Ds. H. Paul - Lukas 23 : 42 - 43

De triomf van Gods genade

Lukas 23
Op het kruis verworven
Aan het kruis benodigd
Vanaf het kruis geschonken

Lukas 23 : 42 - 43

Lukas 23
42
En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
43
En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 142: 1, 2
Lezen : Lukas 23: 33-43
Zingen : Psalm 32: 1, 3
Zingen : Psalm 38: 15, 18
Zingen : Psalm 118: 7

De tekst voor deze dienst vindt u in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Lukas 23, de verzen 42 en 43:

 

En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.

 

Gemeente, met Gods hulp bepalen we u naar aanleiding van deze tekst bij: De triomf van Gods genade.

 

Daarbij letten we op een drietal gedachten. Deze genade werd:

1. Op het kruis verworven

2. Aan het kruis benodigd

3. Vanaf het kruis geschonken

 

1. Op het kruis verworven

 

Gemeente, het is vandaag Goede Vrijdag. Het is de dag waarop we het sterven van de Heere Jezus op Golgotha herdenken. Met deze kruisdood onderging Hij het oordeel dat Pilatus op aandrang van het volk had uitgesproken. Het volk, dat bij herhaling geroepen had: Kruis Hem (Mark.15:13).

Door alles heen wordt Gods raad volvoerd. Daarbij is Hij met de misdadigers gerekend. Aan weerszijden wordt een moordenaar gekruisigd. Zo hangt de Zaligmaker temidden van de misdadigers.

Dat is ongetwijfeld bedoeld om de schande van de Heiland te verhogen. Als de voornaamste hangt Hij in hun midden. Lager kon het niet aflopen met de Koning der Joden.

 

Maar wat mensen ten kwade denken, denkt God ten goede. Want de Heere gaat Zijn genade verheerlijken in die éne moordenaar. Hij maakt hem tot een toonbeeld van Zijn ontfermende liefde. Tot een bewijs dat de Zoon des mensen macht heeft de zonde te vergeven. Het is ook het bewijs dat Christus kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren is, ook temidden van Zijn lijden.

Dat éne kruis met die berouwvolle zondaar, toont de overwinning van Gods genade. Al gaan de mensen nog zo tekeer, Die in de hemel woont staat boven alles en allen. In wat bedoeld is om Christus te treffen, Zijn ellende te vergroten, openbaart Hij Zijn majesteit. Wat de bitterheid van Zijn lijden moest vergroten, wordt Hem tot troost. Hij ondervond dat er één was die Hem erkende in hetgeen Hij was. Die Hem ook nodig kreeg in wat Hij als vrucht van Zijn lijden zou schenken: het eeuwige leven. Wiens ogen daarvoor geopend werden. Hij heeft de vrucht van Zijn lijden mogen zien in deze kruiseling, die Hem eerst nog bespotte.

 

Deze moordenaar deed mee met de schare, de overpriesters en de farizeeën. Ze konden de wonderen niet ontkennen, die Christus gedaan had. Maar die betekenden niets meer, omdat Hij nu als een machteloze aan het kruis hing. Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen (Matth.27:42).

Want als er toch één was die verlost moest worden, dan was Hij het Zélf. Voor hen was het duidelijk: ‘Hij kan Zichzelf niet verlossen.’ Hij is als een dokter die zegt een medicijn uitgevonden te hebben, maar zelf aan de kwaal sterft. Zo is het ook met Jezus. Al die tekenen betekenen niets, nu Hij Zelf niet tegen de tegenstander op kan.

Ze kunnen gerust zijn. Het blijkt dat ze gelijk hadden door niet in Hem te geloven; het is bevestigd aan het kruis.

 

Ook nu worden mensen, naar ze menen, in hun mening bevestigd dat het met de kerk niets is. Allerlei voorvallen bewijzen het gelijk van hen die de kerk de rug toekeren. Het falen van ambtsdragers of van andere kerkelijke mensen Iaat dat zien, menen ze. Ze kunnen gerust hun geweten stillen. Maar de kerk is Gods instelling en Zijn Woord is waar. Ook deze kruisiging is naar Gods raad. De diepe achtergrond wordt in het Woord onthuld. Daar moet het Iicht van het Woord over vallen.

Denk aan de discipelen. Ze hebben zich aan Jezus geërgerd en Hem verlaten. Maar bij het Pinksterfeest is er het Iicht van het Woord over opgegaan. Dan ziet Petrus dat wat nu heeft plaats gevonden, naar Gods raad is. Ook tot de Emmaüsgangers zegt de Heere Jezus: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Luk.24:26). Denk ook aan de profetieën en de ceremoniën van de wet, die er van spraken en er in vervuld zijn.

 

Hier zien we ook de gedachten van de farizeeën: jezelf verlossen… Zij wilden door doen en laten zichzelf waard maken dat God aan hen dacht. Als de Heere Jezus deze weg gepredikt had, zouden ze Hem aanvaard hebben als Rabbi. Dan zou Hij niet gekruisigd zijn. Maar dat is een doodlopende weg, zoals menig kind van God heeft ondervonden. De weg van het Woord is: verlost worden uit genade, om de verdienste van Christus alleen.

Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:21).

Christus gaf Zich aan het kruis, opdat Hij door Zijn offer de zonde teniet zou doen. Het zou rechtvaardig zijn als de zondaar zélf zou moeten boeten, maar dat is onmogelijk. Nu wordt ons in Gods Woord de weg van de plaatsvervanging getekend. De Heere Jezus is de Plaatsbekleder van de Zijnen. Hij stond vrijwillig in de plaats van de Zijnen en droeg met Zijn heilig lichaam en ziel de straf die zij verdienden. Jesaja schrijft: De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5). Jesaja schrijft ook: En met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonde gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft (Jes.53:12).

 

Daardoor opende Hij in Zijn eigen lichaam een fontein tegen de zonde en tegen de onreinheid. Nu is het kruis de plaats waar het offer werd gebracht. Want zoals het bloed van het lam gesprengd werd aan de voet van het altaar, en op de hoornen werd aangebracht, zo stortte Christus Zijn bloed op het kruis. Daar droeg Hij de volle toorn van God. Daar bood Hij Zijn ziel en lichaam aan tot een verzoening der zonden van de Zijnen. Zo werden al hun zonden uitgewist en weggedaan, om nooit meer toegerekend te worden. Zo gaf Hij Zijn leven, opdat de dood werd tenietgedaan.

Dit is het grote geheim van de verlossende liefde en het verzoenend bloed van Christus. Hier schittert het kruis in al zijn luister. Hier ontmoeten God en de zondaar elkaar in het offer van Christus.

Dat is dan niet de eerste ontmoeting. God begint als regel niet bij het kruis. Christus is niet het begin van de wet, maar het einde. De Heilige Geest maakt plaats voor Hem in het hart. Hij overtuigt eerst van zonde.

Hier is de triomf der genade. In artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we: ‘Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijn Zoon in de dood door een zeer volkomen liefde.’

 

Zo kan de grootste zondaar nog zalig worden. Zelfs moordenaars zijn niet uitgesloten. De Zaligmaker hing tussen de moordenaars en werd ermee gerekend.

Moordenaar; wat een vreselijk woord. Hier hangen mensen die zich vergrepen hebben aan een medemens die naar Gods beeld geschapen is. Mogelijk zijn het politieke moordenaars geweest, die met hartstocht vervuld waren van hun politieke idealen. Zoals ook nu veel politieke moorden worden bedreven.

Wie zich vergrijpt aan het leven van een ander, begaat een zeer grote zonde. Het leven komt ons toe uit Gods hand en wordt ons toevertrouwd. Niemand heeft het recht ons dat te ontnemen, dan de overheid na een rechtvaardig proces. Wie een moord begaat, tast God aan in Diens beelddrager. Daar horen ook de ongeboren kinderen bij. Het is vreselijk dat ook in ons land jaarlijks vele duizenden ongeboren kinderen gedood worden in de moederschoot.

Het is voor de Heere Jezus, als de Zoon des mensen, krenkend geweest om tussen moordenaars gehangen te worden, en dan nog wel in het midden als de ergste. In Gethsémané sprak Hij: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar? (Luk.22:52).

Deze plaats in het midden werd aan Hem gegeven om Hem het diepst te grieven. Hij, Die kwam om het beeld van God te herstellen, werd op één lijn gesteld met verwoesters van dit beeld. Maar dat was de weg die Hij gaan moest. De zonde is een aanslag op Gods beeld en is een moord op onze ziel. Nu wordt onze onheiligheid Hem toegerekend. En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend (Mark.15:28). Maar zo wordt vervuld: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10).

 

Want deze genade wordt niet alleen verworven, maar ook benodigd. Daar staan we bij stil in onze tweede gedachte:

 

2. Aan het kruis benodigd

 

In het evangelie van Mattheüs lezen we dat de beide moordenaars Hem hetzelfde verweten als de oversten van de Joden, die spottend riepen dat Hij Zichzelf niet kon verlossen. Daar ging de ene moordenaar in door, zelfs in het gezicht van de dood. Hij hing vlak naast Jezus, Die werkzaam was Zijn gemeente te verlossen.

Jezus had ook hem kunnen behouden. Maar deze moordenaar verwierp Hem nog bij het naderen van zijn dood. Hij lasterde Christus, overlaadde Hem met spot en hoon in het gezicht van de eeuwigheid. Hij bleef slaaf van satan. Tot het laatste ogenblik verhardde hij zich.

In de Openbaring van Johannes lezen we dat de mensen God lasterden onder de plagen en zich niet tot Hem bekeerden. Ook Salomo spreekt ervan: Al stiet gij de dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken (Spr.27:22).

 

Men zegt wel: ‘Nood leert bidden.’ Sommigen vloeken echter in hun nood. Dat blijkt bij die ene moordenaar. Deze man was wellicht een Israëliet, een nazaat van Abraham. Hij was misschien onderwezen in de Schriften. Hij had gehoord van de Messias, Die komen zou. Alles was echter overwoekerd door de liefde tot de wereld en het eigen ‘ik’.

Centraal stond bij hem wat hij wenste en wilde. Het ging hem slechts om een aardse verlossing. Hij zou het oude leven wel willen blijven voortzetten, al zou hij voortaan voorzichtiger zijn. Deze moordenaar billijkte het oordeel niet. Hij wierp de schuld op een ander en had geen verlossing van zijn ziel nodig. Hij heeft de weg geweten, maar deze niet bewandeld.

 

Een waar gebed wordt door de Heilige Geest gewerkt. Dat blijkt bij die andere moordenaar. Hij had de middelste kruiseling horen bidden: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen (vers 34). De Heilige Geest laat hem nu zijn diepe verdorvenheid zien. De Heere Zélf is nodig om ons aan Zijn voeten te brengen.

Of we nu bekeerd worden als deze moordenaar, of dat we van jongs af ingewonnen worden voor de dienst van de Heere; het wezen van de bekering is gelijk, al mag de openbaring onderscheiden zijn.

Ook deze moordenaar had het Woord van God verworpen. Maar in Gods hand kan dat verworpen Woord tot een zegen gesteld worden. De Heilige Geest kan het op Gods tijd weer in de herinnering brengen.

Zo ging het in het leven van de andere moordenaar. Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods (Rom.10:17). Daarbij heeft hij de woorden gehoord die de Heere Jezus sprak op weg naar Golgotha, waar hij eerst overheen geleefd heeft. Maar daarna ook de voorbeden van Jezus. De Heilige Geest heeft dit alles als een welgerichte pijl op zijn hart laten aankomen.

Dan is niemand bestand tegen Zijn overredende en overwinnende zondaarsliefde. De kenmerken van de waarachtige bekering komen openbaar. De Heilige Geest geeft de man zicht op het recht van God én ook op de heerlijkheid van Christus.

Hij was wel dichtbij Jezus. Hij miste eerst het rechte zicht, zowel op het recht van God als op de heerlijkheid van Christus. Hij zag alleen de machteloosheid van de Koning der Joden om Zichzelf en anderen te verlossen.

 

Als het van de vrije wil van de mens had moeten afhangen waren beide moordenaars, zonder deze erkenning van het recht van God en van de heerlijkheid van Christus, de dood ingegaan. Maar hier zien we het soevereine werk van de Heilige Geest; het welbehagen van God.

Want deze éne moordenaar krijgt met het recht van God te doen. Ware ontdekking doet ons de zonde niet vergoelijken. Dan zien we in wie wij voor God zijn. Het is dan net als bij Adam in het paradijs: En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? (Gen.3:9).

We krijgen vanuit het zicht op Gods rechtvaardigheid ook oog voor onze schuld. Die wordt beweend, zodat er een droefheid naar God ontstaat die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Want de Heere trekt met liefdekoorden naar Zich toe.

Hij brengt ons ook aan het eind van onze pogingen om God te behagen met onze beste werken, want die zijn met zonden bevlekt. Zo maakt de Heere plaats voor een Middelaar en Verlosser. Zijn noodzakelijkheid en onmisbaarheid worden voor ogen gesteld.

Daardoor wordt er een honger en dorst naar Christus geboren. Op Gods tijd wordt de weg die buiten ons is, maar die wel bij Hem is, ontsloten in het evangelie. Zo wordt de zondaar overreed om Hem in het geloof te omhelzen.

 

Velen menen dat het geloven in Jezus een daad is die tot het vermogen van de mens zelf behoort. Men stelt de eis tot bekering en geloof en suggereert dat die beslissing in eigen kracht kan worden genomen. Van dr. Owen, een puriteins predikant, is de uitdrukking bekend dat geloven is: ‘Het vluchten van een boetvaardig zondaar tot Gods barmhartigheid in Christus’. Het is inderdaad een vluchten, omdat men nergens anders heen kan.

Dat zien we ook bij deze moordenaar. Vóór de boetvaardige moordenaar bij de Heere Jezus komt, krijgt hij eerst met God te doen. De Heilige Geest brengt hem eerst tot de kennis van God. Want als hij zijn mede-kruiseling hoort spotten, zegt hij: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? (vers 40)

Dat brengt hem tot de belijdenis: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (vers 41). Hij rechtvaardigt God, maar smeekt ook om genade. Het geeft ons inzicht hoe de Heilige Geest plaats maakt voor Christus. Dat de zondekennis voorafgaat aan de kennis der verlossing. Maar dat die verlossing ook onmisbaar wordt.

In de prediking behoort deze orde ook aangehouden te worden. Waar dat niet meer functioneert in de prediking, krijgen we de dodelijke gerustheid die zijn duizenden verslaat. In de prediking dient benadrukt te worden dat we eerst met God te doen krijgen voordat we oog krijgen voor de heerlijkheid van Christus. De Heere Jezus omschrijft het werk van de Heilige Geest in Joh. 16 vers 8: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel.

 

De ontdekking gaat voorop. Met de woorden Maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (vers 41) toont deze moordenaar dat hij oog heeft gekregen voor het feit dat de Heere Jezus wel de beloofde Zoon van David moet zijn.

In de grote zielennood waarin hij gekomen is, ziet hij iets van het recht van God, maar ook van de heerlijkheid, de Iiefde en de barmhartigheid van Christus. Hij heeft Hem voor vijanden horen bidden. Nu raakt hij om Hem verlegen. Vandaar zijn gebed. Calvijn zegt: ‘De Vader zorgt ervoor dat er in ieder geval één oog krijgt voor het koningschap van Christus. Hij heeft vorstelijk van Christus gesproken toen geen sterveling anders zijn mond open deed dan om met Christus te spotten.’

Tegelijk zien we daarmee de keus vóór de Heere en Zijn dienst. Hij scheidt zich af van hem met wie hij voorheen één was. Maar hij zoekt wél zijn behoud. Dat is bijzonder, daar toch ook hem de dood voor ogen stond. Hij wil niet van de straf verlost worden, maar van de zonde. Hij stelt zich niet boven de ander en uit ook geen klacht over zijn rechters. Hij vergoelijkt ook zijn daden niet. We beluisteren alleen zijn zélfaanklacht.

 

Het is nodig te leren dat wij allen met de anderen, aan de zonden en het oordeel zijn vervallen. Wat is de zonde verschrikkelijk. De Heere leert de pogingen tot zelfverlossing opgeven en laat inzien dat de breuk onherstelbaar is. Dat de erkenning van schuld ook geen betaalmiddel is. Toch willen we verlost worden en leren vragen: ‘Is er enig middel waardoor we deze welverdiende straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?’ Dan wordt genade afgesmeekt en het tollenaargebed geboren.  En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13)

De Heere leert het vonnis over onze zonden te aanvaarden. Zo leerde ook David bidden: ‘Ik ben, o Heere, Uw gramschap dubbel waardig.’ Het is een duidelijk bewijs dat we dan onder de geestelijke tuchtmeester gekomen zijn. Dan aanvaarden we verloren te moeten gaan, omdat we verloren liggen. Zo wordt ook de poging tot zelfverlossing opgegeven, maar wordt het gebed om genade gebeden. Een gebed om herstelling van de gebroken verhouding. Het gaat immers om God en om Hem tot ons deel te hebben. Zo wordt plaats gemaakt voor Christus en hebben we werk voor Hem. Dan krijgen we Hem ook nodig in hetgeen waarvoor Hij kwam.

 

De man spreekt ook van Jezus’ onschuld. Ook hier is iemand een getuige van de onschuld van Christus, net als Pilatus en Herodes. Straks zal ook de hoofdman van Jezus’ onschuld getuigen. De moordenaar zag en hoorde van Zijn onbegrijpelijke zachtmoedigheid en verdraagzaamheid.

Hij stelt de Zaligmaker als rechtvaardig tegenover hen als onrechtvaardigen. Hier vindt het tegenovergestelde plaats van hetgeen voor Pilatus gebeurde. Daar werd de onschuldige Jezus aangeklaagd en veroordeeld.

Wat hebben we de Heilige Geest nodig om persoonlijk zicht te krijgen op de heerlijkheid van de tweede Adam. Dat geldt zowel voor het eerst, als in de verdere oefeningen van het geloof. Want het is de Heilige Geest, Die op God en op Christus aanwerkt. De Heere Jezus zegt daarvan: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven degenen die ze van Hem bidden (Matth.7:11).

Die God, Die almachtig is en vrijmachtig werkt, staat nog als de vader van de verloren zoon op de uitkijk, om gevallen Adamskinderen te ontvangen. De moordenaar zag in het geloof op Jezus. In plaats van een troon zag hij een kruis. In plaats van een kroon een doornenkroon. In plaats van een purperen kleed zag hij Hem naakt aan het kruis. Toch zag hij in Hem een Koning Die zal leven, al weet hij dat Christus zal sterven.

Hij zag de noodzakelijkheid om behouden te worden. Slechts deze Jezus kon redden. Zo is het geloof van deze man een blijk van een oprecht geloof.

 

Hieruit blijkt ook dat de Heilige Geest, als de Geest van het geloof, ook de Geest van de ontdekking is. Als ons geloof boven dat van deze man uitkomt, mogen we het wel verdacht houden.

Hij noemt Hem ‘Heere’, ook als hij Hem ziet in Zijn vernedering: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. De Heilige Geest beweegt de hand van zijn ziel naar Christus. Eerst diende hij satan, nu erkent Hij Christus in Zijn grootheid en bevoegdheid. Hij weet en gevoelt dat Christus een toekomst heeft. Aardse koninkrijken hebben geen blijvende toekomst. Hoeveel kronen zijn er al ter aarde gevallen. Maar het geloofsoog van deze man aanschouwt in deze Man van smarten de Koning der heerlijkheid.

Hij herkent in Hem de langverwachte Messias. Hier is het ware geloof aan het woord, hoe zwak het ook nog zijn mag. Het openbaart zich in zijn werkzaamheden.

 

Zo’n ontdekte ziel gevoelt zich in al zijn ellende juist een gepast voorwerp voor Christus Jezus. Als Hij nu zulken hebben wil, ja voor zulken gekomen is, dan grijpt de zondaar moed. Als Hij zulken nodigt, dan ben ik ook genodigd, want daarin wordt ook mijn naam genoemd. Dan breekt het geloof door en zegt zo’n zondaar: ‘Heere, hier ben ik.’ Het is dan zoals bij Esther: En alzo zal ik tot de koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om (Esther 4:16).

Zo kwam de melaatse en hij werd genezen. Zo kwam de bloedvloeiende vrouw en zij werd gezond. Die twee behoren bij elkaar: deze Jezus en zondaren die om Hem verlegen zijn.

 

In alle geloof is ook vertrouwen: Heere, gedenk mijner. Anders zouden ze niet tot Hem roepen. Het is een bescheiden gebed, maar wel uit het diepst van zijn hart. Hij laat aan de Heere over hoe Hij zal verhoren. Maar áls Hij het doet, doet Hij het altijd goed.

De Kananese vrouw had aan kruimels genoeg. Het waren de overgebleven stukjes. Ze is tevreden met weinig, als het maar bij Hem vandaan komt. Hij alleen kan redden; het gaat om het Zijne. De betrekking valt op Hem. Hij is het Voorwerp van het geloof, niets of niemand anders.

 

Laten we eerst zingen uit Psalm 38 vers 15 en 18:

 

Want, o trouw en eeuwig Wezen,

In mijn vrezen

Staat mijn hoop op U alleen;

Gij, mijn God, zult in ellenden

Bijstand zenden,

En verhoren mijn gebeên.

 

‘k Wil mijn misdaân, die U tergen,

Niet verbergen;

Ik bedek voor U die niet.

‘k Ben vanwege al mijn zonden,

Die mij wonden,

Vol van kommer en verdriet.

 

3. Vanaf het kruis geschonken

 

De Heere wijst zo’n boetvaardige zondaar niet af. Zijn werk keert tot Hem terug. Als een balling en vluchteling uit het verloren paradijs voor Hem neerzinkt, toont Hij Zijn ontferming. Zo één krijgt antwoord zoals ook deze boeteling: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.

Het is een blijk van onpeilbare zondaarsliefde, die nooit uit te spreken is. In Zijn lijden hoort Hij een ootmoedige zondaar. Zijn woorden van genade en troost druppen als balsem in een gewonde ziel. Wat een heerlijk antwoord. De spotters krijgen geen antwoord, maar de boetvaardige wel.

 

Voorwaar. Dit woord klonk zo vaak van Zijn lippen. Hij bevestigde Zijn woorden met nadruk. Hij spreekt met macht en gezag. Het zal de moordenaar gesterkt hebben in zijn geloof. De bestrijding zal weldra niet ontbreken.

Christus was Zich bewust dat Hij, door Zijn voldoening, schatten bezat die eeuwigheidswaarde hebben. De Heere kent de diepte van de nood van de Zijnen, maar weet dat Hij alles bezit wat tot leniging ervan nodig is. Hij had macht om de zonde te vergeven.

Voor wie de Heere vreest is er niet alleen een verloren paradijs, maar ook een toekomstig. Daar is de engel niet aanwezig om de weg te versperren tot de boom des !evens. Daar zal een volkomen herstel zijn van wat verloren is, en dat voor eeuwig.

 

Gemeente, hebben wij er zicht op gekregen?

Met Mij. Christus zal in die heerlijkheid ingaan, maar niet alleen. Het is de vrucht van de verbondenheid met allen voor wie Hij Borg werd: de schapen van Zijn kudde. Wat Adam naliet, volbracht Christus. Het is alleen mogelijk met Hem, omdat het ook door Hem tot stand gebracht is. Hij is het Hoofd van het Iichaam.

Zijn gerechtigheid is hun gerechtigheid, Zijn zaligheid is hun zaligheid. Door Hem zullen ze ingaan, gewassen in Zijn bloed en geheiligd door Zijn Geest.

De krijgsknecht beëindigt het aardse leven van deze moordenaar. Met zware mokerslagen haalt de soldaat zijn arm uit. De genadeslagen worden toegediend. De aarde kent een zondaar minder; de hemel een verloste meer. Van het kruis naar het paradijs.

 

Vrije genade ligt hier aan ten grondslag. Het is de triomf der genade over een verloren zondaar. Deze genade werd door de één verworpen. Wat een hardheid is er bij hem op te merken. Dat leeft ook bij ons. De bewarende hand van de Heere is noodzakelijk in ons leven. Maar hoe zal ons sterven zijn?

Veracht het bloed van de Gekruiste niet. Dan gaat u langs het teken van het kruis verloren. Heeft de Heere ooit wat aan u kwijt gekund? De Heere rechtvaardigt enkel zondaren. Zeg niet: ‘Ik heb de tijd nog.’ Let op de ernst van de zonde.

Deze moordenaar is wel ter elfder uur gered. Daaruit blijkt dat niemand te oud is om bekeerd te kunnen worden. Maar… wanneer is dat elfde uur er voor u? Bovendien heeft de Heere recht op uw leven. Zalig is het om ons leven in Zijn dienst te besteden. Onze jeugd is de beste tijd om bekeerd te worden. Hij vraagt jullie hart, jongens en meisjes. Zijn dienst is een zalige dienst.

 

We kunnen u voor de helft niet aanzeggen Wie de Heere Jezus is. Bij Hem is een volheid van genade. De korenschuren van deze meerdere Jozef zijn nog vol. Neem tot Hem de toevlucht. Smeek om de genade van een verbroken hart en een verslagen geest. Want elke zucht uit een verslagen hart is Zijn werk.

Laat ook de geestelijk bedroefden aanhouden. Hij zegt: En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Het Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn, blijft nodig. Hij is de grote Profeet, de enige Priester en de eeuwige Koning. Ja, Hij is ook de enige Weg tot God, Die volkomen kan zalig maken allen die door Hem tot God gaan. Waar genade valt, daar valt ze vrij. Ze is gegrond in het eeuwig welbehagen van God en in de verdienste van Christus.

Deze Christus wordt u vandaag nog verkondigd.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118: 7

 

De Heer’ is mij tot hulp en sterkte;

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het Die mijn heil bewerkte,

Dies loof ik Hem mijn leven lang.

Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil, ons aangebracht;

Daar zingt men blij, met dankb’re psalmen:

Gods rechterhand doet grote kracht.