Ds. M. Karens - Handelingen 9 : 1 - 9

De bekering van Saulus

Zijn strijd tegen God
Zijn arrestatie door God
Zijn buigen onder God

Handelingen 9 : 1 - 9

Handelingen 9
1
En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,
2
En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
3
En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;
4
En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?
5
En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
6
En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.
7
En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
8
En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.
9
En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 77: 8
Lezen : Handelingen 9: 1-9
Lezen : Handelingen 22: 1-11
Zingen : Psalm 51: 2, 3
Zingen : Psalm 25: 4
Zingen : Psalm 32: 5

Gemeente, onder biddend opzien om de leiding van de Heilige Geest, willen wij samen nadenken over wat u gelezen is uit Handelingen 9 vers 1 tot en met 9. Ik lees u vers 4, waar het Woord van God aldus luidt:

 

En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

 

Gemeente, dit gedeelte spreekt van: De bekering van Saulus.

 

Wij letten op drie aandachtspunten:

1. Zijn strijd tegen God; vers 1 en 2: Blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren.

2. Zijn arrestatie door God; vers 3 tot en met 6: En hem omscheen snellijk een licht van den hemel; en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere?

3. Zijn buigen onder God; vooral vers 9, daar in de straat de Rechte: En hij was drie dagen dat hij niet zag, en at niet en dronk niet.

 

Dus: De bekering van Saulus. We zien: zijn strijd tegen God, zijn arrestatie door God en zijn buigen onder God.

 

1. Zijn strijd tegen God

 

Gemeente, in dit hoofdstuk lezen we over drie wonderen. Lukas beschrijft hoe Enéas, een man die acht jaar verlamd gelegen had, ging wandelen. Hij vertelt hoe Tabítha, die gestorven was, door Petrus uit de doden wordt opgewekt. Het derde wonder is de bekering van Saulus van Tarsen.

Wat zou nu het allergrootste wonder zijn van de drie? Dat een kreupele, een verlamde gaat lopen? Een ontzaglijk wonder. Dat Dorkas uit de dood wordt opgewekt? Een ongelooflijk wonder. En toch, ik durf te zeggen dat het wonder dat we overdenken, het allergrootste wonder is. Als een zondaar door Goddelijke genade wordt getrokken uit de dood tot het leven. De waarachtige bekering van een Adamskind, zegt onze belijdenis, is een wonder dat groter is dan de schepping van hemel en aarde en dan de opwekking uit de doden.

In Handelingen 8 lezen we hoe een heiden tot waarachtige bekering kwam. Een Moorman komt tot de kennis van de Heere Jezus Christus. Maar nu gaat het over de bekering van een kerkmens. Het gaat nu niet over de bekering van een heiden, maar over de bekering van een godsdienstig mens die denkt dat hij God een dienst kan bewijzen. Die denkt dat hij alles heeft gedaan wat de Heere van hem vraagt.

 

En Saulus. Dat zijn de eerste twee woorden. Er is niemand in de kerk die niet weet wie Saulus is. Die kent iedereen. Ook in de wereld hebben veel mensen weleens gehoord van Paulus. Drie keer staat zijn bekering in de Heilige Schrift. Dat is ook al wonderlijk. In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan (2 Kor.13:1). Hier in Handelingen 9 en ook in Handelingen 22 vertelt hij het zelf, en in Handelingen 26 doet hij nog een keer verantwoording. U moet thuis nog maar eens kijken hoe dit elkaar aanvult.

Er zijn echter ook schijnbare tegenstrijdigheden. Maar met de verklarende kanttekeningen erbij zijn die zo op te lossen. Ik dacht: nu gaat het er niet om, zeker als u wat ouder bent, hoe vaak u al over de bekering van Saulus hebt horen preken. Maar nu gaat het erom of wij door de Heilige Geest iets kennen van de zaken die in deze bekering verklaard worden. Nee, we hoeven niet allemaal bekeerd te worden als Saulus. De Heilige Geest gaat met elk mens een weg. Toch zeg ik dat er elementen zijn in de bekering van deze Saulus van Tarsen die al Gods kinderen zullen leren kennen. Er zullen plaatsen zijn die ze allemaal door de Heilige Geest zullen leren innemen. Daarom, o, laten we ons hart en leven er maar naast leggen, als het gaat over: En Saulus…

 

Hij was een jongeman uit Tarsen in Zuid-Turkije. Hij was een Jood. Hij stelt zichzelf voor in de Filippenzenbrief: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër; naar de ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde onberispelijk (Fil.2:5-6). Daar hebt u het CV van Saulus van Tarsen. Farizeeër, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet onberispelijk. Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af aan. Een jongen uit een gegoed gezin. Zijn ouders zijn waarschijnlijk uit Galilea weggevoerd naar Tarsen, naar Silicië, en daar hebben ze het Romeinse burgerrecht gekocht. Dat heeft Saulus ook, dat kan hij later goed gebruiken. Een gegoede familie, uit de stam van Benjamin.

 

Deze jonge Saulus is op de leeftijd van een jaar of vijftien naar Jeruzalem gestuurd, om daar op de theologische school, op de universiteit door een van de beste professoren onderwezen te worden. Hij zat aan de voeten van Gamáliël. Daar is hij onderwezen in de beginselen van de wetten van Mozes, daar is hij onderwezen in de overleveringen van de ouden, daar is hij onderwezen in Mozes en de Profeten. Daar in Jeruzalem heeft de jonge Saulus gemeend een gerechtigheid voor God op te bouwen waarmee hij voor God kon bestaan. In zijn eigen oog was hij onberispelijk in al die dingen.

Wij moeten altijd oppassen, als wij in de Bijbel lezen over farizeeërs, dan hebben we ze vaak al erg ver weggezet. Maar dat heeft de Heere Jezus nooit gedaan. Want, gemeente, onberispelijk leven, leven naar het Woord en naar de wil van de Heere, is op zichzelf niet verkeerd. Soms zou je begeren dat er meer zulke jongeren in je gemeente waren. Maar weet u wat nu zo in het leven van Saulus openbaar komt? Dat hij van dat leven naar de wetten en de geboden des Heeren, van dat voorbeeldige leven van ‘raak niet en smaak niet en roer niet aan’ een grond maakt om voor God te bestaan. Hij meent te leven tot eer van God. Hij meent te leven in de dienst van God. Hij meent zelfs Gode een dienst te bewijzen, door de kerk van Christus te verwoesten.

Hier in het leven van Saulus van Tarsen, een onberispelijk kerkmens, zien we zo blinken de eigenwillige godsdienst en de eigen gerechtigheid. Hij vervolgt de christenen. Hij strijdt tegen God! O, Calvijn zegt in zijn verklaring, als hij spreekt over Saulus: ‘Hij was opgeblazen door het vertrouwen op zijn gerechtigheid en hij schreef zichzelf het leven toe, terwijl hij toch dood was in de zonden en in de misdaden.’

 

Ik dacht: zou dat geslacht van Saulus van Tarsen uitgestorven zijn? Mensen, die vertrouwen op hun eigen gerechtigheid, en die zichzelf het leven toeschrijven, terwijl ze dood zijn in de zonden en in de misdaden…

O, dan hoor ik in de Schrift: Gij hebt de naam dat gij leeft, en gij zijt dood (Openb.3:1). We zien hier Saulus van Tarsen, in zijn eigen gerechtigheden, maar een bittere vijand van God, een bestrijder van alles wat God en Christus en de zaligheid heeft, in zijn vijandschap tegen die enige Naam die onder de hemel gegeven is.

Christus, de Heere Jezus, had gezegd tegen de discipelen: Ja, de ure komt, dat een iegelijk die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen (Joh.16:2). Nu, hier wordt dat woord vervuld, hij meende Gode een dienst te doen!

 

En Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren…

Dat woordje ‘nog’ staat er niet voor niets. Dat woordje ‘nog’ wil laten zien dat hij daar al lang mee bezig was en dat hij er mee voortgaat; nóg.

Twee keer in het vorige hoofdstuk is zijn naam genoemd. Hij stond bij de dood van Stéfanus, en hij had er een behagen in, staat er. Je kon het aan zijn gezicht zien, toen hij erbij stond, toen die christen daar werd doodgegooid met stenen. Hij heeft dat glanzende gelaat gezien, maar hij had een welbehagen in de dood van Stéfanus, die vol van de Heilige Geest was, die diaken uit Jeruzalem. De tweede keer lezen we over Saulus ook in hoofdstuk 8, dat hij rondging in Jeruzalem, en mannen en vrouwen uit de huizen sleepte, om hen te brengen voor het Sanhedrin.

Daarom staat hier het woordje ‘nog’. En Saulus blazende nog. Hij volhardt in zijn vijandschap, hij volhardt in zijn strijd. De kanttekenaren zeggen bij dat woordje blazende dreiging en moord: ‘Namelijk na de dood van Stéfanus; een gelijkenis genomen van de leeuwen of beren, een prooi najagende; of gelijk de bittere vijanden zich tegen anderen plegen aan te stellen.’

 

Calvijn schrijft: ‘Hij was als een wolf, als een verscheurend dier, dat bloed geroken heeft, die het bloed van Stéfanus geroken heeft, en die nog voortgaat blazende dreiging en moord.’ Als een brullende leeuw, als een verscheurend dier, wil hij de schapen, de slachtschapen van Jezus Christus verscheuren. De discipelen des Heeren, de leerlingen van de Kurios, de leerlingen en volgelingen van de Heere Jezus Christus, die door Zijn genade op Zijn school een plaats ontvingen. De strijd en de vijandschap van Saulus van Tarsen is gericht tegen Jezus de Heere, tegen die enige Naam onder de hemel gegeven. Hij haat alles wat zich noemt naar de Gekruiste, alles wat die Naam belijdt, ieder die zijn leven laat leiden door Hem, allen die de Heere Jezus Christus volgen. Hij belijdt als hij voor Agrippa staat: Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen (Hand.26:9). Hij meende bij zichzelf, het was zijn diepste overtuiging, dat hij wederpartijdige dingen moest doen tegen Jezus van Nazareth.

 

Hij was naar Kájafas, de hogepriester geweest. Hij had bij het Sanhedrin aanbevelingsbrieven gevraagd om naar Damascus te gaan. Daar in Damascus waren veel Joodse synagogen. Daar waren ook veel Joden tot geloof in de Heere Jezus Christus gekomen. Paulus had hiervan gehoord, en nu vraagt hij aanbevelingsbrieven met een volmacht en een opdracht, zodat hij bij die verschillende synagogen daar in Damascus ingang kan vinden, en dat hij de medewerking van die Joodse leiders krijgt om de christenen te arresteren. Om hen te binden en naar Jeruzalem te voeren. Het staat er zo treffend: En begeerde brieven van hem naar Damascus aan de synagogen, opdat zo hij enigen die van die weg waren, vond, hij dezelve, beide mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.

Zo hij ze vond! Dat betekent: hij gaat hen opsporen, hij gaat hen zoeken, en hen arresteren en wegvoeren.

De omschrijving is eigenlijk heel wonderlijk: die van die weg waren. Die van die leer waren. Die door Goddelijke genade zijn wedergeboren. Mensen die door het zaligmakend geloof, door het geloof in Jezus Christus Hem leerden volgen. Die van die weg waren. Van die gehate sekte, van de sekte van de Nazarener. Er staat in het veertiende vers: die Uw Naam aanroepen. Deze mensen waren dus te herkennen als degenen die de Naam van de Heere aanriepen.

 

Gemeente, ze waren van die weg. Ik zou haast ‘Weg’ met een hoofdletter schrijven! Ze mochten door Goddelijke genade toebehoren aan Hem, Die zegt: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6). Ze waren op de weg des geloofs door Goddelijke genade geleid. Ze waren overgezet van de brede weg, door een wonder van Gods opzoekende liefde, op de smalle weg die ten leven leidt. Door de enge poort van de wedergeboorte. Ze waren van Adam afgesneden en door het geloof Jezus Christus, Die de Weg is, ingelijfd.

Die van die weg waren. Mag ik u iets vragen? Bent u ook al van die weg? Er zijn maar twee wegen: óf u bent op de brede weg, u bent van nature wandelend op de brede weg naar het eeuwig verderf, misschien wel uiterst rechts, maar toch op de brede weg, óf u mag door Goddelijke genade getuigen dat er een wonder in uw leven gebeurd is. Een wonder van opzoekende liefde. Dat u werd stilgezet en overgebracht op de smalle weg, die ten leven leidt.

Wandel jij nog op de weg naar het eeuwige verderf? O, vraag dan: ‘Heere, doe mij toch met vaste schreden de weg ter zaligheid betreden!’ Of behoor je bij die Weg? Hebt u Jezus Christus, de Zaligmaker, door het geloof leren kennen? Want die van Hem zijn, die worden wel bestreden. Het is wel een weg waarop doodsvijanden hen benauwen. Toch is het een veilige weg. Een zalige weg! Het is de weg die naar boven leidt.

 

Nu staat er nog iets treffends: beide mannen en vrouwen. Dat tekent ons hoe fanatiek Saulus van Tarsen is. Dat tekent ons zijn ongekende felheid, want in die tijd werden bij godsdienstige zaken vrouwen eigenlijk niet zo meegeteld. In die tijd werden mannen verantwoordelijk gehouden voor godsdienstige zaken. Maar Saulus wil zelfs weerloze christenvrouwen boeien en wegvoeren.

 

Gemeente, zijn strijd tegen God wordt getekend in deze eerste twee verzen. En nu de vraag: hebben wij onszelf al leren zien in onze vijandschap en strijd tegen God? Hebben wij door het licht van de Heilige Geest al gezien dat wij de wapens hebben opgeheven tegen God, onze Schepper?

Het is strijd vanuit Genesis 3. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad (Gen.3:15). Van nature staan wij allemaal aan de kant van het slangenzaad met de wapens naar de hemel. Ik ben van nature geneigd God en mijn naasten te haten.

 

Misschien zegt u: ‘Ja maar, neem me niet kwalijk, maar als ik echt een vijand van God was, dan zat ik toch nu niet hier in de kerk. Als ik echt een vijand van God en van Christus, van het kruis en het bloed was, dan leefde ik mij nu uit op andere plaatsen.’

Let op: het gaat over de bekering van een kerkmens. Een kerkmens die strijdt tegen God. Want als de Heilige Geest ons gaat leren wie we zijn, dan ga je zien: onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. We denken misschien wel – net als Saulus – God nog een dienst te bewijzen met ons leven. Maar als het Woord van God kracht doet in je hart en het licht van de hemel je gaat omschijnen, dan gaan we de werkelijkheid van ons leven zien. Een vijand van vrije genade. Een vijand om zalig te worden door het bloed van een Ander, om zalig te worden door een Borg. Jezus is een ergernis en een dwaasheid! In mijn godsdienstige bestaan wil ik wel zalig worden, maar niet in de weg die God heeft uitgedacht. Ik bouw mijn zaligheid en het huis van mijn hoop op het zand. Op het zand van mijn ijver, op het zand van mijn levensverandering, op het zand van mijn goede werken en mijn gerechtigheden.

O, van nature moet ook een rechtzinnig kerkmens niets hebben van zalig worden alleen door de Heere Jezus Christus. Die weg, die enige weg der verlossing is in de eeuwigheid uitgedacht en wordt ons in het evangelie geopenbaard. Gemeente, dan is ons leven net als Saulus van Tarsen. Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek. Maar dan zegt de Heere tegen u: Gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt (Openb.3:17).

Als de Heere in ons leven gaat schijnen met het alles doorstralende licht van de Pinkstergeest, dan gaan we zien: ik ben ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt!

 

Daar gaat Saulus! In zijn strijd tegen God jaagt hij, blazend en dreigend, op weg. Hij is bijna bij Damascus. Is het nu hopeloos met zo één? Is het nu reddeloos verloren met zo’n kerkmens in zijn strijd tegen God? Ja, tenzij…! Tenzij Gods ontfermende genade ingrijpt in ons leven. Tenzij de Heere in Zijn vrijmachtige gunst een zondaar gaat arresteren. Ja, het is hopeloos met zo’n kerkmens, tenzij God hem door Zijn Geest vernieuwt. God wil vanuit het eeuwige welbehagen, door Zijn eeuwige liefde, nog vijanden met Zich verzoenen. Vijanden kunnen nog zalig worden. Vijanden wil Hij wassen in het bloed van de Heere Jezus Christus. Daarom is er verwachting, zelfs voor een rechtzinnig mens die steunt op zijn eigengerechtigheden. Daarom is er ook verwachting voor een jongen of meisje die als een vijand en een goddeloze over de wereld gaat. Want zo’n wonder zien we in ons tweede aandachtspunt:

 

2. Zijn arrestatie door God

 

En als hij reisde, is het geschied dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van de hemel; en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

Je ziet ze in je gedachten gaan. Saulus, vergezeld door een paar van de tempelpolitie en met aanbevelingsbrieven van het Sanhedrin op zak. Hij heeft de doodsvonnissen van Gods lieve kinderen in Damascus op zak. Ze zijn er bijna! Ze hebben de kortste weg genomen, over Samaría, door de vlakte van Jizreël. Dan zo langs de Eufraat, over de handelsroute in de richting van Damascus. Het is een 230 kilometer, een dag of vijf, zes reizen.

Ze naderen Damascus. Het doel is bijna bereikt. Het is midden op de dag. Op het heetst van de dag. Normaal gaan reizigers dan altijd rusten. Als de zon op het hoogst aan de hemel brandt, gaan reizigers niet verder. Maar ook dat tekent het fanatisme, de bloeddorst van Saulus van Tarsen. Hij gaat door op het heetst van de dag.

 

Ik dacht bij mezelf: hoe zou het in Damascus geweest zijn? Hoe zou de gemeente van Christus in Damascus dit beleefd hebben? Want ze hadden gehoord dat Saulus onderweg was, blazende dreiging en moord. Ze hadden gehoord wat hij in Jeruzalem allemaal gedaan had.

Ik denk dat de gemeente van Damascus is samengekomen. Die kinderen van God hebben gesmeekt naar de hemel. Dat is toch de beste weg. Dat is toch de beste plaats, als alles u bestrijdt, als de doodsvijanden niet ophouden u aan te vechten. Er blijft toch in het leven van de Kerk vaak maar één weg over. De weg naar boven! Je ziet in je gedachten de gemeente in Damascus bij elkaar. Je hoort ze roepen:

 

Twist met mijn twisters, Hemelheer;

Ga mijn bestrijd’ren toch tekeer;

Wil spies, rondas en schild gebruiken,

Om hun gevreesd geweld te fnuiken.

 

Zij lopen als een stroom de Heere aan:

 

Geef ’t wild gediert’, dat niets in ’t woên ontziet,

De ziele van Uw tortelduif niet over;

Laat, grote God, om een gehate rover,

Uw kwijnend volk niet eeuwig in ’t verdriet.

 

O, de weg van het gebed is een machtig wapen! Het gebed van de rechtvaardige vermag veel. Kijk maar wat het vermag: voor de poorten van Damascus ligt die blazende, dreigende moordenaar in het stof. Het is geschied! Het is echt gebeurd. Nee, niet om hun gebed, maar: Op uw noodgeschrei deed Ik grote wond’ren.

 

Weet u ervan in uw leven, in het natuurlijke leven of in het geestelijke leven, dat de Heere wonderen deed op uw noodgeschrei? We hebben ervan gezongen:

 

Ja, Gij zijt die God Die d’ oren

Wond’ren doet op wond’ren horen.

 

Het is geschied. Gods vinger schreef de geschiedenis. Het is geschied dat hem snellijk een licht van de hemel omscheen. Snellijk, plotseling, op het alleronverwachts omscheen Saulus een licht van de hemel. Hoort u, dat licht kwam uit de hemel. En dat licht ‘omscheen’ hem. De kanttekenaren zeggen: het ‘ombliksemde’ hem, het ‘omstraalde’ hem. Er was geen kant waar dat licht niet scheen. Hij zegt later: Het was een licht, boven de glans der zon (Hand.26:13).

Nog een groter licht dan het licht van de zon die op middaghoogte stond. Het omscheen hem van alle kanten, rondom. ‘k Wou vluchten, maar kon nergens heen…

 

Gemeente, dit licht, dat uit de hemel kwam, predikt ons het licht van Gods majesteit, Gods gerechtigheid en Gods heiligheid. O, het laat ons iets zien Wie Hij is, Die een ontoegankelijk licht bewoont. Want onze God is een verterend Vuur en een eeuwige Gloed, bij Wie niemand wonen kan. O, hem omscheen een licht van de hemel, als een teken van Gods tegenwoordigheid!

Weet u wat nu zo’n wonder is? Dit licht komt niet om Saulus te verteren. Dat is hij waardig! Dat zouden wij kunnen begrijpen. Zo’n moordenaar, zo’n wolf, die de schapen van Christus verscheurt… Maar nu gaat dit hemelse licht hem omschijnen, niet om hem te verteren, maar om hem te behouden, om hem te zaligen, om hem te redden.

O, een licht, een bovennatuurlijk licht. In dit licht laat God iets zien van Zijn heiligheid, van Zijn rechtvaardigheid, maar in dit licht komt ook de Goddelijke genade, de Goddelijke ontferming openbaar. Later schrijft Paulus aan de Korinthiërs: Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor.4:6).

 

Het uur van Gods welbehagen is aangebroken. Het uur van Gods eeuwige, ontfermende liefde tot een vijand. Daar voor de poorten van Damascus velt God hem neer, arresteert God hem, komt het arrestatiebevel bij Saulus van Tarsen. Toen Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, met al uw vermeende eigen gerechtigheid, vertreden zijnde in uw bloed, en er had geen oog medelijden met u, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef (Ez.16:6).

Wat is het een genadewonder, wat is het een ontzaglijk wonder van Gods opzoekende liefde. We worden niet allemaal bekeerd als Saulus van Tarsen. Maar dit kent ieder van Gods kinderen in zijn leven: Ik ben de Eerste! Ik ben de Alfa. De zaligheid gaat van God uit. God vraagt naar degenen die nooit naar Hem vragen. De Heere gaat in Zijn Goddelijke genade hen opzoeken, oprapen en stilzetten op de levensweg. Want hier zien we het. O, als de Heere ons zou laten doorhollen op de brede weg, ook de weg van eigenwillige godsdienst en eigen gerechtigheid, dan zou Saulus van Tarsen rechtstreeks naar de buitenste duisternis zijn gereisd. Met al zijn godsdienst! Dan zou hij zijn weggezonken met al zijn eigen gerechtigheid in de eeuwige rampzaligheid. Dan had deze farizeeër zijn ogen opgeslagen in de hel.

Maar nu omscheen hem een licht van de hemel. O, de opzoekende liefde van God, die opzoekende, ontfermende liefde, zet hem stil! Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden) (Ef.2:4-5).

 

Een licht omscheen hem. In dat licht van de hemel gaat Saulus leren Wie God is in Zijn algenoegzaamheid, wie Saulus is in zijn vloekwaardigheid en Wie Jezus is in Zijn dierbaarheid.

In de waarachtige bekering valt er een licht uit de hemel in je leven en dat gaat je omschijnen. Is dat gebeurd in uw leven? Kijk eens terug. Is er een ogenblik gekomen waarvan u mag belijden: ‘Ik was eertijds duisternis, maar God zei: er zij licht!’

Toen ging u zien: waar ben ik mee bezig? Dag en nacht bezig voor de dingen van de tijd. Toen ging je zien, jonge vriend: waar ben ik mee bezig in het licht van de eeuwigheid? Toen ging allerlei rommel je kamer uit. Toen ging u zien: waar ben ik mee bezig in het licht van de eeuwigheid?

 

Daarom een eenvoudige vraag: kreeg u ooit met God te doen? Jonge vrienden en vriendinnen, zeg nu eens eerlijk: Wie is God voor jou ? Is dat G-o-d? Alleen drie letters, die je van je vader en moeder gehoord hebt, die je op school hoort, die je elke zondag in de kerk hoort, die je in de Bijbel leest. En dat je moet zeggen: ‘Ik kan me er verder eigenlijk niets bij voorstellen’? Dat is de ontzettende werkelijkheid, ook bij veel kerkmensen. Geen ware kennis van God.

Maar als nu dat licht van de hemel je gaat omschijnen en de stem van God wordt gehoord, dan wordt God een levende werkelijkheid. Dan krijg je echte kennis van God, kennis van jezelf en kennis van Zijn heiligheid en van Zijn majesteit. O, dan verdwijnt al ons vermeende dienen als sneeuw voor de zon. Jesaja roept uit: ‘Wee mij dat ik zo gezondigd heb’, als hij die heilige God aanschouwt. Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is (Jes.6:5).

 

Wee mij! Bij het hemelse licht, dat Saulus van Tarsen voor de poorten van Damascus ombliksemt en omstraalt, moeten we vergaan. Dan gaat heel ons uitwendige kleedje van onze godsdienst aan flarden. Dan wordt het persoonlijk beleefd: Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid (Spr.11:4). Al had je een gerechtigheid als de farizeeërs en de schriftgeleerden, je kunt voor God niet bestaan.

Is het ooit in je leven gebeurd dat je voor God als een afgekeurd mens in het stof op de aarde lag? In de doorleving: al mijn werken onvolkomen en met zonde bevlekt. Dan wordt heel je leven zonde, dan wordt zelfs je godsdienst zonde. Dan word ik een vijand, een doelmisser, die al Gods geboden overtreedt, geen daarvan gehouden heb, en nog tot alle boosheid geneigd is.

 

Zo komt Saulus aan de weet dat hij voor God niet kan bestaan. Weet je wat er dan gebeurt? Ter aarde gevallen zijnde, staat er.

Hebt u weleens in de Bijbel gelezen dat er een farizeeër in het stof lag? De kanttekenaren zeggen: ‘Uit schrik, uit verbaasdheid en uit vrees.’ Ter aarde gevallen zijnde. Daar ligt Saulus van Tarsen voor God, dodelijk getroffen door een pijl van de Ruiter op een wit paard, Jezus Christus. Een pijl gedoopt in de eeuwige, Goddelijke liefde, die treft in zijn hart.

Dodelijk getroffen, gaat Saulus uitroepen: Wie zijt Gij, Heere? En: Wat wilt Gij dat ik doen zal? Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? Hij is neergeveld ter aarde, overweldigd door Goddelijke majesteit, overweldigd door Goddelijke kracht, ingewonnen door Goddelijke liefde.

 

Het briesend paard moet eind’lijk sneven,

Hoe snel het draav’ in ’t oorlogsveld.

 

De mannen staan er bij. In vers 7 staat dat ze wel de stem horen. In een ander hoofdstuk staat weer dat ze de stem niet hoorden. Het is schijnbaar tegenstrijdig. Dat is heel gemakkelijk op te lossen, want voor stem en geluid staat ‘phonè’ in het Grieks. Dat is allebei hetzelfde woord. Dus ze hebben wel een geluid gehoord, maar ze hebben de boodschap niet verstaan. Ze hebben niet gehoord waar het over ging. Dat is wonderlijk! Saulus hoort wel een stem uit de hemel, als hij daar ligt in dat alles doorstralende licht. Hij hoort de stem van God, Die zegt: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? God spreekt tot hem, heel persoonlijk.

 

Gemeente, dat gebeurt nog, niet meer uit de hemel; sta maar niet naar bijzondere visioenen en openbaringen. Maar God spreekt ook vandaag nog, heel persoonlijk, door Zijn Woord en door Zijn Geest. De Heere wil onder de verkondiging van het Woord inwendig roepen door de Geest. O, Zijn stem klinkt en daar wordt ook onze naam wel genoemd. Saul, Saul. Met nadruk. Tweemaal. Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

De stem van God. O, als de Heere een mens gaat bekeren, dan ga je Zijn stem horen. Levenwekkend! Weet u wat nu het wonderlijke is? Die anderen mannen staan er allemaal om heen en hebben geen stem gehoord. Zo is het nu nog, je hebt soms een kerk vol met mensen, en die horen wel een geluid, maar die verstaan het niet. En er zit er één in de kerk bij wie God naar Zijn soeverein welbehagen dat licht in zijn leven laat schijnen en Zijn stem laat horen.

De ure komt en is nu, dat doden zullen horen de stem van de Zoon van God en zij zullen leven. Geestelijk leven. En die anderen in de kerk horen niets. Die anderen staan erbij en die bespeuren wel dat er vreemde dingen gebeuren, als Saulus daar op de straat ligt.

Zo kan het nog zijn: wat is er gebeurd in het leven van die jongen of dat meisje, die man of die vrouw? Maar ze verstaan het niet. De betekenis verstaan ze niet.

Hij hoorde een stem. Is dat in uw leven weleens gebeurd, dat u mocht horen, dwars door de verkondiging van een mensenkind heen, de stem van God? Weet u wat er dan gebeurt? Dan ga je zeggen: ‘Het lijkt net alsof de dominee heel anders preekt.’ Dan ga je je afvragen: ‘Stond dat nu vroeger ook in de Bijbel? Nooit gelezen, altijd overheen gelezen.’ O, dan gaat die stem spreken door Woord en door Geest.

 

Hier klinkt een heel persoonlijke en ontdekkende vraag: Wat vervolgt gij Mij?

Die twee: die gij, Saulus van Tarsen en die Mij, Jezus Christus. Hij vervolgt toch de discipelen? Ja, maar Christus zegt: ‘Als je aan Mijn kinderen komt, kom je aan Mij.’ Daar ligt een hele troostvolle gedachte in. Christus zegt dus: ‘Saul, Saul, je vervolgt niet alleen Mijn Kerk, je vervolgt niet alleen de christenen in Damascus, maar je komt aan Mij. Je haat en je vijandschap richt zich op Mij. Wat vervolgt gij Mij, Die zo goed voor je bent? Wat vervolgt gij Mij, Die je nog draagt en spaart? Wat vervolg je Mij, die goeddoende God? O, wat vervolg je Mij?’

De vijandschap wordt hier opengelegd. Christus bedoelt eigenlijk: ‘Saul, geef nu eens rekenschap! Waarom bestrijd je Mij? O, geef nu eens rekenschap, wat heb je tegen Mij, die Schoonste van alle mensenkinderen? Wat heb je tegen Mij, Die gekomen ben om te zoeken en zalig te maken wat verloren is? Wat heb je tegen Mij, Die de zaligheid aan goddeloze vijanden kan wegschenken? Wat heb je tegen zo’n Redder en Verlosser?’

 

Dodelijk getroffen ligt Saulus daar en hij vraagt: Wie zijt Gij, Heere? O, dat is wat, al jaren in Jeruzalem aan de voeten van Gamáliël de Schriften bestudeerd. Een intelligente theologiestudent, goed thuis in de Schriften van Mozes en de Profeten. Maar niet weten Wie de Heere is! Wie zijt Gij, Heere?

Gemeente, ook hier zien we dat het gaat om kennis met ons hart. Zeker, we moeten onderzoeken en we moeten de Bijbel bestuderen, maar hoe nodig is het dat de Heilige Geest ons bevindelijke kennis leert. In al zijn onwetendheid klinkt de vraag: Wie zijt Gij, Heere?

Dan krijgt hij te horen: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Ik ben Jezus, die gehate Nazarener! Weet u wat dit betekent voor Saulus? Dan is het voor Saulus verloren. Want Jezus leeft dus. Jezus, die verachte Nazarener, is opgevaren in de hemel en regeert aan de rechterhand Gods. Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Nu kan Saulus alleen verwachten: ‘Breng hem hier en sla hem voor Mijn voeten dood, die Mij heeft veracht, bestreden, die niet heeft gewild dat Ik Koning over hem zijn zal.’

 

Jezus leeft aan de rechterhand van de Vader. Dat betekent Saulus’ dood. Nu stort heel zijn godsdienstige wereld in. Saulus gaat beleven dat hij een vervolger, een vijand, een goddeloze, een verdrukker is van Jezus en Zijn schapen. Christus gebruikt een beeld: Saul, je bent net als zo’n os voor de ploeg, die voortdurend achteruit trapt. Waarom doe je dat nu, telkens opnieuw achteruit trappen? Zo wordt Saulus aan zijn schuld en verlorenheid ontdekt. Dat zien we ook nog in onze derde gedachte. Daar overdenken we hoe Saulus in Damascus terechtkomt en dat hij daar mag buigen onder God! Maar eerst zingen we Psalm 25 vers 4:

 

               ’s Heeren goedheid kent geen palen;

               God is recht, dus zal Hij door

               Onderwijzing hen die dwalen,

               Brengen in het rechte spoor.

               Hij zal leiden ’t zacht gemoed

               In het effen recht des Heeren;

               Wie Hem need’rig valt te voet,

               Zal van Hem Zijn wegen leren.

 

3. Zijn buigen onder God

 

Daar voor de poort van Damascus ligt Saulus bevend op de grond. De soldaten staan eromheen. Daar klinkt voor het eerst in zijn leven de vraag: Wat wilt Gij dat ik doen zal? Zijn verzet is gebroken. Altijd wist hij wat hij wilde. Altijd meende hij te weten wat God wilde. Maar hier zijn de wapens uit handen. Hij geeft zich onvoorwaardelijk over aan God. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?

Gemeente, ik durf te zeggen dat deze vraag de eerste is in het leven der genade. Als God in je leven gaat werken, dan wordt de eerste vraag: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ Of: ‘Wat moeten we doen, mannen broeders, opdat we zalig worden?’ Hoor de cipier van de gevangenis in Filippi uitroepen: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde? (Hand.16:30).

Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Weet u nog in uw leven, toen dat genadewonder gebeurde? Altijd wist u het precies! Maar toen wist u het niet meer. Heere, zegt U het maar, hier ben ik. Het is een onvoorwaardelijke overgave. In de waarachtige bekering, als je verstand wordt verlicht en je hart wordt vernieuwd en je wil wordt vernieuwd en gebogen om te willen wat God wil, dan komt de bede:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

’k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart, en voeg het saam

Tot de vrees van Uwen Naam.

 

Johannes Calvijn schrijft: ‘Als door een plotselinge lichtstraal zag ik in welk een afgrond van dwalingen en vuilheid ik mij bevonden had. Zo deed ik, o Heere, wat mijn plicht was, en ik begaf mij verschrikt en met tranen, mijn vroegere leven verdoemend, op de weg van Uw Goddelijke wil.’

Gemeente, heeft u het weleens verloren voor God? Heeft u, heb jij leren capituleren aan Zijn voeten? Altijd op de been gebleven, maar nu op de grond, door al mijn godsdienst heen gezakt, al mijn eigen gerechtigheden aan flarden, vastgelopen. Want gemeente, dat is echt noodzakelijk wil de Christus der Schriften, de Zaligmaker en Verlosser, echt waarde, noodzakelijkheid en beminnelijkheid krijgen in uw hart. Zijn we weleens verloren gegaan in eigen oog voor God? Want o, soms schrik je, dan zijn mensen behouden zonder ooit verloren te zijn gegaan! Dan menen mensen eeuwig zalig te worden, zonder ooit geleerd te hebben rampzalig te zijn in zichzelf.

Daarom, hoe nodig is het dat de Heilige Geest ons dat telkens leert, dat wij niet meer weten hoe het moet. Misschien zit er zo’n jongere in de kerk: ‘Hoe kom ik ooit met God verzoend? Ziende op wie ik ben voor God, in dat hemelse licht dat mij omschijnt, Heere, is er nog een middel om in genade hersteld te worden?’

Zulke strafwaardige zondaren gaat de Heere onderwijzen. De Heere gaat Saulus onderwijzen, want als hij vraagt: ‘Wat moet ik doen?’, zegt de Heere: ‘Dit moet je doen: Sta op en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet.

Er is een groot verschil. Ik hoor bijvoorbeeld Kaïn, Ezau en Judas ook over schuld en verlorenheid spreken. Maar die roepen uit: ‘Mijn schuld is groter dan dat hij vergeven kan worden.’ Die vragen niet: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Maar hier gaat de Heere in beginsel Saulus onderwijzen in de weg van de zaligheid. ‘Ga naar Damascus, naar de straat de Rechte, en daar zul je nader onderwijs ontvangen.’

 

Weet u wat ik altijd zo merkwaardig vind? De Heere had toch ook hier tegen Saulus kunnen zeggen: ‘Ik ben Jezus. Ik ben gekomen voor jouw zaligheid. Ik wil ook jouw schuld verzoenen.’ Maar dat moet straks een onbekende discipel uit Damascus zeggen. De Heere gebruikt daar de ambtelijke dienst voor. Ananías wordt gebruikt om straks in Saulus’ leven de weg der verlossing in Christus te openbaren.

Daarom moet Saulus naar Damascus naar een huis in de straat de Rechte. Straks kruipt hij er over de grond. Hij zag niet, hij at niet en hij dronk niet. Opdat straks Ananías, van God gezonden, gebruikt mag worden om de schellen van de ogen te nemen. O, dan zien we dat de Heere daar ook de dienst van Zijn knechten voor wil gebruiken. We weten verder eigenlijk niets van deze Ananías. Maar de Heere wil hem gebruiken om Saulus van Tarsen Christus te openbaren door de Geest.

 

Hoe gaat Saulus de hoofdstad van Syrië binnen? Hij had gedacht, blazende dreiging en moord, de brieven op zak, zo de poorten van Damascus binnen te gaan om de gemeente te verwoesten. Hij kon ze echter helemaal niet meer vinden. Hij was stekeblind. Hij kwam niet binnen in Damascus als een overwinnaar en een verwoester, maar hij moest aan de hand worden geleid, want hij was blind.

De kanttekenaren zeggen dat er als het ware schubben op zijn ogen waren, schellen voor zijn ogen. Hij zag niets meer. Het was buiten nacht en binnen stikdonker! Hij was blind, lichamelijk blind, maar geestelijk ziende door dat hemelse licht. Hij zou kunnen zeggen: ‘Eén ding weet ik, dat ik blind was en dat ik nu zie.’ Zonder de wet, zo leefde ik eertijds, dat dacht ik, maar als het gebod gekomen is, daar bij Damascus, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven (Rom.7:9).

Ze brengen Saulus in de straat de Rechte in het huis van ene Judas. De meeste verklaarders denken dat het een herberg is in de straat de Rechte. Deze straat is er nog in Damascus. Een heel belangrijke straat die Damascus doorsnijdt van oost naar west. Daar in een huis brengen ze Saulus van Tarsen en daar blijft hij drie dagen en drie nachten.

Gemeente, als ik het kort mag samenvatten, daar is Saulus van Tarsen helemaal alleen met God. Daar gaat God in het leven van Saulus doen ervaren dat Zijn doen rein is en Zijn straf volkomen rechtvaardig. Daar gaat de Geest van Christus hem doen buigen onder God. Want zaligmakende overtuiging is nodig in ons leven, maar ook zaligmakende overbuiging. Hier laat de Heere hem gevoelen in de straat de Rechte dat God rechtvaardig is, dat God ten hoogste rechtvaardig is en dat Hij met de zondaar geen gemeenschap kan hebben. Daar gaat Saulus gevoelen dat al zijn beste werken verwerpelijk zijn. Goed doet geen nut, en dat is een nodige les, wie we ook zijn, om te leren zoals Robert Murray McCheyne:

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed; Daar werd al mijn deugd – al mijn bidden, al mijn oudvaders lezen, al mijn kerkgaan, al mijn goede dingen – een wegwerpelijk kleed.

 

O, daar in de straat de Rechte gaat God schrijven op het leven van Saulus van Tarsen: MENÉ, MENÉ, TEKEL, UPHARSIN (Dan.5:25). In de weegschalen van Gods heilige recht alles onvolkomen. Gewogen, gewogen, maar te licht bevonden! Dan noemen de mensen u misschien zwaar, maar bij God te licht bevonden. Dan zal alle hoop ons gans ontvallen en niemand zorgt voor mijn ziel. Daar doorleeft Saulus:

 

Ik lig (!) gekneld in banden van de dood;

Daar d’ angst der hel mij allen troost doet (!) missen.

 

Alle grond onder zijn leven kwijt. Geen bestaan voor de heilige, rechtvaardige God.

 

Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog;

Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.

 

Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’;

Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten;

Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

 

O, dan mogen ze weten dat God barmhartig is, maar als de Heere meer en meer om Zijn recht komt, dan wordt doorleefd: Aangezien ik dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend heb, is er enig middel, waardoor ik deze straf zou kunnen ontgaan en wederom tot genade komen? God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede! Er moet betaald worden voor de hemelhoge schuld. O, zie Saulus van Tarsen worstelend met God.

Dominee Alexander Comrie schrijft ergens: ‘Kennis van onze ellende is van het hoogste belang. Er is een Fundament buiten ons, namelijk Christus Jezus. Door de inlijving in Hem wordt men een levende steen. Maar er is ook een fundament in ons, en dat wordt gelegd in de zaligmakende kennis van onze ellendige, zondige en verloren toestand in onszelf. Hier nu is het onderscheid tussen waar en tussen schijnwerk. O, zo gij niet willens uzelf wilt bedriegen of u met as voeden en met een leugen in uw rechterhand verloren gaan, sta dan ook veel naar deze bevindelijke kennis en naar dit waarachtige gezicht van uw zonde, uw ellende en verlorenheid.’

Ja, het fundament van de zaligheid is Jezus Christus en Die gekruisigd, maar dat krijgt pas waarde als de Heere ons inleidt in onze verlorenheid en schuld.

 

Zo ligt Saulus van Tarsen in het huis van Judas drie dagen en drie nachten. Maar in die drie dagen en drie nachten is Saulus verloren gegaan onder God. Daar is de farizeeër een tollenaar geworden. Daar bleef over het recht van God billijken. Ook een kermen om ontfermen, om genade.

 

Zie op mij in gunst van boven;

Wees mij toch genadig, Heer’;

Eenzaam ben ik en verschoven.

 

Straks wordt er tot Ananías gezegd: Zie, hij bidt. O, Saulus had wat afgebeden. Op de hoeken van de straten in Jeruzalem had hij gestaan als jonge farizeër. Hardop gebeden en de mensen bleven staan. Kostelijk bidden kon die jongen, kostelijk…

Maar de God van de hemel zei: ‘Doe dat getier van voor Mijn aangezicht weg!’ Nu ligt hij in de straat de Rechte op de grond. Hij ziet niet en hij eet niet en hij drinkt niet. En dan zegt God: ‘Hoor, zie, hij bidt!’ Zo leert hij zijn nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Zo leert hij vluchten tot de genadetroon, zo leert hij smeken tot de levende God.

 

Weet u wat ik dacht? Hij zag niets, maar toch zag hij zo ontzaglijk veel. Hij at niet, en toch hongerde hij naar de gerechtigheid van Christus. En hij dronk niet, maar hij dorstte naar levend water uit de Heilsfontein. O, zijn leven lag verklaard in een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, naar de vergeving der zonden, naar de genade, naar de ontferming.

De Heere gaat hem een bemoediging geven. Want in de nacht, in die nachten van worstelen voor God, ziet hij een gezicht. De Heere laat Saulus zien dat straks Ananías komt en dat hij de handen op hem zal leggen en dat hij de ogen zal openen.

Zo zal God een mens in al zijn verlorenheid en schuld, ook vandaag, niet laten omkomen. Hij zal bemoedigen op Zijn tijd. Want Hij laat Zijn kwijnend volk niet eindeloos in het verdriet. Dan mag er soms vanuit het Evangelie gehoord worden dat er een weg is buiten zichzelf. O, dan mag er weleens gehoord worden dat de Zon der gerechtigheid straks zal opgaan.

 

Ananías zal komen! Nee, de Heere geeft zo iemand niet over in de eeuwige dood, want Hij woont in het hoge en in het verhevene, maar Hij woont ook bij dien die van een verbroken hart en een verbrijzelde geest is, die daar neerligt voor God in al zijn zonde en schuld. Daar gaat de Heere het heilgeheim openbaren. Dan zal de Heere in de duisternis het licht van de verlossing doen opgaan. Straks komt Ananías en hij mag in de Naam van God de verlossing en de zaligheid in Jezus Christus aan Saulus verkondigen.

Daar in de straat de Rechte, in de nacht van verlorenheid, behaagt het God Zijn Zoon, Zijn Zoon Jezus Christus, in Saulus’ hart te openbaren (Gal.1:15-16). Dan zullen Saulus de schellen van de ogen vallen: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes.53:6).

Dan mag in zijn leven de Zon der gerechtigheid opgaan. Dat Licht, zo groot, zo schoon, gedaald van ’s hemels troon. O, dan mag die Hij, Die het Licht der wereld is, Jezus Christus, voor Saulus álles worden. Zo krijgt hij daar in de straat de Rechte een Borg voor zijn schuld en een God voor zijn hart. Een wonder van Gods eeuwige liefde!

 

Ananías krijgt de opdracht om hem te dopen. Saulus ontvangt een teken en zegel op zijn vergeving der zonden. Een teken en zegel van de afwassing van zijn hemelhoge schuld. O, Ananías mag hem verkondigen wat er zal gebeuren. De Heere laat Zijn kinderen weleens bemoedigen in het strijdperk van dit leven. Ze mogen weleens horen:

 

Berust in ’s Heeren welbehagen;

Hij doet welhaast uw heilzon dagen.

Uw hoop herleev’, naar Zijn gebod;

mijn Redder is mijn God!

 

Dan roept de Heere hen toe:

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot.

 

Ananías mag straks verkondigen dat er Een is gekomen, Die nooddruftigen zal verschonen; aan armen, uit genâ, Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen gâ. Dat er Een is gekomen, Jezus van Nazareth, Die een gerechtigheid heeft verworven op het vloekhout van Golgotha. Een gerechtigheid die overvloediger is dan van de schriftgeleerden en de farizeeën. Een volkomen borggerechtigheid, die door de Heilige Geest wordt toegerekend en geschonken. Straks mag Saulus, die vijand van Jezus, opstaan en dan mag hij in het geloof belijden:

 

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,

Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.

 

O, wat een vreugde is er dan in de ziel. De lofzang klinkt in de straat der Rechte: ‘Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; de Heer’ is groot, genadig en rechtvaardig, en onze God ontfermt Zich op ’t gebed.’

 

Gemeente, de bekering van een kerkmens. We overdachten een bekende stof. De bekering van Saulus van Tarsen. Wat een ontzaglijk wonder van Gods ontfermende genade.

U bent het toch wel met me eens dat van de drie wonderen uit Handelingen 9 dit het grootste wonder is? Zo’n groot wonder, een wonder van God, is in ons aller leven nodig op weg naar de eeuwigheid. Nu smeek ik u, als een gezant van Christus: bedel toch straks op je knieën voor je bed of dit hemellicht je mag omstralen. Of je mag zien op welke weg je bent. Op de brede weg van God af. Op een weg buiten en zonder God, geen hoop hebbend, vreemdeling van de verbonden der belofte.

Smeek maar, aanhoudend: ‘O God van Saulus, zou U ook mij willen arresteren, zou U mij stil willen zetten op mijn levensweg?’ Want we krijgen allemaal een keer met deze Jezus te doen. In de dag aller dagen, als Hij komt om te oordelen! Dan zult u horen, als u hier als een vijand van God bent voortgegaan, als u als een kerkmens in eigen gerechtigheid staande bent gebleven, dan zult u straks van Hem horen op de wolken des hemels: ‘Ik ben Jezus, Dien gij hebt vervolgt, Die jij niet nodig had, Die jij altijd hebt veracht, Die jij hebt doorstoken. Ik ben Jezus, Die u toen als Redder is verkondigd, maar Die nu de Rechter is.’

Dan zal er maar één gebed overblijven. Te laat bidden! En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit en van de toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen en wie zal bestaan? (Openb. 6:17).

Maar nu is nog het heden van de genade! Nog komt de Heere in het Evangelie en Hij roept het vijanden toe: ‘Gij afkerige kinderen, keer nochtans weder, en Ik zal uw afkeringen genezen!’ Hij roept het vijanden toe, dat er bij Hem genade, ontferming is voor de grootste der zondaren. Hij spreekt nog door Woord en Geest. Vraag maar of je met Saulus van Tarsen ter aarde mag vallen, en aan Zijn voeten genade mag ontvangen. Vraag maar of Hij de wapens uit handen neemt! Dan zal er op deze dag blijdschap zijn in de hemel, over een verloren zondaar die tot God wederkeert, met smeking en met geween.

 

Bent u geen vreemdeling van deze zaken? Ik heb gezegd dat de Geest op verschillende wijze werkt. Maar we zullen iets leren van onze rampzaligheid en schuld. Van de vijandschap in ons hart tegen vrije genade en tegen het kruis en het bloed. We zullen neergeveld worden en gaan vragen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? De eis van Gods recht wordt doorleefd, opdat de heerlijkheid en de dierbaarheid van die gezegende Jezus wordt gezien, en Hij het uitzien van ons hart wordt. Want zalig zijn die hongeren en dorsten naar Hem Die de Schoonste is van alle mensen.

O, vraag dan maar of u niet langer op de been kunt blijven met al uw godsdienstige verplichtingen. Niet de tranen die ik pleng, niet de offers die ik breng! Dat u mag sterven!

Sterven, kinderen van God, sterven aan de werken der wet, opdat de Vervuller der wet het Fundament van ons leven mag worden. Die ons Leven is!

 

Saulus zou hier in de kerk, op de preekstoel zeggen: ‘Het kon voor mij, dan kan het ook voor jou en u. Want mij, de grootste der zondaren, is barmhartigheid geschied, tot een voorbeeld (1 Tim.1:16). O, dan kan het voor de grootste der zondaren. Voor een godslasteraar, een vervolger en een verdrukker.’

De Almachtige maakt van een vijand een vriend. Hij maakt van een vervolger een volgeling. Hij maakt van een leeuw een lam. Hij maakt van een wolf een schaap van de kudde van Christus Jezus.

Wat zijn ze bevoorrecht die – op goede gronden – mogen zeggen: ‘Heere, Gij zijt mij te sterk geworden, Gij hebt mij overmocht. Nadat ik bekeerd ben, heb ik op de heup geklopt, heb ik berouw gehad (Jer.20:7; 31:19).’ O, ze zijn door Goddelijke genade opgezocht, opgeraapt, en door Jezus’ bloed in Gods gemeenschap hersteld.

 

Weet u wat altijd het gebed blijft, ook van die bekeerde Saulussen? Weet u wat het gebed blijft als ze zo vaak moeten ervaren: Het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom.7:19,24)? Weet u wat het gebed blijft van al Gods kinderen?

‘O God, wees mij, de farizeeër, genadig, om Jezus’ wil!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32:5

 

Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door ’s mensen hand bestierd,

Beteug’len ’t woest en redeloos gediert’;

Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.

Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.