Ds. D.W. Tuinier - 2 Korinthe 13 : 5

Een opwekking tot onderzoek naar geloof

De aanleiding tot deze opwekking
De inhoud van deze opwekking
De veronderstelling bij deze opwekking
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

2 Korinthe 13 : 5

2 Korinthe 13
5
Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 6
Lezen : 2 Korinthe 13
Zingen : Psalm 25: 10
Zingen : Psalm 26: 2
Zingen : Psalm 119: 67
Zingen : Psalm 139: 14

Gemeente, met Gods hulp vragen wij uw aandacht voor het vijfde vers uit het schriftgedeelte dat u zojuist is voorgelezen, 2 Korinthe 13 vers 5. We lezen daar het Woord van de Heere en onze tekst:

 

Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

 

We schrijven onder onze tekst: Een opwekking tot onderzoek naar geloof.

 

We letten op een drietal gedachten:

1. De aanleiding tot deze opwekking

2. De inhoud van deze opwekking

3. De veronderstelling bij deze opwekking

                                                            

Onze tekst is dus een opwekking tot onderzoek naar geloof. Het is een opwekking van de apostel Paulus, die de mond des Heeren is. Het is Gods Woord dat tot ons komt, door middel van Zijn dienstknecht. Het is een opwekking tot zelfonderzoek. Eerst staan we stil bij de aanleiding tot deze opwekking. Er staat tot drie keer toe nadrukkelijk in de tekst: Uzelf. Vervolgens letten we op de inhoud van deze opwekking: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Tenslotte letten we op de veronderstelling bij deze opwekking: Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

 

1. De aanleiding tot deze opwekking

 

Gemeente, onze tekst is één van de laatste vermaningen van de apostel Paulus aan de gemeente van Korinthe. De apostel heeft nogal kritiek gehad van de Korinthiërs. Dat viel niet mee. Korinthe is niet altijd gemakkelijk voor hem geweest. Er zijn mensen in de gemeente die twijfelen of Paulus wel echt een geroepen dienstknecht van God is. Daarom richt de apostel zich in dit laatste hoofdstuk eerlijk en ontdekkend, maar ook priesterlijk bewogen, tot deze groep mensen.

Onze tekst is een onderdeel van deze indringende, waarschuwende woorden. We lezen in onze tekst: Onderzoekt uzélf of gíj in het geloof zijt, beproeft uzélf. Gemeente van Korinthe, u moet uzélf onderzoeken. U moet uzélf beproeven! De apostel zegt in vers 3: Dewijl gij zoekt een proeve van Christus Die in mij spreekt. Dus de Korintiërs zijn druk met Paulus. Ze zoeken een proeve van Christus Die in hem spreekt. Maar de apostel zegt: ‘U moet niet mij tot voorwerp van uw onderzoek maken; u moet uzélf onderzoeken!’

Het gaat hier in dit hoofdstuk om het apostolische gezag van Paulus, om de waarheid van zijn apostelschap. En Paulus wil hier zeggen: ‘Gemeente van Korinthe, Gods eer is in het geding en de zaligheid van uw onsterfelijke ziel. Daar gaat het om! Het gaat om uw staat voor de eeuwigheid. Daarom moet u uzélf onderzoeken en beproeven. En als u uzelf hebt onderzocht en beproefd bij het ontdekkende licht van boven en u mag op goede gronden weten door het geloof in Christus te zijn, dan hebt u daar een bewijs dat Christus in mij is. Want ik heb niet anders gepreekt onder u dan Jezus Christus, de Gekruisigde. Ik heb onder u gewerkt. Ik heb de gemeente mogen stichten. Ik heb toch niet anders verkondigd dan een rijke Christus voor een arme zondaar? Onderzoek dan uzelf of u in het geloof bent, beproeft uzelf. En als u in het geloof bent, als u in Christus bent, dan bewijst uw geestelijk leven dat Christus in mij is.’

Onderzoekt uzelf. Zet maar een streepje onder uzelf en gij. Onderzoekt uzélf of gíj in het geloof zijt, beproeft uzélf.

 

Gemeente, dit is de achtergrond van onze tekst. Dit is de aanleiding dat Paulus de gemeente van Korinthe deze woorden schrijft. Wat is hij scherp! Maar hij is wel eerlijk en ontdekkend. En hij schrijft deze woorden vanuit de liefde van zijn hart.

 

Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt. Die opwekking komt ook tot u, tot jullie en tot mij in een uur van voorbereiding op het te houden Heilig Avondmaal. Aanstaande rustdag staat de tafel des Heeren in het midden van de gemeente aangericht. Hoeveel mensen zijn er niet die zich in een voorbereidingsweek en tijdens de bediening van het Avondmaal, altijd bezig houden met een ander. Wees eens eerlijk. ‘Heb je die zien gaan? Zou de dominee die bedoelen in zijn preek? Moet je dat zien? En wanneer zou die eens komen? En ik snap niet dat de kerkenraad daar niets aan doet…’

Onderzoekt uzélf of gij in het geloof zijt. U bent zo druk met een ander en u ziet uzelf over het hoofd. U vergeet uzelf en u staat zelf zo heel persoonlijk in het leven, ook als het gaat om de bediening van het Heilig Avondmaal. Weet u wat de Heere Jezus zei tot die ene schriftgeleerde, die tot Hem kwam met de vraag of er weinigen of veel zijn die zalig worden? Strijdt (gij) om in te gaan!

Onderzoekt uzelf, gemeente! U hebt uw handen vol aan uzelf. Dat geldt ook Gods kinderen. Wat denkt u van Petrus? Hij had zojuist zijn les gekregen, daar op het strand aan de zee van Tiberias. Zijn Meester heeft hem zojuist in het bijzijn van zijn broeders in zijn ambt hersteld. Hij mag eerlijk zijn hart openleggen voor de Alwetende. Als de Heere Jezus dan vertelt wat er met hem in de toekomst gaat gebeuren, is Petrus toch nog nieuwsgierig wat er met zijn medebroeder en vriend Johannes zal gebeuren. Dan vraagt hij: Heere, maar wat zal deze? De Heere Jezus bestraft hem en zegt: Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij!

Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt. Gemeente, het is zo’n persoonlijke zaak, ook als het gaat om het sacrament van het Heilig Avondmaal. We staan zo persoonlijk in rekening met God. U kunt het niet doen met een ander. U moet niet luisteren voor een ander. Het gaat om uzelf.

Gemeente van Korinthe, onderzoekt uzelf! Als het goed is, komt u daar nooit mee klaar. Vandaag niet, deze week niet en volgende week niet. Met ons gaan naar het Heilig Avondmaal niet, maar ook met ons zitten blijven niet. Het is zo’n persoonlijke zaak. We zijn persoonlijk verantwoordelijk.

 

Het is niet de eerste keer dat de apostel Paulus dit de gemeente van Korinthe voorhoudt. Hij heeft het al eens eerder gedaan. In zijn eerste brief aan de gemeente, het elfde hoofdstuk. Daar geeft hij aanwijzingen voor het rechte gebruik van het Avondmaal. En met die woorden begint ook ons Avondmaalsformulier. U moet eens letten op het persoonlijke in 1 Korinthe 11 en het Avondmaalsformulier. Elke keer gaat het over u en gij. Die woorden kom je in het hele formulier tegen. Onze vaderen beginnen het formulier, op grond van de Schrift, met de noodzaak van de waarachtige zelfbeproeving; het noodzakelijke zelfonderzoek voor heel de gemeente. Dat geldt voor heel Korinthe. Dat geldt voor jong en oud, klein en groot.

 

Steeds weer lezen we: ‘Ten eerste bedenke een iegelijk… ten tweede onderzoeke een iegelijk… ten derde onderzoeke een iegelijk…’ Een iegelijk; niemand uitgezonderd! Ook de kleinste kinderen? Ja, ook de jongens en de meisjes. Ook de jonge mensen? Ja, jullie ook. Ook Gods kinderen? Ja, zij ook. Ook zij moeten zich in een week van voorbereiding opnieuw onderzoeken in het verborgene, in de binnenkamer. En als dat niet gebeurt op een rechte wijze, dan eet en drinkt u uzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.

Geldt dat ook Gods kinderen? Ja. Als zij zichzelf niet onderzoeken, kan dat wel eens een reden zijn waarom zij zo dor en doods over de wereld gaan. Als ze met zo weinig vrucht aan de bediening van het Heilig Avondmaal deelnemen, kan dát de oorzaak wel eens zijn. Is uw voorbereiding wel oprecht en eerlijk, voor Gods heilig aangezicht? Ligt het wel vlak tussen de Heere en uw ziel?

Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Dat geldt ons allemaal.

We gaan naar onze tweede gedachte, maar we zingen eerst Psalm 26 vers 2:

 

Beproef vrij van omhoog

Mijn hart, dat voor Uw oog,

Alwetende, steeds open lag.

Doorzoek mij; toets mijn gangen;

Doorgrond al mijn verlangen;

En stel mijn oogmerk in den dag.

 

We schreven onder onze tekst: Een opwekking tot onderzoek naar geloof. Onze eerste gedachte was: De aanleiding tot deze opwekking. We gaan nu naar ons tweede punt:

 

2. De inhoud van deze opwekking

 

We hebben gezien dat de apostel zo persoonlijk is. De woordjes uzelf en gij krijgen alle nadruk. We gaan nu naar de rest van de tekst. En dan letten we eerst op de woorden onderzoekt en beproeft.

Uzelf onderzoeken en beproeven, daar roept de Heere toe op. Altijd, elke dag en in het bijzonder deze week. Dat is noodzakelijk. Dat ligt ook heel persoonlijk en teer. Maar dat is ook zo moeilijk. Nee, het is niet moeilijk, het is onmogelijk voor u, zonder de hulp en leiding van de Heilige Geest. Vanuit onszelf, met ons door de zonde verduisterd verstand, kunnen we dat niet meer. En toch moet het! Maar het kan niet en eigenlijk willen wij het ook niet. Daar zijn we vijand van. Waarom? Omdat we niet meer eerlijk en oprecht zijn. Zonder genade willen we niet eerlijk voor de dag komen. Dan houden we liever ons masker op en bedriegen we onszelf. Wij zijn zelfbedriegers, omdat we de vader der leugenen zijn toegevallen. Daarom zijn we niet meer te vertrouwen. Daarom zijn we onszelf geen ogenblik toevertrouwd. Als de Heere in uw leven komt, dan vindt u deze waarheid niet te scherp. Dan vindt u dit niet te ontdekkend. U valt er bovenop. En u bent het met de profeet Jeremia eens, als hij zegt: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? (Jer.17:9)

Als u uw eigen hart een beetje kent, dan bent u zo bang om uzelf te bedriegen. Dan begeert u maar één ding en dat is: ogenzalf, ontdekkend licht van boven. Dan wilt u oprecht zijn voor Gods aangezicht. Dan ziet u ook uit naar een eerlijke preek. Dan schuwt u de spiegel van het noodzakelijke, ontdekkende zelfonderzoek niet. Dan komt u nooit boven Psalm 139 uit: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwige weg. (Ps.139:23-24) Dan belijdt u eerlijk: ‘Heere, ik moet mezelf onderzoeken en beproeven, maar ik kan het niet meer. En eigenlijk wil ik het ook niet. Maar wilt U het doen?’

 

Onderzoekt uzelf. In de grondtaal staat een woord met een werkwoordsvorm die wijst op een voortdurende bezigheid. Daar bent u altijd mee bezig. Daar bent u nooit mee klaar. Het is dus geen oppervlakkige, vluchtige blik naar binnen. Het is geen indrukje voor een ogenblik, wat zo weer weg is. Het ziet op een gedurige, een dagelijkse bezigheid. Elke dag, elk uur, elk moment komt dat terug. Het is een heilige vanzelfsprekendheid. Ja, het is een geloofswerkzaamheid. Het is vrucht van genade. Daar komt nooit een einde aan. Hoeveel oefeningen Gods kinderen ook hebben ontvangen, hier groeien ze nooit bovenuit. Tot hun laatste snik toe blijven ze zichzelf onderzoeken en beproeven.

 

Nu de vraag: wat is de inhoud van het zelfonderzoek? Wat moeten we onderzoeken? Wat moet ik beproeven? Waaraan moet ik mij toetsen? De apostel zegt niet dat u uzelf moet onderzoeken en beproeven of u gelooft. Er staat niet: Onderzoek uzelf of u gelovig bent. Want wie gelooft er nu niet? Iedereen toch? De duivelen geloven het ook en zij sidderen, schrijft de apostel Jakobus in zijn zendbrief. Maar het gaat erom dat u uzelf onderzoekt en beproeft of u in hét geloof bent.

En dan begrijpen zelfs onze kinderen welk geloof hier wordt bedoeld: het ware, zaligmakende geloof. En wat is dat dan? Waaraan kan ik weten of ik dat heb? De apostel geeft zelf de maatstaf in onze tekst. Hij zegt: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Daar gaat het om. Is de Heere Jezus Christus in ons? Leeft Hij in ons, door de werkingen en oefeningen van het geloof?

Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt. Dat is het geloof dat de Heilige Geest in de wedergeboorte werkt en verheerlijkt in het hart. Dan wordt een mens van Adam afgesneden en Christus door een waar geloof ingelijfd.

 

Dat geloof wordt zichtbaar in de vruchten. Vruchten van geloof en bekering. Zal ik er een paar noemen? Zullen we het Avondmaalsformulier citeren? Blijf maar dicht bij de Schrift, gemeente. En het formulier doet niet anders dan de Schrift naspreken. Het is de beste voorbereidingspreek. Het gaat om drie zaken; drie vruchten van het nieuwe leven dat uit God is.

 

Het eerste is: ‘Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage en zich voor God verootmoedige; aangezien de toorn Gods tegen de zonden zó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.’ Onderzoek uzelf of u de vraag van de stokbewaarder kent: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Het roepen vanuit de diepte. Dat zuchten vanuit je zielennood: ‘Is er nog een weg en is er nog een middel om die welverdiende straf te kunnen ontgaan en wederom tot genade te komen?’ Onderzoek uzelf of u dat hartelijke leedwezen kent, dat u God vanwege uw zonden hebt vertoornd en bedroefd. Dat is het stuk van de ellende; het eerste stuk van de waarachtige zelfbeproeving.

 

Het tweede is: Onderzoekt uzelf of u in het geloof bent. Heeft deze ellendekennis, deze ontdekking, u gebracht aan de voeten van de Heere, aan de troon van Zijn genade? Zucht u en vlucht u als een gebroken mens tot de Heere Jezus? Zoals de blinde Bartimeüs, die riep: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! Heeft Hij waarde voor u gekregen? Is Hij alles voor u? Dat is het tweede: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is?

 

Het derde is: Onderzoekt uzelf of er in uw hart een verlangen is om voortaan uw hele leven voor Gods aangezicht oprecht te wandelen. Stemt u in met de dichter: Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag (Ps.119:97)? Kent u die hartelijke vreugde in God door Christus, maar ook een ernstige lust en liefde om naar Gods wil in alle goede werken te leven?

 

Bent u verlegen met de hoofdman over honderd, verlegen om een woord uit Jezus’ mond? Verstaat u de Kananese vrouw die een kruimel van Jezus begeert? Nee, het gaat niet om een beetje gevoel. Dat is er genoeg. Het gaat om geloof. De Heere Jezus zegt niet tegen deze vrouw: ‘Groot is uw gevoel’, maar: Groot is uw geloof! Hij Zelf verheerlijkt Zijn werk. Dat betekent dat er in de mens niets is. Helemaal niets! Wij liggen middenin de dood. Maar het leven ligt in Hem, in Christus! Het leven en de zaligheid ligt in Zijn volkomen offer, aan het kruis volbracht. Dat is de enige grond en het enige fundament van de zaligheid.

En dat wil Hij Zijn kinderen leren aan Zijn tafel. Daar wil Hij hun hongerige en dorstige zielen verzadigen en laven tot het eeuwige leven. Want Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank. Hij heeft immers, zo zegt ons Avondmaalsformulier, door Zijn dood de oorzaak van hun eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde, weggenomen, en voor hen de levendmakende Geest verworven. Zodat zij door die Geest met Hem waarachtige gemeenschap zullen hebben en door Hem zullen delen in al Zijn schatten en weldaden.

 

Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt. Er staat ook nog: Beproeft uzelf. Beproeven is een ander woord dan onderzoeken, al moeten we het wel in dezelfde lijn zien. Beproeft is eigenlijk een nadere uitleg van het woord onderzoekt. Beproeven gaat nog iets dieper. Eigenlijk staat er: neem de proef op de som, opdat de echtheid, de oprechtheid blijken zal.

Het oorspronkelijk woordje ‘beproeven’ ziet op de bezigheid van een bruggenbouwer. Hij krijgt de opdracht om een brug te bouwen. Daar is hij lang mee bezig geweest. Dat is een groot karwei. Op een gegeven moment moet de brug worden beproefd, of hij wel houdbaar is. Kan er wel een zware vrachtauto overheen? Stort de brug dan niet in? Houd dat beeld eens vast. Voelt u, dan moet u onze tekst over de Avondmaalstafel heen tillen; dat geldt voor heel ons leven. Wij moeten ons leven in eeuwigheidslicht leren zien, in het licht van de rechterstoel van Christus. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. (2 Korinthe 5:10) Voelt u het gewicht van onze tekst? Ons hele leven is een voorbereidingstijd. U moet uzelf onderzoeken. Neem de proef op de som, zodat de echtheid, de oprechtheid blijken zal.

En dat komt openbaar in de vrucht. Aan de ene kant zit er iets in de tekst van: ‘Gemeente van Korinthe, ik spoor u aan om uzelf te onderzoeken!’ We proeven in deze woorden echter ook een verlangen naar een positieve uitslag van het onderzoek. De apostel begeert maar één ding: dat de uitslag van het onderzoek zal zijn dat het écht is. Dat de brug niet zal instorten!

 

Wat zou het erg zijn als u op een zandgrond bouwt. Daar zijn geen woorden voor. En daarom: beproeft uzelf, dat u niet bouwt op een zandgrond. Beproeft uzelf, dat u uzelf niets aanpraat of aan laat praten. Het gaat op een eeuwigheid aan! Beproeft uzelf, dat u niet aan de bediening van het Avondmaal gaat met een psalmversje of een uitredding of een beetje gevoel. Uw tranen, uw gebeden, uw werken… niets daarvan kan de grond zijn om tot God te gaan. Alles van u is tekort! Gewogen, gewogen en te licht bevonden. De brug stort in… Er is maar één grond, één fundament houdbaar: Jezus Christus en Zijn volkomen gerechtigheid! Hij is de Brug tot God! En buiten Hem stort alles in elkaar. Buiten dit vaste fundament is alles zandgrond.

De apostel vervolgt: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Dat woordje ‘kennen’ is een bevindelijk kennen, een kennen met uw hart. De apostel vraagt zich af: op wie lijkt u? Mag u door het geloof op Hem lijken? Mag u door de oefeningen van het geloof Zijn beeld vertonen?

Aan de ene kant proeven we in de woorden van de apostel ernst: ‘Gemeente van Korinthe, het gaat op een eeuwigheid aan. Zult u het niet te gemakkelijk nemen?’ Aan de andere kant ziet Paulus er naar uit dat de uitslag van het onderzoek positief is. Het kleinste vonkje van genade neemt hij mee. Dat kleinste vonkje is al zo groot. ‘Denk er om, gemeente van Korinthe, dat u Gods werk niet ontkent! Daar bedroeft u de Heilige Geest mee.’ Al is het waar dat de Heere door Zijn Geest daar Zelf licht over moet geven. Hij moet de banden breken en vragen van het hart beantwoorden. Hij moet zielenraadselen oplossen. Maar dat wil de Heere ook. Hij kan het niet alleen, Hij wil het ook! Zijn Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.

En daarom: Beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? We gaan naar onze derde gedachte. Zullen we eerst samen zingen? Psalm 119 vers 67:

 

Maak in Uw woord mijn gang en treden vast,

Opdat ik mij niet van Uw paân moog’ keren!

En wordt mijn vlees door ’t kwade licht verrast,

Ai, laat het mij toch nimmer overheren.

Verlos mij, Heer’, van ’s mensen overlast,

Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.

 

Deze preek is een opwekking tot onderzoek naar geloof. We hebben de aanleiding tot deze opwekking gezien. Vervolgens dachten we na over de inhoud van deze opwekking. Tenslotte staan we stil bij:

 

3. De veronderstelling bij deze opwekking

 

We willen nog iets zeggen over het slot van de tekst: Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt. De apostel geeft eigenlijk een veronderstelling in onze tekst. En hij hoopt dat die veronderstelling niet waar is, want hij vervolgt in vers 6 en 7: Doch ik hoop, dat gij zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn. En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet; niet dat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen en wij als verwerpelijk zouden zijn.

De apostel veronderstelt dat er in de gemeente zijn die zo weinig geestelijk licht hebben, dat zij niet tot een juiste uitslag van hun onderzoek kunnen komen. Hij zegt: Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt. Er ligt hier iets in van een lichte bestraffing. De apostel zegt: ‘Korinthe, hebt u zo weinig recht zicht op God en Goddelijke zaken, dat u, uzelf onderzoekende en beproevende, tot de conclusie moet komen dat u niet weet dat Jezus Christus in u is? Kunt u nog niet getuigen van de hoop die in u is? Bent u voor uzelf en voor uw omgeving nog een gesloten boek?’ Het klinkt zacht verwijtend, maar ook met een stille aandrang. De boom wordt toch aan de vruchten gekend? Een goede boom kan toch geen kwade vruchten voortbrengen? En we belijden toch met onze Heidelberger Catechismus dat het onmogelijk is dat een ieder die Christus door een waar geloof is ingelijfd, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid?

Nee, Paulus bedoelt hier niet de vreesachtige zielen en de klein- en zwakgelovigen. Maar hij bedoelt hier, zo schrijven de kanttekenaren, zij die geestelijk lui en traag zijn. Zij die zichzelf niet willen onderzoeken en toetsen, want dan zou de uitslag wel eens negatief kunnen zijn.

Wel, zegt de apostel, als het zo met u is, dan bent u verwerpelijk. Tenzij gij enigszins verwerpelijk zijt. Dat betekent: ‘Indien gij enigszins verwerpelijk zijt.’ Als het zo met u gesteld is, dan is het niet best met u. Als u niet tot een goede uitslag komt en u moet nog zeggen: ‘Ik ben nog in Adam en ik ken Jezus Christus nog niet’, dan bent u verwerpelijk. En dat woordje ‘enigszins’ betekent ‘soms’. ‘Indien gij soms verwerpelijk zijt…’

Paulus hoopt dat het bij een uitzondering blijft, bij enkelen in de gemeente. Het kleinste beginsel van genade neemt hij mee. En hij hoopt zo van harte dat de Korinthiërs tot de hartelijke overtuiging komen dat Jezus Christus in hen is en dat zij niet verwerpelijk zijn.

 

En zo is het ook met ons, gemeente. Keer eens tot uzelf in. Wij moeten weten dat Jezus Christus in ons is. U moet weten uit welke grote nood en dood God u heeft verlost. U moet weten dat Jezus Christus u lief geworden is. U moet weten of u sterven kunt. Het kan vandaag sterven worden, en dan? Kunt u dan God ontmoeten? Als u dat niet weet, bent u verwerpelijk. De apostel zegt: Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt. Als de uitslag nu negatief is, dan stort de brug in. En daarom: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.

Als Jezus Christus niet in u is, dan bent u verwerpelijk. Want in Jezus Christus alleen is behoudenis. Buiten Hem bent u verwerpelijk. Buiten Hem is de dood. In Hem is het leven. In Hem bent u behouden. In Hem is de zaligheid en alles buiten Hem is de rampzaligheid. Zo scherp ligt het, in een uur van voorbereiding. Maar zo ligt het altijd. Er valt een scheiding. Die scheiding is zondag te zien, als het Avondmaal wordt bediend. Maar die scheiding valt ook vandaag. In Jezus Christus bent u behouden en buiten Hem bent u verwerpelijk. Als u in Jezus Christus bent - en het kleinste kruimeltje genade nemen we mee - dan hebt u een kinderrecht om aan te gaan aan het Avondmaal. Bent u niet in Jezus Christus, dan bent u verwerpelijk. Dan is er geen plaats voor u aan de dis des verbonds. Ergens anders schrijft de apostel aan de gemeente van Korinthe: Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. (1 Kor.16:22)

 

Ten slotte wijzen we u nog op het volgende. In onze tekst staat het woord ‘verwerpelijk’. Dat betekent nog niet ‘verworpen’. Nog niet… Vandaag niet, en volgende week ook nog niet, als de Heere het geeft. Want Hij nodigt nu juist mensen die zichzelf als verwerpelijk leren kennen. Verwerpelijk… zo is onze toestand buiten God. Zonder hoop en zonder Jezus Christus. Dat is de doodsstaat van een mens. We zijn verwerpelijk. En nu nodigt God nog verwerpelijke schepselen. Hij is de Behouder van het leven. Hem prediken wij u! Zijn liefdedienst prijzen we u zo van harte aan.

Gemeente, neem het ter harte! Als u Jezus Christus niet kent, dan bent u verwerpelijk. Jongelui, als je je niet bekeert, dan ben je verwerpelijk. Als je niet breekt met de wereld en de zonden, dan ben je verwerpelijk. Als je niet aan de voeten van de Heere komt, dan ben je verwerpelijk. Als je geen nieuw hartje hebt, jongens en meisjes, dan gaat het niet goed met je. Dan ga je verloren.

Als we Jezus Christus niet kennen, dan mag u aanstaande zondag niet aan het Avondmaal.  En denk erom, dat ligt niet aan de Heere. Dat ligt aan uzelf. Dat is uw eigen schuld. We hopen dat dit bij u naar binnen slaat. Dat u vandaag nog als een verwerpelijk mens aan de voeten van de Heere komt, belijdend uw zonden en ongerechtigheden. Weet u wat u dan ervaren zult? Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. (Joh.6:37) Jezus Christus is voor hen uitgeworpen. Verworpen door mensen, door Zijn kinderen en… door Zijn Vader.

En die eeuwige, eenzijdige zondaarsliefde en trouw laat Hij Zijn kinderen zien in de tekenen van gebroken brood en vergoten wijn: Ik voor u verworpen, zodat u nooit meer verworpen zult worden. Hij van God verlaten, opdat Godverlaters tot God genomen en nooit meer van Hem verlaten zullen worden. Is dat geen wonder? Dat is nooit klein te krijgen. Jezus Christus heeft Zijn leven afgelegd en Zijn bloed vergoten tot een volkomen verzoening van al hun zonden.

Gemeente, Hij wil niet dat u verloren gaat! Hij wil niet dat u verworpen wordt. Voelt u Gods liefdeshart kloppen? Hij strekt Zijn handen nog uit tot een verwerpelijk volk en Hij roept u toe: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer! (Jes.45:22)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 139: 14

 

Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’!

Is ’t geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’ en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt.

En doe mij toch met vaste schreden

De weg ter zaligheid betreden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).