Ds. A.T. Vergunst - Psalmen 37 : 4

Het zich verlustigen in Jehova

Psalmen 37
De basis, de grond van dit zich verlustigen
De beoefening van dit zich verlustigen
De vruchten van dit zich verlustigen
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 22)

Psalmen 37 : 4

Psalmen 37
4
En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 73: 1, 6
Lezen : Psalm 37
Zingen : Psalm 62: 1, 5
Zingen : Psalm 19: 5, 7
Zingen : Psalm 37: 2, 20

Gemeente, tevredenheid, vergenoegd zijn met wat de Heere geeft, we horen er niet veel van in deze tijd.

Ik zie in mijn gedachten een bejaard kind van God, Paulus, in de gevangenis van Rome. En het is vanuit deze plaats, dat hij schrijft aan de Filippenzen: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben (Filipp.4:11).

Dat is wat, om dat te horen uit de mond van Paulus, als hij als het ware terugziet op zijn leven, daar heel alleen in die gevangenis: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.

Paulus kan wel heel wat vertellen, als hij zou spreken over al die gebeurtenissen waar hij doorheen gegaan is. Hij zou kunnen zeggen: ‘Denkt u zich dat eens even in, in welke toestand ik ben.’ Hij schrijft daar over in de tweede brief aan de gemeente van Korinthe: In arbeid overvloediger; in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal; van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen; driemaal ben ik met roeden gegeseld, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganse nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht; in het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht (landgenoten), in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders; in arbeid en moeiten, in waken menigmaal, in honger en dorst; in vasten menigmaal, in koude en naaktheid (2 Kor.11:23-27).

En dan toch: ‘Vergenoegd in hetgeen ik ben.’

 

Wat is het geheim van de apostel Paulus, dat hij dat zo oprecht mocht zeggen: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben? Dat is het geheim waarover ik met u wens te spreken.

Onze tekst staat in Psalm 37 vers 4. Daar vinden we Paulus’ geheim:

 

En verlustig u in de Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

 

Met Gods hulp vraag ik uw aandacht voor: Het zich verlustigen in Jehova.

 

We letten daarin op drie zaken:

1. De basis, de grond van dit zich verlustigen

2. De beoefening van dit zich verlustigen

3. De vruchten van dit zich verlustigen

 

Het is een gepast woord, gemeente, waaraan we op deze biddag denken. Op zo’n speciale dag als biddag, denken we altijd aan hetgeen voor ons ligt en wat voor ons onbekend is. En dan is daar op de drempel van die onbekende toekomst Gods Woord: Verlustig u in Jehova. Onze eerste gedachte is dus:

 

1. De basis, de grond van dit zich verlustigen

 

Naar de Engelse overzetting staat de tekst er zo: Verlustig u ook in de Heere. Dat kleine woordje ‘ook’ legt nadruk op het verband met de omstandigheden waarin deze psalm werd geschreven. Wie spreekt er hier? Het is David. Hij is blijkbaar aan het eind van zijn leven gekomen. In vers 25 schrijft hij: Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden. En evenals Paulus ziet ook David terug op zijn leven, dat grotendeels achter hem ligt.

Davids leven is in veel opzichten te vergelijken met Paulus’ leven. David heeft ook zijn moeiten gehad, zijn beproevingen, zijn raadsels. Welke? Ja, David wordt in zijn ziel aangevochten; hij ziet dingen die onverklaarbaar voor hem zijn. Aan de ene kant ziet hij een mens die zich niet bekommert om God en Zijn dienst: hij bidt niet, hij zoekt niet, hij leest niet, hij gaat niet naar Gods huis en toch... het gaat zo goed met hem. Hij is voorspoedig in al zijn wegen, zijn welvaart neemt toe, hij bezit alles waar zijn hart naar verlangt. En aan de andere kant ziet hij een mens die wandelt in Gods wegen, die nauwgezet zoekt en bidt, en toch zo lijdt. Hij heeft allerlei beproevingen en tegenslagen.

Dat is nu het raadselachtige waar David mee worstelt. En is het niet iets waar ook wij het van tijd tot tijd zo moeilijk mee kunnen hebben? Dan schijnt het ons alsof het mensen die zich niet om de Heere bekommeren, die nooit bidden of naar de kerk gaan, altijd in alles voorspoedig gaat.

 

Als Gods Woord spreekt over slechten of boosdoeners, dan moeten we niet noodzakelijk denken aan mensen die zeer goddeloze daden doen. Nee, David denkt aan mensen die niet godsdienstig zijn, die de Heere niet zoeken of nodig hebben. Aan de buitenkant zijn het heel nette, keurige personen, er is niets verkeerds aan, en toch: slecht.

En daartegenover ziet hij degenen, die de Heere zoeken, in Zijn wegen trachten te wandelen. Juist zij hebben zoveel moeiten. Dat is het nu wat David tracht te beantwoorden in deze psalm; om wat licht te doen schijnen op deze schijnbaar tegenstrijdige leidingen in Gods voorzienigheid.

 

En gemeente, werkelijk, wat kunnen er stormen woeden in ons leven. Er zijn er ongetwijfeld ook onder ons die hun weg de Heere bevelen; die hun last, hun nood en beproeving telkens weer tot Hem brengen. Maar ach, het wordt steeds erger, steeds moeilijker. Er zijn er misschien onder ons die bidden om een levenspartner; die eenzaam zijn, die hun weg alleen door het leven moeten gaan. Ongetwijfeld hebben ze daar de Heere veel om gebeden, maar men wordt steeds ouder en er is geen vervulling. Deze weg, met alle daaraan verbonden verzoekingen, al die onvervulde verlangens hebben ze zo dikwijls de Heere voorgelegd; ze hebben gehoopt op Zijn Woord: Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken (Ps.37:5), maar... er verandert niets! Dat is dan maar één voorbeeld.

Anderen hebben zorgen in hun baan, hun zaak; het gaat niet goed, het is moeilijk. Al die onzekerheden en problemen hebben ze ook in het gebed de Heere voorgelegd. Maar alles lijkt steeds moeilijker te worden.

Weer anderen onder ons ervaren huwelijksproblemen en hebben ongetwijfeld de Heere gebeden en gesmeekt die moeilijkheden op te lossen, maar er komt geen verbetering, het wordt eigenlijk erger. Wat een raadsels!

De Heere zegt: Wentel uw weg op de Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken. En nu zegt Hij: Verlustig u in de Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. Maar hoe dan? O, wat kan het stormen vanbinnen!

 

Nu heb ik nog maar enkele tijdelijke zorgen aangestipt, maar er is mogelijk ook wel een hele lijst van geestelijke noden. U hebt gebeden om uitkomst en geen antwoord gekregen. Sommigen ouders worstelen om genade, smeken om wijsheid, om geduld, om begrip, om toch een betere vader of moeder te zijn. Ze hebben het bij de Heere gebracht en toch: telkens weer falen ze in de opvoeding van de kinderen.

Anderen worstelen om de bekering van hun kinderen. Bij de voortduur smeken ze de Heere: ‘O Heere, wilt U met Uw zaligmakende genade in hun harten werken?’ En dan misschien te moeten merken dat hun kinderen zo onverschillig blijven, terwijl kinderen van ouders die de Heere niet vrezen, genade ontvangen. Wat een raadselachtige wegen!

 

En dan zegt het Woord van God: Verlustig u ook in de Heere. Maar geen antwoord, geen vooruitgang, geen oplossing, geen aanwijzing; alles blijft hetzelfde, ondanks ons gebed.

De Heere zegt: Verlustig u. Maar hoe kun je jezelf verlustigen, als het gebed om een huwelijkspartner niet wordt verhoord, als je je weg alleen moet gaan? Hoe kun je je verlustigen, als dat koppige kind met die sterke wil steeds zijn eigen weg gaat, en geen acht wil slaan op je gebeden en verlangens? Is er plaats voor verlustiging als een ernstige ziekte onze lieveling doet wegkwijnen? Als de dood in ons gezin komt en een lieve man, vrouw, zoon of dochter wegneemt? Het klinkt bijna wreed om zoiets te zeggen in zulke omstandigheden.

Hoe kan er verlustiging zijn als de deur naar de ander, die je zo graag geopend zou zien, steeds dikker wordt, de muren steeds hoger, en de onmogelijkheden, die je voor je ziet, steeds groter worden? Verlustiging in de Heere, als uw huwelijk kinderloos blijft? En boven dat alles: kunt u zich verlustigen in de Heere als er geen oplossing komt voor de nood van uw ziel? U ziet wel wat u behoeft, maar u weet geen weg om er aan te komen en u te verlustigen in de Heere.

 

Gemeente, dat alles is alleen mogelijk als we werkelijk op de Heere vertrouwen. En dat is het nu waar deze tekst ook betrekking op heeft. Verlustig u ook gaat terug naar vers 3: Vertrouw op de Heere en doe het goede; bewoon het aardrijk en voed u met getrouwheid. Eerst vertrouwen, dat is de basis, de grond van het zich verheugen in Gods handelwijze. Wij moeten op de Heere vertrouwen. Indien wij niet menen dat Zijn soevereine wil, die al onze levens bestuurt, niet goed en wijs is, dan kunnen we ons inderdaad niet verlustigen in de Heere.

Indien in ons leven niet dat vertrouwen is, dat Gods weg met ons de beste weg is, de meest nuttige, de meest gepaste weg is om Zijn doel en glorie te bereiken en tot ons bestwil, nee, dan is er werkelijk geen verlustiging mogelijk. We kunnen ons niet in God verlustigen als wij niet op die soevereine, wijze, oneindig genadige God vertrouwen, met alles wat plaatsvindt in ons gezin, in onze familie of in wijdere kring, of welke omstandigheid ook.

Er is geen verheuging als wij niet vertrouwen op God. Hij vergist Zich niet als het de goddelozen wel gaat, als zij zich niet bekommeren om God en godsdienst en Hij al de verlangens van hun hart geeft. De Heere maakt geen vergissingen als de godvrezenden lijden.

Verlustiging kan er niet zijn indien wij niet vertrouwen dat de Heere elk onderdeel van ons levenspad volgens Zijn volmaakte plan en met een oneindige, heilige wijsheid heeft uitgedacht.

 

De basis van die verlustiging is vertrouwen op God, op Jehova. De Heere heeft in Zijn soevereine goedheid met wijsheid en liefde ieder detail van uw en mijn leven beschikt, hetzij smartelijk, hetzij vreugdevol; hetzij zuur, hetzij zoet. Het is de Heere, Die het gedaan heeft.

Jehova is te vertrouwen. Hij is getrouw en genadig. Wij zijn niet onderworpen aan de verzonnen afgoden van de heidenen, ook niet aan de tirannieke krachten van kwade machten. Wij zijn niet onderworpen aan het noodlot of aan wraakzuchtige demonen of magische krachten, waarvan mensen soms denken dat ze over ons heersen. O nee! Wij zijn onderworpen aan Jehova. Iedereen is in de handen van een betrouwenswaardig, getrouw God.

Indien dit vertrouwen niet gewerkt wordt in onze harten, dan is het onmogelijk om verder te gaan naar vers 4. Indien dat vertrouwen niet gevonden wordt in ons leven, dan zullen we murmureren en klagen. Dan zullen we ons verzetten en de Heere tegenstaan, in plaats van ons te verlustigen. O, zulk een vertrouwen komt van de Heere. Bid om dat vertrouwen in Hem, smeek erom!

 

Daar is zoveel vrede in, gemeente, als dat vertrouwen deel van uw leven mag zijn, als u al die onnaspeurlijke wegen van uw leven mag toe betrouwen aan het tedere hart van Jehova. Dan is het niet moeilijk meer om ons te verlustigen in Zijn handelen en onze toekomst aan Hem toe te vertrouwen.

Dat vertrouwend geloof, wat geeft dat een zekerheid in alle bekommernissen, zorgen en moeiten van dit leven! De Heere zegt in Zijn Woord: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid (Matth.6:33). En: Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen (Matth.6:34). Jehova regeert over morgen, over vandaag, over gisteren.

In dat vertrouwen mocht Paulus zeggen: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. O, hij wist het, toen hij neergeslagen werd, toen hij in de gevangenis werd geworpen, toen hij in de diepte verkeerde, toen hij dikwijls nabij de dood was, beproefd en gekweld zijn leven lang: de Heere heeft er wetenschap van, ik kan vertrouwen op mijn God.

Vertrouwen is de basis van ons verlustigen in Jehova. Laten we nu letten in de tweede gedachte op:

 

2. De beoefening van dit zich verlustigen

 

In het Hebreeuws wordt het woord ‘verlustiging’ uitgedrukt als een verdiept, intens verblijden. Dat wordt beoefend door een teer overdenken, een mediteren over God. Als wij ons over iets verblijden, dan denken wij daaraan. Zo zingt de dichter van Psalm 111:

 

Des Heeren werken zijn zeer groot;

wie ooit daarin zijn lust genoot,

doorzoekt die ijverig en bestendig.

 

Gemeente, wij worden geroepen om te mediteren over de Heere. In de eerste plaats over Zijn glorievol Wezen, over Zijn Persoon, over Jehova Zelf. Wie is Hij? Wij worden geroepen om in de Schriften na te speuren Wie Hij is en hoe Hij Zich openbaart. En zo zouden we dat diepgaande, dat alles omvattende zich verlustigen in de Heere kunnen ontvangen, waar de wereld niet van af weet.

Zo kon Paulus toch zeggen: ‘Ik ben vergenoegd, zelfs al ben ik hier in de gevangenis, stervend in een vergeten hoek, straks ter dood gebracht.’ Zo kon hij zich ook verlustigen in de Heere, zoals David hier spreekt. En het is mogelijk.

 

O, het is zo goed, Zijn namen, de namen van Jehova na te speuren. Er zijn geloof ik wel meer dan tweehonderd namen in de Bijbel, die God beschrijven. En elk van deze namen toont ons een verschillend aspect van Jehova. Elke naam openbaart ons een andere zijde van die oneindige God, Die ons leven bestuurt.

En gemeente, we moeten over die namen mediteren, nadenken. Wonderlijk, dat is één van Zijn namen. Raad en Sterke God, weer zulke kostelijk namen. Vader der eeuwigheid, die Vadernaam is zo dierbaar. Als u een goede vader in het leven hebt of gehad hebt, dan weet u wat een vader betekent. Maar Hij is meer, Hij is Vader der eeuwigheid. Hij is ook de Vredevorst. O, er is geen eind aan. Dan moet David wel zingen: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! (Ps.8:2)

Werkelijk het is zo’n gezegend mediteren over al Gods verschillende namen.

 

Verlustig u in de Heere heeft ook betrekking op Zijn verschillende eigenschappen. Daar is Zijn soevereiniteit. Dat is niet iets om bang voor te zijn. Door velen wordt dit gezien als een harde handeling van God, Die doet wat Hem behaagt. O, mensen, dan heeft u nooit ervaren de rust en overgave die ontvangen kan worden door te mediteren over Gods soevereiniteit. Ik hoop dat u thuis in uw binnenkamer Zijn soevereiniteit na wil speuren in de Schrift. Het is zo’n troost te weten dat niets wat er gebeurd is in ons leven of gebeuren zal, buiten Zijn soevereiniteit om gaat.

Een andere kostbare eigenschap is Zijn wijsheid. Denk aan de wijsheid waarmee God de aarde gemaakt heeft, de hele natuur ingericht heeft. Dit alleen al is een wondervolle studie, waarin Hij Zich openbaart als zulk een wijze God. En zo ervoer ook Paulus het, toen hij terugdacht over zijn leven met al zijn hoogtepunten en dieptepunten, met al zijn moeiten en beproevingen, maar ook met zijn vreugden. Terugziend mag hij daarover licht ontvangen en Gods wijsheid zien. Ja, en straks in de eeuwigheid zal het verlustigen, dat hier begonnen is, nooit meer eindigen. Dan zullen al Gods kinderen zich verheugen in het beschouwen van Zijn machtige werken, wondervolle wegen, majesteitelijke glorie en Zijn oneindige genade en gerechtigheid.

 

Verlustig u in de Heere is ook: in Zijn macht, in Zijn almacht, die wonderbare eigenschap. Dat is ook in Gods genade, in Zijn goedertierenheid. Mediteer ook over Zijn nimmer aflatende zorg over allerlei dagelijkse voorzieningen.

Gemeente, jongens en meisjes, daar zijn zoveel bemoeienissen, waar die almachtige en wijze God ons leven mee omringt. Dag aan dag geeft Hij ons voedsel en drinken. Hij geeft ons door Zijn goedheid op geregelde tijden regen en zonneschijn. Hij geeft ons liefde en vriendschap. Hij geeft ons het vermogen om te denken en te handelen. O, wat is het dan goed om ons te verheugen in de machtige werken van Jehova.

 

Zulk een onzelfzuchtig verheugen is een hoge trap in de genade. Paulus mocht zich verheugen. En dan moeten we niet eindigen in Paulus door te zeggen: ‘O, wat was Paulus toch een bijzondere man!’ Nee, we moeten zeggen: ‘Wat een genade kan de Heere geven!’ De conclusie van Paulus, Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben, zegt niets over hem, maar over de God van Paulus. Over Jehova Die zijn leven leidde.

Zulk een kennis en inzicht zal licht geven in de donkerste dagen van uw leven, in de moeilijke beproevingsvolle omstandigheden waarin u zich bevindt, gemeente. Dit kennen van de Heere, van Zijn Wezen, is een onverklaarbare blijdschap. Het is een ware zee van verlustiging, waarbij je nooit tot de bodem komt van het verheugen in Zijn wezen, in Zijn namen en eigenschappen.

O, wat een dierbare genade is het zich verheugen in Jehova. Het is zo tegengesteld aan de genoegens van de wereld. Natuurlijk, ook de wereldlingen hebben hun vreugden. Zij dromen van koninkrijken, van welvaart, voorspoedige wegen om over te gaan, meer gunstige omstandigheden. Zij zijn verheugd als alles goed gaat, als hun hartenwens vervuld wordt, als ze het goede lot in de loterij getrokken hebben. O ja, ze hebben het gemaakt. Dat zullen ze je vertellen. Ach, we moeten maar niet zo jaloers zijn op die verheuging, daar komt een eind aan. Maar het verheugen in de Heere eindigt nooit, dat gaat dieper, steeds dieper, hoe verder Gods Kerk komt.

 

Gemeente, het zich verlustigen in de Heere is iets dat beoefend moet worden. Weet u hoe? In de eenzaamheid, in de rust, in een biddend zich terugtrekken om Gods Woord te onderzoeken. Want waarom gaf de Heere ons de Bijbel? Dat hebben we al geleerd op de catechisatie. In de natuur openbaart de Heere Zich ook, maar meer bijzonder in de Bijbel. Dus we moeten in de eenzaamheid de Schrift biddend onderzoeken om de Heere te leren kennen.

Ook in de natuur kunnen we ons in de Heere verlustigen. Zoals David zingt: De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk (Ps.19:2). Een mens kan zich zo verheugen in de werken Gods als hij verkeert in de rust en de schoonheid van de natuur.

Maar het kan zeker ook beoefend worden in de gemeenschap der heiligen, als ze Gods wondervolle wegen naspeuren en spreken over Gods handelen.

Het beoefenen van dit zich verlustigen is dus in de eerste plaats mediteren, overdenken.

 

Maar er is nog een andere weg in de beoefening van dit zich verlustigen. Dat is leven in gehoorzaamheid aan God. Gehoorzaamheid aan de Heere is niets anders dan zich verlustigen in Zijn heiligheid. Het is de Heere vertrouwen en Zijn geboden bewaren en die doen. Dat zich verheugen in Gods heiligheid is nu het diepe geheim van een gelukkig leven. De zonde uitbannen, dicht bij de Heere leven, wandelen, voortgaan op die smalle weg, dat is waar geluk, dat is het geheim van de godvrezenden.

De wereldling denkt: Wat is dat toch een bekrompen leven, zo strikt, zo nauwgezet. Dít kunnen ze niet doen, en dát mogen ze niet… Maar, gemeente, zij kennen niet dat geheim van het zich verheugen in het wandelen naar Gods heilige geboden. En dat is nu juist het enige gelukkige leven in deze wereld. En waarom? Omdat de Heere bij hen wil wonen. Hij ziet op de arme en verslagene van geest en die voor Zijn woord beeft. Op hen die een heilig ontzag hebben voor Zijn heiligheid.

Deze verheuging moet men werkelijk ervaren hebben om te begrijpen wat ze inhoudt. Zoals iemand schreef: ‘Te leven in de vreze des Heeren is in feite de grootste blijdschap en vreugde die iemand hebben kan.’

 

Maar misschien denkt iemand: Hoe zit dat dan met die grote ellende waarin Jozef terecht is gekomen toen hij zo nauwgezet was geweest in het houden van Gods geboden? Als hij had toegegeven aan de verleiding tot overspel met Potifars vrouw, dan zou hij niet in de gevangenis terecht zijn gekomen. Ja, dat is zo. Maar vergeet niet dat Jozef meer verheuging in de gevangenis heeft gehad dan in het huis van Potifars vrouw. En dat is nu het geheim van heilig leven. Zelfs als de wereld aanvalt, als het leidt tot vervolging, verachting, zelfs als het vele vijanden meebrengt, dan is er toch verlustiging in een heilig leven voor Gods aangezicht.

O gemeente, zulk een gehoorzaamheid, die voortvloeit uit het zich verlustigen in Jehova’s heilig wezen, is een vrucht van de Geest. Het is een zaaien in de Geest, waarvan Paulus schrijft aan de Galaten: Maar die in de Geest zaait zal uit de Geest het eeuwige leven maaien (Gal.6:8).

 

Vertrouw op de Heere en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid (Ps.37:3), schreef David. Het zal zo’n gezegend leven zijn, als we niet meer onze blijdschap zoeken in de welvaart van de wereld, in een betere baan, in een hogere uitkering, in meer en groter succes. Want zelfs als u dit seizoen met meer geld op uw bankrekening zou afsluiten, dan hebt u toch niet het ware geluk bereikt. Maar als u dan zou moeten zeggen: ‘Het enige wat mij overgebleven is, is een korst brood’, luister dan wat David zegt: Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen (Ps.37:16).

Kom, gemeente, streef niet naar de eer en de goederen van deze wereld, want die zullen nooit ware voldoening geven. Verlustig u in de Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. Dat is de ware voldoening!

Laten we nu eerst zingen uit Psalm 19 de verzen 5 en 7:

 

Des Heeren vrees is rein;
Zij opent een fontein
Van heil, dat nooit vergaat.
Zijn dierb’re leer verspreidt
Een straal van billijkheid,
Daar z’ all’ onwaarheid haat.
Z’ is ‘t mensdom meerder waard,
Dan ‘t fijnste goud op aard’;
Niets kan haar glans verdoven;
Zij streeft in heilzaam zoet,
Tot streling van ‘t gemoed,
De honig ver te boven.

 

Weerhoud, o Heer’, Uw knecht,
Dat hij zijn hart niet hecht,
Aan dwaze hovaardij.
Heerst die in mij niet meer,
Dan leef ik tot Uw eer,
Van grote zonden vrij.
Laat U mijn tong en mond,
En ‘s harten diepsten grond,
Toch welbehaaglijk wezen.
O Heer’, die mij verblijdt,
Mijn rots en losser zijt,
Dan heb ik niets te vrezen.

 

3. De vruchten van dit zich verlustigen

 

Zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. Alles in de Bijbel is dikwijls zo anders dan wij redeneren. Er staat hier niet: De Heere zal u uw verlangens geven en verlustig u daarom in Hem. Zo zouden we graag de Heere willen dienen; voorwaardelijk. Nee, Gods Geest zegt hier: ‘Verlustig u eerst, onvoorwaardelijk, in Jehova, en dan zal Hij u de begeerten uws harten geven.’

Hoe moeten wij nu dit laatste verstaan? Zal de Heere alles geven wat het hart verlangt en wenst? Hij zal u geven de begeerten van uw hart. Er is geen beperking. Er staat hier niet dat Hij sommige of bijna alle begeerten zal geven, maar: ‘Ik zal u de begeerten uws harten geven.’ Onbeperkt dus. En Jehova liegt niet. Hij heeft dat nooit gedaan en zal het ook nooit doen. Wat Hij hier zegt is volkomen waar.

 

Maar is dat wel goed voor ons, als de Heere ons steeds geeft wat ons hart begeert? Is dat eigenlijk niet verkeerd? Dat doen wij toch ook niet bij onze kinderen? Hoe moeten we dit nu verstaan, gemeente? Ja, de Heere zal die hartsbegeerten geven. Ziet u, zij die zich oprecht verheugen in Jehova, in Zijn wezen, in Zijn wetten, in Zijn openbaring, zij hebben ook begeerten, namelijk die welke dienen tot Gods glorie!

Wat zijn dan hun begeerten? Verlangen zij naar een voorspoedige reis door dit leven? Wensen zij een leven hier, waar alles gemakkelijk gaat, een leven zonder moeite? Nee, dat is niet de begeerte van hun hart. Maar wat dan wel? Laat ons eens zien naar enkele begeerten van hen die zich oprecht verlustigen in Jehova.

 

Hun eerste verlangen is: Hem beter te kennen. Denkt u maar aan Mozes; hij was werkelijk iemand die zich verlustigde in Jehova. En wat was zijn verzoek? Hij zei: ‘Heere, Gij hebt mij zoveel goeds doen zien. Toon mij nu Uw heerlijkheid (Ex. 33:18).’ Verkreeg hij die wens? Ja. De Heere sprak: ‘Mozes, Ik kan u niet al Mijn heerlijkheid doen zien, geen mens kan die aanschouwen; Ik zal u in een kloof der steenrots plaatsen, dan zal Ik u voorbijgaan en Mijn naam u verkondigen.’

Mozes begeerde de Heere beter te leren kennen. En werkelijk, gemeente, als u zich oprecht verheugt in de Heere, dan is er dat verlangen Hem beter te leren kennen en Zijn heerlijkheid te aanschouwen. En dat begeren zal vervuld worden, hier in dit leven meer en meer, tot de volkomen vervulling in de eeuwigheid. Er zal een dag komen dat de godzaligen de Heere van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Zo zong David: Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen (Ps.17:15). Dat was zijn begeerte en hij heeft die ontvangen.

 

Een ander verlangen van de godzaligen is om meer gelijkvormig te zijn aan de Heere: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende (Filipp.3:10). Zij die zich verdiepen in de eigenschappen van de Heere, beschouwen tegelijkertijd hun eigen karakter, en daarmee komen ze heel, heel negatief uit. Zij kunnen zich in niets meer verblijden en hun verlangen is: ‘Heere, mag ik U meer gelijkvormig worden?’ En dat verlangen zal vervuld worden.

 

Zij verlangen ook dat hun leven mag dienen tot vermeerdering van Gods glorie. Zij verlangen, gemeente, om van dat lichaam des doods, dat hen altijd en telkens weer hindert, verlost te worden. Zij wensen in de weg van Gods geboden te lopen met hun gehele hart, hun gehele geest, en met al hun gedachten. Maar ach, wat een tekorten.

Maar hoor dan eens naar die rijke belofte, die de Heere bij monde van Jesaja sprak: Die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes.40:31). In het Hebreeuws staat: veranderen in kracht. Eenmaal zal dat verlangen volledig vervuld worden. Dan zullen zij de overwinning behalen. Dan behoeven zij dat lichaam der zonde niet meer om te dragen.

 

In de vierde plaats zullen zij die zich oprecht verlustigen in de Heere, verlangen om meer onderworpen te zijn. Zij verlangen om Zijn soevereiniteit te aanbidden, zonder Zijn wijsheid te betwisten, zonder murmureren en opstandige gedachten, die zo dikwijls de geest zelfs van de meest godzaligen verduisteren.

Daar worstelde ook David mee, anders had hij deze psalm niet geschreven. Hij zag het de goddelozen welgaan, maar zijn eigen leven werd getekend door tegenslag en verzet. Hij was het er niet mee eens, hij leefde in opstand. Daarom waarschuwt hij in vers 8: Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid, ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen. Het is de wens van Gods Kerk om onderworpen te zijn aan de soevereine leiding van de Heere. En ook dat verlangen zal eenmaal ten volle vervuld worden.

Er zijn wel eens tijden dat Gods kinderen het eens zijn met Gods handelen, maar het zijn soms maar ogenblikken. Ik herinner mij de geschiedenis van een kind van God, wier leven getekend was door vele tegenheden. Zij zei tot haar kinderen: ‘Ik heb in mijn slaapkamerkast een kleine fles staan. Elke keer als ik oprecht onderworpen was aan Gods handelen in mijn leven heb ik een knikker in die fles gedaan. En als ik sterf mogen jullie de knikkers in die fles tellen.’ Zij stierf en de kinderen telden nieuwsgierig de knikkers. Het waren er twee. Tweemaal heeft zij oprecht mogen zeggen: ‘Amen.’ Maar wat mag ze nu doen? Zonder ophouden mag ze zeggen: ‘Amen, amen!’ Ze heeft haar wens verkregen om volledig onderworpen te zijn aan Gods wijs en soeverein beleid.

 

Zij die zich in God verheugen, verlangen ook om meer vertrouwen te hebben. Niet meer de Heere te bedroeven door aan Zijn beloften te twijfelen. En ook die wens zal eenmaal vervuld worden. Dan zullen zij al Zijn wegen aanbidden.

 

Zij verlangen ook om meer gehoorzaam te zijn. Om alles te doen wat God behaagt. Het is hun grootste verlangen, maar ook hun grootste strijd. Zij verlangen meer standvastig te zijn, minder zelfzuchtig, meer heilig te leven, meer in Zijn wegen te wandelen. Ook die wensen zullen eens ten volle verkregen worden. Want het is toch waar: Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden (Ps.130:8).

 

En ten slotte (er zijn meer verlangens, maar laat dit voldoende zijn) wensen zij meer dankbaar te zijn voor alles wat de Heere in hun leven gegeven heeft, zelfs voor de kleinste dingen. Maar ach, zij vinden zich dikwijls zo ondankbaar. En toch, ook deze begeerte zal eenmaal vervuld worden. Dan zal hun ziel zijn als een fontein vol water en dan zullen zij voor eeuwig God danken.

 

Verlustig u in de Heere. Dat is een kostelijke geloofsoefening, die alleen de Heilige Geest u kan schenken. Bid daar om.

 

Gemeente, jongens en meisjes, wij hebben allemaal zo onze verlangens. En nu rest ons nog een vraag, waarmee we moeten eindigen voor we naar huis gaan. Wat is uw verlangen? Wat is jouw begeerte? Is uw verlangen in Jehova?

U vraagt wellicht: ‘Hoe kan ik dat weten?’ Dat kunt u hieraan weten: als het uw grootste ellende is God te missen en als het uw grootste doel is God te zoeken. Maar dan zult u ook alle middelen daartoe gebruiken. Dan wordt God te bedroeven uw grootste last, en God te vergeten uw grootste smart. Maar dan wordt God te vinden ook uw grootste vreugde! Dit zijn een paar kenmerken, waaraan u kan weten of u verlangt u in God te verlustigen.

En zijn onze verlangens nu op onszelf of op God gericht? Hoe kunnen wij dat weten? Indien zij op God gericht zijn, dan verlangen wij niet alleen naar Zijn weldaden, maar nog meer naar Zijn gemeenschap dan naar Zijn weldaden. Dan zoekt u meer naar heiligheid dan naar troost. U bent meer bedroefd over de zonden, dan over de gevolgen van de zonden, en u bidt meer: Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde, in plaats van voor uw eigen naam te

strijden, in plaats van uw eigen wil en begeerten na te streven.

Wanneer onze verlangens op God gericht zijn, verwelkomen wij meer Gods vaderlijke kastijdingen, want dan weten we dat die ons toegezonden worden tot ons welzijn, om ons meer te doen delen in Zijn heiligheid.

En tenslotte: we verlangen meer om Hem te behagen dan door Hem behaagd te worden.

 

Verlustig u in de Heere, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 37: 2 en 20

 

Stel op de Heer’ in alles uw betrouwen;

Betracht uw plicht; bewoon het aardrijk; leer

Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen;

Verlustig u met blijdschap in de Heer’;

Dan zal Hij u in liefd’ en gunst aanschouwen,

U schenken, wat uw hart van Hem begeer’.

 

Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen,

Vloeit af van God, hun sterkt’, als d’ angst hen knelt.

Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen;

Des Heeren hulp bevrijdt hen voor ‘t geweld

Van ’t godd’loos rot; Hij komt hem gunstig tegen,

Die op Zijn macht een vast vertrouwen stelt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 22)