Ds. P. Mulder - Psalmen 119 : 35 en 47

Het gebed, de ademtocht der ziel

Psalmen 119
Het gebed om te vragen
Het gebed om te belijden
Het gebed om te leven
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 20)

Psalmen 119 : 35 en 47

35. Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust. 47. En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 4
Lezen : Psalm 119: 25-48
Zingen : Psalm 119: 23, 24
Zingen : Psalm 61: 1, 3
Zingen : Psalm 57: 1

Gemeente, onder de inwachting van het licht en de leiding van ‘s Heeren Geest wil ik u het Woord van God bedienen vanuit het ons voorgelezen Schriftgedeelte, Psalm 119 de verzen 35 en 47. Wij vinden daar de woorden van onze overdenking als volgt:

 

35. Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.

 

47. En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.

 

Het gebed, de ademtocht der ziel.

 

Vanuit onze tekstwoorden komen ons drie hoofdzaken naar voren:

1. Het gebed om te vragen

2. Het gebed om te belijden

3. Het gebed om te leven

 

Het gebed om te vragen. In vers 35 lezen we: Doe mij treden op het pad Uwer geboden. Dat is een vragen aan de Heere. Dat komen we in deze psalm voortdurend tegen. Het gebed om te vragen.

Vervolgens het gebed om te belijden: Want daarin heb ik lust, zegt de dichter. Zulke uitspraken komen we in onze psalm ook vele malen tegen.

En ten derde het gebed om te leven. Vers 47 zegt iets heel opmerkelijks, tenminste, voor iemand die dat leven niet kent is dat opmerkelijk. Ik zal mij vermaken in Uw geboden. Dat is niet: Ik zal er maar naar luisteren, omdat God almachtig is. Dat is ook niet: Ik zal dan maar gehoorzamen, want dat is goed. Nee, Ik zal mij vermáken in Uw geboden! Dat is geen last, dat is geen plicht, dat is een innerlijk zielsgenot. Dat is leven! Ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. Dat is leven in de zuiverste vorm.

 

We overdenken dus: Het gebed, de ademtocht der ziel.

 

1. Het gebed om te vragen

 

Psalm 119 is een heel lang gedicht. Schoon van inhoud, ook schoon van opbouw. Als je de Hebreeuwse Bijbel erbij pakt, dan zie je dat de eerste acht verzen allemaal beginnen met een woord met de Hebreeuwse A. De verzen 9 tot en met 16 beginnen allemaal met een woord waarvan de eerste letter de Hebreeuwse B is. En van de verzen 17 tot en met 24 begint iedere dichtregel, ieder vers met een woord waarvan de eerste letter de Hebreeuwse C is, enzovoort. Het Hebreeuwse alfabet telt geen 26 letters, zoals ons alfabet, maar 22. Van al die 22 letters zijn er acht verzen, waarbij ieder eerste woord van zo’n vers met zo’n letter begint. Schoon, kunstig opgezet door de dichter.

Psalm 119 wordt wel genoemd ‘het a-b-c der godzaligheid’. Zou het niet waar zijn? In de alfabetische opzet klinkt het kunstige, het dichterlijke door. Maar als we op de inhoud van de psalm letten, vinden we een a-b-c van de godzaligheid, van de dienst des Heeren, van de gemeenschap met de Heere, van de vreugde in Zijn gunst en liefde. Heel dat a-b-c der godzaligheid cirkelt voortdurend om de Heere, om Zijn Woord, om Zijn lof, om het gebed tot Hem.

Onder allerlei namen, we komen daar straks nog even op terug, wordt de wet ter sprake gebracht. Maar als het woord ‘wet’ in Psalm 119 naar voren komt, moeten we dat niet beperken tot de Tien Geboden, zoals die ons in de kerk worden voorgelezen. Het woord ‘wet’ in Psalm 119 heeft een veel ruimere betekenis. Het heeft eigenlijk de betekenis van de instellingen Gods, het Woord des Heeren. We moeten ook bedenken dat er in die tijd nog niet zo veel van de Bijbel te boek stond.

 

Mogelijk is David de dichter geweest. We weten dat niet nauwkeurig, maar het wordt algemeen aangenomen. We mogen er wel van uitgaan dat er in die tijd nog maar weinig van het Oude Testament op schrift gesteld was. Waarschijnlijk niet veel meer dan de boeken van Mozes, van Jozua, en van de Richteren. En dat wordt bedoeld met ‘de wet’, de Thora, hetgeen van de Heere vastgesteld is. En zo wordt de wet, het woord, het getuigenis met allerlei woorden benoemd en onder allerlei benamingen uitgestald. Daarbij heeft iedere naam, iedere benoeming, ieder woord een rijke inhoud.

Zo is dit a-b-c der godzaligheid eigenlijk een voortdurend heen en weer gaan van het hart van de dichter naar de Heere en van de Heere naar het Woord en van het Woord naar zijn leven. Hoe gaat een kind van God daartussen heen en weer in zijn zielenleven? Dat is in het gebed, want dat is de ademtocht der ziel. We moeten daarbij het gebed niet nemen in de engere betekenis van het woord, alsof het alleen gaat om die momenten dat ik mijn handen vouw,  mijn ogen sluit en misschien de knieën buig. Het gaat om het gebed als de ademtocht der ziel!

 

Zo mag het toch wel eens zijn, nietwaar? Spreken met de Heere. Soms onder het werk, soms onderweg, soms in de stille uren van het nachtelijk donker. Spreken met de Heere. Wanneer er overdenking van de Heere mag zijn en bepeinzing van Zijn Woord; het gesprek tot Hem. Als de ziel naar Hem mag uitgaan en als het hart alle zorgen en moeiten, alle vragen en noden aan Hem mag bekendmaken. Als u van Hem mag begeren, of Hij wil geven wat naar Zijn raad en welbehagen is, naar Zijn Woord en toezegging.

Nietwaar, moeders, dan kun je thuis in het gezin onder het werk met de Heere in gesprek zijn, dan kun je onder de bezigheden overdenkingen van de Heere hebben en van Zijn Woord. Wat is het zoet om zo de ademtocht der ziel naar de Heere te mogen kennen en te mogen beoefenen! Ja, dan kan het wel eens een vermaak zijn om met de Heere gemeenzaam te leven. Dan is stilte geen kwelling, dan hoeft die stilte niet verdreven te worden door een radio die schalt, of door muziek die gehoord wordt, of door gesprekken die we niet missen kunnen. Nee, dan mag de stilte goed zijn. Want het is eigenlijk geen stilte, het is een spreken met de Heere. Het is een leven met de Heere, het is een vragen naar de Heere, het is een uitstorten van het hart voor de Heere, het is jezelf openleggen voor de Heere.

Hoe zou het toch komen dat de moderne mens zo slecht tegen de stilte kan? Zou het hier niet vandaan komen dat die moderne mens dit leven der ziel, uitgaande naar de Heere, dit spreken met de Heere niet kent? Ach nee, dan is er geen verveling, dan is er met de Heere gemeenschap en dan is de eenzaamheid begeerlijker dan menig gezelschap en dan heel wat geluid en veel kabaal.

 

Zo mag het gebed de ademtocht der ziel zijn. Psalm 119 staat vol van zulke uitingen. Ieder vers bevat wel een aanduiding van het Woord, van het getuigenis van de wet, van de inzettingen of rechten des Heeren. Er is maar één vers van al die honderdzesenzeventig verzen waarin de benaming ‘woord’ of ‘wet’ of ‘inzetting Gods’ niet voorkomt: vers 122. En dat is een gebed: Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.

 

Psalm 119 is vol van korte, godvrezende uitroepen, van plotselinge uitingen en verheffingen van de ziel tot God. Soms vanuit de nood, soms vanuit de moeite, vanuit de strijd, onder de aanvechtingen, te midden van de vijanden. Dan weer vanwege de verleidingen van het aardse en van het zinnelijke of van het stoffelijke. Dan weer uit de belijdenis van de begeerte om meer en meer met de Heere in gemeenschap en in saamhorigheid en vrede te leven.

In Psalm 119 heeft ieder vers een eigen betekenis. Een vers bestaat vaak uit twee, soms uit drie delen: het ene is een gebed en het andere een betuiging, of net omgekeerd. Zo is er een groot aantal korte uitroepen, die weergeven wat er in de ziel leeft naar de Heere toe, Wie de Heere is voor zulk een. Het is een voortdurend gesprek van de dichter met de Heere, en er is een voortdurende gemeenschap van God met de dichter.

 

U vraagt wellicht: ‘Hoe kan dat voor een Adamskind?’ Is dat uw levensvraag? Zegt u: ‘O, dat zou ik wensen, dat mijn leven zo ware, dat ik zo met de Heere zou mogen leven’? Zegt u: ‘Is dat mogelijk, dat een mens zo in verbinding staat met de hemel, zo in gemeenschap verkeert met de Heere, dat hij zo in saamhorigheid met de hoge God zijn levensweg gaat?’ O ja, gemeente, dat is mogelijk! Dat gebeurt! Verstaat u dan dat het leven hier op aarde wel eens voorsmaken geeft van het leven hierna? Want dat is pas leven: ademen in de Heere, in Zijn gemeenschap, in Zijn gunst.  

Hoe kan dat voor een Adamskind? Want wij hebben de band met God verbroken, wij hebben Zijn gemeenschap verlaten en Zijn liefde getart. Wij stapelen met onze zonden de gramschap en de toorn van God op. Door onze zonden en afval is er een breuk geslagen met de Heere. Hoe zal dat terechtkomen? Want we moeten deze psalm niet verstaan – zoals dat in andere godsdiensten wel voorkomt – alsof daar een meditatie is, een overdenking van het oneindige, van het eeuwige, en een mens daardoor opklimt en boven het stof verheven wordt. Alsof een mens zo op mystieke wijze dichtbij God komt. Dat is het niet, gemeente! Want het is niet een mens die opklimt naar God en steeds een beetje verder komt en steeds een beetje heiliger wordt. Zo is het beslist niet! God is heilig en rechtvaardig. Hij is majesteitelijk. God is de Hoogverhevene, de Geduchte, Die met de zonde niet van doen kan hebben. Maar weet u wat het wel is? Het is dit: de mens wordt door een waarachtig, geschonken geloof in Christus ingelijfd. Hij wordt uit Adam uitgesneden en in Christus ingelijfd; hij wordt door een waarachtig geloof aan Hem verbonden en uit Hem bediend. Zo wordt het verstand verlicht, de wil gezuiverd, zo worden de hartstochten gereguleerd en de zinnen vernieuwd en aan de Heere verbonden.

Het is niet een mens die opklimt naar de hemel, maar het is een mens die in het stof verootmoedigd terneer ligt en die belijdt: ‘Wie ben ik toch voor God? En wie blijf ik toch voor de Heere?’ Maar het is de Heere, Die naar een mens omziet. Het is de Heere, Die in Zijn goedertierenheid en genade een mens opzoekt. Een mens aan het stof gekluisterd wordt door de Heere opgezocht.

 

Vanwege de opzoekende liefde Gods, in en door Christus, mag er gemeenschap met de Heere zijn. Alleen door de Middelaar. Nooit buiten de Middelaar om. Dat kan niet, dat is onmogelijk. God kan geen gemeenschap met een zondaar hebben buiten Christus. Buiten Christus is God een verterend vuur, een eeuwige gloed bij Wie niemand wonen kan. En zonder Christus is er niet de minste uitlating van Gods liefde en gemeenschap. Die Middelaar is absoluut noodzakelijk. Als dat niet zo was, dan zouden we aan Zijn offer tekort doen; dan zouden we aan de absolute noodzaak van Zijn komen in deze wereld, aan Zijn betalen op het vloekhout des kruises afbreuk doen.

Maar in Christus en vanwege Christus, gaan de schatten open van de beloften Gods, van de gemeenschap Gods, van het Woord Gods, van het liefdehart Gods, van de trouw Gods, van de vaderlijke zorg Gods, van de barmhartigheid Gods, van de gunst des Heeren. En vanwege Hem en vanuit Hem en door Hem mag het gebed zijn een ademtocht der ziel.

 

Onze gebeden, ach, die zijn vervuild en van de zonde doortrokken. Maar gezuiverd en gereinigd door de gebeden van Christus, zijn ze behaaglijk voor God. Onze overdenkingen en bepeinzingen zijn altijd van het aardse en zondige doortrokken. Maar gereinigd en gezuiverd in Christus, wil de Heere zo met een mens van doen hebben en Zijn gemeenschap doen ervaren en Zijn gunst doen ondervinden.

 

Van Psalm 119 is de dichter niet bekend. Vaak wordt aan David gedacht. Dat kan, de dichter noemt zich ‘de knecht des Heeren’. Is het niet opmerkelijk dat een mens zich ‘de knecht des Heeren’ noemt? Wie zou het durven zeggen? Wij zijn immers kinderen van de duivel geworden? Wij hebben ons immers uitgeleverd aan de vorst der duisternis? Maar dat is nu genade, dat een mens mag worden een knecht des Heeren.

Knecht, is dat geen verkeerd woord? Moest hij niet zeggen: een kind des Heeren? Dat is ook waar. Toch zullen we maar bijbels blijven spreken: knecht des Heeren.

Gemeente, wie is eigenlijk de Knecht des Heeren? Niemand anders dan de Heere Jezus Christus. Hij Die gekomen is, om alles te doen wat er te doen was, om het welbehagen Gods te volvoeren. Hij, Die gekomen is en zo diep heeft willen buigen. Hij is onder de vloek terechtgekomen, onder de zonde, onder de schuld. Te midden van mensen, verloren in dwaasheid en ellendigheid. Zo is Hij de Knecht des Vaders geworden, om de straf te dragen, om de toorn te stillen, om de vloek weg te nemen. De Knecht des Heeren; Zijn overdenking was van de Heere, Zijn overdenking was van het Woord des Heeren, Zijn bepeinzing was van de wet des Heeren.

Als Hij verzocht wordt door de duivel, is Hij met Zijn gedachten in het boek Deuteronomium en Hij weerlegt de satan vanuit Deuteronomium en vanuit Psalm 91. Als Hij aan het kruishout der schande in de helse angsten verkeert, dan is Hij met Zijn gedachten in de psalmen. Hij citeert uit Psalm 22: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En uit Psalm 31: In Uw hand beveel ik Mijn geest. Hij haalde aan uit Psalm 69: Mij dorst. De Knecht des Heeren, Zijn ziel was in het Woord des Heeren; Zijn leven was in de gemeenschap des Heeren.

Hoe zal een mens, een Adamskind, een vleselijke aardworm, ooit in de gemeenschap Gods hersteld worden, ooit weer omgang met de Heere kunnen krijgen? Nogmaals, gemeente, dat kan niet vanuit een beetje vrome godsdienst, of een heleboel degelijke godsdienst. Niet vanuit zelfgemaakte dingen in allerlei zwarigheid, of opgewekte oppervlakkigheid. Dat kan alleen vanuit Christus. En anders is er niets, totaal niets.

 

Hij is de Knecht des Heeren. Wie in Hem ingeënt is, wie uit Hem bediend wordt, die kan volgen en die mag volgen en die zal volgen als knecht des Heeren. Hij zal zijn hart uitgieten voor de Heere, verlangen naar de Heere, uitzien naar de gemeenschap des Heeren.

Wil dat zeggen dat zo’n mens altijd in bewustheid en heldere kennis van geloof alle zicht op Christus heeft? Dat is vaak zijn verlangen, zijn begeren, zijn behoefte. Een mens die een levend Godsgemis leert kennen, leert al naar de Heere verlangen en vragen. Maar we moeten nader leren dat God met een zondaar zomaar geen gemeenschap kan hebben. In een weg van ontdekking en onmogelijkheid wordt plaats gemaakt voor een Ander, voor de Heere Jezus Die tussentreedt.

Het is zo nodig dat we Hem door het geloof leren kennen. Een mens die naar God uitziet zal leren naar Christus uit te zien, want anders ziet hij uit naar een verterend vuur. En dat kan niet. Een mens moet leren dat buiten Jezus geen leven is, maar een eeuwig zielsverderf. Het leven is in Hem, de Bron van alle leven.

 

Het is één ernstig gebed, voortdurend om Gods genade verlegen. Kunt u dat nazeggen: voortdurend om Gods genade verlegen? Gemeente, als genade niet voorop gaat wordt het niets. Dan ben ik een verlorene, dan ben ik een vloekwaardige. Genade moet voorop gaan en de liefde en de gemeenschap en de goedertierenheid en de gunst en de trouw van de Heere. En dan ook het verlangen naar de Heere.

Het is al vanuit de genade waardoor de band gelegd wordt en de gemeenschap hersteld wordt.

Enkele woorden uit ons Schriftgedeelte mogen ons tot een gids zijn; de dichter zegt: Maak mij levend naar Uw woord. Buiten dat Woord is geen leven, maar is er de dood. Al mijn overdenkingen zijn niets, als ze niet uit het Woord komen en naar het Woord zijn en aan het Woord ontleend worden. Maak mij levend naar Uw woord, overeenkomstig Uw Woord. Dat betekent: naar de lijn die in Uw Woord ligt.  Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast.

Vers 29 zegt: Wend van mij de weg der valsheid. Daar wordt bedoeld – zo zeggen onze kanttekenaren – de valse leer, allerlei afwijking van de leer die naar de Schrift is. Wend van mij allerlei dwaling en gevoelens die niet zuiver zijn. Wend van mij de weg der valsheid en verleen mij genadig Uw wet. Daar heb je het weer: genadig, ontfermend. Omdat U de Heilige bent en ik een zondaar, daarom heb ik die Middelaar nodig. Verleen mij genadig Uw wet. En dan Uw wet in de ruime zin genomen, als dat Woord, dat getuigenis. Om mij levend te maken, om leven te geven aan mijn ziel.

Hij zegt in vers 31: O Heere, beschaam mij niet. Als die knecht des Heeren nu van het Woord verstoken is en van het gebed en van de uitlatingen van de gunst des Heeren, dan staat hij op de tocht van de stormwinden van de wereld, van de vorst der duisternis en van zijn eigen vlees. Dan wordt hij beschaamd, want dan is hij niets en dan heeft hij niets. Moge dan de noordenwind des Geestes maar uitdrijven en de zuidenwind maar vanuit het Woord bevochtigen.

 

Beschaam mij niet. Doe mij treden op het pad Uwer geboden. Doe mij die weg lopen, laat dat mijn overdenking zijn. De dichter kan dat niet uit zichzelf, hij doet dat niet in eigen kracht. Hij doet dat niet vanuit eigen godsdienstigheid. Hij heeft de Heere nodig van moment tot moment. Hij kan de Heere geen ogenblik missen. Hij heeft de bediening van boven voortdurend nodig: Neig mijn hart tot Uw getuigenissen. De dichter beleeft het: mijn hart neigt naar van alles. Wat zal ik allemaal noemen? Ik zou verkeerde zonden noemen, ik zou zonden te weinig noemen. Gemeente, vul uw eigen neigingen maar in: vleselijk, dwaas, wellustig, aards, van God afgetrokken. Maar dit is de bede van de dichter: Neig mijn hart. Ik heb het nodig, Heere, dat U mijn dwaze hart, dat U mijn afkerige hart naar Uw getuigenissen neigt. Want dat alleen is goed en daar alleen ligt het leven.

Maak mij levend. Ik lig middenin de dood en ik breng de dood vruchten voort en ik wend me telkens weer tot de dood. Maar maak mij levend door Uw wegen, door Uw handelingen, door Uw werk, door de besturingen van Uw Geest en de leidingen van Uw Woord.

 

Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien. Wat zien we veel ijdelheid. De vluchtigheid van dit leven, de bekoorlijkheid van de dingen van deze tijd, van het geld, van het goed, van het zien en van het zinnelijke. Wend mijn ogen er maar vanaf, zegt de dichter. Laat daar maar een gordijn voor vallen. Laat dat maar troebel worden, laat dat maar ondoorzichtig worden. Maar wend mijn ogen tot U en tot Uw Woord en tot Uw getuigenis. Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, naar het woord der belofte. Daar is zijn hoop op gebouwd, op die God aller genade, op die Christus der Schriften. Daar ligt zijn ziel aan vast en daar steunt hij op en daar betrouwt hij op. En daar moet het vandaan komen, daar moet Hij uit bediend worden.

 

Een gebed om te vragen. Hebt u zo weleens gebeden, gemeente? Hebt u zo weleens aanhoudend gebeden? Is dat de grondtoon van uw gebed: ‘Heere, dat U mijn leven bent, mijn overdenking, het doel van mijn gedachten, het begeren van mijn ziel’? Hebt u zo weleens gebeden, omdat het u om de Heere te doen geworden is?

Ach, we willen allemaal wel naar de hemel en ik zou u daar allemaal van harte een plaats gunnen. Maar gaat het u om de God van de hemel? Gaat het u om Zijn gemeenschap, om Zijn gunst, om Zijn liefde, om  de overdenking van Hem? O, zeg het eens eerlijk: is de stilte straks een kwelling, of is dat uw lust, uw vermaak, om gemeenzaam met de Heere te zijn, om van Hem te vragen, om van Hem te begeren, om tot Hem uit te gaan in de weg van het gebed, het gebed om te vragen?

 

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. Het gebed om te belijden

 

Psalm 119 is een lang gedicht, maar schuldbelijdenis kom je er niet in tegen. Dat staat op andere plaatsen in de Schrift en op andere plaatsen in de psalmen, zoals in Psalm 6, in Psalm 32, in Psalm 51, in Psalm 130. Er zijn psalmen die boetpsalmen zijn. Maar Psalm 119 is dat niet. Nu moeten we natuurlijk niet zeggen dat boetedoening dus niet van belang is, dat we wel bekeerd kunnen worden zonder dat dit aan de orde komt. Dan vergist u zich. Dat komt wel zeker aan de orde, want de Heere gaat niet over de schuld heen en werkt niet aan de zonde voorbij. Dat stelt de Heere zeker aan de orde. Maar hier in Psalm 119 staat dat niet op de voorgrond. De Schrift is veelkleurig, gemeente, en de prediking moet daarom ook veelzijdig zijn. Het gaat niet elke keer over hetzelfde, alhoewel dezelfde hoofdpunten steeds terugkomen.

Zondebelijdenis komen we in deze psalm alleen maar zijdelings tegen, omdat de dichter mede doorleeft dat hij zondig geaard is en dat bezwaart hem. Dat is één van zijn klachten die hem uitdrijft naar de Heere. Dat element kom je zeker wel tegen. Maar de dichter is er in deze psalm vooral mee bezig om de voortreffelijkheid van Gods openbaring te verkondigen. De dichter wil de heerlijkheid en het nut van Gods Woord en getuigenis op allerlei manieren tot uitdrukking brengen.

 

Hij spreekt over de wet, in vers 34 bijvoorbeeld: Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden. Daar wordt met ‘wet’ de inzetting, het gebod Gods bedoeld, door de Heere vastgesteld. Dan weer heeft hij het over Gods weg. In vers 33 bijvoorbeeld: Heere, leer mij de weg van Uw inzettingen. Het spoor, het pad dat de Heere wil dat een mens gaan zal en de weg die Hij Zelf met Zijn Kerk gaat. Leer mij die weg maar gaan in volle afhankelijkheid. Hij geeft daarvan getuigenis in vers 31: Ik kleef vast aan Uw getuigenissen. Daar spreekt hij van ‘getuigenissen’ Gods, van hetgeen de Heere plechtig aan de wereld verkondigt.

En in vers 25 zegt hij: Maak mij levend naar Uw woord. Dat Woord is de bron van leven en van overdenking.

Soms heeft hij het over de oordelen Gods. In vers 52 spreekt hij van: Uw oordelen vanouds, oordelen waarmee God de goddelozen gestraft en Zijn kinderen verlost en bewaard heeft.

Soms gaat het over de gerechtigheid, in vers 62 bijvoorbeeld: Te middernacht sta ik op om U te loven, voor de rechten Uwer gerechtigheid. Ook het richterlijke Gods wordt hoog geacht: een bron van aanbidding. Soms gaat het over de inzettingen Gods. Dan weer gaat het over de waarheid Gods en daar wordt vooral mee bedoeld de trouw Gods. God is getrouw; Hij komt na wat Hij sprak, wat Hij beloofde.

 

En zo doet hij belijdenis, gemeente. Belijdenis in het bidden. Het is goed om tot de Heere te gaan met vragen. Als we tot de Heere komen, moeten we wat te vragen hebben. Zeker! Maar als we tot de Heere komen, mogen we ook belijden, zonde belijden, schuld erkennen. Maar daar gaat het in deze psalm niet zozeer over. Belijden betekent hier eigenlijk: erkennen, betuigen, uitspreken Wie de Heere is, wat het Woord is, wat mijn verhouding tot Hem is. Dat stelt de Heere op prijs, dat we betuigen Wie de Heere voor ons is. Dat moeten we ook niet nalaten.

We kunnen zozeer in de schulp kruipen van onze nederigheid, van onze armoe, van onze zondebelijdenis, dat we er niet aan toe zouden komen om te betuigen Wie de Heere voor ons is. Om uit te spreken: ‘Ik heb U lief, ik heb U hartelijk lief! Ik wil U dienen en ik zal U dienen!’

 

U zegt misschien: ‘Daar schrik ik van, want wat breng ik daarvan terecht?’ Ja, dat is wel waar, dat we er niets van terecht brengen, maar komt het de Heere niet toe? Als dat nou recht ligt en u betuigt: ‘Heere, ik zal U hartelijk liefhebben’, daar krijgt u geen spijt van. Er kunnen wel ogenblikken zijn dat u dat aanvliegt, zodat u zegt: ‘Ik heb beloofd dat ik de Heere lief zou hebben, maar wat komt er nou van terecht?’ Zeker, die ogenblikken zijn er maar al te veel in het leven van hen die de Heere vrezen. Maar als het recht ligt, dan brengt dat in het stof van de verootmoediging, dan brengt dat weer tot zondebelijdenis, om de Heere te benodigen. Als het recht ligt mag u weer tot Christus vluchten, tot die enige Naam en Middelaar uw toevlucht nemen. Buiten Hem is er geen vergeving. Houd dat goed vast. Die vindt u nooit bij God buiten Jezus. We kunnen niet om Jezus heen werken.

Als we zo weer bij de Heere mogen komen, dan mogen we het weer betuigen, nog dieper en nog hartelijker betuigen: ‘Ik zal U liefhebben, ik zal U hartelijk liefhebben. Wat zijt Gij goed, Heere, wat zijt Gij vergevingsgezind, wat zijt Gij vol goedertierenheid!’ En dan mag het weer betuigd worden: ‘Ik heb U lief, op U is mijn hoop, op U is mijn betrouwen.’ En mocht u dan weer in een dal terechtkomen en het weer ervaren: ‘Ach, ik spreek het wel uit, maar hoe is mijn hart, hoe is mijn leven?’, dan hebt u weer de Heere Christus nodig.

Zo is er een voortdurende omgang met de Heere. Om het maar te leren Wie God is, zo goedertieren, zo ontfermend, zo heilig, zo geducht. En in het voortdurend leren wie ik zelf ben: zo arm, zo afhankelijk, zo onbekwaam tot enig goed, zo geneigd tot alle kwaad. Maar ook in het voortdurend leren Wie Christus is, de enige Naam ter zaligheid, de enige Middelaar, de enige Borg, de enige Voorspraak, de enige uit Wie en door Wie leven is. Zo verkrijgen we driemaal kennis: Godskennis, zelfkennis en Christuskennis.

 

Als het gebed, als het belijden in het gebed ons daar meer toe brengen mag, wat zouden we een rijk leven hebben! O, we moesten zo de omgang met de Heere maar zoeken te betrachten. We moesten die teerheid van het leven der godzaligheid maar van de Heere begeren, om die zoeken te beoefenen. Wat zou de wereld z’n glans verliezen, gemeente. De zonde zou wel aanvallen, maar minder huizen in ons hart. De vorst der duisternis zou wel tekeergaan, maar minder heerschappij hebben. Wat zou de geur en de glans van de goede God en getrouwe Heere en van Zijn lieve Zoon meer over ons leven liggen. Wat zou ons hart meer van Zijn lof vervuld zijn, Zijn lof vertellen.

 

De dichter moet ook belijden: Mijn ziel kleeft aan het stof. Dat is niet het aardse stof, maar dat is dodigheid, dat is dorheid. Wat kan Gods kind daarin terechtkomen. We kunnen zo dodig zijn dat er geen leven te bespeuren is. De oorzaak ligt bij onze zonden, bij onze ingezonkenheid, ook vaak bij onze wereldzin. De dichter moet dat ook belijden. Maar wat doet hij daarmee? Hij gaat vragen naar de Heere: Maak mij levend naar Uw woord.

Hij belijdt ook: Ik heb verkoren de weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. En in vers 31: Ik kleef vast aan Uw getuigenissen. Dat is zijn belijdenis. Hij doet voortdurend belijdenis van zijn geloof voor de Heere. Het is niet genoeg als we een keer belijdenis van ons geloof afgelegd hebben in het midden van de gemeente. Maar het is zo nodig dat we voortdurend het ware geloof leren belijden voor de Heere: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.’

 

Doe mij treden op het pad Uwer geboden. Dat is zijn vraag, dat is zijn gebed. En hij belijdt er meteen achteraan: Want daarin heb ik lust. Dat geeft hem smaak en vermaak, dat geeft hem genoegen en vreugde. Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen. Kunt u het nazeggen, gemeente, van ganser harte? O, daar heeft de Heere zo’n recht op. Dat heeft Hij zo graag, Kerk des Heeren, dat we zo tot Hem komen, dat we Hem zo belijden en Hem voortdurend weer vragen: ‘Wilt U maar ontdekken, Heere, wilt U maar meer in de behoefte plaatsen?’

 

Ik betrouw op Uw woord. We mogen het woord ‘betrouwen’ niet overlaten voor mensen in kringen die een lichtvaardig geloof hanteren. Betrouwen is een voluit bijbels woord. Wanneer we nog nooit eens vertrouwd hebben op de Heere, dan klopt dat absoluut niet. Want dat betrouwen op de Heere is het wezen van het geloof. En dat mag ook ons woord zijn naar de Heere toe. We mogen de Heere niet krenken in Zijn liefde en in Zijn trouw en in Zijn goedertierenheid. Laten we ons vertrouwen op Hem uitzeggen en belijden, maar wel met de begeerte: ‘Wilt U het maar geven, wilt U het maar versterken, want anders heb ik het niet.’

 

Ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. Dat is zijn hoop op de rechten Gods. Hij heeft zijn hoop op de Heere gezet. Hij zegt in vers 49: Gedenk aan het woord, tot Uw knecht gesproken. Dat belijdt hij: ‘U hebt een woord tot mij gesproken.’ Daar gaat hij mee terug naar de Heere en dan zegt hij: ‘Daarop hebt U mij doen hopen.’ Zo is hij werkzaam met het Woord, werkzaam met de Heere en Zijn eigen werk. Zo is hij verlegen om de bediening uit het heiligdom. Het gaat hem om de Heere en om Hem alleen.

En in vers 50 zegt hij: Dit is mijn troost in mijn ellende. O, hij zit zo in de ellende vanwege zijn bedorven bestaan. Maar dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. De hovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot, nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.

 

Zo mag hij zijn geloof belijden voor de Heere. Hij is in gesprek met de Heere. Hij mag zijn liefde uitzeggen, maar ook voortdurend bidden, vragen en smeken. Gemeente, als we Psalm 119 lezen is dat wel beschamend, nietwaar? Maar het is ook verwarmend. Er klinkt in door: ‘Kom, ga met ons en doe als wij.’

 

Wij zingen nu eerst samen uit Psalm 61 vers 1 en 3:

 

Wil, o God, mijn bede horen;

Neig Uw oren

Naar mijn zuchten en geween.

In veraf gelegen streken,

Schier bezweken,

Zoek ik heul bij U alleen.

 

‘k Zal in Uwe tent verkeren,

Heer’ der heren,

Voor Uw oog, in eeuwigheid;

‘k Zal op U mijn vast vertrouwen

Altoos bouwen,

Door Uw vleug’len overspreid.

 

Het gebed is de ademtocht der ziel.

Het gebed is er – dat klinkt door heel deze psalm heen – om te vragen. Want als de Heere het niet geeft, wat zouden we dan hebben? Dan hebben we niets. En het gebed is er om te belijden, om te erkennen Wie de Heere voor het hart is. Wie is de Heere voor uw hart, gemeente? Voor jullie hart, jongens en meisjes? Wil je daar eens goed over nadenken?

In de derde plaats willen we nog iets zeggen over:

 

3. Het gebed om te leven

 

Eigenlijk is dat in het voorgaande al wel naar voren gekomen. Het gebed om te leven. Want zonder het gebed is er geen leven. Als we zo het leven in de omgang met de Heere niet kennen, dan moeten we ons toch eens ernstig onderzoeken.

 

Omgang met de Heere. Ik zeg niet dat dit altijd even levendig is. Maar dat is wel de begeerte van de Kerk Gods. En als ze zo eens mogen leven, dan zeggen ze: ‘O, wat is de Heere goed, wat is Hij nabij! Wat is Zijn gunst, Zijn trouw, Zijn goedheid groot!’ Daar gaat het toch om: iets van de omgang met de Heere God te mogen beoefenen? Gods verborgen omgang wordt beoefend door zielen waar Zijn vrees in woont. Wat wil dat zeggen? Niet de zonde zoeken, niet de wereld zoeken, maar de Heere zoeken. Niet het vleselijke zoeken, niet het aardse, niet het geld, niet het goed van deze wereld. Ook niet mijn mening, niet mijn standpunt zoeken, maar de Heere zoeken.

Hoe? In het Woord, in de omgang met het Woord. Op onze knieën in onze afhankelijkheid. Want als er één ding duidelijk wordt in deze psalm, dan is dat niet een dichter die het kan en die het heeft en die het weet, maar dan is het een dichter die bidt, die vraagt. Hij leeft als hij het van God krijgt en anders is hij dood. Hij moet het leven uit de Heere ontvangen, want anders is het zo dor en zo onmogelijk. Het is een voortdurende afhankelijkheid. O, dit gebed verbindt aan de Heere.

 

Wat hebben we het toch nodig dat de Heilige Geest ons drijft, dat Hij ons bearbeidt, er ons heentrekt. Lees de psalm nog maar eens van vers tot vers. Allerlei aanwijzingen worden gegeven voor het godsdienstige leven. Het is een voortdurend belijden en bidden. Het is een voortdurend worstelen en zuchten.

Soms kom je in de Schrift wel eens gebeden tegen die eigenlijk afgebroken gebeden zijn. Dan zeg je: de zin is niet af. Zo ligt het nog weleens tussen de ziel en de Heere. ‘Ach Heere’, en verder heb je geen woorden. ‘Ach Heere, help! Heere, ik weet niet wat ik zeggen zal.’ Zou de Heere het niet horen? Toen Hizkia de doodstijding kreeg, begon hij te bidden. Maar even verder zegt hij zelf dat hij niet verder komt dan piepen en kirren. Meer kan hij niet. En toch, dat is nu juist aangenaam voor God.

O, zucht dan maar tot de Heere. Kerm dan maar naar de Heere. Worstel dan maar met de Heere. Klem je dan maar vast aan het Woord des Heeren. Sommige gebeden zijn helemaal zonder woorden. ‘Zie, als het aan woorden mij ontbreekt,’ zegt de dichter van Psalm 5, ‘wat de overdenking in mij spreekt.’

 

Eén ding blijkt wel duidelijk uit deze psalm: er valt licht op het leven van de dichter. Waar ligt uw leven? Zeg eens eerlijk: wat is voor u ‘leven’? ‘Maandagmorgen begint het leven weer,’ hoor je wel eens zeggen. Zou het waar wezen? Dít is leven, zoals de dichter dat verwoordt! En dat is een leven wat de wereld niet kent, wat de wereld je wel wil afnemen, wat de duivel wel wil verwoesten, wat de zonde wil verstoren en waar ons vlees zich niet aan onderwerpt.

Maar dit is leven! Dit is leven uit God, en naar God! Het gaat om de Heere en om Hem alleen. Ik denk dat menigeen van Gods kinderen zegt: ‘Ach, werd ik derwaarts weer geleid, dan zou mijn mond U de ere geven.’

 

Waar gaat het om in dat leven? Het gaat om afhankelijk zijn van de Heere, om Hem te bedoelen, op Hem betrokken te zijn. Het gaat om verlost te worden, en dat van Hem te vragen. Om uit de verleidingen te komen, maar dat van Hem te begeren. Zonden en vijanden komen we tegen, maar vragen of de Heere wil beschermen, beschutten, behoeden en geleiden. In de persoonlijke vreze des Heeren wordt het gevonden.

De Joden hadden een feest dat ze de ‘vreugde der wet’ noemden. Als het goed ligt is dat het leven met de Heere, met het Woord des Heeren, met de inzettingen des Heeren. Dan is er een voortdurende lof van het Woord des Heeren, van de dienst des Heeren, ja, van de Heere Zelf. Dan gaat het om Hem. Dan is het op Hem betrokken.

De dichter zegt: Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen. Dat is zijn leven. Ik heb U mijn wegen verteld; alles de Heere voorgehouden. Gij hebt mij verhoord. Wat een wonder. Hoe kan dat toch? Daar zit altijd die enige Naam tussen van die Voorspraak.

 

Leer mij Uw inzettingen. Dat is de begeerte van de ziel; dat is het leven. Geef mij de weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte. Mijn ziel druipt weg van treurigheid. Ai, richt mij op naar Uw woord. Ik zal de weg Uwer geboden lopen als Gij mijn hart verwijd zult hebben. Het gaat er steeds om dat de Heere het geeft. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o Heere, Uw heil, naar Uw toezegging. Het is hem om de Heere te doen.

 

Ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. Wat is uw hoogste vermaak, gemeente? Jongens, meisjes, wat is jullie hoogste vermaak? Het leven is ernstig. Overweeg het eerlijk: het diepste geluk van het leven is je vermaken in de Heere, je verwonderen over God. Het echte, ware leven, lieven, loven is daar waar men Jezus ziet. Dat is leven. Dat is: Verblijdt u in de Heere! (Filipp.4:4)

Uit ons komt het niet voort. Wij hebben nodig dat we levend gemaakt worden, want anders zijn we dood. We hebben steeds weer nodig: Maak mij levend naar Uw woord. Maar dan mag het leven weleens zijn: ‘Gij zijt mijn vermaking, Uw Woord is mijn betrachting, Uw gemeenschap mijn verlangen, Uw liefde mijn begeerte, Uw gunst mijn lof, Uw eer het doel van mijn leven.’

 

Hier wordt het leven geleerd. Hier wordt het leven beoefend. Hier wordt het leven temeer begeerd, omdat straks het leven zal zijn: God het voorwerp van mijn lust!

Eeuwige, drie-enige God, U alleen te leven, te lieven en te loven, dat zal eeuwig leven zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 57:1

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebeên;

Want mijne ziel betrouwt op U alleen;

Mijn toevlucht is de schaduw Uwer vleug’len;

Ik berg mij daar voor alle tegenheên;

Totdat Uw macht de vijand zal beteug’len.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 20)