Ds. D.W. Tuinier - Markus 5 : 25 - 34

Onderwerp

Markus 5
Het toevluchtnemend geloof van de bloedvloeiende vrouw
Ze zoekt genezing buiten Jezus
Ze komt aan de voeten van Jezus
Ze ontvangt vrede door Jezus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Markus 5 : 25 - 34

Markus 5
25
En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,
26
En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;
27
Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan;
28
Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.
29
En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.
30
En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?
31
En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?
32
En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.
33
En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.
34
En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 98: 2
Lezen : Markus 5: 25-34
Zingen : Psalm 38: 6, 7, 9
Zingen : Psalm 142: 4
Zingen : Psalm 99: 2
Zingen : Psalm 147: 2

Gemeente, met de hulp van de Heere willen wij uw aandacht vragen voor het toevluchtnemend geloof. We staan stil bij de geschiedenis uit het Markusevangelie, hoofdstuk 5, vers 25 tot en met 34. Ik lees u alleen nog het 34e vers:

 

En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

 

We schrijven onder deze geschiedenis: Het toevluchtnemend geloof van de bloedvloeiende vrouw.

 

Drie gedachten:

1. Ze zoekt genezing buiten Jezus (vers 25 en 26)

2. Ze komt aan de voeten van Jezus (vers 27 tot en met 29)

3. Ze ontvangt vrede door Jezus (vers 30 tot en met 34)

 

1. Ze zoekt genezing buiten Jezus

 

De Heere Jezus is op weg naar het huis van Jaïrus, de overste van de synagoge. We lezen in vers 24: En Hij ging met hem. De Heere Jezus gaat mee met Jaïrus, want zijn dochtertje is zeer ernstig ziek. We lezen verder in vers 24: En een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem. Dat moet u eens een ogenblik tot u door laten dringen, gemeente! En zij verdrongen Hem. Ze duwen als het ware tegen de Heere Jezus aan. Ze willen allemaal heel dicht bij Hem zijn, want ze zijn zo nieuwsgierig. Ze zijn zo benieuwd naar Zijn woorden. Ze horen Hem zo graag preken. Ze zien uit naar nieuwe wonderen die Hij zal doen. Ze zijn op sensatie belust.

De Heere Jezus probeert een weg te banen tussen die duwende en dringende mensen. Hij moet naar het huis van Jaïrus. Maar dan lezen we opeens in vers 25: En een zekere vrouw… We weten niet eens hoe ze heet. Ze is in de Bijbel een naamloze. Maar dit weet ik wel: de Heere kent haar! Al kennen de mensen je naam dan niet, als je maar bij de Heere bekend bent. Als we maar door Hem zijn bemind en verkoren. Als Hij maar van je af weet. Dat de Heere deze vrouw kent, blijkt uit de vruchten van Gods herscheppende genade in haar leven.

Deze vrouw is ongeneeslijk ziek. We lezen in vers 25: En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed des bloeds gehad had… Ze is bezet met een vreselijke kwaal, een dodelijke ziekte, die langzaam maar zeker haar lichaam afbreekt en haar krachten sloopt. Het is een ziekte die haar zeker naar het graf zal brengen. Ze loopt al twaalf jaar lang met die kwaal. En met elke druppel bloed die ze verliest, voelt ze: ik word niet meer beter. Het gaat achteruit met mij. Het wordt steeds minder. Ik voel dat ik steeds meer krachten verlies. Ze heeft twaalf jaar de vloed des bloeds gehad. Op een gegeven ogenblik zal ze doodbloeden…

Daar komt nog bij dat ze met haar kwaal ook niet onder de mensen mag komen. Ze is een onreine. Ze moet oppassen dat ze andere mensen niet verontreinigt. Daarom gaat ze eenzaam haar weg.

Het ergste is echter dat deze vrouw niet in de tempel mag komen. Zo heeft God het in Zijn wetten bevolen aan Mozes. Ze mag niet met de gemeente opgaan in de voorhoven van de Heere. Ze staat buiten Gods gunst en gemeenschap en is verstoken van Zijn inzettingen.

 

Gemeente, wat een wereld van leed, verdriet en pijn schuilt er achter die woorden uit vers 25: En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed des bloeds gehad had… En dan lezen we in vers 26 wat ze er allemaal aan heeft gedaan om beter te worden. Wat heeft ze in de achterliggende jaren gedokterd! En veel geleden had van vele medicijnmeesters en al het hare daaraan ten koste gelegd had en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was. Het heeft allemaal geen zin gehad. De artsen hebben haar lijden alleen verzwaard. In plaats dat ze vooruit ging, ging ze achteruit. Al haar geld heeft ze uitgegeven aan dokters, medicijnen en recepten. Maar haar ziekte wordt alleen maar erger.

Deze naamloze vrouw is ten dode opgeschreven. Zo wordt ze hier getekend. Er zijn geen woorden voor, om te zeggen hoe ontzaglijk reddeloos en hopeloos haar toestand is. En ze zoekt haar genezing buiten Jezus…

 

Gemeente, mag ik zo tussendoor eens aan u vragen: kent u deze vrouw? U hebt vast al eens over haar horen preken. Het is een overbekende geschiedenis, ook voor onze jonge mensen en voor de kinderen. Maar kénnen jullie deze vrouw? Ik vraag het anders: herkent u deze vrouw? Want wat wij van haar horen, is het beeld van ons allemaal. Dit is uw beeld, jouw beeld! Misschien is het met u nog wel veel erger dan met deze vrouw. Zij weet tenminste nog dat ze dodelijk ziek is. En u? En jij? En ik? Wij doen vaak alsof wij kerngezond zijn, terwijl wij elke zondag horen: ‘U hebt gezondigd!’

U bent een zondaar, een zondares. En omdat u dat bent, mist u de heerlijkheid van God en bent u ten dode opgeschreven. Want het loon op onze zonde is de dood. De dood gaat door tot alle mensen. Het is ons mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. En wie weet hoe spoedig! Elke zondag horen wij dat we onrein zijn door de zonde. We horen dat Gods heilige wet ons veroordelen moet. We horen dat we ons buiten Gods gunst en gemeenschap bevinden, door onze zonden en diepe val in het paradijs. We horen dat we geestelijk dood zijn in zonden en in misdaden.

Deze vrouw weet van haar ontzaglijke kwaal. En u? Weet u het wel echt? Of weet u het alleen verstandelijk? Het is zo nodig dat u hieraan wordt ontdekt. Dat u hetzelfde gaat beleven als deze vrouw. Dat u door een Goddelijk genadewonder gaat zien dat u onrein bent, dat u een dodelijke kwaal onder uw leden hebt. En dat dát de grootste nood en smart wordt in uw leven. Dat de dood, het graf en de eeuwigheid op je hart gebonden worden. Dat je door Gods Geest gaat leren, dat je om eigen schuld buiten Gods gunst en gemeenschap verkeert. Dat je gaat leren: ‘Ik moet Hem missen, maar ik kan Hem niet meer missen!’

 

Voelt u dat ons aller beeld getekend is in deze vrouw? En dan nóg is de vraag: kent u deze vrouw? Herkent u zich in haar? Herkent u zich ook in haar ploeteren? Wat heeft deze vrouw geprobeerd om beter te worden buiten Jezus. U ook? Zijn er die dat verstaan? Wat heb je geprobeerd om op allerlei manieren de Heere tevreden te stellen. Je zoekt rust voor je hart en vrede voor je ziel. Je hebt het geprobeerd bij allerlei dokters: de dokter van de wet, de dokter van je eigen werken en van je eigen gerechtigheid. Wat heb je geprobeerd om op allerlei manieren God te behagen en met God in een verzoende betrekking te komen. Om genezing te zoeken voor je onsterfelijke, dodelijk zieke ziel.

Dat is elke keer weer zo in het leven van Gods kinderen. Na alle ontvangen genade zijn ze altijd maar weer zo geneigd om leven, genezing, vrede en rust te zoeken buiten Jezus. Dan zoeken ze het daar waar ze nooit rust en vrede zullen vinden. Dan zoeken ze het in hun tranen, in hun gestalten, in hun werken, in hun doen en laten, in hun eigen gerechtigheid. Maar weet u waar het nu naar toe moet, gemeente? Het moet vastlopen! En daar moet het niet één keer naar toe in uw leven, maar daar moet het elke keer naar toe. Dagelijks.

 

Het loopt in het leven van deze vrouw vast. Ze komt in haar onmogelijkheid terecht. Ze weet niet meer hoe het moet. Ze voelt zich reddeloos verloren met al haar gedokter, met al haar eigen middelen en met al haar werken. Met dat alles wordt haar kwaal alleen maar erger.

Verstaat u dat? Met al uw geploeter wordt uw zondekwaal alleen maar erger. Met alles wat voortkomt uit het verbroken werkverbond en uit jezelf, word je alleen maar armer en ongelukkiger. Steeds leger en goddelozer.

Daar werkt de Heere naar toe in het leven van deze vrouw en in het leven van al Zijn kinderen. Daar moet het naar toe, gemeente: dat er van uw en mijn kant geen enkele verwachting overblijft. Deze vrouw heeft bij al die medicijnmeesters geen baat gevonden; het is alleen maar erger geworden. Zo is en blijft het, als u uw genezing, uw redding en uw zaligheid blijft zoeken buiten Jezus.

 

Maar dan horen we in vers 27: Deze van Jezus horende… Dat brengt ons bij de tweede gedachte. Het thema van de preek is: het toevluchtnemend geloof van de bloedvloeiende vrouw. De eerste gedachte was: ze zoekt genezing buiten Jezus. De tweede gedachte is: ze komt aan de voeten van Jezus.

We gaan eerst zingen. Psalm 142 vers 4:

 

               ‘k Wou vluchten, maar kon nergens heen,

               Zodat mijn dood voorhanden scheen,

               En alle hoop mij gans ontviel,

               Daar niemand zorgde voor mijn ziel.    

 

2. Ze komt aan de voeten van Jezus

 

Wat zal die vrouw dat hebben meegezongen, wat wij zojuist samen hebben gezongen uit Psalm 142. Daar ligt nu haar toestand in verklaard. Maar dat is ook het ogenblik dat ze van Jezus hoort. Waar alle hoop haar gans ontvalt, waar niemand voor haar ziel zorgt, waar niemand haar helpen kan, waar alle eigen verwachtingen en alle verwachtingen van andere dokters afgesneden worden, daar hoort ze van Jezus!

Het wordt zo’n onbevattelijk wonder, dat zij hoort van de hemelse Arts. Die geheel enige Medicijnmeester, Die haar niet alleen redden kán, maar Die het ook wíl en Die het ook zál doen.

 

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naad’ren van de dood,

Volkomen uitkomst geven.

 

Deze van Jezus horende… Zij kan zichzelf niet meer redden, maar ze hoort van de Redder, de Zaligmaker, de Heiland, de Verlosser, de Behouder des levens. Ze hoort van Hem, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Hij, Die verlost van het grootste kwaad en brengt tot het hoogste goed.

De Heilige Geest brengt het gerucht van Jezus in haar oren, die wit zijn van de bloedarmoede. En Hij brengt het in haar hart. Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. (Rom.10:17) En dan komt er in haar hart liefde. Dat kan ze zelf niet verklaren. Dat kan ze zelf niet onder woorden brengen. Er komt in haar hart ook hoop, een stille verwachting en een uitzien, om bij Hem te mogen horen en bij Hem te blijven in de nood van haar leven. Herkent u dat?

Het is al zo’n wonder dat deze vrouw van Jezus mag horen. Het is al zo’n wonder als je mag horen dat er een Zaligmaker is en dat er nog zaligheid is. Dat er nog doen aan is. Dat het voor zo’n ten dode opgeschrevene als ik ben, nog kan! Maar deze vrouw hóórt niet alleen van de Heere Jezus. Ze komt ook tot Hem! Ze komt van achteren, door de schare heen, en raakt Zijn kleed aan. Weet u wat dat is? Dat is geloof! Dat is het toevluchtnemend geloof. Ze gelooft dat Jezus haar genezen kan. En nu verlangt ze nog maar één ding en dat is: om Hem te zien, om bij Hem te komen, om aan Zijn voeten neer te zinken.

Dat horen we ook in wat ze zegt in vers 28: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden. Daar zit geloof in, gemeente! Dat is het toevluchtnemend geloof van deze vrouw. U ziet in deze geschiedenis heel duidelijk hoe een rijke Jezus en een arme, ongelukkige vrouw bij elkaar komen. Dat is geen mensenwerk. Dat is het werk van de Heilige Geest. Want ze hoort van Jezus en ze komt tot Jezus, omdat Hij trekt, omdat Hij haar kent, omdat Hij haar lokt, omdat Hij haar lief heeft.

We gaan niets in deze vrouw leggen. Dit alles is het werk van een drie-enige God, Die Zijn genade verheerlijkt. Het is de trekkende liefde van God de Vader. Het is de verlossende, reddende liefde van de Zoon. En het is de toepassende liefde van de Heilige Geest. En daarom komt ze! ‘Ik wil en zij zal!’ Dat is het wonder.

 

Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren. Zo wordt ze inwendig geroepen en aangeraakt door Woord en Geest. Zo komt ze aan de voeten van Jezus. En dat is wat! Daar moet je niet gering over denken. Wat zal het hebben gestormd van binnen: ‘Je mag helemaal niet bij Jezus komen. Dat weet je toch wel? Het is verboden gebied bij Jezus! En dan die schare waar je doorheen moet… De Heere Jezus is op weg naar het huis van Jaïrus, de overste van de synagoge. Hij heeft wel wat anders te doen!’ Wat zal de duivel haar hebben bestormd en belaagd met al zijn binnenpraters. Wat zal hij haar hebben ingefluisterd: ‘Ga weg! Je mag daar niet komen en het kan ook niet. Je hebt alles tegen!’ En dat heeft ze ook. En dat hebt u ook en dat heb jij ook. Daar moet je nu achter komen: alles veroordeelt me en alles getuigt tegen me. En toch komt ze! Ze gaat in geloof. Ze vlucht tot Jezus in de nood van haar leven, want het zingt in haar ziel: ‘Geef mij Jezus of ik sterf! Want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’ Heb je dat ook wel eens gezongen?

Het geloof komt. Het geloof redeneert niet. Het geloof ziet af van de omstandigheden. Het geloof ziet af van alle aardse dokters. Het geloof ziet op de hemelse Dokter. Helemaal uitgewerkt, uitgeploeterd en met de dood voor ogen, zo komt ze van achteren, heel eerbiedig en ootmoedig. Daar komt ze van achteren, buigend en bukkend. Daar komt ze als een onwaardige, als een rechteloze. En zo mag ze komen, om de zoom van Zijn kleed aan te raken.

 

Je moet weten, jongens en meisjes, dat de Heere Jezus een lang opperkleed aan had. En  onderaan dat kleed hingen van die kwastjes, die je ook wel onderaan een bankstel hebt hangen. En zo ligt die vrouw daar plat op haar buik en ze steekt haar hand, die wit is van de bloedarmoede, uit. En ze grijpt een van de kwastjes van het kleed van de Zaligmaker. We horen haar zeggen: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden. In die woorden klinkt zekerheid door. De zekerheid van het toevluchtnemend geloof. Daar zit iets in van: ‘Ik zal leunen en steunen op de Zaligmaker. Ik zal het alleen van Hem verwachten. Ik zal alleen op Hem bouwen. Ik zal me helemaal aan Hem toevertrouwen. Ik zal gezond worden.’

 

En dan gebeurt het wonder. Niemand heeft het in de gaten. Alleen de Heere Jezus en zij zelf. Ze voelt het. Ze ervaart het. Ze voelt dat er kracht van Hem uitgaat. Ze komt niet beschaamd met Jezus uit. Ze wordt niet teleurgesteld. Het valt zo mee. Ze heeft het erop gewaagd. Het was sterven of de toevlucht nemen tot de Zaligmaker. En nu voelt ze het: er komt nieuw bloed, genezend bloed, in haar lichaam en in haar ziel. Zaligmakend bloed!

In vers 29 staat: En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was. Ze is gezond! Dat kan deze vrouw niet begrijpen. Ze kan het alleen maar bewonderen. En wat wil ze nu? Ze wil met dat wonder stilletjes naar huis toe. Ze wil alleen zijn. Ze wil weg van de mensen. Ze wil ook weg van de Heere Jezus. Ze wil met de gave bij de Gever vandaan. Maar dat mag niet, want dan komt God niet aan Zijn eer. Daarom gaat Jezus Zijn eigen werk openbaar maken en verheerlijken.

Het toevluchtnemend geloof van de bloedvloeiende vrouw. Ze zoekt genezing buiten Jezus. Ze komt aan de voeten van Jezus. Nu nog de derde gedachte: ze ontvangt vrede door Jezus.

Zullen we eerst samen gaan zingen? Psalm 99 vers 2:

 

               God, Die helpt in nood,

               Is in Sion groot;

               Aller volken macht

               Niets bij Hem geacht;

               Buigt u dan in ’t stof,

               En verheft met lof

               ’t Heilig Opperwezen;

               Wilt Het eeuwig vrezen.

 

3. Ze ontvangt vrede door Jezus

 

We lezen in vers 30: En terstond… Het woordje terstond komt nogal eens terug. De Heere Jezus doet geen half werk. Als Hij het doet, doet Hij het goed. Hij is een volkomen Zaligmaker, maar wel voor een volkomen zondaar of zondares, die het leven in eigen hand niet meer kan houden.

En terstond, Jezus bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was… Deze vrouw dacht dat niemand het in de gaten had. Maar de Heere is de Alwetende. De schare verdringt Hem. En Hij weet dat er niet één is, die uit zichzelf naar Hem vraagt en naar Hem zoekt. Maar daar komt er één, door Zijn Vader bemind en verkoren vanuit de stilte van de eeuwigheid. Daar komt iemand, die Hij straks als loon op Zijn middelaarsarbeid uit de handen van Zijn Vader zal ontvangen. Dat is iemand voor wie Hij straks naar Golgotha zal gaan, om al haar onreinheid op Zich te nemen en om haar schande en haar zonde te dragen. Opdat zij nu nooit meer te schande zou worden. Opdat zij genezen zou worden. Opdat zij gereinigd en gewassen zou worden, naar lichaam en ziel.

Er gaat kracht van Jezus uit. Hij bekent dat. Hij weet dat. Hij draait Zich om te midden van die opdringerige mensen die tegen Hem aanduwen. En Hij vraagt: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? Dat vinden Zijn discipelen een vreemde vraag. Ze begrijpen hun Meester niet. Ze snappen hun Meester zo vaak niet. Ze zeggen in vers 31: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt? ‘Hoe kunt U dat nu toch vragen? Iedereen duwt tegen U aan en dan vraagt U: Wie heeft Mij aangeraakt?’ Er is er echter eentje onder die grote schare, die deze vraag wel verstaat. Wat zal er veel door haar heengegaan zijn!

 

In vers 32 lezen we: En Hij zag rondom, om haar te zien, die dat gedaan had. O, die ogen van de Zaligmaker! Hij draait zich om en Zijn ogen gaan langs al die mensen. Ze blijven op een gegeven moment bij haar rusten, want Hij kent haar wel. Zij heeft Hem lief, omdat Hij haar eerst heeft liefgehad. Wat heeft deze vrouw nu in die ogen gezien? Wat denkt u? Hebt u die ogen wel eens ontmoet? Als je die ogen van de Heere Jezus ontmoet, dan blijf je niet meer rechtop staan. Dan is de laagste plaats niet te laag voor je. Dan zak je door je knieën. Dan kom je in de diepte terecht. Want de ogen van de Heere Jezus zijn ogen vol liefde. Dat zijn ogen vol ontferming en priesterlijke bewogenheid. En die ogen trekken deze vrouw als het ware naar voren, als een magneet. Ze kan niet meer weg. Die ogen lokken haar. Die ogen spreken alleen maar van liefde, genade, gunst en ontferming.

Gemeente, Zijn ogen gaan nog rond. En als de Heere vanuit de hemel naar ons kijkt, dan ziet Hij er niet één die goed doet, niet één die naar Hem vraagt. Maar Hij wil nog zo laag afdalen, te midden van vijanden, te midden van verloren adamskinderen. Vanuit Zijn Woord kijken de ogen van de Zaligmaker nog rond, vol liefde, vol genade, vol ontferming en vol bewogenheid. Hij heeft geen lust in uw dood. Hij begeert uw dodelijke dag niet. Hij wil niet dat u verloren gaat, maar Hij wil dat u behouden wordt. Hij wil dat u, net als deze vrouw, van achteren komt en dat u de zoom van Zijn kleed aanraakt. Vlucht tot Hem, met je onreinheid, je zonden en je ongerechtigheden, met alles wat tegen je getuigt.

 

De schare verdringt Jezus. Ze zijn zo heel dicht bij Jezus. Zo heel dicht bij de Koning van het Koninkrijk der hemelen. En eigenlijk zijn ze zo ontzettend ver bij Hem vandaan. Dat is zo aangrijpend. Ze hebben Hem niet echt nodig. Ze hebben Hem wel nodig voor dit en voor dat. Maar hebben ze Hem nu nodig voor hun zielenkwaal? Heeft ú Hem zo nodig? Hebben we Hem nodig als een Borg voor onze schuld? Als een Verlosser, Die ons verlost van het grootste kwaad en ons brengt tot het hoogste goed? Als Iemand Die in de breuk gaat staan tussen God en mijn ziel en die breuk gaat herstellen en mij weer brengt in de gunst en de gemeenschap van God de Vader? Ergens anders heeft de Heere Jezus gezegd: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. (Mark.2:17)

En Hij zag rondom. Dat doet Hij ook nu! En ik hoop zo, gemeente, dat dit woord u aangrijpen zal. Dat die ogen u achtervolgen. Dat u die ogen niet meer kwijt raakt. Jezus ziet rondom, of er iemand is, die zijn of haar leven in eigen hand niet meer houden kan en die als een onreine tot Hem komt met zijn zonden. Zo iemand mag bij Jezus zaligheid, reinigmaking, heil en genade vinden.

 

En Hij zag rondom, om haar te zien, die dat gedaan had. En dan blijven Zijn ogen op de vrouw rusten. En daar komt ze. Nu moet ze openbaar komen. We lezen het in vers 33: En de vrouw vrezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder. Het is geen wonder dat ze vreest en beeft, toch? Begrijpt u dat? Zij is zo’n onreine, zo’n onheilige. Nu moet ze bij Hem komen. En Hij is die heilige, vlekkeloze, reine, rechtvaardige God, Die met de zonde en de zondaren en met haar geen gemeenschap hebben kan. Zij heeft met haar onreine, onheilige vingers die reine Christus aangeraakt. En nu moet ze openbaar komen. Wat heeft ze gedaan?

Dan breekt de alwetende Hartenkenner als het ware haar hart open. Ze valt voor Hem neer. Een betere plaats is er niet. Dat is altijd de plaats waar de Heere je brengt en waar de Heere je houdt. En zeide Hem al de waarheid. Dan breekt de Heere ook haar mond open. Dan geeft Hij haar een tong van een vaardige schrijver en dan gaat ze alles vertellen.

 

Gemeente, wat een heerlijke, zalige, zoete plek, als God je eerlijk maakt en als Hij je eerlijk houdt voor God en mensen. Deze vrouw stort haar hart uit voor Hem. Hij weet alles al, maar Hij wil het zo graag uit haar mond horen. Wat zal het een vreugde en blijdschap geven in Zijn hart, als die vrouw hier alles vertelt. Ze belijdt alles, ook haar dwaasheid en haar zoektocht buiten Jezus. Ze vertelt dat ze van Hem mocht horen. Dat ze midden in de dood terecht kwam. Dat ze van achteren kwam en voelde dat er kracht van Hem uitging. Dat ze gezond geworden is. Hij wist alles al, want het is Zijn eigen werk. Hier gaat Hij Zich verblijden en verheugen in Zijn eigen werk. Voor zulke mensen is Hij nu gekomen.

Wat valt het voor deze vrouw mee! Het valt zo mee aan de voeten van de Zaligmaker. Ze mag daar ervaren dat bij Hem milde handen en vriendelijke ogen zijn. Die zijn er bij Hem van eeuwigheid.

 

Dan gaat Zijn mond open, vers 34: En Hij zeide tot haar: Dochter! Wat is dat een tere aanspraak. Nu gaat ze nog dieper buigen dan eerst. Ze buigt van verwondering en stille aanbidding. Dochter! Als Hij dat tegen je zegt, dan betekent dat, dat Hij je Vader is. Daar ligt ze aan de voeten van Vader. Daar ligt ze aan de voeten van de Levensbron. Hij zal straks voor haar een kinderrecht, een dochterdeel gaan verdienen. Hij zal straks Zijn bloed geven en al haar onreinheid, al haar zonden wegdragen. Hij zal daar hangen in Zijn schande, opdat zij nu nooit meer te schande zou worden. Hij zal voor haar gaan sterven. Hij zal voor haar het eeuwige leven en de zaligheid aanbrengen. Hij wordt straks van God verlaten, opdat zij nu nooit meer van God verlaten zou worden. En daarom: Dochter!

En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden. Is dat geloof? Daar heeft ze het zelf niet voor kunnen houden. Maar Hij zegt het! En daarom is het vast en zeker. Ze heeft het zelf uit Zijn mond gehoord. Haar geloof heeft haar behouden. Omdat ze aan de voeten ligt van Hem, Die niet gekomen is om te verderven, maar om te behouden. Omdat ze aan de voeten ligt van de Zaligmaker. Hij gaat behoudenis voor haar verdienen aan het kruis van Golgotha. En door Zijn Geest schenkt Hij het haar nu al. Hij is de Behouder des levens.

 

Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. Voor het woordje vrede staat in het Grieks het woord eirène. Dat betekent: vrede tussen God en mijn ziel. Vrede voor een mens, die van zichzelf in oorlog leeft met God. Vrede door Christus. Vrede met de hemel. Geen zonde meer. Geen schuld meer. Al die bergen van schuld en zonde heeft Hij uit Zijn boek gedaan. Ook ziet Hij geen van haar zonden aan. Want ze ligt aan de voeten van Hem, de Vredevorst, de meerdere Salomo. Hij heeft haar krankheden op Zich genomen. Hij heeft haar smarten gedragen en Hij is om haar overtredingen verwond. Om haar ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die haar de vrede aanbrengt, was op Hem. En door Zijn striemen is haar genezing geworden. En daarom: Ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

 

Gemeente, zou je niet jaloers worden op die vrouw? Ga nu eens naar huis met dit gebed: ‘Heere, U bent nog Dezelfde. Wilt U mij trekken? Wilt U mij bekeren?’ Leg je maar neer met al je zonden, met de onreinheid en de vuilheid van je leven. Schep maar moed uit de behoudenis van deze vrouw.

Jezus heeft verzoening aangebracht voor velen. En Hij is niet in de dood gebleven. Hij is opgestaan! Hij leeft! En Hij laat u nog prediken, dat er in Hem een fontein geopend is voor het huis van David, voor de inwoners van Jeruzalem en voor onze gemeente, tegen de zonde en tegen de onreinheid. Wie u ook bent, u mag komen tot Hem!

En als u de Heere mag kennen en liefhebben, dan wil ik u vragen: hebt u nog geld over? Ben je nog aan het dokteren? Ben je elke keer weer aan het ploeteren, om genezing te zoeken buiten Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is? Weet u waar het steeds weer naar toe moet? Naar uw algehele faillissement! Zodat je alleen maar schuld en zonde overhoudt. Zodat je niets meer hebt om te betalen. Neem zo de toevlucht tot Jezus! Steeds maar weer, elke dag. Want in Hem, in Jezus alleen, ligt het leven en de zaligheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 147: 2

 

Hij heelt gebrokenen van harte,

En Hij verbindt z’ in hunne smarte,

Die, in hun zonden en ellenden,

Tot Hem zich ter genezing wenden.

Hij telt het groot getal der starren,

Die ’t scherpst gezicht op aard’ verwarren.

Hij roept dat talloos heir te zamen,

En noemt die alle bij haar namen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).