Ds. H. Paul - Hosea 10 : 12

Een dringende oproep tot wederkeer

Hosea 10
De inhoud van deze oproep
De tijd van deze oproep
De vrucht van deze oproep
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 26)

Hosea 10 : 12

Hosea 10
12
Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 78: 1, 3
Lezen : Hosea 10
Zingen : Psalm 119: 69, 78, 83
Zingen : Psalm 68: 5
Zingen : Psalm 138: 3, 4

Gemeente, de tekst voor de dienst op deze biddag kunt u vinden in het Schriftgedeelte dat u is voorgelezen, Hosea 10, en daarvan het twaalfde vers. We lezen daar:

 

Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is de Heere te zoeken, totdat Hij kome en over u de gerechtigheid regene.

 

Deze tekst spreekt ons van: Een dringende oproep tot wederkeer.

 

We bezien deze oproep:

1. In haar inhoud

2. In haar tijd

3. In haar vrucht

 

1. De inhoud van deze oproep

 

Onze tekst is uit de profetie van Hosea. Hij profeteerde in hoofdzaak tot het tienstammenrijk. Meer dan zestig jaar sprak hij tot dit afkerige volk Israël, vooral in de dagen van koning Jerobeam de Tweede. Hij riep het volk op tot terugkeer naar de Heere. Díe had recht op hun leven en op de liefde van hun hart. Hij had zich immers aan hen verbonden om hun God te zijn en het volk had beloofd Hem te zullen liefhebben en Hem alleen te dienen, Hem toe te behoren. Het werd een huwelijksverbond genoemd.

In zijn huwelijk met Gomer moest Hosea deze verbondsrelatie tussen God en Israël uitbeelden. Maar Israël had dit huwelijk verbroken en diende de gouden kalveren te Bethel en Dan.

Daarbij kwam nog de afgodendienst van de Baäl. Er was onder koning Jerobeam wel grote uitwendige voorspoed, maar het volk keerde met de zegeningen niet naar de Heere terug. Het schreef deze welvaart toe aan haar afgoden. Rijke offers werden wel te Dan en Bethel gebracht, maar ze konden de Heere niet behagen. We lezen daarvan in vers 1: Israël is een uitgeledigde wijnstok; hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt. Dat weeldeleven beviel Israël goed.

We lezen in vers 11: Dewijl Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. Israël wordt vergeleken bij een vaars, een jonge koe, die afgericht was om te dorsen. Dat behoorde tot het lichtere werk dat runderen moesten verrichten. Zo’n dorsende vaars behoefde niet zulk zwaar werk te doen als een ploegende os. Het droeg geen zwaar juk op de schouders en kon daarbij ook nog naar hartenlust eten. Want een dier dat bij het dorsen gebruikt werd, mocht niet gemuilkorfd worden. Het was eigenlijk een aangename taak. Dat werk werd gewillig volbracht.

Efraïm was een vaars, gaarne gewend te dorsen. Die welvaart onder koning Jerobeam stond Israël wel aan. Ze was boven de armoede van het verleden uitgegroeid. Denk aan de overheersing onder de Syriërs. Toen werden ze als slaven behandeld. Maar nu waren ze tot zelfstandigheid en welvaart gekomen. Dat beviel Israël goed. Met een zwaarder juk had Israël niets op. Aan de ploeg wilden ze niet wennen. De dienst van de Heere was voor hen een zwaar juk. Ze waren onwillig Zijn juk te dragen. Ze wilden Hem dienen naar hun eigen inzichten.

Calvijn vergelijkt het met de geveinsden: ‘Zij verwerpen niet geheel en al de waarheid van Gods Woord, maar nemen het slechts ten dele aan. Zij nemen alleen aan wat hun aanstaat. Zij willen dat de Heere niet meer van hen eist dan zij zelf wel goed vinden.’

 

De profeet tekent dus de tweeslachtigheid van het volk in het dienen van de Heere. Ze wendden wel vóór Hem te dienen, maar waren onwillig Zijn juk te dragen. Ze wilden wel dorsen, maar niet ploegen. Dat juk was te zwaar. Bepaalde dingen namen ze waar, maar andere lieten ze liggen.

Dat geslacht is nog niet uitgestorven. We kennen het ook nu nog. Enkele facetten van de christelijke godsdienst wil men wel handhaven, bijvoorbeeld het laten dopen van de kinderen. Maar een trouwe kerkgang, het buigen voor Zijn Woord in alle levensverbanden, het vreemdelingschap op aarde beoefenen, dat wil men niet aanvaarden. Het gaat echter niet om hetgeen wij denken dat goed is, maar om wat de Heere wil dat wij doen zullen.

 

De gevolgen blijven bij Israël dan ook niet uit. Op de weelderige schouders zal een juk worden gelegd. Dat doet de Heere niet omdat Hij lust heeft tot slaan of plagen. Maar omdat de vaars, die zo graag dorst, haar Bezitter niet meer erkent en de kribbe van haar Heere vergeet.

Voor het geestelijk welzijn moet de tijdelijke welvaart wijken. Want wie zijn leven zal zoeken te behouden, zal het verliezen. Israël wordt getrouw gewaarschuwd voor de komende kastijding. In vers 10 lezen we: Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren. Dit staat hun te wachten als ze in de zonden volharden. Dit staat hun te wachten als ze de twee kalveren, die hier ‘de twee voren’ genoemd worden, blijven dienen. Deze twee kalveren zijn de symbolen van hun ongerechtigheid.

 

Wat toen gold, geldt ook nu nog, in onze tijd. De Heere is geen ledig aanschouwer. De zonde wordt in ons land en door ons volk steeds bruter bedreven. De normloosheid en de zedeloosheid nemen toe. De Heere is rechtvaardig, als Hij onze zonde bezoekt. Laten we bedenken wat tot onze vrede dient, gemeente. De Heere roept nog op tot bekering en verootmoediging, ook op een biddag. Biddagen waren vanouds dagen van oproep tot boete en bekering. De Heere roept ons vandaag op om niet te hinken op twee gedachten, maar ons te wenden tot Hem.

 

Zo lezen we in onze tekst: Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is de Heere te zoeken, totdat Hij kome en over u de gerechtigheid regene.

De profeet gebruikt hier een beeld dat aan de landbouw is ontleend. Het zaaien is noodzakelijk om te kunnen maaien. Ieder die zaait geeft met grote nauwkeurigheid acht op wát hij zaait en hóe hij zaait. Voor ieder mens en voor ieder volk geldt: Wat hij zaait, zal hij ook maaien. Als we zonde zaaien, zullen we verderf maaien. Wie gerechtigheid zaait, zal verlossing maaien. Wie wind zaait, zal storm oogsten.

 

De profeet vermaant: Zaait u tot gerechtigheid. Het was nog zaaitijd. Wat bedoelt de profeet met het ‘tot gerechtigheid zaaien’? Daarmee wordt bedoeld: zich van de zonde afkeren, Gods Woord en Zijn geboden tot leidraad voor het handelen en leven nemen. Het woord ‘gerechtigheid’ betekent hier: wat overeenkomt met Gods Woord en wet. Dat is de norm voor het handelen. Straks horen we nog van een andere betekenis.

 

Het tweede beeld is ook duidelijk: Maait u tot weldadigheid. Ook hier komt Israël voor als een landbouwer die zijn werk verricht op het land; eerst als zaaier en dan als maaier. Met die woorden wordt het werk van de bekering bedoeld. Zich bekeren is niet alleen een terugkeer tot de Heere en een zich afkeren van de zonde, maar het behoort gepaard te gaan met de juiste gesteldheid van het hart. Denk aan de verloren zoon. Die keerde terug met innerlijk berouw.

Met de bekering behoort gerechtigheid en weldadigheid gepaard te gaan. Dat houdt in: in liefde buigen voor Gods Woord en Hem trouw bewijzen. Daar ontbrak het bij Efraïm aan.

 

In hoofdstuk 4 vers 1 lezen we: Hoort des Heeren woord, gij kinderen Israëls, want de Heere heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw en geen weldadigheid en geen kennis van God in het land is. De Heere moet over het volk klagen. Hij heeft een twist met het volk. De Heere vraagt trouwe liefde. Trouweloosheid is liefdeloosheid. De diepste bron ervan is dat er geen kennis is van God. Waar ware kennis van God is, is er een verlangen in gerechtigheid en weldadigheid voor Hem te leven. Maar van Israël gold wat we in hoofdstuk 6 vers 4 lezen: Wat zal Ik u doen, o Efraïm? Wat zal Ik u doen, o Juda, dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk en als een vroegkomende dauw, die henengaat?

Nu vraagt de Heere bekering tot Hem. Dan is er een terugkeer met ootmoed en berouw. Maar ook met liefde. De Heere roept er toe op. Wat een arbeid heeft Hij aan Israël besteed door middel van Zijn profeten. Maar wat een werk besteedt Hij ook aan ons en aan ons volk. De Heere heeft hier Zijn kerk geplant. Hij heeft predikanten gegeven, die als heldere sterren hebben geschenen aan het firmament van de Nederlandse kerk. Wat is er nog van overgebleven? Waar is de kennis van Gods Woord? In grote gebieden van ons land ontbreekt de ware kennis van Zijn Woord en onze belijdenis. Het is nodig die te verkrijgen en te behouden. Dat geldt ook onze jeugd op de catechisaties. Jongens en meisjes, jullie zijn door de Heere apart gezet. De Heere waarschuwt ons en ook jullie: ‘Mijn volk gaat verloren, omdat het geen kennis heeft.’

 

Ook tegen Zijn kinderen zegt de Heere in de brief aan de gemeente van Efeze: Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten (Openb.2:4). Dat bedroeft de Heere en ook Zijn Geest. Veel kan Hij in Zijn gemeente verdragen, maar niet dat zij Hem haar liefde onthoudt. Denk aan Hooglied 5, waar de bruid op haar bed blijft liggen in haar verlangen naar rust, terwijl de Bruidegom op de deur klopt. Maar zij doet Hem niet open. De Bruidegom gaat dan weer weg. Ook Jeremia waarschuwt: Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde van uw ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land (Jer.2:2).

Het was de liefde waardoor zij zo nauw aan de Heere verbonden was: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! (Ps.18:2) Die liefde werd geboren in het uur toen de Heere Zich over haar ontfermde. Wie zich als een verlorene in zichzelf kent en vrede bij God mag vinden, weet van die liefde. Het rusten op verkregen zegeningen en het verlaten van de Heere brengt schuld met zich mee.

Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid. Het betekent: bekeert u tot God, heb Hem hartelijk lief!

 

Het derde beeld dat de Heere gebruikt om de noodzakelijke en ware levensvernieuwing uit te drukken, is ook aan de landbouw ontleend: Braakt u een braakland. Onder Israël was het een voorschrift dat het land om de zeven jaren braak moest blijven liggen. Het land moest dan rust hebben. Het mocht in dat jaar niet opnieuw bezaaid worden, anders raakten de voedingsstoffen uitgeput. Tegenwoordig worden met de kunstmest de nodige voedingsstoffen ieder jaar aangebracht, zodat de bodem niet uitgeput raakt. Vroeger was dat er niet.

Maar die rust betekende niet dat het land dan niet bewerkt moest worden. Er moest juist veel aandacht aan besteed worden, anders zou het spoedig één veld onkruid worden. De zaden van allerlei onkruid zitten namelijk in de bodem. Die zouden spoedig uitlopen en opschieten. We zien daarin de gevolgen van de zondeval. Zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen van uw leven. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen (Gen.3:17-18).

 

Met zo’n akker vergelijkt de Heere nu het volk Israël van die dagen. Allerlei zonden staken de kop op. Laten we daar niet verwonderd over zijn. Het geldt ons eveneens, dat de zaden van allerlei boosheid in ons hart zijn. De akker van ons hart is als een verwilderd braakland. Daar komt alleen maar een oogst van distels van. Zo was het ook bij Israël. In vers 13 lezen we: Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht van de leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.

Ook de akker van ons hart wettigt geen hoop op goede vrucht. Hebben we de ernstige waarheid ervan reeds met smart leren beamen, gemeente? De akker geeft het onkruid van allerlei zonden op. Calvijn noemt ons hart een werkplaats van allerlei afgoden. Wij zijn vol van begeerten naar genoegens van deze wereld. Allerwege is het een braakland. Misschien willen we wel enkele van de meest stekelige doornen wegnemen. Dat geldt persoonlijk en ook maatschappelijk. Dan moet de akker maar weer zaaiklaar zijn voor het komende jaar. Enkele excessen, zoals de toenemende misdaad, moeten teruggedrongen worden; het aantal inbraken moet verminderen. Zo wil men de breuk op het lichtst helen.

Men wil waarden en normen nastreven, maar de menselijke vrijheid moet gehandhaafd blijven. Dat blijkt uit het toelaten van het homohuwelijk, uit het plegen van euthanasie en abortus. Zelfs euthanasie op baby’s met een open ruggetje moet mogelijk zijn. De vrijheid die men wil blijkt uit het openhouden van de winkels op zondag en uit het opheffen van het bordeelverbod. De zonde wordt niet meer als zonde gezien en erkend en daardoor ook niet gemeden en bestraft. De oplossing wordt niet daar gezocht en gevonden waar de oorzaak ligt, namelijk het verlaten van Gods geboden.

 

Wat in het groot in de maatschappij nodig is, is ook in de gezinnen nodig. Wat wordt er in onze gezinnen binnengehaald: zogenaamd neutrale kranten, allerlei lectuur. Wat komt er via internet binnen? De teugels van het gezag hangen slap en voor de lieve vrede wordt toegestaan wat niet zou mogen.

In het persoonlijk leven kan wel eens wat verontrusting zijn dat het zo niet goed gaat. Bepaalde zonden worden wel nagelaten, maar het komt niet tot een doorbraak. Uit de gelijkenis van het zaad weten we hoeveel goed zaad er verloren kan gaan. De enige remedie is wat Gods Woord ons voorhoudt: Braakt ulieden een braakland!

 

Braken is het bewerken met een braakploeg. Die werkt de aarde om, waardoor de gehele bovenste laag met onkruid omgekeerd wordt. Het onkruid verdwijnt en de zwarte aarde komt boven. Zo worden de wortels van het onkruid afgesneden. Dat moet herhaald worden, anders komt er spoedig weer nieuw onkruid te voorschijn. Zoveel zaden van onkruid en diepe wortels zitten er in de aarde.

Ook Jeremia waarschuwt het volk van Juda: Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen (Jer.4:3). Vóór het opnieuw bezaaid wordt, dient het land grondig van onkruid te worden gezuiverd. Anders zal dit onkruid het goede zaad verstikken en verhinderen vrucht voort te brengen. Denk aan de gelijkenis van het zaad, die de Heere Jezus heeft uitgesproken.

 

Zoals het op de akker toegaat, zo moest het ook bij Israël. Maar zo moet het ook in Nederland, bij ons volk en bij onszelf. Er wordt misschien wel wat gewied om de akker nog een behoorlijk aanzien te geven. Maar de ploegschaar van Gods Woord moet er eens goed door, anders wordt er weer te gauw gezaaid. Dan zien we allerlei onkruid over het hoofd of beseffen we niet hoeveel wortels er nog blijven zitten. En die verstikken het goede zaad.

Het ontdekkend werk van de Heilige Geest laat ons zien hoeveel ongerechtigheid er in ons leeft en om ons heen leeft. De zonde moet gekend worden in het rechte licht. Daar gebruikt de Heere Zijn wet voor; die moet ons telkens weer voor ogen gesteld worden.

In vraag 115 van onze catechismus lezen we: ‘Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?’ Het antwoord is: ‘Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen en des te begeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.’

 

Laat dit echter duidelijk zijn: het ploegen is geen doel op zichzelf. Uiteindelijk moet de akker zaaiklaar gemaakt worden. Alleen de wet voorhouden geeft wettische mensen, die in hun doen en laten de grond voor de eeuwigheid zoeken. Nee, het doel is aan Christus toe te behoren, Die ons in het Evangelie gepredikt wordt als de enige Weg tot God. Zonder zaaien kan er van oogsten geen sprake zijn. Het oogsten is het doel! Maar daarom is het ploegen wel eerst noodzakelijk; het is een belangrijk werk.

De weg der ontdekking gaat door de diepte van de zondekennis heen. Doornen en distelen van allerlei zonde en werelddienst, moeten tot in de wortel getroffen en afgesneden worden. Er kan mooi bloeiend onkruid zijn. Distels hebben vaak ook mooie bloemen, maar ze blijven uiterst schadelijk. Ze moeten tot in de wortel worden aangetast. Dat braken van het braakland doet dan ook pijn. De aarde wordt opengelegd, de voren worden lang en diep getrokken. De planten die op onze akker groeien, worden getroffen in hun teerste en diepste vezels. De akker van ons hart wordt gescheurd en opengelegd naar God toe. Zo leren we ons eigen leven verliezen en vragen: ‘Wat wilt Gij, Heere, dat Ik doen zal?’

Toch is dit alles zo noodzakelijk, gemeente. De Heere Zelf geeft door de profeet deze opdracht. Een oppervlakkige bekering die niet ons hele leven omzet, is niet naar Gods Woord. Al blijft er verschil in de leiding die de Heere met ons houdt – dat hangt soms samen met ons karakter en ons vorige leven – maar bij een ieder moet de oude mens sterven. Van ons uit is dat onmogelijk, maar niet bij de Heere. Dan wordt wel geleerd dat de wortels dieper zitten dan we dachten. Voortgaande ontdekking blijft nodig. Anders wordt misschien gedacht dat we bepaalde zonden al de baas zijn, maar toch blijken ze hun kop weer op te kunnen steken. De Heere weet hoe diep de ploegschaar er door moet. Hij weet wat voor ieder persoonlijk nodig is, zodat de zonde niet meer over ons heerst.

 

Het doel blijft dat de aarde ontvankelijk gemaakt wordt voor het goede zaad, zodat het niet wordt verstikt, maar vrucht voortbrengt tot eer van God. De heilige eis dient omgezet te worden in een gebed. Waar die eis door de Heere op het hart gebonden wordt, komen er werkzaamheden. Dan is er gebed of de Heere het hart wil toebereiden en het zaad niet zal vallen waar het verstikt wordt. Daar maakt de Heere ons oprecht en is er vrees voor zelfbedrog. Dan leeft het verlangen dat de Heere zal zeggen: ‘Ik zal maken dat uw werk in der waarheid zal zijn.’

 

2. De tijd van deze oproep

 

We lezen in onze tekst: Dewijl het tijd is de Heere te zoeken. ‘Dewijl’ is een redengevend woord; het betekent: omdat. Het is de genadetijd die God ons nog geeft. Het is de tijd om de Heere te zoeken, om zich tot de Heere te wenden in een ootmoedig smeekgebed, dat gepaard gaat met belijdenis van zonden.

We lezen daar telkens van in Gods Woord. Denk aan Daniël, waar hij bidt: Och Heere, Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien die Hem liefhebben en Zijn geboden houden; wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten (Dan.9:4-5). Zo beleden ook Ezra en Nehemia hun schuld en de schuld van hun volk. Zulk komen heeft grond in Gods Woord en wordt op Zijn tijd verhoord.

Tot zulk roepen wekt de Heere op door Zijn profeet. Jesaja zegt: Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jes.55:6).

 

Zo wordt Hosea geroepen in een fel bewogen tijd op staatkundig gebied, in een tijd van ontrouw aan de Heere, dit woord aan Israël te brengen. Wat is de Heere lankmoedig en groot van geduld. Hij laat dit woord tot het volk spreken, opdat er vrucht zijn zal. Het oordeel is nog niet onafwendbaar. Het is nog het heden der genade. Er is een hecht verband tussen het braken van het braakland en het zoeken van de Heere.

De noodzaak van het zoeken wordt geboren waar het hart is bewerkt door de ploegschaar van Gods Woord. We zien het bij de pinksterlingen. Zij waren door de prediking van Petrus gewond geraakt. Het was hun tot schuld geworden dat zij de Christus hadden gekruisigd. We lezen: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand.2:37). Als de harde korst van de zonde om ons hart blijft, vragen we niet naar de regen, die de opengelegde aarde zo nodig heeft. Maar de Heere roept ons toe dat er bij Hem vergeving is te verkrijgen in de weg van bekering en geloof.

Gemeente, lever Hem uw harde hart maar uit, want voor Hem is geen ding onmogelijk. Hij is altijd de Eerste, maar Hij wil er wel om gevraagd zijn. Waar zegt Hij in Zijn Woord: ‘Zoek Mij tevergeefs’? Het is zo’n goede zaak om de Heere te zoeken met een opengelegd hart, met een gewonde ziel, om te zeggen: ‘O Heere, ik kan niet buiten U. Mag mijn ziel gered worden van de dood? Dat U in gunst op Mij zou willen neerzien in Christus! Om Hem kunt U toch met zondaren te doen hebben?’ Dat laat de Heere in Zijn Woord ons prediken, ook vandaag op de biddag.

 

Van der Groe zegt in één van zijn preken: ‘De Heere zou rechtvaardig zijn als Hij ons terstond in het verderf zou storten. Maar Zijn deugden van goedheid, liefde, genade en barmhartigheid dulden dit niet. De Heere roept alle mensen, ook de grootste der zondaren, tot bekering. Hij belooft hun zaligheid, vergiffenis van zonde, eeuwige vrede en genade, als zij van hun goddeloze wegen afstand doen. Geen zondaar gaat verloren of het is door eigen ongehoorzaamheid. Helaas weigert de natuurlijke mens de hem aangeboden verlossing aan te nemen en zich te bekeren.’ Tot zover Van der Groe.

De nodiging van het Evangelie komt tot ieder die onder het Woord leeft: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij: Komt, eet van Mijn brood en drinkt van de wijn die Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden en leeft; en treedt in de weg des verstands (Spr.9:4-6). Aan alle mensen moet de belofte van het Evangelie gepredikt worden met bevel van geloof en bekering. De Heere zendt Zijn dienaren, die Hij in Zijn Naam laat bidden: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20) Onze belijdenis zegt ons in de Dordtse Leerregels: ‘Doch zovelen als er geroepen worden, die worden ernstig geroepen. Want God betoont ons ernstig en waarachtig in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen ook komen. Hij belooft ook met ernst allen die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.’

Wanneer onze zoekenstijd geen vindenstijd wordt, dan ligt de schuld, naar dezelfde belijdenis, niet in het Evangelie, noch in Christus, in het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God Die door het Evangelie roept en zelfs die Hij roept onderscheiden gaven mededeelt. Maar de schuld ligt in degenen die geroepen worden. Als we Hem niet vinden, dan laten wij Zijn nodiging voorbijgaan en is ons zoeken geen zoeken met het hele hart. Want daar heeft de Heere het vinden op beloofd.

Zo maakt Hij Zich vrij van ieder van ons. Wenend stond de Zaligmaker voor de poorten van Jeruzalem. Ninevé kreeg veertig dagen en het heeft zich bekeerd.

Dat anderen die geroepen zijn wel komen, moeten we niet aan de mens zelf toeschrijven, maar aan God, zegt onze belijdenis. Niet aan de vrije wil, maar aan de krachtige roeping waarmee de Heere roept. Hij schenkt het geloof, waardoor men zich bekeert. Dat is een wonder, waar de Heere de eer voor ontvangt. Maar dit neemt de ernst van de roeping niet weg. Gemeente, wat de Heere vraagt, wil hij ook schenken!

De melaatse kwam tot Hem met het gebed: ‘Zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.’ En de Heere zegt: ‘Ik wil, word gereinigd!’ Er zijn voor Hem geen hopeloze gevallen.

 

Ook Gods kinderen hebben telkens weer nodig aan de troon van Gods genade te komen. Waar de ploegschaar de aarde weer eens heeft opengelegd, wordt de noodzaak gevoeld de Heere te zoeken. Dan zijn we weer verlegen om de gerechtigheid van Christus. Dan wordt die weer onmisbaar. De aarde van ons hart kan weer zo hard zijn en het onkruid weer zo krachtig tevoorschijn komen, dat de Heere er Zelf weer aan te pas moet komen. Het gebed kan leven: ‘Heere, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen?’ Dan wordt de Heere aangeroepen of Hij ons niet aan onszelf wil overgeven, maar door Zijn Heilige Geest Zijn werk weer rijk aan het licht wil brengen. Dat Hij geven wil wat Hij heeft toegezegd.

Daar staan we in onze derde gedachte bij stil. Maar zingen we eerst uit Psalm 68 en daarvan het vijfde vers:

 

Uw hoop, Uw kudde woonde daar;

Uit vrije goedheid waart Gij haar

Een vriendelijk Beschermer;

En hebt ellendigen dat land

Bereid door Uwe sterke hand,

O Israëls Ontfermer!

De Heer’ gaf rijke juichensstof,

Om Zijne wond’ren en Zijn lof

Met hart en mond te melden.

Men zag welhaast een grote schaar

Met klanken van de blijdste maar’

Vervullen berg en velden.

 

3. De vrucht van deze oproep

 

Er is een nauw verband tussen de delen van onze tekst. In de weg van het braken van het braakland, komt het tot een zoeken van de Heere. Maar dat zal gevolgd worden door het komen van de Heere en het regenen van de gerechtigheid over hen. Het eerste wat gezegd wordt is dat de Heere komen zal. Hij zal Zich over het volk ontfermen. Dat houdt dat komen van de Heere in. Het is een komen in genade.

De grond daarvan ligt in Christus. Daarom kwam God al in het paradijs. Hij was de Eerste en Hij beloofde de komst van Zijn Zoon. Maar om Hem komt Hij nog tot zondaren, die Hij om Zijn komst verlegen maakt, die met boetvaardigheid en smeking tot Hem komen. Die wijst Hij ook niet af. Niet om het gebed, maar op het gebed. Dat wijst ons op deze biddag de weg die de Heere wil dat we gaan zullen. Krachtens Zijn eeuwig verbond zal Hij Zijn trouw bewijzen en Zijn toezeggingen vervullen. Hij zal komen! Hij gedenkt in eeuwigheid aan Zijn verbond.

 

Daar wijst ook het woord ‘gerechtigheid’ op. Onze kanttekenaren wijzen daar ook op: ‘Dat is de vrucht van de gerechtigheid: u overvloedig begenadigend met Zijn tijdelijke en eeuwige verbondszegen, die Hij beloofd heeft degenen die in geloof en liefde wandelen.’ Allereerst is er sprake van dat de Heere zal doen delen in Zijn trouwe hulp, Zijn bescherming en bijstand. Het is wat Psalm 89 ons leert:

 

Doch over hem Mijn goedheid nooit doen enden,

Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden,

‘k Zal nooit herroepen ‘t geen Ik eenmaal heb gesproken.

‘t Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.

 

Daarin wordt uitgedrukt wat gemaaid zal worden als in gerechtigheid gezaaid wordt. In overvloed geeft Hij wat nodig is tot tijdelijk en geestelijk welzijn. Hij schenkt uitredding, zegen, hulp en overwinning. Ook voor het komend seizoen mag dat op de biddag verwachting en vertrouwen geven.

 

In hoofdstuk 11 vers 9 lezen we er ook van, wat Hij zal schenken: Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in deze stad niet komen.

Helaas heeft Israël niet gehandeld naar de raad van de profeet die in de Naam van de Heere tot hen kwam. In vers 13 lezen we: Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.

Hier ontvangt Israël wat het verdiende, toen het handelde naar eigen inzichten en naar het goeddunken van het hart. Het handelde in strijd met de door de Heere aangewezen weg. Hier geldt wat de dichter van Psalm 81 zegt: ‘Och, had naar Mijn raad zich Mijn volk gedragen!’

Dit geldt ook ons volk; dit geldt ook ons persoonlijk. Als we tot de Heere wederkeren en de zonde verlaten, zullen we weldadigheid maaien. Dan zullen we Zijn genade ontvangen, naar Zijn toezegging en belofte. Die zegeningen vloeien voort uit Christus. Hij heeft ze allemaal verworven. Hij heeft Zichzelf laten verbreken. In Hem ligt het verbond der genade, waarin ze begrepen zijn, vast. Naar Zijn toezegging en belofte zal de God der genade die gaven ook schenken. Wat zou dat een rijke zegen zijn voor kerk en volk. Heeft Hij niet beloofd dat dan ons brood zeker en ons water gewis zullen zijn?

Maar als we evenals Efraïm daar geen acht op slaan, staan ons Zijn gerichten te wachten. De ernst der tijden predikt ons te meer de noodzaak van de waarachtige bekering tot God. In die weg zal Hij ons doen delen in een rijke zegen.

 

Luister maar naar wat de profeet zegt: Totdat Hij kome en over u Zijn gerechtigheid regene. Het woord ‘gerechtigheid’ heeft hier dus de betekenis van de zegen van Zijn verbond, die Hij had toegezegd. Het woord kan ook Zijn straffende gerechtigheid betekenen. Dan bezoekt de Heere Zijn volk met Zijn roede en bittere tegenheden. Zijn vijanden zullen eveneens Zijn gerechtigheid ondervinden, als Hij Zich in Zijn toorn tegen hen keert. Zo zal Israël, als het zich niet bekeert, als het niet in gerechtigheid zaait, het woord in deze laatste betekenis ervaren.

In de weg van bekering echter zal de rijke betekenis ondervonden worden van Gods genade. Want die is niet in strijd met Zijn gerechtigheid, maar is er juist een uiting van. Daarom heeft het woord hier de betekenis van goedertierenheid en gunst. Een overvloed van zegeningen zal Israël ten deel vallen.

 

In tijden van nood en verdrukking heeft Israël telkens om die zegen van het verbond geroepen: ‘Heere, help mij uit door Uw gerechtigheid!’ Hoe vaak heeft de Heere dat aan Israël doen ervaren. Hij is de God van het verbond. Als de koningen en het volk zich tot de Heere bekeerden, deed de Heere wonderen en gaf Hij Zijn zegen.

Denk aan koning Hiskia. Wat erfde hij van zijn vader Achaz, de man die tegen de Heere vocht? In alles vertoornde hij de Heere. En het land verkeerde bij zijn dood ook in de uiterst moeilijke omstandigheid van onderdrukking en armoede. Het stond er hopeloos voor, toen Hiskia koning werd. Maar welke wonderen deed de Heere tijdens de regering van de godvrezende koning Hiskia? De Heere zond zelfs een engel om de stad te verlossen van de Assyriërs.

Heeft ons land niet hetzelfde ervaren? Lees maar eens het boek van Abraham van der Velde: ‘De wonderen des Allerhoogsten’. Onze vijanden waren meer bevreesd voor een biddag die werd uitgeschreven, dan voor een heel leger. Tijdens de zeeslag bij Ter Heijde liepen de kerken vol en de Heere gaf uitkomst. Deze biddagen, die door de overheid werden uitgeschreven, bleven niet ongezegend. De Heere bindt deze zaken samen: het braken van het braakland en het zegenen door de Allerhoogste.

 

Zo is het ook bij de Kerk des Heeren. Als we het zo gemakkelijk kunnen stellen buiten de ervaring van Gods gemeenschap en gunst, als de wereld weer zo’n grote plaats krijgt in ons hart, dan wordt Zijn gunst en gemeenschap niet ervaren. Als het echter weer komt tot het braken van het braakland en we erkennen: ‘Heere, ik weet geen andere weg en ik wil ook geen andere, dan die U in Uw Woord wijst’, dan laat Hij Zijn gerechtigheid regenen en haalt de Heere uit de banden. Dan zegt Hij tot Zijn Israël: ‘Ammi, gij zijt Mijn volk’ en dat zegt: ‘Gij zijt Mijn God!’

De ploegschaar moet er wel eens diep doorheen gaan, zodat het land grondig omgezet wordt. Verdrukking en kastijding zijn wel eens nodig, gemeente. Deze kastijdt ons tot ons nut (Hebr.12:10), lezen we in de brief aan de Hebreeën.

Op het geroep en in de weg van het zoeken, toont de Heere Zijn trouw. Dan regent Hij Zijn gerechtigheid over ons. Die zegeningen zijn door Christus verworven en worden toegepast door Zijn Geest. Het woord ‘regen’ duidt op een overvloed. Laten we maar niet te karig van God denken.

 

We hebben een tijd van grote welvaart achter ons. Waar bleven we met deze zegeningen? Welvaart staat hoog in het vaandel, alsof daar alles mee kan worden gedaan. Maar welvaart is nog geen welzijn!

Nu blaast de Heere in onze vastigheden en verworvenheden. Er is een toenemende werkeloosheid, ondanks de knappe economen. Allerlei verwachtingen moeten worden bijgesteld naar beneden. Gods Woord blijft altijd waar: wie Hem verlaat, heeft smart op smart te vrezen.

De Heere roept ons op deze biddag echter tot berouw en verootmoediging, tot bekering tot Hem. Het is nog een groot voorrecht dat we leven onder de verkondiging van het Woord. De Heere is zo lankmoedig over ons, dat we onder de waarschuwingen van Zijn Woord mogen verkeren, maar ook onder de nodiging tot de zaligheid die in Christus is voor de voornaamste van de zondaren.

 

Nu is dat ploegen van het braakland niet maar één keer nodig in ons leven. Het is een doorgaand werk van de Heilige Geest. Zo wordt de akker van het hart toebereid om het zaad van het Woord te doen ontkiemen en vrucht te laten dragen tot eer van God.

Straks zal er geen ploeg meer nodig zijn. Dan zal de akker van Gods Kerk voor eeuwig gezuiverd zijn van alle onkruid en distels. Dan zal de vrucht eeuwig strekken tot eer van God. Daarvoor zal Hem de lof en dank worden toegebracht tot in alle eeuwigheid!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138: 3 en 4

 

Dan zingen zij, in God verblijd,

Aan Hem gewijd,

Van ’s Heeren wegen;

Want groot is ’s Heeren heerlijkheid,

Zijn Majesteit

Ten top gestegen;

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog,

Op hen het oog,

Die need’rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan

De ijd’le waan

Der trotse zielen.

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

Bezwijken moet,

Schenkt Gij mij leven;

Is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand

Zal redding geven.

De Heer’ is zo getrouw, als sterk;

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden,

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 26)