen van het werk des Geestes in onze zielen, van de belevenissen van Gods genade in ons hart, maar tekenen van dat éne grote: Hem in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Zijn Goddelijk beeld.

Geliefden, kijk nu eens hoe dat bij Abraham gegaan is. Abraham heeft een centraal punt in zijn leven en dat is Izak, en dan zegt God in de nacht tot Abraham: Abraham, neem uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria en offer hem aldaar tot een brandoffer op één van de bergen die Ik u zeggen zal.

 

God verzocht Abraham.

De verzoekingen Gods, dat zijn beproevingen. Natuurlijk niet om Abraham in de zonde te laten vallen, in het ongeloof, maar zoals ik in het begin gezegd heb: God durft het aan met Zijn werk in deze wereld, want Hij weet de uitkomst.

Hij weet dat Zijn werk sterk genoeg is om satan en zonde te verslaan en Hij leert ons daarop vertrouwen. Hij leert ons te vertrouwen op Zijn belofte, op Zijn verbond, op Zijn toezeggingen, op de bewijzen van Zijn trouw.

Wij zijn altijd maar bezig om te steunen op hetgeen in ons leven zichtbaar is, door onszelf en van onszelf, en God trekt ons er altijd maar van af en Hij neemt alle stutten onder Abrahams leven weg, zodat Abraham alleen zou vertrouwen op Gods trouw en genade.

Hij neemt zelfs de beloften weg, die Abraham als tastbare bewijzen van Zijn trouw ontvangen heeft; Hij neemt Izak weg. God had gezegd: ‘Hier heb je Izak, dat is het begin, in hem zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.’ Abraham heeft dat goed verstaan. Uit deze Izak wordt eenmaal het beloofde Vrouwenzaad geboren. En nu zegt God in de nacht: ‘Geef terug wat Ik je gegeven heb. Geef terug!’

 

God had het ook kunnen nemen; maar hier toetst God het hart van Abraham, zoals Hij altijd weer ons hart toetst.

Zijn wij bereid om af te staan en een offer te brengen? Dan is het offer dat God van ons vraagt, altijd een brandoffer, nooit een dankoffer.

Een brandoffer in die zin, wat wij voor de Heere moeten doen. Als Hij Izak vraagt, dan is dat brandoffer ten diepste een dankoffer. Het zal straks uitkomen.

Dan is het niet, omdat Abraham verzoening moet doen om geloof te krijgen. Dan wijst God hem heen naar de ram die in de plaats van Izak geslacht wordt. God kan hem nemen, maar dat doet God niet, want vergeet het niet: het begin van alle ellende is onze ongehoorzaamheid. Nu begint God ons te herstellen, door ons gehoorzaamheid te leren. Ons ‘nee’ heeft de weg tot God toegesloten. Toen is God met Zijn ‘ja’ door ons ‘nee’ heen gebroken. Hij worstelt net zo lang met ons, totdat wij weer bereid zijn om ‘ja’ tegen God te zeggen. Dat doet God in deze weg, Hij beproeft Abraham, opdat Abraham straks zegevierend zal aanbidden en zijn heil in God alleen zal vinden.

 

Het was wel een weg waar de mens Abraham moeite mee gehad heeft. Hierin is hij ons tot een lichtend voorbeeld: hij zwijgt! Een zwijgende Abraham. Hij zwijgt voor God.

Hij zegt niet: ‘Maar, Heere, dat kunt U toch niet bedoelen? U hebt Izak toch gegeven om het begin te zijn van het zaad dat U me toegezegd hebt? Als Izak sterft, Heere, dan is de belofte weg, dan is Christus dood, dan kan er geen Middelaar meer zijn, geen verlossing meer…’ Abraham zwijgt.

 

Eén van Gods kinderen heeft over deze geschiedenis het volgende geschreven: ‘Dan zegt Abraham in zijn hart: Heere, het is mijn zaak om te gehoorzamen en het is Uw zaak om Uw belofte te vervullen.’

Ja, dat is een heerlijke ontdekking, als we in de wegen die God met ons houdt tot deze slotsom komen: ‘Heere, het is mijn zaak om te gehoorzamen aan Uw Woord; en het is Uw zaak om Uw belofte te vervullen. Want U hebt die belofte gegeven, dat is Uw zaak!’

 

Geliefden, daar begint de bevrijding, daar houden al onze tegenwerpingen op. Die zijn er natuurlijk eerst wel, die zijn er bij Abraham ook wel geweest, maar Gode zij dank, Abraham is ons hierin ten voorbeeld: hij heeft gezwegen.

Hij is geen twistgesprek met God aangegaan; hij heeft ook gezwegen voor Sara. Hij heeft niet tegen zijn vrouw geklaagd en gezegd: ‘Kijk nou toch eens, welk een weg de Heere met ons houdt: ons enig kind, en nu moet ik hem offeren!’

Je leest er niets van, totaal niet. Hij heeft niet tegen Izak gekermd, en gezegd: ‘Jongen, wat moet er nu van je terechtkomen, je bent nog zo jong en nu al sterven!’ Nee, hij heeft niet tegen zijn knechten geklaagd. Hij heeft slechts gezegd: ‘Maak die ezel klaar’, en hij heeft het nodige meegenomen en heeft gezegd: ‘Kom, want God heeft gezegd dat ik een offer moet brengen.’

 

Hierin is hij een sierlijk voorbeeld voor ons.

O, er zijn wat omstandigheden in ons leven, in elk gezin hoor, en in elk hart dat naar God vlucht, omstandigheden waarin we zeggen: ‘Dit is onmogelijk, zo kan het werkelijk niet!’ God maakt het altijd zo, dat je hoogst zelden uit de omstandigheden kunt concluderen dat je genade hebt.

Nee, gemeente, God leert ons hier leven door dat nieuwe leven, dat zich openbaart in het blindelings vertrouwen op de Heere, hoe dan ook, wat dan ook en in welke weg dan ook!

 

Ik weet het, dat is moeilijk, dat was ook voor Abraham moeilijk, dat is ook voor ons moeilijk. Dan is het heus niet zo dat er nooit twijfel aanwezig is, dat we altijd vaststaan in het geloof. Juist niet, maar de Heere leert het ons wel.

Dat is Goddelijke trouw, dat is vaderlijk mededogen.

Abraham kermt niet en hij klaagt niet, maar hij doet wat God gevraagd heeft.

 

En dan schijnt het wel of de Heere die man aan het martelen is.

Als Hij nu nog ‘s nachts om drie uur vraagt: ‘Je  moet om vier uur je zoon offeren’, nu ja, onder de indrukken van die directe Godsspraak zou je nog kunnen denken dat hij onmiddellijk in staat was om het te doen, maar nu moet hij nog drie pijnigende dagen doormaken.

Het is net of God bezig is om hem ten uiterste te beproeven. Hij zal nog drie pijnigende dagen doorbrengen.

Het is maar niet een impulsieve handeling, zo van: ‘Nou ja, vooruit, dan zal ik het maar doen.’ Nee, hij heeft drie dagen en drie nachten, en geloof maar: drie lánge nachten, de tijd gehad om er over te denken, over datgene wat God van hem gevraagd heeft.

En voor de één zijn dat drie dagen, voor het volk van Israël is dat veertig jaar, voor Jozef was het twintig jaar, ik weet niet hoe lang het voor u is.

Ik weet het ten naaste bij hoe lang het voor mijzelf is, dat God elke keer opnieuw een tijd van beproeving stelt, om ons te beproeven.

O, laten we ons toch niet door de duivel laten wijsmaken dat God ons vergeten heeft, als we Zijn hand niet meer voelen en als we Zijn aangezicht niet zien. Als we de tastbare bewijzen van Zijn genade niet meer kunnen ronddragen en onze bekering verschrompeld is tot een lederen zak in de rook en wij niets anders meer zijn dan zondaren.

Laten we ons door de duivel niet laten wijsmaken dat God Zijn beloften zal vergeten en dat we niets hebben aan de betekenis van de Heilige Doop en het sacrament van het dierbaar Heilig Avondmaal.

Laat ons onszelf niet wijsmaken dat God Zijn genade vergeten is aan ons zondaren! Hij zal nimmer Zijn verbond vergeten, want het verbond met Abraham, Zijn vrind, bevestigt Hij van kind tot kind!

‘Indien Mijn kind’ren ooit Mijn zuivere wet verlaten, dan zal ik ze bezoeken met de roede en met bittere tegenheên, maar Ik zal Mijn goedertierenheid van hen níet wegnemen, en Ik zal in Mijn trouw níet feilen.’

 

Geliefden, denk toch eens een beetje beter van God! Denk toch eens een beetje hartelijker van God!

Je zou geen moeite hebben om de zonde te verlaten, indien je goed van God dacht.

Je zou geen moeite hebben om je tot God te bekeren, jongeren, want alle genietingen van de zonde zijn bitter vergeleken bij de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

Waarachtig, ik beloof het je in de Naam des Heeren, als je je voet op dat vredespad zet, dan zul je een vreugde smaken die de wereld niet kent, want bij God valt het altijd mee! In de wereld, in de zonde, en bij de mensen valt het altijd tegen.

Je hebt altijd een grotere verwachting dan het in werkelijkheid is, maar bij God valt het altijd mee, altijd!

Voor een mens die waarlijk zijn toevlucht zoekt onder Zijn vleugels, in wat voor omstandigheden hij ook verkeert, valt het bij God altijd mee. Je krijgt altijd méér dan je gehoopt hebt. Je krijgt altijd rijker zegening dan je verwacht had. Je krijgt altijd groter liefde dan je gesmaakt hebt en je krijgt altijd inniger hoop dan dat je ooit in je beste dagen hebt durven dromen.

 

Kijk maar hier bij Abraham, Abraham gehoorzaamt. In Hebreeën 11 staat dat hij dat overleggende gedaan heeft.

Dus, ik zeg nog eens: het was niet zomaar een daad van de ene op de andere minuut.

Hij deed het overleggende. ‘Overleggende bij zichzelf’, zegt Paulus, ‘dat God machtig was om hem uit de doden weder te geven.’

Dus Abraham heeft natuurlijk wel gedacht: ‘Heere, maar hoe zou U dat nu doen, want als Izak moet sterven, dan is toch alles weg! Dan is de lach uit mijn leven weg.’ Izak is toch de lachverwekker, die Abrahams en Sara’s ziel vrolijk maakt. Hij noemde hem lachverwekker en nu moet de lach uit zijn leven door zijn eigen hand sterven.

Natuurlijk heeft Abraham daaraan gedacht. Paulus zegt: ‘Overleggende bij zichzelf.’ Hij heeft gedacht: Heere, hoe zal het dan verder gaan, hoe moet dat dan? Wat gaat er dan gebeuren in die omstandigheden, waar niemand hem raad kan geven?

Daar brengt God ons, dat je bij geen dominee en bij geen ouderling en bij geen mens meer terecht kunt om het laatste woord, maar dat je aan de voeten van de Heere komt en zegt: ‘Heere, ik hef mijn ziel tot U op en ik zie op U, zoals een dienstmaagd op de hand van haar vrouw. Zo wil ik de weg alleen van U leren.’

 

Wij moeten en wij mogen en wij kunnen, door de goedheid van God en de genade van onze Heere Jezus Christus, weer terug naar God, naar onze Vader, Die ons liefheeft, Die ons geroepen heeft om te naderen uit het aards gedruis, om hier Zijn heilstem te horen en te wonen in Zijn huis, zoals Abraham.

Hij overlegde en het eind van dat overleg was: ‘Heere, U zult het voleindigen.’ Maar hoe? De Heere heeft hem ook dáár in onderwezen.

Als hij dan heengaat, naar boven op die berg, dan speelt zich daar geen drama af, zoals wij het misschien zouden beschrijven. Dan wordt ons daar geen schilderstuk getekend van een worstelende oude man met een jongen die toch graag wil blijven leven en die ook met duizend raadselen naar de top van de Moria gegaan is.

 

Luister, jongens en meisjes!

Izak was nog maar een jongen, die nog wilde leven en blij was met zijn gezondheid. Ook een jongen voor wie de wereld openging, een jaar of dertien, veertien, nog vol met idealen. Een jongen van gelijke beweging als wij.

Hoe tekent de Heere hem, net als zijn vader Abraham? Nee, het is waar, ik weet het ook wel, het geloof is geen erfgoed, maar God is wél de God van Abraham, Izak en Jakob, denk er goed om.

 

Ouders, denken jullie daar om?

God slaat niemand over, die Zijn verbond niet trouweloos wil schenden, noch van Zijn wet afkerig de oren wenden, maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

Kinderen, denk je er om?

God is niet een God die in een loterij speelt, en dan twee, drie geslachten overslaat en dan weer in het zevende en achtste geslacht ineens denkt: ‘O, ja, dat is waar ook!’ O nee! God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensenkind, dat het Hem berouwen zou (Num.23:19).

O zeker, er vallen er uit de geslachten weg. Helaas, we zien het altijd weer opnieuw: ga de boeken van de kerk maar na, kijk maar naar de praktijk van het leven.

Er vallen er ook uit de geslachten van Gods kinderen weg, maar dat is dan omdat ze Zijn verbond trouweloos geschonden hebben en omdat ze afkerig hun nek naar God gekeerd hebben. Omdat ze niet gebleven zijn in de leer die vader en moeder hun geleerd hebben, en omdat ze Gods verbond verbroken hebben.

Maar dat is Gods schuld niet! Dat is niet omdat de Heere je niet allemaal wil hebben, want je kunt tenslotte toch niet allemaal in de hemel komen…

Ja, hoor, er is plaats genoeg bij God! De hemel is waarachtig groot genoeg om jullie allemaal te herbergen, want: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben (Joh.14:2).

God bedriegt u niet en Jezus ook niet. Je hoeft aan God niet te twijfelen.

 

Kijk maar: wat doet Izak? Izak, hij heeft dezelfde zielsgestalte als zijn vader.

Het is niet gelijk hoe je leeft, vaders en moeders. Je kinderen zien en merken het aan je, of je bij het volk van God behoort.

Nee, dan hoef je niet op je tenen te gaan lopen en hoef je je niet mooier voor te doen tegenover je kinderen dan je in werkelijkheid bent, maar dan moet je wel het leven van de aanbidding kennen.

 

Aanbidding, want dat zegt Abraham immers, als hij naar de top van de Moria gaat.

En Abraham zeide tot zijn  jongeren: Blijft gij hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren (Gen.22:5).

Hij zegt niet eens: ‘Als we geofferd zullen hebben.’ Want het offer is de weg tot de aanbidding, en het eind van het offer is de aanbidding.

 

Kennen we dat nog? Of zijn we een grote hoop lege kermers geworden, waaraan de wereld de glans van Gods genade niet ziet? Dan zullen vele heidenen ons voorgaan.

In hen die gegrepen zijn door het Woord van God, daar zie je steeds weer dat kinderlijke geloofsleven, dat ons in de Bijbel getekend wordt.

O zeker, niet zonder druk, niet zonder kruis, niet zonder verdriet, maar altijd weer opnieuw, zo echt Bijbels!

Lees weer eens opnieuw de psalmen. Dan kan het zo donker niet zijn, dan kan het zo diep er niet door gaan, of dan komt die psalmist nog altijd daar uit, dat hij zegt: ‘Maar, Heere, op U zien mijn schreiende ogen en op U betrouw ik in het verdriet. Verlaat, begeef mijn ziel toch niet, mijn God o, eeuwig Alvermogen.’

Dan komen ze toch altijd weer tot de aanbidding.

 

O, geliefden, in het bijzonder diegenen onder ons die de Heere kennen, in welker hart God Zijn genade geopenbaard heeft: we hebben ons geestelijk leven moedwillig zo verschraald. Ik zeg dat niet uit de hoogte, en ik zeg dat niet uit hardheid, en ik zeg dat juist niet omdat ik om onze gemeenten niets meer geef. Sommigen verwijten mij dat, maar God weet dat ik onze gemeenten, waar ik van jongs af aan in geleefd heb, waar mijn ouders in geleefd hebben, dat ik die gemeenten van harte liefheb. Maar dat ik ook door de genade van God begin te zien wat er ook onder ons verkeerd gegaan is. En er is bij ons ook machtig veel verkeerd gegaan.

De waarheid is onder ons; Gode zij dank, anders stond ik hier niet. Gods kinderen zijn onder ons, anders stond ik hier niet. Gode zij dank, er is een levende schare van mensen die God liefhebben. Maar het kon zo oneindig veel beter. Het kon zo oneindig veel hartelijker. Er kon zo oneindig veel meer glans op Sion liggen en de wereld kon zo oneindig veel meer van ons leren, als we durfden zeggen: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, de Schepper, en ik geloof in Jezus Christus, Die voor mij gestorven is, Die aan de rechterhand van de Vader voor mij bidt en die mij inzamelt in het huis des Vaders.’ Wie durft het nog te zeggen? Ja, we durven wel geloofsbelijdenis te doen, op zondag in de tweede dienst, dat durven we wel. En dat is goed, maar het wordt zo onpersoonlijk. We zitten er bij te slapen, we denken er niet eens bij door, het hoort bij het ritueel. Maar echt geloofsbelijdenis, om daar persoonlijk buiten op straat, tegen mensen die kermen en klagen en mensen die de weg niet weten, te durven zeggen: ‘Ik ben een gelovige. Ja, ik ben door Gods genade een kind van God. Ja, ik geloof hartelijk dat Jezus ook voor mij gestorven is.’

En natuurlijk, dan begint u waarschijnlijk met uw ‘ochs’ en uw ‘maars’. Abraham had er nog veel meer reden voor, maar Abraham heeft het niet gedaan. Abraham is gegaan en heeft gezegd: ‘Als we aangebeden zullen hebben, als we daar God erkend hebben, als we daar in het huis van God geweest zijn en ons neergebogen hebben voor God…’

 

Geliefden, zijn we nog steeds profiteurs? Of zijn we predikers en profeten? Komen we naar de kerk, altijd maar om te hebben en bidden we samen om God te manipuleren?

Ik zeg het nog eens en met nadruk: dat doen de Bantoes ook, bijvoorbeeld als het niet regent. Het is op het ogenblik vreselijk droog, waar wij werken, en vreselijk warm, en dan komen ze naar je toe en dan willen ze natuurlijk ook nog een beetje vroom zijn, ook degenen die nog puur heiden zijn, en dan zeggen ze: ‘Ja, Meruti (dominee), ons moet nog een bietje bid hè.’ Met andere woorden: we moeten nog een beetje dóen en dan zal God het geven. En zo zijn ze in staat om offers te brengen.

Ik kan best begrijpen dat er mensen geweest zijn die kinderen geofferd hebben aan hun goden; om God te manipuleren, om God aan hun kant te krijgen. Het gebeurt nog! Maar dat is niet onze God. Onze God behoef je niet te bewegen, hoor. Onze God behoef je niet nog ‘een bietje te bidden’ om dan nog ‘een bietje’ meer te doen. Onze God is, in Christus, met innerlijke barmhartigheid over ons bewogen. Denk maar eens aan wat Zacharias ontdekt heeft: Door de innerlijke bewegingen, zo zingt hij het uit, van de barmhartigheid van onze God, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte. Door de innerlijke bewegingen van Zijn barmhartigheid.

 

Daar op die top van de Moria, daar heeft Abraham – overleggende – gedaan wat de Heere gevraagd heeft. Ik heb gezegd: het is geen drama. Izak heeft zich gegeven en Abraham heeft zich gegeven. Abraham heeft zijn leven afgelegd. Hij heeft zijn leven verloochend. En dan is de sleutel tot dat geheim: om Mijnentwil. Maar dat zegt Jezus dan ook: ‘Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil…’

Hij zegt tegen die rijke jongeling: ‘Ga heen en verkoop al wat je hebt en geef de opbrengst aan de armen en gij zult een schat hebben in de hemel, en kom herwaarts, en volg Mij.’ Als je dat laatste niet hoort, dan ben je nooit in staat om het andere te verkopen. Dat is waar, hoor! We zijn er tot in eeuwigheid niet toe in staat, dat is waarachtig waar. Dat weet de Heere ook, want Hij zegt: ‘Doe het om Mijnentwil.’

Hij weet ook wel dat we zonder Jezus ons leven niet prijsgeven. Hij weet ook wel dat we onszelf niet verloochenen zonder Jezus. Of moet ik het nog duidelijker zeggen: Hij weet ook wel, als we niets van de liefde van God zien, van de genade van God zien, dat we niet bereid zijn om de zonde te verlaten en om ons tot God te bekeren.

Natuurlijk, de wet eist het. En door de wet is de kennis der zonde. Maar het buigen onder de wet, dat is door het evangelie. Het toestemmen dat de wet goed is, heilig, oprecht, dat er met die wet niets verkeerd is, maar dat het aan ons ligt, dat toestemmen, dat leert de wet niet, dat leert Christus!

Wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, omdat hij Mij liefheeft, omdat hij Mijn Woord gelooft, omdat hij zich toe betrouwt aan Mij, omdat hij weet, dat Ik hem niet beliegen en bedriegen zal… wie dáárom zijn leven verloochenen zal! Want heus, jongens en meisjes, vaders en moeders, die ruil is zo’n zalige ruil. Al datgene waar je je aan vastklemt, waarvan je hoopt dat het méér zal worden, dat leven prijsgeven, je doet het nooit als je Jezus niet ziet, als je de genade van God niet ziet, namelijk het offer van Jezus Christus. Maar omgekeerd is het ook waar!

 

Abraham heeft geloofd, vóórdat hij het offer gebracht heeft, want hij heeft bij zichzelf overlegd dat God machtig was om hem uit de dood weder te geven. Dus toen hij Izak op het hout bond en op het altaar gelegd had, dacht hij bij zichzelf: Nu goed, Heere, ik zal hem laten sterven, maar als daar straks het hoopje as overblijft, dan zal ik een nieuwe Izak zien, want God zal Zijn waarheid nimmer krenken. U kunt niet liegen. En hoe het dan verder in de hemel moet gaan, dat laat ik aan U over. En hoe het verder met Uw verbond en hoe het verder met Uw kerk op aarde moet gaan, dat moet U dan ook Zelf maar weten. Ik zal doen wat U van mij vraagt, al loopt het dan verkeerd, maar ik overleg bij mezelf en ik geloof dat uit dat hoopje as Izak weer zal oprijzen, hoe dan ook.

Zalige geloofsgehoorzaamheid, volgend op de geloofsbeproeving, als een vrucht van het handelen Gods met Abraham.

 

En dan geeft hij zijn zoon, dan geeft hij hem aan de Heere over. Want hij heeft hem waarachtig geofferd, al heeft hij hem met zijn hand niet doodgestoken. Dat hoeft niet voor God. Want voor God ben je zoals je in je hart bent. Dat is natuurlijk om je dood te schrikken, als je niet oprecht bent, dat God naar je hart kijkt. Maar het is een zalige wetenschap als je bij God schuiling zoekt, dat je voor God bent wie je in je hart bent. Zo ziet God je aan.

Ik zeg: het is voor een huichelaar verschrikkelijk; voor een mens, die denkt dat hij God bedriegen kan. Maar iemand die eerlijk is voor God, die zegt: ‘Als U dan zó bent, Heere, dan wil ik niet langer als een bedrieger voor U leven. Als U dan zo goed bent voor mij, dan wil ik niet nog langer tegen U zondigen.’

 

Geliefden, dat is de wortel van de waarachtige bekering, van de waarachtige verootmoediging. Want je kunt erwten in je schoenen doen, zoals Luther, en je kunt je geselen met allerlei plagen die je zelf uitgevonden hebt, maar je harde hart zal niet breken.

Maar één traan van God, één traan van Jezus, één bewijs van Zijn gunst, dat Hij het goed met je bedoelt, dat Hij je ondergang niet zoekt, dat Hij dat evangelie vandaag opnieuw tot je brengt, en dat Hij geen lust heeft in je dood, dat doet je hart smelten en verwekt een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. God zoekt je ondergang niet. Hij is in de wereld gekomen om het verlorene te zoeken. Dat kan je hart breken. Dat alleen! Als je daar je gedachten niet heen leidt, dan zul je almaar harder worden.

O, er zijn er wat onder ons, zo hard, zo koud, zo verkeerd tegen God, omdat ze altijd bepaalde gedeelten van het Woord verzelfstandigd hebben. Gedeelten die op zichzelf wel waar zijn, maar waardoor ze geen beeld van God gekregen hebben zoals Hij Zich in het Woord van Zijn genade en in het bijzonder in de openbaring van Jezus Christus aan ons bewijst.

 

Daar op die berg, die tot een spreekwoord in Israël geworden is: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden, daar worden Abrahams raadsels opgelost.

Natuurlijk is deze geschiedenis transparant tot op Christus Jezus. Ik behoef u niet te vertellen dat Moria de plaats is waar God Zijn tempel heeft laten bouwen. En ik behoef niet te vertellen – zelfs een kind kan het begrijpen – dat deze plaats ons heen wijst naar Golgotha, waar God Zelf de Eerste was, óók voor Abraham, om Zijn Zoon te offeren. Tenslotte was Abraham alleen maar in staat om zijn Izak aan de Heere terug te geven, omdat hij van tevoren gezien heeft, begeerd heeft, zegt de Heere Jezus Zelf, om Mijn dag te zien. En hij heeft hem gezien en hij is verblijd geweest. Abrahams leven heeft een centraal punt, dat is Izak en in Izak Christus. Dat is het centrale punt in het leven voor al Gods kinderen.

 

We zingen nu Psalm 27 vers 5 en 7:

 

Mijn hart zegt mij, o Heer’ ,van Uwentwegen:
‘Zoek door gebeên met ernst mijn aangezicht.’
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek de zegen
Alleen bij U, o bron van troost en licht!
Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer’!
Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.
O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed:
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer’.

 

Geliefden, is Hij ook al het centrale punt van ons leven? Of rommelen en modderen we maar wat rond zonder Jezus? Hebben we een heel stelsel opgebouwd en een heel uittreksel uit de Bijbel gemaakt van waarheden die we met de vinger kunnen aanwijzen en die op zichzelf wel waar zijn. Niemand kan het tegenspreken, dat de teksten die u tegen God en tegen uw eigen zaligheid gebruikt, niet waar zijn. Maar u bent altijd maar van uzelf uit bezig om, vanuit úw kunnen en kennen, vanuit úw begrip en vanuit úw verstaan en van úw begrijpen en van úw weten en van úw mening hoe God gediend moet worden, bekering van God af te smeken. Of, zo God uw ogen geopend heeft, voortgang op de weg des levens van Hem te begeren, zoals u zelf meent dat God u leiden moet.

 

Want kijk nu eens, als er toch ooit één een onbegrijpelijke weg gegaan is, dan is het toch Abraham. Abraham had toch redenen genoeg, ik spreek op menselijke wijze, om tegen God te zeggen: ‘Maar dát doe ik niet!’ Maar Abraham heeft betoond in zijn leven dat hij Christus kende. Dat de dag van Christus ook voor hem aanstaande was. En hij bouwde dáár zijn hoop op, zelfs in de moeilijkste omstandigheden van zijn leven.

 

Nu vraag ik nog eens: is dat ook het centrale punt van ons leven? De genade van God, de barmhartigheid van God. Want dat is de waarachtige bekering, het vernieuwd worden, dat is het je neerwerpen en je toe betrouwen aan de barmhartigheid van God. Die barmhartigheid, die God daar op de berg des Heeren geopenbaard heeft. Want daar heeft God in Zijn eigen Zoon laten zien dat Hij het met je meent.

O ja, Hij neemt het zo ernstig met de zonde, met jóuw zonde, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon niet spaarde en dat Hij Zijn eigen zwaard uitstak naar het hart van Zijn eigen Kind. En dat er niemand was die riep: ‘Jehova, Jehova, denk aan Uw Zoon!’ Er was niemand. En God heeft het zwaard van Zijn verbolgenheid tegen de zonden uitgestrekt naar het hart van Zijn eigen Kind en heeft het hart van Jezus doorboord.

En Jezus, Hij heeft het aanvaard!

 

Op de berg des Heeren, daar zal het voorzien worden. Niet het heidense begrip van voorzienigheid, in de zin van: de Heere weet alle dingen van tevoren. Nee, dáár zal de Heere in alles voorzien, zoals moeder de tafel dekt en zegt: ‘Kinderen, kom, alles is klaar, het eten is gereed, kom, zit aan!’ Dan heb je alleen maar je mond open te doen en te eten, want het is klaar.

Zo zegt Abraham: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden. God zal daar een maaltijd bereiden, een maaltijd van reine wijnen die gezuiverd zijn. Hij zal daar het binnenste van Zijn hart openbaren. Hij zal tot de bruutste en meest goddeloze zondaar zeggen: ‘Zondaar, wat heb je er nu op tegen om Mij te vrezen? Zondaar, zul je nog langer tegen Mij opstaan?’

 

O zeker, daar zullen er altijd blijven die blijven roepen: ‘Wat heb ik te doen met David, en wat deel heb ik aan de zoon van Isaï?’ Er zullen er altijd blijven die zeggen: ‘Ach, ik zal mezelf wel helpen, het offer kan mij niet bekoren.’

Maar weet dan, dit is de keerzijde van het evangelie: dan zal het oordeel u treffen. Ook u, broeder en zuster, ook u, zoon en dochter, die binnen het Koninkrijk Gods zijt, dat hier nabij gekomen is. U die een plaats in de kerk heeft, maar met een onbekeerd hart. Die met allerlei vijven en zessen, met allerlei tegenredenen uw hart weigert aan God te geven.

O, denk toch niet dat je als een echte onbekeerde man of vrouw; dat wil zeggen: een mens die het toch zo goed geweten heeft, maar het zich nooit heeft toegeëigend, het oordeel zult ontgaan.

 

Er zijn mensen die zeggen: ‘Nee, dominee, gelukkig heb ik dat toch nooit gedaan hoor. Ik ben nog nooit aan het Avondmaal geweest en ik heb me nog nooit iets toegeëigend en ik heb me nog nooit verbeeld dat ik een kind van God ben. Nee, gelukkig niet, die en die, die doen dat allemaal, maar ik toch niet.’ En dan hopen ze heimelijk, o vreselijk, dan hopen ze heimelijk dat de Heere hen in het oordeel verschonen zal. Dat de Heere zeggen zal: ‘Nu goed, je was wel geen bekeerde man en je hebt je leven wel niet aan Mij gegeven, maar ja, Ik zal je toch nog wel een goed plekje geven hoor!’

Maar, geliefden, dat is de vreselijkste vergissing die een mens kan begaan. Ik geloof dat dát de mensen zijn die met een ingebeelde hemel naar de hel gaan. Zulke mensen! Want ze menen het niet, als ze zeggen dat ze echt onbekeerd zijn. Ze menen het waarachtig niet. Abraham zegt niet: ‘Nou ben ik toch een echt onbekeerde man.’ O ik weet wel wat je in de goede zin daarmee bedoelen kan, dat je zegt: ‘Er is in mij niets te zoeken en te vinden.’ Dat versta ik. Maar dan niet buiten Christus om. Dan niet: ‘Van die dingen heb ik geen kennis.’ Abraham zegt: ‘Op de berg des Heeren, daar zal God het voorzien hoor. Voor mij en voor Izak en voor Jakob en voor mijn nageslacht. Dat heeft God beloofd.’

 

Kom, hebben we toch een beetje meer krediet op God. Dat heeft niets te maken met hoogmoed, integendeel, want als Abraham zegt: Op de berg des Heeren zal het voorzien worden, dan bedoelt hij niet: dan zal ík het voorzien. Juist niet. Dan leunt hij niet op iets wat hij gedaan heeft. Dan leunt hij alleen op de trouw van God, op de genade van de Heere, in de ram die hij mag slachten in de plaats van zijn zoon Izak. Dan leunt hij, om in nieuwtestamentische taal te spreken, dan leunt hij alleen op de offerande van Jezus.

De Heere is het zo aanbiddelijk waardig, dat je op Hem vertrouwt, want milde handen, vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid. O ik weet het: Hij is een verterend vuur en een eeuwige gloed voor al degenen die niet komen naar de top van de Moria om daar te aanbidden. Die daar beneden blijven zwerven in de wereld, die niets te bieden heeft. Ja, de wereld biedt genoeg, maar zij geeft niets. Armoede en ellende en aan het einde de dood. Maar op die top van Golgotha, in aanbidding naar het kruis! Niet als een egoïst, om zoveel mogelijk van God te krijgen, maar als een man die ontdekt is door de prediking van het Woord.

 

‘Ja, dominee, maar dat heeft een mens toch niet van zichzelf?’ Dat zeg ik u toch? En dat zeg ik met alle nadruk, dat u dat niet van uzelf hebt. Maar ik verkondig dat God het u geven wil, en dat om niet! ‘Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Komt, koopt en eet, zonder geld en zonder prijs, wijn en melk.’ Dat zegt God!

Ik weet het, het hoeft ook niet van u te komen. Hij verwacht het ook niet van u. Daar op de berg des Heeren, op de top van Golgotha, daar heeft God laten zien dat het van Hem gekomen is.

Kom, buigen we ons dan in aanbidding neer. Laat dan ons betraand aangezicht de koperen slang aanschouwen. Meer niet, want die op Hem zullen zien, die zullen leven. Want ze hebben op Hem gezien en ze hebben Hem als een waterstroom aangelopen en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

 

Op de berg des Heeren, daar zal het voorzien worden. Laten we hier, als we het zwaar krijgen, als het moeilijk is, als de duivel ons trekt, als het ongeloof ons verdrukt, als de zonden in onze ziel woelen, met ons smachtend hart uitgaan naar het Lam Gods, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, en schreeuwen naar de levende God. Ja, al waren uw zonden als scharlaken zo rood, Hij zal ze maken wit als de sneeuw. Al was je een  vadermoorder of een moedermoorder, al had je al de zonden van Adams nakroost op je ziel gebonden, dat bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Want op de berg des Heeren zal het voorzien worden.

Daar kan het voor de moordenaar, daar kan het voor Abraham, maar daar kan het ook voor een Moabitische Ruth, en daar kan het voor een verloren zoon en voor een verloren dochter. Ja waarlijk, Hij zal het doen, want Hij zal nooit beschamen, hen die met Abraham zeggen: ‘Op de berg des Heeren zal Hij het voorzien.’

En wij mogen terug kijken. Wij mogen zeggen: Hij hééft voorzien. Hij heeft het gedaan. Mijn God, daarom zal ik komen om U te aanbidden!’

Want in de aanschouwing van Jezus hebben we niets meer nodig. Wie zegt dat Jezus niet alles voor hem is, dat hij toch nog een tekort, een gebrek in zijn leven heeft, in de kennis van Jezus, die heeft Hem nog nooit bemind en nog nooit aanschouwd. Want Hij zegt: ‘Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste. En al het welbehagen des Vaders woont in Mij. Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.’

Kom, laten we dan aan Hem genoeg hebben. Laten we vrede hebben in Zijn offer. Laten we aanschouwen Gods gerechtigheid, die op ons had moeten neerdalen. Maar Paulus zegt het in de Romeinenbrief, dat Christus voorgesteld is tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid.

 

Dan zijn er ook mensen onder ons, die zeggen: ‘Ja, was ik maar eens een arme, was ik maar eens een mens die het nergens meer kon vinden en kwam ik maar eens aan het einde met mezelf.’

Dan geef ik u die enige raad: kom dan naar Jezus, buig u neer, zie aanbiddend naar Hem op. Geloof, ten spijt van alle ongeloof en verdrukking, dat Hij in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Dan breekt uw hart vanzelf. Dan heeft u alles wat u zoekt, dan komt u tot aanbidding. Dan zegt u ook met Abraham: ‘Ja, Heere, door alle raadselen heen: Op de berg des Heeren, daar is het voorzien.’

Dan zult u Gods liefde zien, in Zijn doorboorde handen, en u zult drinken uit de fontein des heils, nu en tot in der eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Kom, we danken samen de Heere:

 

Lieve Heere, we danken U met ons hele hart, dat U ons het evangelie van Uw genade gegeven hebt, opdat we als kinderen op U mogen vertrouwen. Gij verwacht het van ons en Gij leert het ons, dat we tot aanbidding mogen komen. En dan zijn we zalig. Dat zullen we straks doen, als we afgelegd hebben een lichaam van zonde en van dood, en we begeren er hier mee te beginnen. De zonden, die nog in ons overgebleven zijn, zijn tot  onze smart in ons overgebleven. Het goede dat ik wil, dat doe ik niet; het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezer zonden en des doods? Maar ik dank God, dat het op de berg des Heeren voorzien is. Het zij onze hoop, beide in leven en in sterven.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118: 10

 

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal ‘t rechtvaardig volk door treên,

Om hunnen God ootmoedig t’ eren,

Voor ‘t smaken Zijner zaligheên.

Ik zal Uw naam en goedheid prijzen;

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest,

Door Uw ontelb’re gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 2) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).