Ds. D.W. Tuinier - Genesis 49 : 18

Jakobs geloofsverwachting

Genesis 49
De tijd van deze verwachting
De Bron van deze verwachting
De inhoud van deze verwachting
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Genesis 49 : 18

Genesis 49
18
Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 56: 4, 5
Lezen : Genesis 49: 1-18
Zingen : Psalm 107: 6, 10
Zingen : Psalm 94: 8
Zingen : Psalm 39: 5
Zingen : Psalm 48: 6

Gemeente, met Gods hulp willen we uw aandacht vragen voor de tekst, die u kunt vinden in het gedeelte dat u zojuist is voorgelezen, Genesis 49, en daarvan vers 18. We lezen daar het woord van de Heere:

 

               Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!

 

We schrijven onder onze tekst: Jakobs geloofsverwachting.

 

Drie gedachten:

1. De tijd van deze verwachting

2. De Bron van deze verwachting

3. De inhoud van deze verwachting

 

Het gaat dus over Jakobs geloofsverwachting. Het is ook zijn adventsverwachting. De Heere geeft hem stervensgenade. Eerst denken we na over de tijd van deze verwachting. Dan lopen we het verband van onze tekst na. Vervolgens letten we op de Bron van deze verwachting. Jakob spreekt over Uw zaligheid en hij noemt de Naam Heere. Hij is de Bron! In de derde gedachte staan we stil bij de inhoud van deze verwachting. Dan denken we vooral na over het woord zaligheid.

 

1. De tijd van deze verwachting

 

Gemeente, we gaan naar een sterfkamer. De oude Jakob is 147 jaar oud en ligt op zijn sterfbed. Het zal niet meer zo lang duren, of hij zal zijn laatste adem uitblazen. Voordat hij zijn lichaam der zonde en des doods mag afleggen en ingaat in de vreugde van zijn Heere, roept hij zijn twaalf zonen nog een keer bij zich. Zijn twaalf jongens zijn inmiddels grote, volwassen mannen geworden. Zij zijn intussen ook al vader en opa. Daar komen ze rond het sterfbed van hun oude vader staan. Hun gedachten vermenigvuldigen zich.

Daar staan ze, van de oudste tot de jongste. Jullie kennen ze wel hè, jongens en meisjes? Je hebt ze misschien kort geleden nog op school geleerd. Help eens even! De oudste is Ruben. En dan Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issaschar, Dan, Gad, Aser en Nafthali. En dan de twee jongsten: Jozef en Benjamin. Dit zijn de twaalf vertegenwoordigers van de twaalf stammen van Israël.

Zojuist is ons voorgelezen uit vers 1: Daarna riep Jakob zijn zonen en hij zeide: Verzamelt u en ik zal u verkondigen hetgeen dat u in de navolgende dagen wedervaren zal. Jakob wil zijn zonen nog eens toespreken. Hij heeft nog wat tegen zijn jongens te zeggen. In vers 2 zegt hij: Komt te zamen en hoort, gij zonen Jakobs! Hoort u dat: Gij zonen Jakobs. Wat betekent de naam Jakob ook alweer? Bedrieger, hielenlichter. Jakob noemt zijn kinderen dus zonen van een bedrieger, zonen van een hielenlichter.

Ja, gemeente, dat blijft er nu over van een kind van God, na alle ontvangen genade en de oefeningen van het geloof. Jakob weet heel goed Wie God in Christus voor hem is geworden bij Bethel en Pniël. En wat blijft er nu over? Een Jakob. Een bedrieger. Dat is hij heel zijn leven geweest. Zo heeft hij zichzelf, door het ontdekkende licht van de Heilige Geest, leren kennen. En dat is er later niet beter op geworden. Nu is hij aan het einde van zijn leven gekomen. Hij ligt op zijn sterfbed. En hij blijft in zichzelf een arm en ellendig mens.

Als hij op zichzelf ziet en op zijn jongens, op wat er in hun leven allemaal gebeurd is, dan is er niets te roemen. Dan is er in hén niets te roemen. Dan is er alleen maar te roemen in de trouw en de goedertierenheid van de Heere. Dat blijkt ook als Jakob verder spreekt in vers 2: En hoort naar Israël, uw vader. Israël betekent: vorst van God. Dus in zichzelf is en blijft hij een Jakob. Maar God heeft in Zijn eeuwige, eenzijdige zondaarsliefde, in gunst en in genade op hem neergezien. De God van zijn opa Abraham en de God van zijn vader Izak, heeft hem, door het wonder van Zijn genade, van een Jakob een Israël gemaakt. Daarom getuigt hij hier van Gods goedertierenheid en van Zijn grondeloze barmhartigheid en genade in Christus. Alle roem in Jakob en in andere mensen is ten enenmale uitgesloten. Onverdiende zaligheden heeft Jakob van zijn God genoten. Hij roemt in vrije gunst alleen.

 

Voordat hij in zal gaan in de hemelse gewesten, waar geen zonde meer zal zijn en waar niemand meer zal zeggen: ‘Ik ben ziek’, wil hij nog één keer zijn jongens toespreken. Hij wil hen zegenen. Maar zijn het wel zegeningen? Zijn het wel zulke mooie woorden, die Jakob, de stervende vader, tot zijn jongens spreekt?

Leest u maar mee in vers 3. Jakob begint met Ruben, zijn oudste, zijn trots. Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid en de voortreffelijkste in sterkte. Op Ruben had Jakob altijd zijn hoop en verwachting gezet. Maar in vers 4 klinkt het, heel verdrietig: Snelle afloop als der wateren. Daar wordt in het oorspronkelijke een woordje gebruikt, dat ziet op een pan die overkookt. Daar is Rubens leven in getekend. Wat is Jakob in hem beschaamd! Hij zegt: Gij zult de voortreffelijkste niet zijn. Waarom niet? Want gij hebt uws vaders leger beklommen. Ruben heeft bij Jakobs bijwijf gelegen. Het wordt heel stil daar bij het bed van vader Jakob. En Ruben heeft alle reden om zijn hoofd te buigen.

In vers 5 en 6 komen Simeon en Levi aan de beurt. Hun vader noemt hen werktuigen van geweld. In hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. In vers 7 roept Jakob uit: Vervloekt zij hun toorn!

Wat heeft de zonde toch teweeggebracht in Jakobs leven. En wat is hij eerlijk. Hij draait er niet omheen. Hij wordt hier eerlijk gemaakt. De Heere geeft hem ogenzalf. Hij ziet hier zichzelf en zijn jongens heel scherp. Hij is niet altijd eerlijk geweest in zijn leven, tot zijn grote verdriet. Maar nu is hij eerlijk. Hij ziet helder zichzelf en heel zijn verzondigde leven, maar ook het leven van zijn twaalf jongens. Hij ziet het zoals God het ziet. Als er één ogenblik geweest is dat Jakob moet doorleven: Wie zal een reine geven uit de onreine? (Job 14:4), dan is het wel in deze ogenblikken.

 

Ruben is tegengevallen. Van Simeon en Levi is ook al niets goeds te zeggen. Wat wordt het donker in de ziel van de oude pelgrim.

Maar opeens komt de Heilige Geest in zijn ziel. Dan veert Jakob op! Hij gaat rechtop zitten en zegt in vers 8: Juda! Zijn ogen beginnen te glinsteren. Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. En dan komt in vers 10 die bekende tekst, die ook onze jongens en meisjes wel kennen: De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. Door het geloof getuigt Jakob dat God Zijn woord en Zijn genadebelofte gaat vervullen en gaat waarmaken in de stam van Juda. Juda, gij zijt het!

 

Jakob gaat verder. De volgende is Zebulon (vers 13). Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen. Dan komt Issaschar (vers 14). Daarna komt zijn zevende zoon. In vers 16 wordt hij genoemd: Dan. Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls. En wat zegt Jakob nog meer van Dan, in vers 17? Dan zal een slang zijn aan de weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle. Jakob ziet zijn zoon Dan als een slang. Een slang die zichzelf aan de kant van de weg verborgen houdt met zijn schutkleur. En als er een ruiter op zijn paard langskomt, komt hij plotseling tevoorschijn en spuit hij zijn dodelijke gif in één van de achterpoten van het paard, zodat het paard en de ruiter achterover vallen.

Als Jakob deze woorden uitspreekt, wordt hij verdrietig. Dan wordt het zo benauwd in zijn ziel. Want dan herkent hij in zijn eigen zoon het slangengif, dat dodelijke gif van de slang uit het verloren paradijs. Dat zaad van de slang, die alles op alles zal zetten om het beloofde Vrouwenzaad uit te roeien en te vernietigen. De duivel zit niet stil! Jakob ziet heel helder die strijder uit het paradijs. Het wordt donker. Zal de duivel het dan toch winnen? Zal er dan voor hem en voor zijn nageslacht geen uitzicht, geen toekomst, geen hoop en geen verwachting meer zijn?

Zo kan hij niet sterven. Het is alles eigen schuld. Want wat hij moet zeggen van Dan, dat leeft ook in zijn eigen boze, verdorven hart. Daar heeft hij het zelf naar gemaakt.

 

Maar gemeente, het water kan wel tot aan de lippen komen, maar Gods kinderen zullen er nooit in omkomen. Want dan, opeens, is het de Heere Die Zijn kind weer opzoekt, bemoedigt en vertroost. God is getrouw! Hij is de Eerste geweest in het leven van Jakob en Hij is steeds weer de Eerste. Hij is de Alfa en de Omega. Hij is de Getrouwe, Die het goede werk, in Jakob begonnen, ook voleindigen zal. Hij zal nooit laten varen de werken van Zijn handen. Ook niet als Jakob het zo benauwd heeft en nu het zo donker is.

De eeuwigheid ligt voor Jakob. Zijn twaalf jongens staan om hem heen. Ziet hij op zichzelf, dan is er geen verwachting. Maar dan breekt de zon door! De Heilige Geest wordt vaardig in de ziel van die oude pelgrim. God geeft hem stervensgenade. De Heere tilt hem als het ware boven alles uit en zijn geloof wordt geoefend en levend. We horen Jakob profetisch uitroepen in vers 18: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!

Weet je wat nu zo verdrietig is? Dat er verklaarders zijn, die bij deze tekst schrijven: ‘Dit is de taal van een man die in de war is. Jakob is hier dementerende en is de draad kwijt.’ Wat erg! Hoe komen ze daarbij? Dat is de moderne schriftkritiek.

Gemeente, wat Jakob hier uitroept, is geloofstaal! Dit is de adventsverwachting van de stervende Jakob. De Heere verlevendigt en verkwikt zijn ziel. En Jakob mag door het geloof weten wat hij aan zijn God heeft. God geeft getuigenis aan Zijn eigen werk. De Heere geeft Jakob profetisch deze woorden in zijn mond en in zijn hart: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!

We hebben nagedacht over de tijd van Jakobs verwachting. We gaan nu naar de Bron van zijn verwachting. We zingen eerst Psalm 94 vers 8:

 

De Heer’ zal in dit moeilijk leven,

Zijn volk en erfdeel nooit begeven.

Het oordeel keert, vol majesteit,

Haast weder tot gerechtigheid;

Al wie oprecht is van gemoed,

Die merkt het op, en keurt het goed.

 

2. De Bron van deze verwachting

 

U ziet onze tekst zomaar tussen de zegeningen van Jakob staan. In vers 17 was het zo donker en benauwd. In vers 19 gaat hij weer verder met Gad. En tussen die twee verzen in, geeft de Heere licht over Zijn eigen werk. Hij is de Bron van Jakobs adventsverwachting.

Ziet Jakob op zichzelf en op zijn kinderen, dan is het een verloren zaak. Dan is er geen hoop. Zo is het vandaag ook met ons. Bent u daar al eens achtergebracht? Zie je op jezelf, op de omstandigheden en op degenen die je lief zijn, dan is er geen uitzicht en verwachting.

Er ligt een lang leven achter Jakob. Een verzondigd leven. En dat zal er met zijn kinderen en met zijn nageslacht niet beter op worden. Maar de Heere komt terug op Zijn eigen werk. De Heere komt terug op Zijn eigen beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn. De Heere komt terug op Zijn eigen woord. En Jakob ziet en getuigt door het geloof, dat er alleen maar in de beloofde Messias verlossing, redding, heil en genade kan zijn voor hem en voor zijn nakomelingen.

Het was zo donker en nu is het zo licht. Er is in zijn ziel zo’n verlangen, zo’n hunkering, zo’n innerlijk heimwee naar de Heere Jezus, het beloofde Vrouwenzaad. Dat doet hem door het geloof over de tijd en de eeuwen heen zien. Hij verzucht het: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!

Let op het woordje Uw. Het komt van de andere kant. Het kan nooit meer bij hem vandaan. Die deur zit op slot. Hij is aan het einde gekomen van al zijn eigen verwachtingen. Er staat niet: ‘Op mijn zaligheid wacht ik’. O nee, in zichzelf is hij een rampzalige. Zelf heeft hij niets verdiend. Maar, eeuwig wonder van opzoekende zondaarsliefde en ontferming: Op Uw zaligheid wacht ik! Op Uw Zaligmaker! In Hem is zaligheid, genade, verlossing, redding en heil. De zaligheid komt van boven.

Deze oude, stervende vader, die oude patriarch, moet zichzelf veroordelen en afkeuren. Ziet hij op zijn jongens, van de oudste tot de jongste toe, dan is het een verloren zaak. Ziet hij op zichzelf, op wie hij geweest is voor de Heere en wie hij behoorde te zijn, dan is het ook een verloren zaak. Maar: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Jakob wordt zalig omdat God het wil. Hij wordt zalig op grond van het offer, het bloed en de verdienste van een Ander. In zichzelf houdt hij helemaal niets meer over dan zonde en schuld. Uw zaligheid… Daar ligt de ruimte. Daar ligt de verwachting. Daar ligt zijn hoop en zijn uitzicht. God Zelf heeft voor een Zaligmaker gezorgd. De zaligheid is uit God. God Zelf is de Bron en de Oorsprong van de zaligheid.

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt.

 

Dat heet welbehagen. God heeft van eeuwigheid geen gedachten van kwaad, maar van vrede gehad. En dat voor een jakobsgeslacht, voor verloren adamskinderen. De engelen zullen er straks van zingen: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen! (Luk.2:14)

Dat is Goddelijk welbehagen. Hij heeft geen mishagen aan mensen gehad, maar een welbehagen. God is in Zichzelf bewogen geweest over een verloren mensengeslacht. Hij heeft van eeuwigheid een volk uit dat Jakobsgeslacht verkoren tot de zaligheid. In de tijd zal Hij hen toebrengen door Zijn Woord en Geest. Zo heeft Hij reeds in de eeuwigheid voor een Zaligmaker gezorgd. Hij heeft Zijn Zoon verkoren, verordineerd om Borg en Zaligmaker te zijn. En de Zoon heeft Zichzelf gegeven in die stille vrederaad.

Daar heeft Jakob zicht op: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Bij Hem komt het vandaan. Het komt door het werk van God de Vader in Zijn genadige verkiezing. Het kan door het werk van God de Zoon, Die Zichzelf gaf. De bron ligt in het werk van God de Heilige Geest, Die beloofd heeft om Christus’ verdiensten toe te passen in de harten van verloren zondaren.

 

Daar heeft Jakob zicht op. Daar laat de Heere licht over vallen. Daarom roept hij uit: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere!

De Naam Heere staat met vijf hoofdletters. Het gaat om de God van het genadeverbond. Jakob is iemand van het verbroken werkverbond. Hij heeft op alle mogelijke manieren geprobeerd om dat verbond te helen en te lijmen. Maar hij is een verloren adamskind. Het kan van zijn kant nooit meer goed komen. Dat is ook de boodschap voor vandaag. Het kan van onze kant nooit meer goed komen. Maar het komt van de andere kant! Er is een genadeverbond. Dat verbond heeft God uitgedacht en uitgewerkt. Hij heeft dat verbond geopenbaard aan Adam en Eva, maar ook aan opa Abraham en vader Izak. God is ook in Jakobs leven op dat verbond teruggekomen, in Bethel en in Pniël. Hij is de Getrouwe. Hij is de Onveranderlijke. Hij is de Ik zal zijn Die Ik zijn zal.

 

Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Zo eindigt Jakob hier in het welbehagen van God. Daar begint hij mee en daar eindigt hij mee. Dan valt alles van een mens erbuiten. Dat moet u leren. Het is wel vleeskruisigend, als u moet leren dat de Heere nu totaal niets van u kan gebruiken. Dat geldt ook voor Jakob. Dan wordt hij helemaal leeg. Dan wordt hij tot de grond toe afgebroken. Dan houdt hij helemaal niets meer over, dan alleen een verloren, verzondigd leven. Een hemelhoge schuld en niets om te betalen. Maar in die weg komt God en Zijn genade in de Heere Jezus Christus, in het middelpunt te staan. In die weg ontvangt de drie-enige God de eer. Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! De zaligheid is uit de drie-enige God. Daar alleen ligt nu Jakobs hoop. Daarin alleen ligt zijn verwachting. Daarin alleen zoekt en vindt hij het leven.

 

En dat voor een Jakob, voor een bedrieger, voor slangen. Mag ik het zo zeggen, gemeente? Vindt u dat niet te scherp? Want we zijn in het paradijs allemaal gebeten door die sluwe, listige slang. Dat dodelijke gif bevindt zich ook in ons hart, in ons leven, in onze bloedbaan. Het komt er vroeg of laat wel uit, wat hier van binnen leeft. Het leven van Jakob en van zijn jongens verdient geen schoonheidsprijs. En uw leven? En jouw leven? En mijn leven? Blijf  bij uzelf, gemeente. U hebt uw handen vol aan uzelf! Ik hoop dat de Heere u ontdekkend licht geeft. Dat u gaat inleven wie u bent geworden, wie u bent en wie u blijft, ook na ontvangen genade.

Maar dan mag u vandaag ook horen van de ruimte die er bij God vandaan is, voor slangengebroed, voor verloren adamskinderen. Dan is er verwachting voor u, voor een Jakob. Dan is er ook hoop voor uw kinderen. Niet bij uzelf, maar: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Jonge mensen, dat is de God van je doop. Je bent gedoopt in de Naam van de Verbondsjehova: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Die driemaal heilige Naam heeft de Heere in de doop aan jouw naam willen verbinden, jongens en meisjes. En daar mag je nu mee bij de Heere komen: ‘Heere, ik ben een jakobskind, een bedrieger. Ik heb zo’n boos, onrein en zondig hart. Maar nu heb ik vandaag gehoord dat er voor zulke mensen nog zaligheid is. Het boze dat ik heb gedaan, zie het, Heere, toch niet aan. Schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’

 

Jakobs sterfbed is eigenlijk een preekstoel. Hij preekt te midden van zijn jongens en zegt: ‘O jongens, van ons is er geen verwachting en geen hoop. We liggen midden in de dood. Maar nu is er nog verwachting en hoop, bij God vandaan! Want Hij heeft voor genade gezorgd. Hij heeft een weg van genade uitgedacht en uitgewerkt. De bron ligt in Gods welbehagen.’

Zo mogen ook wij vandaag horen dat er nog doen aan is. U kunt nog zalig worden. U kunt nog bekeerd worden. Je kunt nog een nieuw hartje krijgen, kinderen. Wie je dan ook bent. Het kan voor jakobskinderen!

Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Jakob wijst niet op Ruben of op één van zijn andere jongens. Zijn vinger is omhoog gegaan. En ouders, opvoeders, dominees, ambtsdragers, dat moet je maar veel doen: omhoog wijzen en van uzelf afwijzen! God Zelf is de Bron. Bij Hem ligt de ruimte, de oorsprong van het leven. Bij Hem ligt de mogelijkheid, de troost en de vastheid van de zaligheid.

Want alles staat te schudden hoor, onder het leven van Jakob. De satan begeert hem te ziften als de tarwe. De duivel schudt hem heen en weer. Maar de Heere houdt hem vast. Het ligt niet in Jakob zelf, maar: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Hij verwacht het van de God van de eed en van het verbond. Hij zingt het als het ware te midden van zijn jongens: ‘Jongens, God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken!’

We zingen nu eerst samen Psalm 39 vers 5:

 

Nu dan, o Heer’, wat is ‘t, dat ik verwacht?

Mijn hope staat op U alleen.

Verlos mij, door Uw onweerstaanb’re kracht,

Van al mijn ongerechtigheên.

En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,

De dwaze sterv’ling tot een smaad.

 

Het gaat in deze preek over de geloofsverwachting van Jakob. We hebben iets gezegd over de tijd van deze verwachting. Daarbij hebben we nagedacht over het verband van onze tekst. We hebben iets gezegd over de Bron van deze verwachting. We staan nu nog stil bij de inhoud van deze verwachting.

 

3. De inhoud van deze verwachting

 

Dan komen we bij het woord zaligheid. Wat is zaligheid? Dat weten de catechisanten wel. Het woord zaligheid ziet op de Zaligmaker. Je kunt de zaligheid toch nooit losmaken van de Zaligmaker? Daar moet het naar toe, in uw leven, in jouw leven en in mijn leven. Daar moet het voor Jakob ook naar toe, als het voor hem sterven wordt. Hij kon zonder Zaligmaker niet leven en hij kan zonder Hem ook niet sterven.

Zaligheid ziet op verlossing. Zaligheid ziet op heil. Zaligheid zegt eigenlijk: vol van geluk. Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is. (Ps.33:12) Zaligheid ziet op gemeenschap. Het ziet op een gebroken verhouding die weer hersteld is. Ja, dat is het: een gebroken verhouding die weer hersteld is. De breuk is weer geheeld. De afstand is overbrugd. Die ontzaglijk diepe kloof, die er door de zonde gekomen was, is gedempt.

Wijlen ds. A. Vergunst zei altijd tegen zijn studenten: ‘Jongens, je moet net zo lang in het Woord graven, spitten en zoeken, tot je bij Jezus komt.’ Daar moest ik aan denken toen ik onze tekst in het Hebreeuws las. Daar staat voor het woord zaligheid het woord ‘Jesjoea’. Dat is een andere naam voor Joshua, Jezus…!

 

Dat wordt zo’n wonder als ik mezelf als een Jakob leer kennen. Dan lig je op je sterfbed en wordt het onmogelijk voor een jakobskind om ooit nog met God verzoend te worden. Wat is het een wonder als je dan mag zien op ‘Uw Jezus’! ‘Op Uw Jezus wacht ik, Heere!’ Wat is Gods Woord een schat, een goudmijn!

Als je Hem nodig hebt, als je weet uit welke nood en dood je verlost moet worden, dan heb je een Jezus nodig, een Zaligmaker. En Jakob weet toch heel goed dat hij met een drie-enig God verzoend is in zijn leven. Want hij weet van Pniël af. En toch geldt ook voor Jakob: En het geschiedde dat de bedelaar stierf. (Luk.16:22) Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen. (Zef.3:12)

Hier ligt die oude pelgrim nu: ‘Geef mij Jezus of ik sterf!’ Buiten Hem is geen leven. Als er geen Jezus is, als er geen Zaligmaker is, dan blijft er alleen een Jakob over. Dan is alles verloren. Dan is het voor Jakob buiten hoop.

En dit is zo mooi: als je Schrift met Schrift vergelijkt en je zoekt dat woord zaligheid op in Lukas 2, dan zie je daar Simeon in de tempel, met de Heere Jezus in zijn armen! Simeon kan ook alleen maar sterven met de Heere Jezus in zijn armen en met de Heere Jezus in zijn hart. Hij kan alleen maar sterven als hij de Heere Jezus mag omhelzen en kussen door het geloof.

Simeon is eigenlijk de nieuwtestamentische Jakob. Hij zingt: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien. (Luk.2:29-30) Uw zaligheid… Uw Zaligmaker! Uw Jezus!

 

Dat is ook de boodschap voor vandaag. Dat is de blijde boodschap van het Evangelie. Er is ook voor u zaligheid, omdat er een Zaligmaker is! En dat voor een Jakob, zoals u en ik. Jakob heeft tot het laatste toe zijn oude naam moeten leren spellen, tot zijn grote verdriet en smart. Daar kom je nu nooit bovenuit. Van onze kant wordt zalig worden onmogelijk.

Maar het is Gods Geest, Die de verwachting verlevendigt. Hij geeft hoop. Hij geeft zoveel liefde in het hart. Dan richt het geloof zich op Jezus. Zoals een bloem zich richt op de zon en het licht, richt het geloof zich op de Zaligmaker. Het geloof hongert en dorst naar Hem. Het geloof ziet van alles af en zucht en vlucht tot Hem. Het geloof ziet alles in Hem. Het geloof verwacht alles van Hem. Het geloof leunt en steunt op Hem. Het geloof gelooft de beloften van God, die in Jezus Christus ja en amen zijn.

 

Daarom roept die oude, stervende pelgrim het uit: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Op Uw Jezus! Op Hem, Die komen zou. Hij zal komen om ook voor Jakob de straf weg te dragen. Om ook voor Hem de schuld te betalen. Om aan Gods geschonden recht volkomen genoegdoening te geven. Om hem te verlossen van het grootste kwaad: de zonde, dat jakobsbestaan. Om hem te brengen tot het hoogste goed. Om hem weer te herstellen in Gods gunst en lieve gemeenschap. Daarom kan Jakob getroost leven, maar straks ook welgelukzalig sterven. Vanwege die Trooster en die Zaligmaker.

Opa Abraham en vader Izak hebben Jakob verteld van de moederbelofte, van de genadebelofte: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad. (Gen.3:15) En de Heilige Geest heeft het in zijn hart gewerkt en toegepast in zijn ziel. Abraham en Izak hebben hem ook van die andere genadebelofte verteld: de besnijdenis.

 

En op de vervulling van die beloften wacht Jakob. Dat is zijn uitzien. Dat is zijn verwachting. Hij wacht op de Zaligmaker. Alleen door de komst van de Heere Jezus zullen die beloften tot vervulling komen. Op Hem wachten doe je niet met je armen over elkaar. Dat doe je met gevouwen handen. Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Dan is er een uitzien, toch? Dan ben je daar werkzaam mee. Als iets je beloofd is, zeker als dat heel veel waarde voor je heeft, dan kijk je toch uit naar de vervulling? De Heere heeft Jakob iets beloofd. Hij heeft hem de Zaligmaker beloofd. Hij is voor Jakob alles geworden. Hem heeft hij gezocht en gevonden in zijn leven. En nu gaat hij sterven. Nu ziet hij uit naar de vervulling. Want Hij is al zijn liefde waard.

Uitzien, verwachten, uitkijken naar Hem… Dat doe je op je knieën, met gevouwen handen. Dat doe je door te spitten, te graven en te zoeken in het Woord, tot je bij Jezus komt. Want alleen met Hem kun je het leven aan, het leven door en het leven uit.

 

Nog even en dan mag Jakob de volkomen zaligheid van God in Christus genieten. Dan gaat zijn geloof over in aanschouwen. Daar kijkt hij naar uit. Daar verlangt hij naar.

 

               Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!)

   Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

   U in gerechtigheid aanschouwen,

   Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

 

Dan zal Jakob echt verzadigd zijn. Door de Zaligmaker. Door de gerechtigheid van Christus. Dan zal er geen strijd meer zijn met zijn jakobsbestaan. Dan zal de zonde er niet meer zijn, Dan zal hij geen last meer hebben van zichzelf.

Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! Er is grond voor deze verwachting! Die grond ligt niet in hem. Die grond ligt in de drie-enige God. Daarom zal het zijn voor hem en voor al die Jakobs, die als een Israël met de Heere Jezus mogen sterven: ‘Drie-enig God, U zij al de eer!’

 

Jonge mensen, zou je niet jaloers worden op het geluk, dat de Heere heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen? Van Jakob geldt: Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven. (Openb.14:13) En dat om Jezus wil. Hoe ligt dat nu bij u? Hoe is dat nu met jou? Verstaat u Jakob? Versta je hem in zijn uitzien, in zijn hopen, in zijn klagen over zichzelf? Versta je hem in zijn levende verwachting van de Heere Jezus? Daar moet het toch naar toe in ons leven.

Hebben we onszelf als een Jakob leren kennen? Weten we uit welke nood en dood we verlost moeten worden? Anders hebben we toch geen Jezus nodig, geen Zaligmaker? Wij roemen toch niet met onze mond in een Jezus, zonder dat wij weten waaruit en op welke manier wij verlost zijn?

 

Onthoud het: Jakob sterft met Jezus’ Naam op zijn lippen en Jezus’ Naam in zijn hart. En dat is voor hem de enige troost, beide in leven en in sterven. Dat is voor hem de grond, de vastheid en de troost van de zaligheid. En dat geeft ook verwachting voor zijn nakomelingen.

Jakob heeft Psalm 48 niet gekend, maar hij zou kunnen instemmen met wat de dichter daar zingt:

 

Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden.

               Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 48: 6

 

Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden.

Ter dood toe zal Hij ons geleiden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).