Ds. L. Huisman - Efeze 2 : 19 - 22

De woonstede Gods

Efeze 2
Het fundament van deze woonstede
De opbouw van deze woonstede
De bestemming van dit gebouw
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 20)

Efeze 2 : 19 - 22

Efeze 2
19
Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;
20
Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
21
Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere;
22
Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 5, 17
Lezen : Efeze 2
Zingen : Psalm 89: 1, 7
Zingen : Psalm 118: 11
Zingen : Psalm 75: 1, 6

Geliefde gemeente, het Woord van God waarvoor wij thans uw aandacht vragen, vindt u in de brief van Paulus aan de gemeente van Efeze, hoofdstuk 2 vanaf vers 19 tot het einde.

 

Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods,

Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;

Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in de Heere;

Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.

 

Het gaat hier over de gelovigen die gebouwd worden tot een woonstede, een woonplaats, een huis, een tempel van God. De gelovigen vormen dus: De woonstede Gods.

 

We willen achtereenvolgens stilstaan bij:

1. Het fundament van deze woonstede

2. De opbouw van deze woonstede

3. De bestemming van dit gebouw

 

1. Het fundament van deze woonstede

 

Het zijn woorden uit een brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Efeze. Dat was een heidengemeente. Zij waren eertijds heidenen, maar door de prediking van Gods genade gegrepen, zijn ze christenen geworden. Met al de strijd die daaruit voortkwam en volgde, hadden ze de vertroosting en de onderhouding van de Heilige Geest gedurig nodig.

 

Als we nog onbekeerd zijn, hebben we wel eens de gedachte over Gods volk, dat als je maar bekeerd bent, je er wel bent. Als je eenmaal een nieuw hart van God gekregen hebt, dan is alles goed.

Ik weet nog wel dat ik vroeger als kind ook zo dacht. Ik begreep niet waarom die mensen vaak nog zo treurig waren en waarover ze zo vaak tobden. Dan dacht ik: Als ik toch eens was zoals die mensen, dan zou ik altijd wel kunnen zingen!

De praktijk van het leven is nu zo, dat als God ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, we dit pas gaan beseffen. Dan hebben we een nieuwe natuur van God gekregen en bemerken we temeer hoe erg het is verloren te zijn, werelds te zijn, vlees te zijn, zondaren te zijn. Die strijd die dan gevoerd wordt, na de vernieuwing van het hart, na de wedergeboorte, gaat alle strijd ver te boven.

In die strijd kunnen we alleen niet staande blijven. O, nee, het is beslist niet genoeg dat we aan het Heilig Avondmaal geweest zijn. Het is beslist niet genoeg dat we eens geloofd hebben dat God Zijn ontferming ook in ons leven geopenbaard heeft. O nee, wie in dat opzicht zegt: ‘Eens bekeerd is altijd bekeerd’, kent het geestelijk leven niet.

 

Ik weet wel, anderzijds is het zo dat God nooit zal laten varen het werk Zijner handen. Maar we kunnen niet bij conclusies leven. We kunnen niet de conclusie trekken uit hetgeen de Heere vroeger in ons leven deed, dat het dan in het vervolg ook wel goed zal zijn. Als we levende leden zijn van Christus, hebben we ook gedurig de sappen nodig uit de wijnstok. Zoals een rank dagelijks de sappen uit die wijnstok trekken moet, wil hij niet verdorren en vruchteloos afvallen, zo hebben wij ook dagelijks de gemeenschap des Heeren nodig om te kunnen zijn wie we door God gemaakt zijn, namelijk kinderen Gods. Het is goed dit altijd te beseffen. De Heere Jezus heeft eens tegen Zijn discipelen gezegd: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5).

Dat is aan de ene kant diep beschamend en verootmoedigend. Immers, we zijn zo geschapen, dat we van nature konden doen wat God van ons vroeg. We behoefden niets te overwinnen en we behoefden geen leden te doden die op de aarde zijn, om de Heere te dienen. Het was onze lust en het was ons leven. En dat zou altijd zo gebleven zijn, als we niet gezondigd hadden. Maar toen die zonde ertussen kwam, we door de zonde vervreemd geworden zijn van het eigenlijke leven, toen is de ellende gekomen. En die ellende heeft een lange, bange nasleep.

 

Hoewel het waar is dat Gods werk in eeuwigheid zijn zal en Hij nooit zal laten varen de werken Zijner handen, zo is het nochtans waar dat Gods kinderen nog niet in de hemel zijn. In dit tijdelijk leven zal de Heilige Geest die arme zondaren wel de vernieuwing van het hart openbaren.

Ze zijn hier nog in de strijdende kerk, ze liggen hier nog vaak onder. Ze hebben hier nog zo oneindig veel te doen, dat ver boven hun krachten uitgaat, dat het maar al te zeer waar wordt: Zonder Mij kunt gij niets doen. Aan de andere kant is dat toch ook bemoedigend, want de Heere, Die gezegd heeft: Zonder Mij kunt gij niets doen, heeft ook de apostel leren zeggen: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13). Laten we dan onze leegheid maar voelen. Laat het dan onze dagelijkse nood zijn: ‘Heere, alleen kan ik niet verder, geen enkele schrede.’ Maar laat ons dan ook met deze wetenschap schuilen bij Hem, Die gezegd heeft: En alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage (Joh.15:2). Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos.14:9).

 

Nu schrijft de apostel hier een brief aan de gemeente in Efeze. Dit was een strijdende gemeente. Een gemeente die veel te verduren had in een heidense wereld, vervreemd van het leven met God. De ongerechtigheid was er allerwegen groot en verreweg het grootste deel van de mensen trok zich niets aan van de dienst van God. Dan schrijft hij: Gemeente van Efeze, houdt u mannelijk, zijt sterk, wacht op de Heere! Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods (Ef.2:19).

Dit moeten we goed verstaan, want in een andere zin blijven Gods kinderen vreemdelingen op de aarde. Vreemdelingen van de wereld, van de zonde, van de mensen die God niet kennen. Als Paulus hier zegt: ‘Gij zijt geen vreemdelingen meer, gij zijt geen bijwoners’, dan bedoelt hij niet dat de Efezeren geen vreemdelingen meer op aarde waren, geen bijwoners meer waren in deze wereld. Juist wel, maar ze waren geen vreemdelingen meer van God. Ze waren geen bijwoners meer bij het volk van Israël.

 

Als u met aandacht dit hoofdstuk meegelezen hebt, dan zult u gemerkt hebben dat Paulus hier al zijn krachten inspant om de gemeente van Efeze te laten weten dat God de muur, die er tussen Jood en heiden was, heeft weggebroken. Dat Hij de wet, in inzettingen bestaande, vervuld heeft. Dat Hij de vijandschap, die er was tussen Jood en heiden, weggenomen heeft door Zichzelf te geven als een offer aan het kruis. Dat Hij het handschrift der zonde dat tegen hen was aan het kruis heeft genageld. Paulus spant zich hier in om die Efezeren vrijmoedigheid te geven. Hij zegt als het ware: ‘O, kom toch, kom toch in het huis van God, kom toch tot Israël, kom toch tot de God van Abraham, Izak en Jakob, want de Heere geeft er u het recht toe. Waarlijk, gij zijt geen vreemdelingen meer, gij zijt geen bijwoners meer.’

Hij vertelt ook hoe ze dat geworden zijn: ‘Dat bent u niet geworden door uw werken en omdat u zich boven de mensen heeft uitgetild, maar dat bent u geworden alleen uit genade. Gods vriendelijk aangezicht is ook tot u gewend in het evangelie der verlossing. De Heilige Geest heeft het in uw harten ingeplant. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef.2:8).’

 

Paulus schaart zich als Jood aan de zijde van de heidenen. Hij zegt: ‘Ook wij, Joden, ook ik, Paulus, wij allen waren van nature kinderen des toorns, gelijk alle andere mensen.’

O nee, laat de Jood zich niet verheffen op zijn afkomst, want de Jood was tenslotte ook maar een verkorene uit de wereld. Paulus vervolgt: ‘Nu heeft God, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, aan alle mensen verkondigd dat ze zich tot Hem bekeren, want Hij heeft de muur tussen Jood en heiden weggebroken, en daarom is het evangelie ook tot u gekomen, Efezeren! O, gelooft toch des Heeren troostrijk Woord, u bent niet meer vreemdelingen en bijwoners!’

 

Dan denkt hij ook aan die oude gewoonte van het leven in een stad. Dat was vroeger ook in de steden van ons vaderland zo. Iedereen mocht zich zomaar niet in een stad vestigen. Als je bij de stadspoort kwam, werd gevraagd wie je was en wat je kwam doen. Als je dan zei: ‘Ik wil in deze stad gaan wonen’, werden eerst je brieven onderzocht. Je moest een bepaald bedrag aan stadsrechten betalen en je moest ook je handtekening zetten. Je moest namelijk de eed van trouw zweren aan de overheid van die stad. Men wilde natuurlijk geen burgers die zich straks misschien tegen de overheid zouden verzetten. Geen mensen die aan het muiten zouden slaan en oproer zouden maken, of die in dienst van de vijand zouden staan om zo de vrede te verstoren. Zo was het vroeger in alle steden in de wereld en zo was het ook in de dagen van Paulus. Hij zegt: ‘Gemeente van Efeze, christenen uit de heidenen, gij zijt nu geen vreemdelingen meer, gij zijt medeburgers van de heiligen geworden. Gij hebt het met uw handtekening onderschreven: ‘Ik ben des Heeren.’ Gij zijt huisgenoten van God geworden.’

 

Dat is wat, om een huisgenoot te zijn. Iedereen weet wel wat dat is. Dat is iemand die wellicht niet tot de familie behoort, maar die in die familie is opgenomen. Hij eet mee aan dezelfde tafel, woont onder hetzelfde dak, en is in het gezin opgenomen met al z’n rechten en plichten. En dan staat er: een huisgenoot van God!

Als u, als gewone man en vrouw uit het burgerleven iemand in huis zou krijgen, die wat zijn positie betreft verre boven u stond, een regeerder van een stad, een burgemeester; of een regeerder van een volk, een commissaris van de koningin bijvoorbeeld, dan zou u heel wat doen om u te schikken naar die huisgenoot. Stel voor dat de koningin u schreef dat ze zelf uw huisgenoot wilde worden, u zou aan de ene kant van blijdschap en van verwondering de zaak niet op kunnen, maar u zou ook anderzijds niet weten wat u doen moest om uw huis zo in te richten dat er een waardige ontvangst zou zijn voor onze vorstin, nietwaar?

Maar nu staat hier dat Paulus tegen die Efezeren zegt: ‘Gij zijt huisgenoten van God geworden.’ Dat wil dus zeggen: ‘U woont met God in hetzelfde huis.’

 

Huisgenoten Gods. O, volk des Heeren, laat dat toch eens even op u inwerken: God en u in hetzelfde huis. Samen levend uit dezelfde Bron. Samen levend in hetzelfde huisgezin. Hij als uw oudste Broeder en gij als Zijn broeders.

O, wie was u, eer u een huisgenoot werd, eer u een medeburger werd van die stad Sion? U moet het met Paulus zeggen: ‘Ook wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk alle andere mensen.’ O nee, wij hebben onszelf niet uitverkoren, we hebben onszelf niet afgezonderd, maar God is gekomen. Hetzij dat we leefden in een christelijk gezin, hetzij dat we leefden in een heidens gezin, maar God is gekomen en Hij heeft ons met Zijn Woord geroepen. Hij heeft ons met Zijn Geest getrokken uit die tegenwoordige boze wereld, waarin we leefden en het best naar ons zin hadden. We deden wat we wilden en we leefden voor onszelf en voor deze wereld.

Maar toen kwam het Woord van God en liet Hij ons zien in welke ellende we verkeerden, wat het was buiten God te zijn. Hij liet ons zien Wie Hij voor ons wilde zijn en Hij liet Zijn stem horen. Toen heeft Hij Zijn schatten ons geopenbaard en heeft Hij ons daartegenover laten zien wat we van nature waren. Toen zijn we verslagen geworden en we hebben onze armoede gezien, onze leegheid, onze hulpeloosheid, onze verdoemelijkheid, onze zonden en onze vervloeking. We zijn toen, net als Christen in Bunyans ‘Christenreis’, de stad Verderf gaan ontvluchten, met het pak van onze zonden op onze rug en op ons hart gebonden.

De Heere heeft ons toen zelf gewezen op het Licht van het nieuwe Jeruzalem. Hij heeft in de nacht van ons leven de weg gewezen waarheen een schuldige zondaar ontkoming vinden kan. Hij heeft gezegd: ‘Haast u, spoed u, de deuren van de Vrijstad staan open!’

 

En geliefden, nu zijn we onderweg, door Gods genade onderweg. Ja meer, Paulus zegt tegen die bekommerde zielen daar in Efeze: ‘U bent reeds een erfgenaam, u bent een medeburger van de heiligen en u bent nu reeds een huisgenoot van God, hoewel u nog een vreemdeling op de wereld bent, hoewel u nog verkeert in het strijdperk van dit leven, hoewel uw geloof nog niet volmaakt is en hoewel er nog veel hapert aan uw liefde, medeburger en huisgenoot.’

In het natuurlijk leven haal je soms iemand in huis van wie je veel verwachting hebt, maar het blijkt maar al te vaak bitter tegen te vallen. Je hebt soms van die lastige huisgenoten, die het leven in een gezin zo zuur kunnen maken, dat je op ‘t laatst zegt: ‘Het is alles goed begonnen, maar ik wilde dat ik van je af was; je bent een grote last. Ik zie je liever gaan dan komen.’

Welnu, die huisgenoten Gods hebben Hem al wat smart bezorgd! Hij heeft al wat oneer geleden om onze naam. Hij heeft om onze werken al wat smaad geleden en Zijn Naam is al wat onteerd door ons. En toch, tot op de dag van vandaag heeft Hij ons de deur niet gewezen. Nog steeds bemint Hij ons.

 

En wij? Wij zijn soms als ontrouwe huisgenoten uit Zijn huis weggelopen, maar Hij heeft als onze trouwe Vader gewacht, net zolang tot we weer van armoe weerkeerden met de belijdenis op onze lippen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon, om Uw kind, om Uw huisgenoot, genaamd te worden (Luk.15:21), maak mij als één van uw huurlingen (Luk.15:19).

Zo menigmaal we zo tot Hem kwamen, heeft Hij Zijn volle vaderhart ons weer getoond. Nooit heeft Hij ons opgelegd naar dat we verdiend hebben. Nooit heeft Hij ons gestraft naar dat we ons waardig gemaakt hebben. Toen we meenden slagen te zullen ontvangen, heeft Hij het gemeste kalf geslacht. En toen we meenden weggestuurd te zullen worden, vanwege onze ontrouw, heeft Hij gezegd: Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere (Jer.3:1). Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

 

Daar heeft Hij ons in Zijn Woord getuigenis van gegeven, dat Hij al de schuld en zonde weggenomen heeft. Hij heeft het verzekerd: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Ik buiten het huis Mijns Vaders aan het vloekhout der schande, opdat u een eeuwige plaats zou ontvangen aan de rechterhand Mijns Vaders.’

Dat heeft Hij ook aan de gemeente van Efeze geopenbaard: zij die vreemdelingen waren, zijn nu nabij gebracht door het bloed van het verbond.

 

Dan vergelijkt Hij verder die kerk, die gemeente, bij een gebouw, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen. Daar liggen hier, vanwege de rijkdom van de zaak, verschillende gedachten aan ten grondslag.

Eerst heeft Hij gezegd: ‘Gij zijt inwoners; gij zijt geen vreemdelingen meer, maar burgers, huisgenoten van God.’ Nu grijpt hij naar een ander beeld, hij zegt: ‘Gij zijt een gebouw, gij zijt de woonstede van God.’ Dat wil dus zeggen: God woont in u, en u bent gebouwd op het fundament der apostelen en der profeten.

 

Wat de apostelen geweest zijn weten we wel. Het waren de geroepenen des Heeren, die als de eerste heilsboden van het nieuwe verbond de wereld in gezonden zijn om de naam van Jezus Christus tot aan de einden der aarde uit te roepen.

Apostelen en profeten. Of we bij deze profeten moeten denken aan de profeten van het Nieuwe Testament, die de verborgen raad en wil van God mochten openbaren in die eerste tijd van de christelijke kerk, of dat die profeten de apostelen zelf waren, weten we niet met zekerheid te zeggen. Het is best mogelijk dat de apostelen hier ‘profeten’ genoemd worden. Hoe dan ook, zij zijn het geweest die het fundament gelegd hebben.

Een fundament, dat weten we wel, is noodzakelijk voor een degelijk gebouw. Hier in ons land is dat zo, maar ook in het oosten, al was het daar dan wel enigszins anders dan bij ons vanwege de bodemgesteldheid. Maar dit weten we: geen gebouw kan hecht zijn zonder een goed fundament.

 

Nu zijn de profeten en de apostelen de grondleggers geweest van dat fundament. Zij hebben dat fundament niet gelegd naar hun eigen gedachten.

In feite hebben ze niets nieuws gezegd. Profeten en apostelen, en na hen de herders en de leraars en de dienaars van Gods kerk, die door de Heilige Geest geroepen en gezonden zijn om de boodschap van God in de wereld bekend te maken. Zij hebben niets nieuws te vertellen! Het is niet uit hun eigen gedachten voortgesproten, beslist niet. Dat is juist het grote verschil met de wijsheid van deze wereld. De geschiedenis van de wijsbegeerte van deze wereld is één groot drama. Degenen die daar een blik in geslagen hebben weten dat zoveel eeuwen er geweest zijn, zoveel soorten wijsbegeerten er gekomen zijn. En nog steeds verdringt de ene stelling en levensbeschouwing de andere.

 

O, jullie moeten niet denken, jongens en meisjes, als je zo van alles voorgeschoteld krijgt in deze verlichte eeuw, dat dit werkelijk iets is wat blijven zal. Je kunt misschien in verwondering luisteren naar alle ontdekkingen die gedaan worden – meestal om in hels venijn de Bijbelse waarheden ten grave te dragen – maar ach, daar is maar één wijsheid die blijft. Al deze stelsels, ook de moderne wijsbegeerte, waar nu zoveel hoofden en harten vol van zijn, zal ter ziele gaan. Het zal omgestoten worden door andere ideeën, door andere stelsels. Zo is het geweest en zo zal het zijn, zolang de wereld staat.

Maar de apostelen en de profeten hebben geen bepaalde wijsbegeerte, geen schema’s van de menselijke wijsheid geopenbaard. Ze hebben de boodschap van hun Meester gehoord en Die heeft gezegd: ‘Gaat heen, predikt het evangelie aan alle mensen. Aan de ganse wereld.’ Dat heeft Hij gezegd. ‘Leer de mensen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.’ Dat moeten de apostelen en de profeten boodschappen, niets anders! Dat moeten ze doen. Dat mógen ze ook doen.

Zo hebben ze het fundament gelegd. Paulus heeft gezegd: ‘Ik wil niets anders doen dan dat fundament leggen: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1 Kor.2:2).’

En als Petrus op de Pinksterdag zijn mond opendoet, dan zegt hij niets anders dan wat de Heere Jezus gezegd heeft. Van Hem getuigen, dat is die ware wijsheid, waardoor al de wijsheid van deze wereld sneuvelen zal. Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven (1 Kor.1:21).

 

Zo doet God nog. Dat is het fundament. Alle andere fundamenten zijn omgestoten in de loop der eeuwen, maar dit fundament staat vast. Jezus heeft het geopenbaard en deze prediking is nog steeds actueel.

De praktijk bewijst dat, waar een mens gepredikt wordt in zijn armoede, in zijn nood, in zijn ongeluk, in zijn hulpeloosheid, zodat er totaal geen weg ter verlossing meer overblijft aan onze zijde. Gans melaats zijnde kunnen we voor God niet bestaan.

Maar dan ook die andere zijde, dat God het verlorene uit genade zalig maakt. Dat Hij gekomen is om dezulken, die zichzelf niet helpen kunnen, te redden. Dat Hij gekomen is om tot die melaatsen te zeggen: ‘Ik wil, word gereinigd!’

 

O, dat behoort bij het fundament dat gepredikt moet worden, opdat het Godsgebouw, naar het door God gemaakt bestek, zal verrijzen.

Van dat fundament, staat er, is Jezus Christus de uiterste Hoeksteen. Wat een hoeksteen is weten wij eigenlijk niet zo goed. Als hier gesproken wordt van een hoeksteen, dan moet u even denken aan de oosterse bouwwijze. We gaan daarop letten in onze tweede gedachte:

 

2. De opbouw van deze woonstede

 

Er waren vele plaatsen in het oosten, waar een rotsbodem was. Wanneer die rotsgrond geëgaliseerd, vlak was, dan kon men vanzelfsprekend zo op die rots gaan bouwen.

Een huis had verschillende hoekstenen. Deze hoekstenen lagen dan niet onder de grond, maar boven op de rots. Soms waren het keurige stenen, versierde stenen, gegraveerde stenen, zoals bij ons die zogenaamde ‘eerste stenen’. Hoekstenen dienden om de twee muren, die daar in die hoek samenkwamen, te verbinden, om zo tot steun te zijn.

Het was wel eens zo, dat je je stootte aan de hoeksteen. Zo wordt er ook van Christus gezegd dat er mensen zijn die zich aan deze Hoeksteen gestoten hebben en die gevallen zijn.

 

Welnu, gemeente, zo’n steen moet u zich even voor ogen houden. Zo’n hoeksteen wordt gelegd eer het gebouw kan worden opgetrokken, naar een vastgemaakt bestek. Dat is bij ons ook zo. Als bouwvakkers bezig zijn met het bouwen van een huis, dan gaat een ieder niet zomaar zijn eigen gang. Een metselaar zegt niet: ‘Nou, ik ga hier maar eens een hoopje stenen metselen’, of de timmerman: ‘Ik zal hier eens een deur zetten en het lijkt me wel goed om daar een raam te maken.’ Nee, dan zijn eerst nauwkeurig de plannen besproken en wordt alles eerst netjes uitgewerkt. Een ieder weet wat zijn taak is. Alles naar een vastgemaakt bestek.

Welnu, zo bouwt God nu ook Zijn huis, die geestelijke tempel waar Hij in wonen wil. Hij heeft een bestek gemaakt. Van eeuwigheid heeft Hij het gemaakt en Hij heeft het bestek ook ter inzage gegeven en onderwijst nog altijd door Zijn Heilige Geest Zijn bouwlieden. Want na de apostelen en na de profeten heeft Hij ervoor gezorgd dat er altijd bouwlieden zijn.

Deze bouwlieden hebben maar niet naar eigen willekeur te bouwen. Nee, ze hebben een bestek tot hun beschikking. Daarmee hebben ze te arbeiden. Daarnaar hebben ze het gebouw op te bouwen, namelijk op dat fundament van apostelen en profeten. Zij spreken na wat zij gezegd hebben, voorgezegd hebben. En dan altijd maar weer bouwen op die enige Hoeksteen, de Heere Jezus Christus.

 

Een preek zonder Jezus is geen preek. Zonder de vertroosting van Zijn wonden is die preek ijdeler dan de ijdelheid zelf. Een hoop die niet gegrond is op Zijn genadige toezeggingen is geen hoop. Werp die maar weg voor de mollen en vleermuizen. Het is een kleed waarin we niet voor God verschijnen kunnen.

Maar omgekeerd is het ook waar. Wanneer u uw hoop bouwt op het Woord van God; wanneer u uw ziel vastgemaakt ziet door de Geest aan die enige Hoeksteen; wanneer Hij het leven van uw leven is en de verzuchting van uw ziel, ach, laat ik het maar eenvoudig en kort zeggen; wanneer u niet meer buiten God kunt leven en wanneer Hij de bron van uw leven geworden is, weet dan voorzeker dat de Heilige Geest u als een steen gelegd heeft op die uiterste Hoeksteen. Want daar is wederkerigheid, gemeente.

Hij bemint eerst. Hij roept eerst, die Opperbouwmeester. Maar als Hij bemint, dan mogen ook wij beminnen! Als Hij roept, dan mogen ook wij gaan roepen! Als Hij niet meer buiten ons kan, dan kunnen wij ook niet meer buiten Hem! Nu mogen we daaruit weten dat God ons eerst liefgehad heeft, namelijk als wij zonder Hem niet kunnen. Dat is die Hoeksteen waarop het gebouw naar Gods gemaakt bestek in eeuwigheid rijzen zal. Op deze Hoeksteen en op dit fundament wordt het hele gebouw bekwaam samengevoegd en het wast op tot een heilige tempel in de Heere.

 

Met dit werk gaat God nog steeds door, gemeente. Het wordt bekwaam samengevoegd, net zoals bij een aards bouwwerk. Bekwaam samengevoegd. Daar zijn heel wat ogen over gegaan. Aan dat bestek en die tekeningen zijn heel wat handen bezig geweest. Het wordt alles haarfijn bekwaam klaargemaakt. En dan komen straks de bouwers en die kijken telkens op het bestek. Telkens kijken ze de tekeningen na, elke steen die ze leggen, elke plank die ze slaan, elk kozijn dat ze stellen, en wat ze ook doen, het is alles naar dat bestek. Welnu, zo doet de Heere ook.

Nu is het zo op onze bouwwerken dat de stenen bijna allemaal gelijk zijn; ze zijn in de steenfabriek gereedgemaakt. Maar zo was het in het oosten niet. Wanneer men in het oosten bouwde, dan bouwde men met natuursteen. Die natuursteen haalde men met karren uit het veld. Grote stenen, kleine, dikke stenen en dunne stenen van allerlei kleur. Het was het werk van een vakman om die stenen zo in elkaar te passen, dat die ene steen precies met die andere steen correspondeerde. Dat het bouwwerk niet scheef zou gaan hangen en dat het aan de ene kant niet veel zwaarder zou zijn dan aan de andere kant. Dat was vakwerk. U ziet hier en daar nog wel eens zo’n stukje muur van natuursteen samengesteld; allemaal stenen van verschillende vormen en verschillende grootte.

 

Zo bouwt nu ook de Heilige Geest die tempel van God, gemeente. Een kostelijke Hoeksteen, een gegraveerde Steen, dat is Jezus Christus. En op die gegraveerde Steen allerlei andere stenen: een Paulus, een Petrus, een Johannes, een Jakobus. Maar ook een Maria Magdalena. Ook die zondares, die tot Jezus kwam om te wenen over haar grote schuld. Ook een heidense hoofdman. Ook een vrouw uit Syro-Fenicië. Ook de kinderkens die door hun moeder gebracht werden, opdat Hij ze de handen zou opleggen en ze zegenen zou. Ze zijn door de Heilige Geest als stenen op dat fundament gelegd. Grote stenen, stenen voor aller ogen zichtbaar. Maar ook vulstenen, die noodzakelijk zijn, wil het gebouw bekwaam zijn om bewoond te worden.

 

Stelt u zich eens voor dat het alleen maar grote, hoekige stenen waren… Er zouden allerlei kieren en spleten overblijven, waardoor het een onbewoonbaar huis was. Welnu, zo heeft de Heere ook allerlei stenen die Hij gebruikt: dienaren van Gods Woord, machtig in de Schriften, zoals een Apollos. Maar ook zo’n gewone Lydia, purperverkoopster uit de stad Thyatira, die zomaar op de plaats der samenkomst kwam, wier hart de Heere opende, zodat ze acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. Daar is een Mirjam, die de vrouwen voor kon gaan met de tamboerijn om ze op te wekken de Heere te loven. Maar daar is ook een Hanna, die niet eens hardop bidden kon. Ze kroop in de tempel met haar smart en stortte daar haar ziel uit voor het aangezicht des Heeren. Daar is een Debora, die opriep: ‘Waak op, waak op!’, om het leger aan te voeren in de strijd tegen de vijand. Maar daar is ook een Anna, een weduwe van omtrent 86 jaar, die niet week uit de tempel met vasten en bidden, die de vertroosting Israëls verwachtte. Daar zijn Dorkassen, die in stilte de arbeid der liefde verrichten aan de gemeente van Christus.

 

Gemeente, jongens en meisjes, het is niet belangrijk hoor, of u een Paulus bent of dat je een arme zondaar bent die eigenlijk nooit iets toegebracht heeft tot het koninkrijk Gods. Weet je wát belangrijk is? Dat je als een onnutte zwerfkei uit de modder van deze wereld geraapt bent, dienstbaar mag zijn aan de opbouw van Gods koninkrijk. Hetzij als zo’n prachtig in het oog lopende steen aan de voorkant van het huis of misschien ergens als zo’n vulsteentje, bij de mensen veracht, misschien niet eens gekend bij het volk, maar bij de Heere uitverkoren en dierbaar.

Het komt er op aan of u contact hebt met het fundament en met de andere stenen. Vergeet dat niet! Als we de gemeenschap met Christus ervaren hebben, de vastheid van dat fundament onder onze wankele ziel gevoeld hebben, en op die enige grond der zaligheid onze hoop gebouwd hebben, dan hebben we ook gemeenschap met elkaar. Dan voelen we ons ook met elkaar verbonden en krijgen we elkaar lief, omdat we uit die ene beek gedrenkt worden en we door die ene Geest geleid worden.

O, dan moet dit ook gestalte krijgen in deze wereld, dat we samen één zijn. Het is het werk van de vorst der duisternis om te breken en te verscheuren, om alle schapen ieder een andere kant uit te drijven, en altijd maar te laten zien op elkaars fouten. Hij weet dat de liefde dan niet bloeien kan.

Gemeente, het is het werk van Jezus Christus om ons steeds dichter aan Hem en aan elkaar te verbinden.

 

Waar liefde woont, gebiedt de Heer’ de zegen;

Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,

En ’t leven tot in eeuwigheid.

 

Tot zover onze tweede gedachte: de opbouw van de woonstede Gods.

We zingen nu eerst het elfde vers uit Psalm 118:

 

               De steen die door de tempelbouwers

               Veracht’lijk was een plaats ontzegd,

               Is, tot verbazing der beschouwers,

               Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

               Dit werk is door Gods alvermogen,

               Door ’s Heeren hand alleen geschied;

               Het is een wonder in onz’ ogen;

               Wij zien het, maar doorgronden ’t niet.

                       

3. De bestemming van dit gebouw

 

Zo wordt het gebouw bekwaam samengevoegd, gemeente, en wast het op tot een heilige tempel in de Heere.

Op Welke ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. Hij zegt hier ‘wordt’. Hij zegt niet: ‘Op welke gij ook mede gebouwd zíjt’, maar ‘wordt’.

Dat bouwwerk is nog niet klaar, ziet u. Nog steeds is God aan het bouwen. O, gelukkig wel. Maar als straks de dag van de oplevering komt, kan niemand meer zalig worden. Niemand meer. Dan is het gebouw volmaakt. Dan is de laatste steen, de sluitsteen, toegebracht. Hen wordt dan toegeroepen: ‘Genade, genade zij dezelve!’

Zover is het nu nog niet. God zoekt nog steeds naar stenen. Hij heeft Zijn dienstknechten uitgezonden om die stenen, die nu nog verloren in zichzelf in de modder van deze wereld liggen, op te halen, opdat Zijn gebouw voltrokken zou worden naar Zijn volmaakt bestek.

 

Geliefde gemeente, een vraag: wie bent u? Er staat: Op Welke ook gij mede gebouwd wordt. Weet u daar van? Heeft de Heilige Geest u opgeraapt uit het slijk van deze wereld? Of zit u nog met al de vezels van uw bestaan vast aan hetgeen hier beneden is? Leeft u nog alleen voor dit ellendig leven, zonder hoop op God?

O, schreeuw dan. Schreeuw dan in uw armoe en verlatenheid, schreeuw dan in uw omzwervingen buiten God, schreeuw dan tot de levende God. Roep Hem uw nood uit, want ik zeg u: Hij zoekt ook heden nog dezulken. Roep de Heere aan, terwijl Hij nabij is. Het gebouw is nog niet af. Hij heeft nog grote en kleine stenen nodig, stenen van allerlei kleur. Hij heeft ze nodig, opdat dat heerlijke, dat prachtige Godsgebouw verrijzen zal, in die tempel des Heeren waar Hij Zelf in zal wonen.

O, Hij had ook wel engelen kunnen verkiezen om in hun midden te wonen, maar Hij heeft het niet gedaan. Wat een wonder: Hij wil van die onooglijke wereldse mensen een gebouw maken, waar Hij Zelf in wonen kan. Een tempel van de Heilige Geest, waarin God zal zijn alles en in allen.

 

Kom, gemeente, u moet het weten hoor. U moet het weten of u nog zo’n verloren steen bent in het midden van deze wereld. O, zoek dan de Heere, terwijl Hij nog te vinden is. Neem er geen rust mee dat u bent die u bent. Besteed de korte tijd van het leven. Het is nu de welaangename tijd, de dag der zaligheid. De wereld baart niets dan verdriet. Het uitnemendste van dit leven is moeite en verdriet en het wordt snellijk afgesneden. Zoek de Heere, terwijl Hij te vinden is (Jes.55:6).

 

Jongens en meisjes, alle wereldbeschouwingen raken op een eind en alle wijsbegeerte laat je leeg. Maar die goddelijke wetenschap, dat er een Verlosser tot Sion gekomen is om de ongerechtigheid van Israël af te wentelen, moet je ziel toch in blijdschap doen verwonderen? O, dat er toch in je ziel een stralend verlangen zou zijn, dat tot Hem doet uitgaan. Al ben je dan in jezelf verloren, al bemin je dan de wereld en de zonde, er wordt een weg ter verlossing aan je verkondigd!

De Heere legt zoveel arbeid der liefde aan je ziel ten koste. Hij roept het ook jullie toe in je jeugd: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart (Spr.23:26)! Kom, laat God je nood eens horen. Laat Hem de vuilheid van je hart eens zien met al die dwaze begeerten die er in je leven zijn. Bid God of Hij je ervan verlossen wil! Als je naar God komt, zo arm, zo ellendig, zo melaats, zo hulpeloos als je bent, dan laat je niets anders achter dan een wereld waar nooit vreugde in te krijgen is. Maar als je bij Hem komt, word je wel als een steen gelegd in dat Godsgebouw, waar niets anders wacht dan eeuwige blijdschap!

 

O, ik weet wel, dan valt het in de wereld niet mee. Het hoeft ook niet mee te vallen. God heeft het ons nergens beloofd, dat het ons in de wereld mee zal vallen. Hij heeft gezegd: ‘Als je Mijn discipel wil zijn, dan moet je het kruis op je nemen.’ Maar ik geef je toch de verzekering dat je duizendmaal gelukkiger bent om het kruis achter Christus te dragen, dan de kroon in deze wereld. Het is beter arm en ellendig op deze Hoeksteen neer te zinken, dan rijk en verrijkt in deze wankele wereld te moeten leven, zonder God en zonder Christus.

Kinderen, heeft God je hart al ingenomen? Heb je Hem al lief met je hele hart? Zoek je Hem al in je eenzame uurtjes? Denk je aan Hem als je ‘s avonds naar bed gaat? Weet, die Hem vroeg zoeken, die zullen Hem vinden! Buiten de Heere ben je arm en hulpeloos. Dan ben je op weg naar de hel, naar het eeuwig verderf. Nu kun je nog gevonden worden. De Heere zoekt je nog en de Heere roept je. Hij spreekt tot je en de Heere nodigt je. Hij doet het met tranen. Hij zegt: Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37).

O, luister dan toch naar Zijn stem en belijd Hem je zonden. Roep Hem aan om genade en rust niet voor je het in je leven ervaren mag dat Hij je genomen heeft in Zijn hand om je te leggen op die enige Grondsteen, de Hoeksteen Jezus Christus.

 

Gemeente, misschien zit u met heel veel kritiek te luisteren. Maar mag ik u eens vragen: bent u wel eens bij een bouwwerk wezen kijken dat nog maar half voltooid was? Daar is het ook niet alles, al die kalk, die planken, dat steigerhout…

Maar als u wachten wilt om tot Hem te komen totdat het gebouw wordt opgeleverd, dan bent u te laat! Denkt u daaraan? Als u nú niet wilt komen, dan zult u straks niet meer kúnnen komen!

 

Het is hier de strijdende kerk, en het is maar beter om dan ook mét die kerk te strijden dan tégen die kerk te strijden. De kerk, die hier nog een gestalte vertoont van kerk in opbouw, bevat fouten. Het zijn dus fouten die bij alle bouwwerken gemaakt worden.

Zelfs de knapste architecten en bouwheren moeten bij het gereedkomen van het gebouw toch wel eens zeggen: ‘Ach als ik het over moest doen, dan zou ik dat zus of dan zou ik dat zo doen.’

Wat betreft het werk van ons, als bouwlieden, is er veel waar ook wij van zouden moeten zeggen: ‘O Heere, ik heb het niet goed gedaan.’

Maar… er is een hemelse Bouwheer, Die nauwlettend Zijn oog laat gaan over de opbouw van Zijn kerk. En er staat dat Hij ze bekwaam samenvoegt.

Ergert u zich dan maar niet aan hetgeen u meent dat anders zou moeten! Kom liever, ja, kom liever in het strijdperk van dit leven en geef u aan Hem over. Doet dat met uw ganse hart, om ook bij die ‘Militia Christi’, dat is, bij die strijdende kerk van Christus te mogen behoren.

 

Kinderen Gods, dit weten we, en daarmee eindigen we: de tijd hier is niet verre meer dat door Hem Zelf de sluitsteen zal worden toegebracht. Dan zal Hij Zelf wel zorgen dat in het vuur van het oordeel het stellinghout, het steigerwerk, alle kalk en zand en stof en stukken die er achtergebleven zijn, versmelten zullen. Maar wie op Jezus zijn hoop gebouwd heeft, die zal staan tot in alle eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 75: 1 en 6

 

U alleen, U loven wij;

Ja, wij loven U, o Heer’!

Want Uw Naam, zo rijk van eer,

Is tot onze vreugd nabij;

Dies vertelt men, in ons land,

Al de wond’ren Uwer hand.

 

’k Zal dit melden, ’k zal altijd

Zingen Jakobs God ter eer,

Slaan der bozen hoornen neer,

Vellen wat Zijn Naam bestrijdt;

Maar der vromen hoorn en macht

Zal verhoogd zijn door Gods kracht.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 20)