Ds. D.W. Tuinier - Mattheüs 14 : 28 - 31

Het kleingeloof van Petrus

Petrus wankelt zonder Jezus
Petrus vlucht tot Jezus
Petrus wordt bestraft door Jezus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Mattheüs 14 : 28 - 31

Mattheüs 14
28
En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
29
En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.
30
Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
31
En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 6
Lezen : Mattheüs 14: 22-36
Zingen : Psalm 130: 1, 3
Zingen : Psalm 25: 10
Zingen : Psalm 42: 3
Zingen : Psalm 142: 1, 2, 5, 7

Gemeente, met Gods hulp vragen wij uw aandacht voor het kleingeloof. Het is wél geloof, al is het heel klein. De woorden van onze tekst vindt u in het gedeelte dat u is voorgelezen, Mattheüs 14, de verzen 28 tot en met 31. Ik lees u alleen nog vers 31:

 

En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?

 

We schrijven onder deze geschiedenis: Het kleingeloof van Petrus.

 

We letten op drie gedachten:

1. Petrus wankelt zonder Jezus

2. Petrus vlucht tot Jezus

3. Petrus wordt bestraft door Jezus

 

1. Petrus wankelt zonder Jezus

 

Gemeente, de Heere Jezus heeft maar liefst vijfduizend mensen te eten gegeven, met vijf broden en twee visjes. De mensen zijn er zo van onder de indruk, dat ze Hem Koning willen maken. Iemand Die zo mooi kan preken en ook nog wonderen kan doen, willen ze wel. Hij moet hun Koning worden, Die hen van de vijand verlost.

De discipelen van de Heere Jezus willen dat ook wel. Zij dromen van een koninkrijk waar hun Meester Koning is en zij Zijn dienaren zijn. Dan zullen zij links en rechts van Hem zitten en Hem dienen. En ook zij zullen dan in Zijn eer en roem delen. Dat lijkt hen wel wat. Maar… dat wil hun Meester niet! Het gaat niet goed. Hij voelt het. Hij is niet gekomen om een aards koninkrijk op te richten. Hij is niet gekomen om Zijn volk te verlossen van de Romeinen. Hij is gekomen om te gaan lijden en sterven voor verloren zondaren. Hij is gekomen om Zijn volk te verlossen van geestelijke vijanden: de duivel, de dood en de zonde. Alleen boven Zijn kruis zal geschreven staan: De Koning der Joden. (Matth.27:37) Hij komt om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Dat begrijpen de mensen niet. Dat verstaan Zijn jongeren ook niet. Daar zijn ze zo blind voor. Daarom gaat het niet goed. De schare wordt naar huis gestuurd, zo lezen we in de verzen 22 en 23. Jezus dwingt Zijn discipelen weg te varen naar de andere kant van het meer. Dan gaat Hij in de avond alleen, in alle stilte, de berg op om te bidden. Hij zoekt de eenzaamheid op. Hij zoekt het aangezicht van Zijn Vader. Hij zoekt de gemeenschap van Zijn Vader. Het is immers Zijn spijs te doen de wil van Zijn Vader.

En dat terwijl de mensen zo dwaas zijn. Ze zijn zo hardleers, zo blind in ‘s hemels wegen. Dat geldt ook voor Zijn discipelen. Ook voor hen ligt Zijn priesterlijk borgwerk nog zo verborgen. Zij verstaan nog zo weinig van waarvoor Hij uiteindelijk op aarde is gekomen. Daarom moeten zij van Hem in hun schip de zee op.

Het duurt niet lang of er breekt een storm los. Er staat in vers 24: De wind was hun tegen. De wind is hun vijandig gezind, staat er eigenlijk. Het wordt een geweldige worsteling, een gevecht met het water. De golven worden hoog. De wind neemt sterk toe. Het valt voor deze ervaren en stoere vissers niet mee om de controle over hun scheepje niet te verliezen.

 

En dan komt er nog iets bij. Ze zien daar midden in de nacht en in de storm, in hun grote angst en nood, een spookachtig figuur, die op de golven van de zee wandelt. Ze weten niet wat hen overkomt. Het kan eigenlijk niet: een menselijke gedaante die in zo’n storm over de golven wandelt. We lezen in vers 26: En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.

Denkt u zich dat eens in: twaalf grote, ervaren vissers, die heus wel tegen een stootje kunnen, die al veel hebben meegemaakt op zee, schreeuwen van vrees. Ze roepen in angst: Het is een spooksel! Ze beseffen niet dat het hun lieve Meester is. Ze zijn blind voor Hem. Hun ogen zitten dicht. Hun hart is vol ongeloof. Ze zien alleen maar op de hoge golven. Ze horen alleen maar de wind tekeergaan. Ze denken alleen maar aan hun eigen leven. Elk ogenblik kan hun schip in tweeën breken of te pletter slaan. Dan zijn ze verloren.

 

Maar Híj is er: hun Meester! Hij is er echt, discipelen! We lezen in vers 27: Maar terstond sprak Jezus hen aan. Hij is de Koning van alle koningen  Hij is hun lieve Meester. Hij zal Zijn jongeren niet begeven en niet verlaten. Hij is de Heere der heren. Hij heeft alle macht in de hemel en op de aarde. Ja, Hij heeft zelfs macht over de wind en de golven. De winden en de zee moeten op Zijn woord stil zijn. Hij hoeft maar te spreken en het is er. Hij hoeft maar te gebieden en het staat er. Zo verschijnt Hij in al Zijn heerlijkheid, glorie en roem aan Zijn discipelen in de storm.

Dan klinkt Zijn stem: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet. Het is de stem als van een vader, die zijn kinderen toespreekt als ze in grote nood zijn. ‘Stil maar, je hoeft niet bang te zijn. Ik ben het. Kijk maar naar Mij. Herken je Mijn stem niet? Zie toch niet op jezelf en op de stormwind, maar luister naar Mij. Ik vertroost jullie. Ik bemoedig jullie. Ik kom naar jullie toe en dan kan er niets gebeuren.’

Petrus denkt: Als dat waar is, als dat mijn lieve Meester is, dan wil ik bij Hem zijn! Zijn hart brandt van liefde. Hij wil maar één ding: heel dicht bij Jezus zijn en dicht bij Hem blijven. Hij weet dat er geen betere plaats is. Weet u dat ook? Weet jij dat ook? Er is geen zaliger plaats, er is geen beter adres, dan aan Jezus’ voeten. Het hart van Petrus is vol van liefde tot zijn Meester. Daarom verlangt hij naar Hem.

Maar het is ook andersom: Jezus’ hart is vol van liefde en ontferming tot Zijn kinderen. De apostel Johannes getuigt niet voor niets: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. (1 Joh.4:19) Daarom zegt Petrus: ‘Heere, als U het bent, vindt U het dan goed dat ik tot U kom?’ Dan lezen we in vers 29: En Hij zeide: Kom. En wat gebeurt er? Petrus stapt overboord. Hij let niet meer op de golven en de wind. Hij ziet alleen zijn Meester. Hij hoort Zijn stem en hij volgt Hem.

 

Gemeente, wat een groot geloof! Petrus gelooft onvoorwaardelijk Jezus’ woord. Zonder zich te bedenken en vol vertrouwen, klimt hij overboord en wandelt over het water naar zijn Meester. Nee, dit is geen klein geloof, maar een groot geloof. God pronkt met Zijn kind op de woeste golven van de zee, daar midden in de nacht. Dat is Gods werk. Hier schittert het eenzijdige genadewonder van een drie-enige God. Petrus heeft zijn Meester in het oog.

Er staat in vers 29: En Petrus klom neder van het schip en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. Hij houdt vast aan Jezus’ woord. Hij klemt zich vast aan Zijn belofte. Hij ziet zijn Meester in Zijn heerlijkheid, in Zijn schoonheid, in Zijn lieflijkheid, in Zijn gewilligheid en in de grootheid van Zijn Koninkrijk. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. (1 Petr.2:7) Nooit kan het geloof teveel verwachten, als Jezus in het oog is. Als Hij wordt gezien door het geloof, als Hij wordt geëigend en gekend, dan is het goed, zoet en zalig. Dan dring je met David door sterke benden heen. Dan spring je over hoge muren heen. Dan kun je met Petrus wandelen op de hoge golven, te midden van de storm op zee.

Wat een groot geloof! Het is zo mooi, zo heerlijk en zo groot. Het is een groot wonder! En dat is het altijd, als Jezus in het oog is. En dat wonder wordt steeds groter, als de Heere u verder leidt op uw levensweg. Want hoe verder u geleid wordt, hoe meer u erachter komt wie u zelf bent en blijft, ook na ontvangen genade. Dan weet u ook van de zwarte achtergrond van uw eigen bestaan. Zo wordt de Heere Jezus groot en schoon. Ja, de Schoonste van alle mensen. Genade is in Zijn lippen uitgestort. Hij schittert en glanst, tegenover de onreine en walgelijke achtergrond van uw bestaan.

 

Maar in vers 30 komt er een wending: Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd. Opeens is Jezus uit het oog. Petrus ziet de hoge golven. Hij hoort de wind bulderen. Hij voelt zich door de golven omhoog en omlaag gaan. Hij wordt bang. Dan komt die angst van zojuist weer naar boven. Langzaam maar zeker voelt hij zich wegzinken in de diepte van de zee.

We lezen in vers 30: Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken… Hij voelt dat hij zinkt. De golven zijn hoog en sterk en hij is zwak en klein. En Zijn Meester is niet in zicht. Dan zakt zijn geloof in elkaar. Het vlammetje wordt steeds kleiner en kleiner en… hij wankelt. 

 

Gemeente, dit is het kleingeloof. Het ene ogenblik zit het in de top en het andere moment ligt het op de bodem. Het kleingeloof: het ene moment in de wolken, het andere ogenblik in de kolken. Het kleingeloof danst steeds maar op en neer met de golven van de zee. Het ene ogenblik is het licht en even later is het weer donker. Het is zo genoten, maar ook zo weer toegesloten. De ene keer ziet het op God, het andere ogenblik weer op zichzelf en op de omstandigheden.

Het kleingeloof leeft meer bij het gevoel dan dat het leeft uit het geloof. ‘Petrus, je bent nog zo op jezelf gericht. En dat geldt ook voor je broeders. Jullie zijn nog zo gericht op de omstandigheden en op alles wat er gebeurt. Jullie ogen zijn niet op Jezus geslagen. Daarom zijn jullie zo bang. Daarom is er zoveel vrees en twijfel. Jullie zijn de baren van de zee gelijk. Dat is niet goed. Dat mag niet. Daarin wordt God niet verheerlijkt!’

Daarom is het zo nuttig dat Jezus Zijn jongeren in die nacht, te midden van de storm, in de steek laat. Hij laat hen alleen in hun grote nood. Hij laat hen alleen in hun angst. Daar heeft Hij Zijn wijze bedoelingen mee. Hij wil hen leren en onderwijzen. Zij moeten immers leven door het geloof alleen. Zij moeten niet zo drijven op hun gevoel.

Dat is ook een les voor u, als het nood wordt in uw leven. Als de golven en de stormen van de beproeving over uw leven gaan. Als u met de dichter instemt:

 

Daar Uw golven, daar Uw baren

Mijn benauwde ziel vervaren.

 

Als de stormwind van de benauwdheid en de nood van uw ziel u overvalt. Als u moet inleven dat u verdiend hebt weg te zinken in de golven van Gods toorn en gramschap, vanwege uw zonden.

De discipelen zien niet op Jezus. Ze zien alleen maar op hun nood. Ze kijken alleen naar de golven. Ze horen de wind tekeergaan. Ze zien op de diepte van de zee. Ze zien die duistere nacht en ze hebben geen zicht op hun Meester. Ze missen het juiste licht van boven. En daarom schreeuwen ze.

Zo is het met een mens, gemeente, ook na alle ontvangen genade. Als het geloof er niet is, als het geloof niet levendig is, dan is er alle reden om bang te zijn. De discipelen zijn radeloos! Ze voelen zich reddeloos verloren, zonder hoop, zonder uitzicht. In zichzelf zijn ze als een riet, dat heen en weer bewogen wordt door de wind. En God doet geen onrecht als Hij hen aan hun lot overlaat.

Maar dan het wonder van eeuwige, eenzijdige zondaarsliefde: Hij is de Eerste geweest in hun leven en Hij is steeds weer de Eerste. Dat blijft Hij. Hij is de Getrouwe, Die nooit laat varen de werken van Zijn handen. Hij zoekt Zijn jongeren op. Hij komt om hen te troosten, te bemoedigen en te onderwijzen. Maar ook om hen te bestraffen, als dat nodig is. Hij is hun hoogste Profeet, hun enige Priester en hun eeuwige Koning. Zijn stem klinkt: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.

En tegen Petrus zegt Hij: Kom! Petrus hoort Jezus’ stem. Het geloof in zijn hart wordt levend en hij stapt overboord, Jezus tegemoet. Hebt u, heb jij Zijn stem al eens gehoord? Kijkt u daar naar uit? Bent u daar verlegen om?

 

Kom! Eén woord slechts. Vergeet dat woordje nooit. Konden we het maar op uw hart binden. Kom! Tot u die in beginsel de Heere mag liefhebben en vrezen, te midden van uw nood, de moeiten, de vele twijfels en aanvechtingen, zegt uw Meester: Kom. Wat kan het stormen in uw leven. Wat kan de strijd zwaar zijn, als u ziet op uzelf, als u ziet op wat u ervan terechtbrengt. De Heere Jezus roept u: Kom! Hij wil niets liever dan dat u tot Hem komt. Nee, niet zomaar eens af en toe, maar elke dag, elk ogenblik.

U moet u schamen. Wat kunt u uw Zaligmaker aan Zijn plaats laten. Wat kunt u Hem vergeten, dagen zonder getal. Wat kunt u Hem bedroeven met uw zonden, wereldgelijkvormigheid en ontrouw. Wat kunt u uw zaligheid zoeken waar het niet te vinden is. Hij zegt: Kom! U mag komen zoals u bent. U móet komen zoals u bent. Dan hoort u uit Zijn mond: ‘Zijt goedsmoeds! Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben het, vreest niet. In jezelf ben je zwak van moed en klein van krachten. Maar zie toch niet op de omstandigheden. Zie niet op jezelf. Blijf niet op je zonden zien, maar zie op Mij! Kom! Ik zal je hart vrolijk maken. Ik zal je geloof verlevendigen. Ik zal je ziel verkwikken. Ik zal je lege hart vol maken met Mijn genade, liefde en gunst. Stap maar overboord en kom tot Mij!’

 

Gemeente, dit is het Evangelie in één woord: Kom! De Heere zegt tot u, tot jou, tot ons allemaal: Kom! Dat is het Evangelie, de blijde boodschap, in deze Gode vijandige wereld. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Matth.11:28) Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. (Luk.18:16) Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer. (Jes.45:22) ‘U staat van nature met uw rug en met uw gezicht de andere kant op. Maar u moet naar Mij toe! U moet u omkeren, u moet terugkeren! Bekeert u, bekeert u, waarom zou u sterven?’

Toen het op catechisatie eens ging over de betekenis van het woordje kom, zei één van de catechisanten: ‘We zijn welkom.’ Zo is het. U bent welkom bij de Heere, wie u ook bent, waar je ook vandaan komt en hoe oud je ook bent. De Heere roept u toe, ook vanuit deze preek, dat u mag komen. U moet komen, anders gaat u voor eeuwig verloren.

We gaan eerst zingen, Psalm 25 vers 10:

 

Hoed mijn ziel, en red z’ uit noden;

Maak mij niet beschaamd, o Heer’;

Want ik kom tot U gevloden.

Laat d’ oprechtheid meer en meer,

Met de vroomheid, mij behoên;

‘k Wacht op U in mijn ellenden.

Laat Uw hand, in tegenspoên,

Israël verlossing zenden.

 

2. Petrus vlucht tot Jezus

 

Daar zakt Petrus weg in de golven. Daar gaat hij met zijn grote geloof en zijn vaste vertrouwen. Eigenlijk staat er dat hij twijfelt. De grondtaal geeft aan dat hij naar twee kanten kijkt. Hij ziet op Jezus, maar niet alléén op Jezus. Hij denkt wel groot van zijn Meester. Hij heeft Hem hartelijk lief. Maar hij ziet ook nog op zichzelf. Hij kijkt ook naar de golven. Hij let ook nog op de zee en de wind. Hij kijkt naar twee kanten. Hij staat als het ware op een tweesprong. Het woordje ‘wankelen’ uit vers 31 betekent: twijfelen. En in ‘twijfelen’ zit het woordje ‘twee’. Twee kanten uitkijken. Straks zegt de Heere Jezus: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? ‘Waarom heb je getwijfeld? Waarom heb je naar twee kanten gekeken? Je ziet niet op Mij alleen.’

Twijfel is nooit goed te praten. Jezus bestraft het niet voor niets. Twijfel is ongeloof. In het geloof is nooit twijfel. In het geloof is zekerheid. Maar in de gelovige is vaak wel twijfel. Jezus noemt het geloof van Petrus kleingeloof. Petrus twijfelt en wankelt in het geloof. Calvijn zegt dat het toch geloof is, al is het klein. Al is Petrus’ geloof gedoofd tot een klein vlammetje, het is er!

 

Lees eens in vers 30: Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! Wat doet Petrus? Hij ziet op de sterke wind. En hij begint te twijfelen. Hij wordt heel bang en begint te zinken. Maar dan gaat hij roepen, roepen tot God. In de grootste nood vlucht hij in het geloof tot Jezus. Dat is ons tweede punt: Petrus vlucht tot Jezus. Midden in de strijd van wankeling en vertwijfeling, roept hij tot zijn Meester: ‘Heere! Almachtige! Rabbi! Meester! Adonai! Behoud mij, help mij, verlos mij, red mij!’

Daar moet het naar toe. Daar wil de Heere hem hebben. Alles valt weg. Alle moed en alle hoop vergaat. Alles wordt hem onder zijn voeten weggenomen. Alles wordt hem uit handen geslagen. En nu het erop aankomt, nu het aankomt op leven of dood, ontkomen of omkomen, nu is Jezus zijn enige Toevlucht en Schuilplaats in de nood. Alles raakt hij kwijt. Alles verliest hij. Al zijn eigen zekerheden zijn weg. Er blijft van Petrus niets over. Dat drijft hem uit naar de Zaligmaker.

 

Verstaat u het? Zo werkt de Heere nog. Er blijft van Petrus, er blijft van een mens niets over. Hij komt met alles in de armoede terecht. Verloren, verloren, verloren. Naar Gods heilig recht moet ik wegzinken in de golven van Gods toorn en gramschap. Maar, o wonder van eeuwige, eenzijdige zondaarsliefde: in Jezus behouden! In Hem is behoudenis. In Hem is het leven voor iemand die midden in de dood ligt. In Jezus is ontkoming van de welverdiende straf en het rechtvaardige oordeel. Het gaat Petrus om Jezus, om Hem alleen. En hoe klein het geloof ook is, hoe zeer hij ook twijfelt en wankelt en op een tweesprong staat, door het geloof doet hij de goede keus. Hij slaat de juiste richting in. Hij vlucht tot zijn Meester: Heere, behoud mij!

Hij roept uit de diepte. Hij zucht. In eigen kracht zinkt hij weg. In eigen kracht bezwijkt hij. Met zichzelf komt hij om. Dat is een vleeskruisigende en verootmoedigende les. Maar deze les is wel profijtelijk, nuttig en noodzakelijk. Want nu wordt God op het hoogst verheerlijkt, de mens op het diepst vernederd en blijft er maar één roep over: Heere, behoud mij!

 

We lezen in vers 31: En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? Ziet u dat gebaar? Sta daar eens even bij stil. Jezus, terstond de hand uitstekende… Hij komt Zijn kind te hulp. Hij is de grote Hulpverlener, Die hulp verschaft in nood.

 

Zalig hij, die in dit leven

Jakobs God ter hulpe heeft!

 

Hij is de Zaligmaker. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hier dreigt er één verloren te gaan. Jezus is de Redder voor mensen die zichzelf niet redden kunnen. Hij is de Verlosser voor hen die vastgelopen zijn met hun eigen verlossingspogingen. Hij komt. Hij steekt Zijn hand uit. Direct, terstond. Alles ligt in Hem. Alles gaat van Hem uit. Zalig worden is een eenzijdig werk van God. Daar komt niets van de mens bij. Het is genade, genade alleen. Jezus is de Eerste geweest in het leven van Petrus. Hij is ook de Laatste. Hij is steeds weer de Eerste, ook nu. Hij is de Getrouwe. Hij is het goede werk van Zijn genade begonnen, reeds in de stilte van de eeuwigheid. Hij is het begonnen in de tijd, in het ogenblik van Zijn welbehagen, in de wedergeboorte. Toen heeft Hij hem inwendig geroepen door Woord en Geest. Hij zal Zijn werk voleindigen tot op Zijn dag.

En Jezus, terstond de hand uitstekende… Dat heeft Hij al voor hem gedaan in de stille vrederaad. Dat doet Hij, als Hij hem roept van achter de netten vandaan. Nu doet Hij het weer. Hij zal zorgen dat Zijn kind niet verdrinkt. Hij zal zorgen dat Hij niet wegzinkt en omkomt. Hij zal zorgen dat hij niet verloren gaat. Want Petrus is een gekende van Zijn Vader. Hij gaat Zijn leven voor hem geven. Hij zal straks ondergaan in de golven van de toorn en de gramschap van Zijn Vader. ‘Petrus, Ik voor u… daar gij anders de eeuwige dood moet sterven.’ Daarom die uitgestoken hand. Hij zal nooit laten varen de werken van Zijn handen. Straks zal Hij Petrus uit de handen van Zijn Vader ontvangen, als loon op Zijn Middelaarsarbeid. De dichter zingt:

 

Nooddruftigen zal Hij verschonen;

Aan armen, uit genâ,

Zijn hulpe ter verlossing tonen;

Hij slaat hun zielen gâ.

 

Niemand zal Zijn ellendigen uit Zijn hand rukken. Ook het ongeloof niet. Hij zorgt voor Zijn Kerk. Hij zorgt voor Zijn eigen werk. Het gaat om de verheerlijking van Zijn Naam. Het gaat om Zijn eer.

 

Gemeente, die uitgestoken, reddende hand van de Zaligmaker, zult u die nooit vergeten? Jezus steekt Zijn hand uit om Zijn kind, dat dreigt weg te zinken in de zee, te redden. In die reddende hand van Jezus ligt nu het leven van Petrus. Daarin ligt zijn zaligheid.

Het zal niet zo lang meer duren, dan dreigt hij opnieuw onder te gaan. Dan staat hij weer te wankelen, in de zaal van Kajafas. Dan probeert de duivel hem weer te ziften als de tarwe. Maar de Meester bidt voor hem. Hij strijdt voor Petrus. Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude. (Luk.22:32) Die ene blik, die liefdesblik uit het oog van Jezus, dat verbreekt zijn hart. Dat doet hem naar buiten gaan, bitterlijk wenende.

Hier is het Jezus’ uitgestoken hand. En daar ligt nu alles in. Alles ligt in Hem, in Jezus. ‘Petrus, Ik heb je liefgehad van voor de grondlegging der wereld. Daarom heb Ik je getrokken uit de duisternis van je bestaan en gebracht aan Mijn voeten. Ik trek je steeds weer op. De troost, de vastheid en de zekerheid van de zaligheid ligt in Mij.’ Dat ligt niet in Petrus. Alles van een mens moet sterven. Alles van Petrus moet worden afgebroken. In zichzelf is hij zwak van moed en klein van krachten. Dat blijkt wel. ‘Grijp nu eens moed, Petrus! De Heere Jezus steekt Zijn hand uit.’

Ik heb zojuist gezegd: die uitgestoken hand mag u nooit meer vergeten. De Zaligmaker steekt nog Zijn handen uit naar kinderen, naar jongens en meisjes, jonge mensen, ouderen, ja, tot de oudsten onder ons. Hij steekt Zijn handen nog uit naar Zijn volk. Zij dreigen zo vaak net als Petrus weg te zinken in kleingeloof, in ongeloof, in vertwijfeling. Of ze zitten verstrikt in de banden. Dan worden ze van alle kanten geplaagd en benauwd. Vrees van binnen en vrees van buiten. Ik hoop zo dat de Heere u die hand laat zien. En Jezus, terstond de hand uitstekende greep hem aan. Zacharia heeft al gezegd: Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. (Zach.13:7) Hier gebeurt het. Jezus wendt Zijn hand tot de kleinen in het geloof, kleinen in de genade, gekrookte rieten en rokende vlaswieken.

Nog breidt de Heere Zijn handen uit. Dat is het Evangelie! Er wordt niet alleen gepreekt voor Gods kinderen, maar voor de hele gemeente. Vergeet u die uitgebreide armen niet? In Jesaja 65 vers 2 heeft de Heere het al gezegd: Ik heb Mijn handen uitgebreid, de ganse dag, tot een wederstrevig volk. En nog breidt Hij Zijn handen uit, tot mensen die niet luisteren willen, tot mensen die eigenwijs en eigenzinnig zijn. Dat zijn we allemaal. Nog roept Hij. Nog waarschuwt Hij.

Jonge mensen, voel je de klop op de deur van je hart: ‘Bekeer je, bekeer je!’ Denk erom hoor: als je deze uitgestoken hand negeert of je gaat eraan voorbij of je doet net alsof je het niet hoort en je gaat over tot de orde van de dag, dan ben je verantwoordelijk voor je eigen rampzaligheid. Dan zal deze preek je oordeel verzwaren. Petrus vlucht tot Jezus: Heere, behoud mij!

 

Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord;

Verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

We gaan samen zingen, Psalm 42 vers 3:

 

O mijn ziel, wat buigt g’ u neder?

Waartoe zijt g’ in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in ‘s Hoogsten lof uw lust;

Want Gods goedheid zal uw druk

Eens verwiss’len in geluk;

Hoop op God, sla ‘t oog naar boven;

Want ik zal Zijn naam nog loven.

 

Het gaat over het kleingeloof van Petrus. Hij wankelt zonder Jezus. Hij vlucht tot Jezus. Al is zijn geloof klein, het is wel geloof. Doet u dat ook: vluchten tot de Heere Jezus? Roepen tot Hem: Heere, behoud mij! De Kananese vrouw riep: Help mij! En Jezus zegt van haar dat zij een groot geloof heeft.

Nu nog de derde gedachte:

 

3. Petrus wordt bestraft door Jezus

 

We lezen in vers 31: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? ‘Waarom heb je getwijfeld? Waarom kijk je naar twee kanten?’ Let op: Jezus noemt hem wel een gelovige. Hij is een kleingelovige. Al is het geloof, het wordt hier door de Heere Jezus wel bestraft.

Het is net alsof Jezus zegt: ‘Petrus, je hebt wel geloof, maar het is nog zo weinig. Je geloof is zo klein. Waarom verwacht je het niet van Mij alleen? Waarom vertrouw je niet alleen op Mij? Waarom kijk je zo naar twee kanten? Waarom twijfel je zo vaak? Waarom durf je jezelf met al noden en je zorgen niet aan Mij alleen toe te vertrouwen? Het geloof verlaat zich immers alleen op Mij. Het leunt en steunt op Mij. Ik ben toch een Waarmaker van Mijn woord? Ben je ooit beschaamd en teleurgesteld met Mij uitgekomen? Waarom blijf je zo op die golven zien? Waarom luister je naar het bulderen van de wind? Petrus, het moet naar Mij toe! Het moet naar Mij alleen toe! Petrus, je hebt nog zo weinig oog voor Mij. Je hebt nog zo weinig zicht op Mij. Er valt nog zo weinig licht op Mij, op Mijn werk en het doel van Mijn komst naar deze aarde. Je zit maar in jezelf te wroeten. Je probeert vanuit jezelf bij Mij te komen. Je probeert vanuit jezelf Mij te behagen. Dat zal niet gaan, hoor!’ De dichter van Psalm 84 zingt:

 

Welzalig, Heer’, die op U bouwt,

En zich geheel aan U vertrouwt.

 

Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld? Deze bestraffing komt ook tot u en tot jou, als we de Heere liefhebben. U twijfelt nog zo veel. U wankelt zo vaak. Daarom gaat u in het donker. Daarom bent u uzelf dikwijls een raadsel. Jezus is niet in het oog! U zoekt het buiten Hem. Als u dat doet, is er inderdaad alle reden om te vrezen. Want buiten Hem is toch geen leven? Buiten Hem moet u omkomen. Buiten die uitgestoken hand en die liefdesblik gaat u  onder in de golven van Gods toorn. Buiten Hem kunt u voor God niet bestaan. Uw zaligheid, uw leven, uw behoud, de vrede voor uw hart en de rust voor uw ziel liggen toch alleen in de Zaligmaker, in Zijn offer?

‘Ja maar’, zegt u, ‘daar kan ik mezelf niet brengen. Dat kan ik zelf niet maken. Ik kan van mezelf niet tot Jezus komen. Ik heb geen handen om Hem te grijpen. Ik heb geen voeten om tot Hem te gaan.’ Gelukkig maar, dat u het zelf niet maken kunt. Er kwam niets van terecht. Want als er nog iets van u bij moet, dan kan het niet. Dan is het onmogelijk. Alleen arme, verloren zondaren zijn gepaste voorwerpen voor een rijke, alles vervullende Jezus.

U moet alles inleveren. U moet door alles heen zakken, ook door alles waar u vroeger van dacht dat u er God mee kon behagen. Weet u waar het naar toe moet? Naar een totale capitulatie! Een onvoorwaardelijke overgave aan God. Een buigen voor Hem in het stof. Van mijn kant ligt het verloren. Ik heb alles verzondigd. Maar alles is door Jezus verdiend. Dan komt het van de andere kant. Van uw kant wordt het onmogelijk om zalig te worden. Maar bij God vandaan wordt de mogelijkheid geopend, in het offer van Zijn Zoon. Hij heeft de weg ontsloten. Hij heeft de weg gebaand. Hij doet alles. Hij zal alles blijven doen.

Weet u wat er dan overblijft? Een ellendig en een arm volk. Maar die zullen op de Naam des Heeren vertrouwen. Weet u wat overblijft, als alles van u sterft? Gods genadewerk! Het geloof, dat door Gods Geest gewerkt wordt en in stand gehouden wordt. Het geloof van Petrus: Heere, behoud mij! Daar gaat het om. Dat is een roepen uit de diepten van de ellende, waar we samen van hebben gezongen uit Psalm 130. Dat is een roepen, zuchten en vluchten tot Hem, Die alleen heil kan en wil zenden. Hij is de enige Redder en Zaligmaker, Die gekomen is, niet om der mensen zielen te verderven, maar om ze te behouden. Hij is de meerdere Jozef, de Zafnath-Paäneah, de Behouder des levens. Het moet naar Jezus toe!

En ik weet het wel: als de Heere in uw leven begint, dan begint het niet met Jezus. Maar het kleinste beginsel van genade gaat wel naar Hem hongeren en dorsten. Het zuiverste kenmerk van genade is dat u niet rusten zult, voordat u in Hem geborgen bent.

 

Gemeente, onthoud het: Kom! Vergeet u de uitgestoken hand niet? Smeek om geloof om te komen, handen om te grijpen, voeten om te gaan, een zucht om te zuchten, een gebed om te bidden.

‘Trek mij, Heere, dan zal ik U nalopen.’ Dat blijft het dagelijkse gebed van Gods kinderen. En weet u wat de Heere Jezus heeft beloofd? Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. (Joh.6:37)

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 142: 1, 2, 5, 7

 

‘k Riep tot de Heer’ met luider stem;

Ik smeekt’ en riep vol angst tot Hem.

‘k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht

In mijn benauwdheid voortgebracht.

 

Als mij geen hulp of uitkomst bleek,

Wanneer mijn geest in mij bezweek,

En overstelpt was door ellend’,

Hebt Gij, o Heer’, mijn pad gekend.

 

Ik riep tot U, ik zeid’: o Heer’,

Gij zijt mijn toevlucht, sterkt’ en eer;

Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel,

Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.

 

Voer mij uit mijn gevangenis,

Tot roem Uws Naams, die heerlijk is;

Dat mij ‘t rechtvaardig volk omring’,

En vrolijk van Uw weldaân zing’.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).