Ds. D. Rietdijk - Johannes 19 : 39

Nicodémus bij Jezus' begrafenis

Jezus en Nicodémus
Jozef en Nicodémus
De specerijen van Nicodémus
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 19)

Johannes 19 : 39

Johannes 19
39
En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 16: 5
Lezen : Johannes 19: 30-42
Zingen : Psalm 42: 4, 6, 7
Zingen : Psalm 22: 11
Zingen : Psalm 73: 13

Gemeente, wij willen u het Woord van God bedienen zoals u dat vinden kunt in het heilig evangelie naar de beschrij­ving van Johan­nes, het negentiende hoofdstuk, het negenendertig­ste vers. Ik noem u Johannes 19 vers 39. Daar lezen wij het Woord van God: 

                                              

En Nicodémus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë; omtrent honderd ponden gewichts.

                                                                                                           

Deze tekst spreekt ons van: Nicodémus bij Jezus’ begrafenis.

 

Wij gaan dan op drie dingen letten:

1. Jezus en Nicodémus                                   

2. Jozef en Ni­codémus                                       

3. De specerijen van Nicodémus   

                               

1. Jezus en Nicodémus

 

Gemeente, wij staan vanavond in gedachten op Golgotha. Golgotha is die heuvel van grote verschrikking en ontzet­ting, een heuvel die al de eeuwen door genoemd zal worden. Daar is de Heere der heerlijkheid gekrui­sigd.

Als u die heuvel van ontzet­ting even in gedachten neemt, ziet u daar drie kruisen staan. Jezus in het midden, ter rechter- en ter linkerzijde hangen twee moordenaars, want Hij is daar met de overtre­ders geteld geweest. Op die heuvel is Hij bespot en gesmaad. Daar heeft men geschimpt: Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis (Matth.27:40). Zij hebben geroe­pen: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen (Matth.27:42).

 

Op Golgotha is er ook de drie-urige duisternis geweest, waarin Jezus door God verlaten werd. Daar heeft Hij getast naar de hand van Zijn Vader, maar die hand heeft Hij niet kunnen vinden. Op Golgotha heeft Hij de helse smarten gedragen, daar heeft Christus als Borg de helse verlatenheid van God doorstaan. De verlatenheid die wij, als wij geen genade van God ontvangen, eeuwig moeten lijden en eeuwig doorstaan.

Op Golgotha is de Heere Jezus ook gestorven. Want dat moest geschieden. De Heere Jezus moest sterven, want Hij is in de plaats van Zijn Kerk gaan staan. Die Kerk heeft gegeten van de boom der kennis des goeds en des kwaads, waarvan God had gezegd: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Gen.2:17). De Heere Jezus is die dood gestorven. Hij heeft de drievoudige dood gezien; die heeft Hij aanvaard, die heeft Hij over Zich laten komen. De geestelijke dood, de eeuwige dood, en tenslotte de tijdelijke dood. Met grote stem roepende heeft Hij de geest gegeven.

 

De Heere Jezus is niet gestorven door verzwak­king van het lichaam, Hij is niet gestorven door uitputting, omdat Hij het niet meer dragen kon. De Heere Jezus is heel bewust gestorven. Met grote stem roe­pende, in de volle kracht van Zijn leven, heeft Hij bewust en gewillig de geest gegeven: En het hoofd buigende, gaf Hij de geest (Joh.19:30).

Nu moet Hij van het kruis worden afgenomen. De Joden hebben die kruisafname geëist. Want de Heere had in Zijn wetten bevolen dat degenen die aan het hout gehangen waren vóór de avond, vóór de duisternis inviel, van het hout moesten worden afgenomen. U kunt dat lezen in Deuteronomium 21: Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten, maar gij zult het zeker­lijk ten zelfden dage begraven, want een opgehangene is Gode een vloek; opdat het land niet verontreinigd worde, dat u de Heere uw God tot een erve gegeven heeft (Deut.21:23).

Dus Jezus is tot een vloek geworden. En nu moest Hij van het kruis worden afgenomen, éér de avond ging invallen, opdat het land niet zou verontreinigd worden en er geen vloek zou liggen op het land. Bovendien was het een bijzondere avond die aanbrak, want om zes uur zou de sabbat aanbreken. Die sabbat was groot, want dat was het Pascha des Heeren. Het was het hoge feest in Israël, waarmee men de verlos­sing uit Egypte door de krachtige hand van de Heere herdacht. En u begrijpt: met de lichamen van die kruiselingen aan het hout, zou dat Paasfeest veront­reinigd worden. Vandaar de eis van de Joden, wat zij ook aan Pilatus gevraagd hebben, dat de lichamen van het kruis zouden worden afgenomen en de beenderen zouden worden gebroken.

 

Nu heeft de Heere Zijn leven gegeven, en nu moet Zijn lichaam door de soldaten van het kruis worden afgenomen en ook begraven worden. Tot het laatste toe heeft Jezus Zijn Kerk verlost van vloek en straf. Want wij hebben gegeten van de boom en dus zijn wij des doods schuldig.

En nu heeft de Heere gezegd: Want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren (Gen.3:19). Onze lichamen zullen eenmaal worden gelegd in het stof des doods. De dood is voor ons zeker, gemeente. Het leven is onzeker, daar kunt u geen garantie voor krijgen; maar de dood is zeker, die wacht op ons. Ook het graf wacht op ons. Dat graf wordt nooit verzadigd; er komt nooit een ogenblik dat het graf zal zeggen: ‘Nu is het genoeg.’

Maar nu is de Heere Jezus de dood van Zijn Kerk gestorven. Zijn dood is hun dood. De Heere Jezus is begraven in het graf van Zijn Kerk, want Zijn graf is hun graf.

 

Weet u waar het nu om gaat op deze Goede Vrijdag? Hierom: of wij in die dood des Heeren ook onze dood hebben gezien; en of wij in dat graf des Heeren ons graf hebben gezien. Want dat is het wat wij op de aarde bren­gen: de dood en het graf.

Maar nu zal Christus als Borg de dood aangrijpen, om die te overwinnen. Hij gaat het graf in om de boeien van het graf te verbreken. Hij zal de dood overwinnen, en het graf openen. Jezus gaat voor Zijn Kerk tot het laatste, het allerlaatste toe.

 

Op Golgotha moeten de kruiselingen worden afgenomen van het kruis. Soldaten hebben de beenderen van de moordenaars gebroken en hebben hen afgenomen van het kruis. Van Jezus hebben zij gezien dat Hij al gestorven was. Dat hebben zij bovendien nog vastge­steld door middel van de speerstoot, waardoor er bloed en water uit Zijn zijde kwam. En dan gaan de soldaten ertoe over om de beide andere kruise­lingen, de moordenaars, van het kruis af te nemen. Hun beenderen worden wel gebroken, want zij zijn nog niet gestorven. Wat een diepe ellen­de, wat een vreselijke pijn!

 

Op een zeker ogenblik heeft Johannes Nicodémus zien komen. Ja, hij is ook nooit vergeten dat Jozef kwam. Maar u hoort in de woorden die Johannes hier schrijft – hij heeft ze op een zeer hoge leeftijd geschreven – u hoort daar verwondering in doorklinken: En Nicodémus kwam ook. Als je het zou moeten zeggen in de taal van onze tijd, zou je het eigenlijk zo moeten vragen als Johannes het bedoelde: ‘Nicodém­us, bent u ook hier, op de heuvel van Golgotha, bij deze dode Jezus?’

Nicodémus is een man ­door wie Johannes, door de leiding van de Heilige Geest, erg geboeid is. Want wij lezen over die rijke Ni­codémus niets bij Mattheüs, Markus en Lukas. Over Nicodémus leest u alleen maar in het evangelie van Johannes. De andere evange­listen noemen hem niet.

Driemaal leest u in het evangelie van Johannes over Nicodémus. En als we straks af­scheid nemen van Nicodémus in deze tekst, hoort u nooit meer over hem.

Drie keer komt hij voor bij Johannes. Want Johannes heeft deze Nicodémus gekend in zijn levensbegin. U leest dat in onze tekst. Johannes schrijft: En Ni­codémus kwam ook, die eerst des nachts tot Jezus gekomen was. Dus dat weet Johannes nog. En telkens als hij die naam van Ni­codémus noemt, in Johannes 7 en in Johannes 19, zegt hij erbij: ‘Dat is die discipel die des nachts tot Jezus kwam.’

In de beschut­ting van het donker, in de beschutting van de nacht was Ni­codémus met zijn vragen tot Jezus gekomen. Hij was dus eigen­lijk een nachtdiscipel. Ik bedoel daarmee te zeggen: je moet nooit verwachten dat zij geloofshel­den worden, die grote dingen doen, waarover iedereen spreekt. De vrees voor de mensen was in het hart van Nicodémus gevestigd. De vrees voor de mensen is groter dan de vreze Gods.

 

Maar laten we niet op Nicodémus neerzien. Want, gemeente, het zou kunnen zijn dat u bij uzelf zegt: ‘Ja, maar ik herken hem ook in mijzelf.’ Nicodémus wilde niet zo graag herkend worden als een discipel van de Heere Jezus. Hij kwam de eerste keer in het donker van de nacht tot de Heere Jezus.

Misschien herkent u uzelf daar wel in: ‘Ja, dat is de last van mijn leven. Daar bid ik om: Verlos mij toch van ‘s mensen overlast, dan zal ik U naar Uw bevelen eren.’ Of het zou erger kunnen zijn, dat u uzelf helemaal niet in Nicodémus herkent, omdat u nog nooit tot Jezus bent uitgegaan. Overdag niet en ook niet in de nacht. Voor het oog van de mensen niet en in de beschutting van het duister niet. Dat u nog nooit naar de Heere Jezus hebt ge­vraagd en naar Hem gezocht.

Is dat zo? Zegt u: ‘Nee, op Nicodémus kan ik niet lijken, want ik ben nooit naar de Heere uitgegaan’?

Dat zou ontzaglijk erg zijn. Want buiten Jezus, gemeente, jongens en meisjes, is er geen zaligheid! Laten we dit alvast maar van Goede Vrijdag meenemen: buiten Jezus, Die op Golgotha geleden heeft en gestorven is, Die de helse smarten gedragen heeft, is er geen zaligheid. Buiten Hem is er niets; buiten Hem is er alleen een eeuwig verderf.

Dus als je nu nog nooit tot de Heere Jezus gekomen bent, is dat wel ontzag­lijk erg. Want dat brengt een eeuwige nacht! Dan zult u nooit dat Licht leren kennen, het Licht dat in het duister van deze wereld ontstoken is.

 

Nicodémus is in de nacht tot Jezus gekomen.

Het is bij die ene keer niet gebleven, want er staat, dat hij eerst kwam. Dus er zijn meerdere keren op gevolgd. Er is bij Nicodémus, in het weinige wat we van hem weten uit het Johannesevangelie, een groei te ontdekken. Het is bij die eerste keer niet gebleven.

Het is bij die ene nacht ook niet gebleven. Hoewel Nicodémus nooit op de voorgrond is getreden, nooit een man geweest is over wie je bladzij­den vol kunt schrijven, is hij geen man geweest die ooit op de lijst van apostelen is te­rechtge­komen. Maar het loopt toch hierop uit, dat Johannes in verwondering zegt: En Nicodémus kwam ook. 

 

Die eerste maal dat Nicodémus bij Jezus kwam in de nacht, is hij nooit verge­ten. Toen kwam hij als rabbi bij Jezus, de grote Rabbi in Isra­ël. Zo erkende hij Jezus ook: ‘Nie­mand kan de werken doen die Gij doet’, zegt hij.

Maar u weet, gemeente, voordat hij goed en wel op gang is om zijn vragen aan de Heere Jezus voor te leggen, zegt Jezus al tegen hem: ‘Nicodém­u­s, je moet ver­nieuwd worden, je moet opnieuw geboren worden, je moet geeste­lijk levend worden, anders zul je dat Koninkrijk der hemelen niet ingaan.’

Een nieuw geestelijk levend mens gemaakt worden… Dat is wat!

Als je daar zo komt bij de Heere Jezus – je bent een overste der Joden, die toch wel een gegaran­deerde plaats in het Koninkrijk van God heeft, nietwaar, en die een leraar in Israël is en denkt dat hij het wel gewonnen heeft – en dan te horen krijgen: ‘Nicodémus, je moet levend gemaakt worden; je moet wederom geboren worden; je moet uit God geboren worden!’

Dan gaat er wat gebeuren. Want Jezus zegt er ook bij Wie dat doet. Hij zegt: ‘Dat doet de Heilige Geest. Dat ‘wederom geboren worden’, dat ‘nieuw leven geven’, dat ‘iemand tot nieuw mens maken’, dat doet de Heilige Geest.’

Nicodémus, de Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut (Joh.6:63).

 

Het vlees is niet nut. Dat is een ingrijpende zaak! Want daar sta je dan met je hele hebben en houwen, met al je goed doen, je beste werken en je vele gebeden. Dan zegt de Heere zomaar: ‘Het vlees doet u geen nut, dat heeft geen enkele betekenis, geen enkele waarde. Je moet helemaal vernieuwd worden, je moet uit God geboren worden, je moet geeste­lijk leven.’

Weet u wat dat betekent, gemeente? Dat wil zeggen dat Nicodémus op datzelf­de ogenblik buiten het Koninkrijk van God staat! Dat wil zeggen dat deze man, in plaats dat hij tot het Koninkrijk van God behoort, dat bijzondere Koninkrijk dat God op de aarde heeft, nu opeens met de hele wereld, met alle tolle­naars en zon­daars op één hoop wordt gewor­pen! Want je kunt dat Konink­rijk van God niet ingaan, tenzij je een nieuw mens wordt, tenzij dat je weder­geboren wordt. ‘Buiten staan’ wil zeggen dat je ziet: ik ben verloren. Verloren voor God. Ik sta erbuiten. Ik ben dood in zonden en misdaden. Altijd heb ik geleefd naar mijn eigen zin, naar mijn eigen lust. Ver van God. Onbekom­merd om het lot van mijn ziel voor de eeuwigheid. Verloren.    

 

Maar, gemeente, toen heeft Jezus tegen Nicodémus niet alleen gezegd dat dit nodig was, maar Hij heeft ook laten horen waar de Geest zo’n verlorene brengt. De Geest gaat hem brengen bij de bron van het leven. Als de Geest u gaat levendmaken en wederbaren en tot een nieuw mens maken, dan zal Hij u brengen bij de bron van het leven.

Wat is die bron dan?

Wel, dat zegt Jezus: je komt op Golgotha terecht.

Op Golgotha? Ja, luis­ter maar. Jezus heeft die nacht tegen Ni­codémus gezegd: ‘Nico­démus, gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden. Opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:14-15). Dus, Nicodémus, de Zoon des mensen moet verhoogd worden, net als die slang in de woestijn. En die geschiedenis kent u.’

Ja, die kent hij. Die geschiedenis kennen jullie allemaal wel, jongens en meisjes. Mozes moest op het bevel des Heeren een koperen slang maken en die verhogen op een staak. Het volk was namelijk met een slangenplaag bezocht, vanwege hun murmureren. Velen waren door giftige slangen gebeten. Die gebete­nen moesten sterven. Die lagen daar op de grond. Het gehuil in Israël was vreselijk en de droefheid was groot vanwege al die stervenden. Toen zei de Heere: ‘Maak maar eens een koperen slang, Mozes. En verhoog die op een staak. Ieder die op die slang ziet, zal leven.’

Zo moet op Golgotha de Zoon des mensen verhoogd worden aan het kruis, opdat een ieder die op Hem ziet, die in Hem gelooft, zal leven.

 

Gemeente, er zijn in het leger van Israël mensen geweest die vlak­bij die koperen slang hebben gelegen. Maar toen dat woord tot hen kwam: ‘Als je op die slang ziet, zul je leven, en niet ster­ven’, hebben ze dat woord niet geloofd! Zij hebben niet naar die slang gekeken...

Er zijn misschien ook mensen geweest, helemaal achteraan in het leger, zo doodziek dat ze niet eens de kracht hadden om het hoofd op te lichten. Zij moesten geholpen worden om het hoofd op te til­len, om te kijken naar die slang in de verte. Maar ze hebben hem gezien, en... zij leefden!

 

‘Ni­codémus, je staat er buiten, buiten het Koninkrijk van God. Het is nodig dat je op Golgotha komt, want je bent een gebetene door de zonde, je draagt het gif van de slang mee in je leven. En dus ben je een mens die sterven moet. Maar, Nicodémus, wie nu op Hem ziet door het geloof, die zal leven!’

Gemeente, dat is nu die gekrui­sigde Jezus. Op die gekruisig­de Jezus moeten we zien; op die gekrui­sigde Jezus moet het geloof gevestigd worden. Op Golgotha moet u terechtko­men, net als Nicodémus, Petrus en Johannes. Iedereen moet terechtkomen bij die gekruisigde Christus, om op Hem te zien en om door Zijn bloed te leven. ‘Waar het bloed, door Hem gestort, mij de Bron des levens wordt.’

 

Gemeente, jongens en meisjes, daar gaat het om. Dat is de bron van het leven! Je kunt echt niet sterven met een of andere gevoelige aandoe­ning. Je kunt niet sterven met een traan. Je kunt niet sterven met een psalmversje, hoe liefelijk ook.

Er is nodig die gekruisigde Jezus. En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Gemeente, nogmaals: wij moeten door de Geest op Golgotha terechtkomen, om op die gekrui­sig­de Jezus te zien. 

De Heere Jezus zegt er nog één ding bij: ‘Nicodémus, God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden (Joh.3:17).’ Daar ligt Nicodémus op één hoop met de hele wereld! Daar is hij een gebetene, die buiten het Konink­rijk van God staat. Hij moet gaan sterven, gebeten door de slang. Nu krijgt diezelfde Nicodémus te horen: ‘God heeft Zijn Zoon gezonden, opdat die wereld door Hem behouden zou worden.’

 

Leven door een gekruisigde Jezus. Dat moet Nicodémus leren, dat moet Petrus leren, dat moet Johannes leren. Wij moeten dat allemaal aan deze zijde van het graf gaan leren. De wijze waarop u dat leert kan verschil­lend zijn. Je kunt een Petrus zijn, een man die drie jaar meegelo­pen heeft, die vooraan ge­staan heeft, die de spreekbuis was van de elven... Maar bij Jezus’ begrafenis lees ik wel over Nicodémus, maar niet over Petrus; die zie ik ineens niet meer. Maar Ni­codémus, de nacht­discipel, die in de nacht met Jezus gesproken heeft en die het gehoord heeft: ‘Je moet op Golgotha terechtkomen, opdat je de verhoogde Zoon des mensen aan­schouwt’, die is er wel!

Gemeente, dat woord is in het leven van Nicodémus door gaan werken. Want dat is zomaar niet een woord dat hij heeft aange­hoord of waar hij zich aan gestoten heeft, zo van: alweer een woord over wederge­boorte, en alweer over de Geest Die werkt en alweer over de gekrui­sigde Chris­tus. Nee, dat woord is in zijn leven door gaan werken. Hij stond er echt buiten, hele­maal. En hij kon alleen maar zalig worden door die gekrui­sigde Jezus.

Het begin van Nicodémus’ nieuwe leven was klein: hij kwam in de nacht tot Jezus, als een nachtdisci­pel. Maar het heeft rijke vrucht gedragen in zijn leven.

 

Gemeente, het gaat er niet om of het begin in ons leven klein is, maar of het wáár is. We moeten de dag van de kleine dingen maar niet verachten. Het gaat erom of het in ons leven waar geworden is, of wij het gezien hebben: ik sta erbuiten en ik moet gaan sterven, want er is slangen­gif in mijn leven; ik kan voor God niet ver­schijnen zoals ik ben.

Als dat in ons leven gaat doorwer­ken als een zuurdesem, dan komt dit ook openbaar. Het is ook in het leven van Nicodémus openbaar gekomen. Want in Johannes 7 leest u over Nicodémus in de Joodse raad. Men wil Jezus doden. Maar dan neemt Ni­codé­mus het voor Jezus op. Dan zegt hij: Oordeelt ook onze wet de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat wat hij doet? (Joh.7:51) Hij wil ermee zeggen: ‘Je moet toch eerst die Man gehoord hebben? We kunnen toch niet zomaar iemand veroordelen?’

Hij neemt het in het open­baar voor Jezus op, in de raad van het Sanhed­rin. Ziet u wel dat er wat gegroeid is in zijn leven? Hij heeft iets in Jezus gezien!

Maar dan ondergaat hij tegelijk al de smaad, want dan zeggen ze: ‘Zijt gij ook uit Galilea? (Joh.7:52) Hoor je ook bij dat achterlijke stelletje vissers van Galilea? Hoor je ook bij die wonder­lijke figuren uit Galilea? Zijt gij ook een Galileeër?’ Dat vragen die deftige Sanhedrinleden.

 

Nu voor de derde maal: Nicodémus kwam ook.

Je hoort het Johannes als het ware zeggen: ‘Nicodému­s, u hier op de kruisheu­vel, hier op de plaats van de dood?’

Ja, gemeente, daar moet Nicodémus zijn. Op die plaats van de dood, op die plaats waar Christus is verhoogd geworden, daar moet Nicodémus zijn.

Daar moet u ook zijn, en jullie ook, jonge mensen; daar moet u komen met de last van uw zonde, uw schuld en uw oordeel. Daar moet u komen met het slangen­gif in uw leven, met uw er-buiten-staan, met wat niet in het Koninkrijk Gods kan ingaan. Daar moeten wij allemaal zijn.

Nicodémus kwam ook. Nu er niets meer aan te doen is, nu er naar de mens gesproken geen verwach­ting meer is, nu staat Ni­codémus daar! Petrus is weg. Johannes is weg. Allemaal weg. Maar nu staat Nicodémus daar.

 

Dan, gemeente, gaat Ni­codémus samen met Jozef van Arimathéa zorgen voor de begrafenis van de Heere Jezus. Dat is onze tweede hoofdgedachte:

 

2. Jozef en Nicodémus

 

Nicodémus kwam ook. Maar er was nog iemand: Jozef van Arimathéa. En het wonder­lijke is dat je over die Jozef van Arimathéa helemaal niets leest! Over hem lees je alleen maar in de geschiedenis van het kruis van Golgotha en de begrafenis.

Jozef, ook een nachtdisci­pel, ook een man die vol was van de vreze der Joden. Hij stapt zomaar ineens de geschiedenis binnen op Golgotha. En tegelijkertijd stapt hij er weer uit ook. Je hoort niet meer van hem. Maar Johannes zegt van deze Jozef, dat hij een discipel van Jezus was, bedekt om de vreze der Joden (Joh.19:38).

Dat ‘bedekt om de vreze der Joden’ kun je hem kwalijk nemen, want het is de geest der dienstbaarheid. En die geest der dienstbaarheid wekt vrees, dan word je bang; dan word je overal bang voor, want dat is niet de geest der aanneming.

De geest der dienst­baarheid werkt vrees. Jozef was vol van de vreze der Joden. Maar hij was toch een discipel van Jezus. En dat is het belangrijkste. De Heere zal Zelf wel zorgen dat ook dat verzoend wordt in het leven van Jozef; de Heere zal Zelf wel zorgen dat die banden van vrees in het leven van Jozef worden verbroken. Maar hij is een discipel van Jezus, een leerling van Jezus. Dat heeft hij ook geopenbaard toen de laatste vergadering van het Sanhedrin bijeen was om Jezus te veroordelen. Toen heeft hij niet bewil­ligd in hun raad en in hun handelen.

 

Nicodémus en Jozef, het zijn dus beide ‘nachtdis­cipelen’. Beide zijn het rijke mensen geweest, voorname mensen ook. Er staat van Jozef zelfs geschreven dat hij een goed en rechtvaardig man was. Er staat van hem geschreven in het evangelie van Markus dat hij een eerlijk raadsheer was, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte. Er zijn dus allerlei goede dingen over Jozef geschreven; allemaal vruchten van de genade des Heeren in zijn leven.

Die twee rijke mannen, Nicodémus en Jozef, komen nu op Golgotha met één doel: het lichaam van de Heere Jezus begraven. Zij breken als het ware door al de netten van vrees heen. Zij komen openbaar. Op Golgotha, bij de dode Jezus, komen deze nachtdiscipelen openbaar. Want dan gaat die schuchtere Jozef zomaar naar Pilatus om het lichaam van Jezus te vragen.

 

En Nicodémus kwam ook. Jesaja had geprofeteerd: En men heeft Zijn graf bij de goddelozen ge­steld (Jes.53:9). Gemeente, wat de Joden bedoeld hadden, was dat het lichaam van de Heere Jezus, samen met die andere kruiselingen, die nog niet gestorven waren, in het dal van Hinnom zouden worden geworpen, in een soort massagraf.

En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld. Ontzaglijke plaats. Als de Heere spreekt over de rampzaligheid, gebruikt Hij beelden die ontleend zijn aan het dal van Hinnom. Dan spreekt Hij: Daar zal wening zijn en knersing der tanden (Mark.9:18). Men hoort de kruiselingen, die van het kruis waren afgenomen, nog kreunen als ze daar in dat dal lagen, ‘waar wening zal zijn en kner­sing der tanden’.

Gemeente, dat is het ontzet­tende beeld. De Joden hadden erop gerekend: Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld. Dan zou het lichaam van Jezus ook vernietigd worden; dan zouden ze er van af zijn; dan zou het voorgoed voor­bij zijn.

Maar er staat nog iets in die profetie van Jesaja: Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest (Jes.53:9). Dit betreft hier die twee nachtdis­cipelen, Nicodémus en Jozef van Arimathéa. Hier komen ze, allebei rijke mensen, en beiden discipelen van de Heere Jezus, om Hem te begraven.

Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is (Jes.53:9). Daarom wordt Hij hier in het graf van een rijke begraven. Ja, er gaat over het graf waarin Jezus begraven wordt iets gloren van de opstanding, van het licht van de opstanding. Er gaat iets gloren van de heerlijkheid van deze gestorven Borg en Middelaar van de Kerk. Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest.

 

Gemeente, als u nu die twee mensen, Jozef en Nicodémus, op Golgotha’s heuvel ziet staan, met wat vrouwen die op een afstand toekijken, hoe het daar toe gaat, ziet u een duidelijk verschil met de elf discipelen: elf eenvoudige mensen uit Galiléa, en daar die twee voorname raadsheren uit Israël. Deze twee gaan nu het lichaam van de Heere Jezus begraven. Daar zorgde de Vader van de Heere Jezus voor. De Vader van de Heere Jezus heeft gewild dat Jozef en Nicodémus door alle mensenvrees heenbraken, en dat zij hebben gezorgd dat Hij bij de rijke in Zijn dood is geweest.

 

Jozef heeft Zijn graf afgestaan. Dat is heel wat, als u daar over nadenkt. Jozef heeft zijn graf afgestaan. Dat wil zeggen dat Jozef rekende met de dood. Jozef wist dat hij sterven moest. Hij heeft zijn hoop niet gevestigd op zijn rijkdom, want dat moet hij straks aan anderen achterlaten. Jozef wist dat hij sterven moest, en dat hij dan begraven moest worden. En omdat Jozef rijk was heeft hij een graf ge­kocht, een nieuw graf, in een rots uitge­houwen, een rotskamer dus. Jozef kon zeggen: ‘Kijk, nu zal ik daar straks liggen.’ Dat was zijn graf, daar reisde hij naar toe. Dat was voor Jozef zeker: daar ga ik naar toe.

Gemeente, dat is een hele wetenschap, als je de dood aanvaardt en zeggen kunt: ‘Daar reis ik naar toe.’ Dat we niet leven alsof wij eeuwig hier zullen zijn, maar dat wij leven als een pelgrim, die maar even over de aarde gaat en dan toch deze aarde moet verlaten.

 

Jozef heeft een graf, een nieuw graf. Maar, gemeente, niets is ouder dan het graf, ook al is het nieuw. Want een graf is een stukje van de oude aarde dat op alle mensen wacht. Op u, op mij, op jullie. Het graf wacht! Gelukkig die mens die niet in eigen kracht en niet voor eigen rekening daar­heen op reis is, maar die reist op rekening van Sions eeuwige Koning.

Jozef wist dat: daar word ik begraven.

 

Dat graf dat uit die rots uitgehouwen was, spreekt ook van hoop. Want die lichamen werden daar niet in het stof gelegd, maar in een lijnwaad gewikkeld op een bank gelegd, die uit de rotswand uitgehouwen was. Dat was het graf, dat was de laatste rustplaats.

Maar, gemeente, dat gesloten graf sprak ook van hoop, dat sprak ook van verwachting, want dat sprak van het wachten op een nieuwe dag. Het is maar een tijde­lijke rustplaats, waarin het lichaam mag rusten na de dood.

 

In dat nieuwe graf wordt nu het lichaam van Jezus gelegd. Het wil zeggen: als Hij straks opstaat uit de doden, dan kan het niet zijn dat de Heere Jezus door een andere uitgang is uitge­gaan, want het graf was in een rotswand uitgehouwen. Het kan ook niet dat een ander  uit de dood verrezen is, want het was een nieuw graf waarin nog nooit iemand gelegd was. Als Hij zal op­staan, dan kan het niemand anders dan Jezus alleen zijn.

Hij zal straks verrijzen. Dat graf van Jozef zal weer opengaan. Want alles is volbracht! Jezus heeft de schuld tot de laatste penning betaald. Voor Jozef en Petrus, voor Nicodémus en Johan­nes, Hij heeft alles betaald, tot de laatste penning toe. Hij heeft het zo betaald, dat ook de lichamen van de Kerk des Heeren straks uit het graf zullen mogen opstaan tot een nieuw leven. Het is betaald door Jezus.

 

Zo wordt Jezus in een nieuw graf gelegd, waarin nog nooit iemand was gelegd. Een graf dat ons spreekt van hoop en verwach­ting. Daartoe moeten deze twee mensen, Jozef en Nicodémus, dienen. Daarom moeten ze openbaar komen. Nu kun je zien dat het zo waar is wat we lezen in Spreuken 14: In de vreze des Heeren is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen (Spr.14:26). Dat is gebeurd met Jozef en Nicodémus. Zij hebben de grootheid, de dierbaarheid en de heerlijkheid van Christus gezien. Ze zijn met koorden van liefde aan Hem verbonden. Door die koorden van liefde getrokken, zijn ze beiden naar Golgotha’s heuvel gegaan. Daar heeft Jozef zijn graf en het lijnwaad gegeven, en  Nicodémus de specerijen. Dat is gebeurd uit liefde, een liefde die harder is dan het graf en sterker dan de dood.

 

Van die liefde spreken ook de specerijen van Nicodémus. Daarop willen we letten in onze derde gedachte, maar we zingen eerst uit Psalm 22 vers 11:

 

Verlos mij van de leeuw, die woedt en tiert;

Verhoor mij, Heer’, en red mij van ‘t gediert,

Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert,

Mij staat naar ‘t leven,

Dan wordt Uw Naam door mij met roem verheven;

‘k Zal Uwe lof mijn broederen vertellen;

‘k Heb in Uw huis bij al mijn metgezellen

Dan prijzensstof.

 

3. De specerijen van Nicodémus

 

Nicodémus komt met specerijen: een mengsel van mirre en aloë. Mirre is een welriekende stof en aloë is antiseptisch. De bedoeling is dat die spece­rijen worden gestrooid tussen de wikkels en het lijnwaad waarin het lichaam van de Heere Jezus zal worden gewikkeld. Nicodémus brengt een zeer grote hoeveel­heid mee: honderd ponden gewicht.

Nu is het weliswaar een beetje riskant om te rekenen met die oude inhoudsmaten, maar laten we het maar schatten op zo’n tweeëndertig kilo. Dat demon­streert toch wel de rijkdom van Nicodémus, want deze specerij­en waren geweldig duur. Nee, het is een niet gering bedrag geweest dat Nicodémus voor deze specerijen heeft moeten betalen. Die draagt hij nu Golgotha’s heuvel op. Het laat zien hoe de Heere Jezus ook in dit opzicht bij de rijke in Zijn dood is geweest.

 

Toch heeft Ni­codémus deze specerijen niet gebracht omdat dat in Jesaja staat. U zou kunnen vragen: waarom dan wel? Is dit een sym­bool van liefde? Dan moet ik u zeggen dat het hoogstens een symbool van weder­liefde kan zijn geweest. Als we het echte symbool van liefde willen zien, moeten we kijken naar het gekruisigde lichaam van de Heere Jezus. Dat is het symbool van Goddelijke liefde! Want dat lichaam van Jezus zegt ons dat Hij voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. Dat lichaam van Jezus zegt ons dat Hij Zichzelf heeft overgegeven in de dood voor mensen die niet voor Hem uit durfden te komen, dat Hij Zich gegeven heeft voor mensen die liever Zijn naam verloochenden, dan dat zij voor Zijn naam uitkwamen.

Gemeente, Hij is voor vijanden in de dood gegaan. Dat is liefde! Dat wist Paulus toen hij  schreef aan de Romeinen: ‘Mogelijk zal iemand voor een goede bestaan te sterven; maar Christus is voor ons gestorven toen wij nog zondaars waren.’ Gemeente, daar hebt u het symbool van liefde.

Goede Vrijdag predikt ons dat de ware liefde, de grote liefde van Jezus Zelf is, Die aan het kruis Zichzelf in de dood heeft overgegeven, Die Zich­zelf heeft gestort in de Godsver­lating en Die Zichzelf heeft overgege­ven aan de helse smarten. Dat is de uitnemen­de liefde van Chris­tus. Door die liefde wordt een mens zalig.

 

Dat deze twee mensen, Nicodémus en Jozef, hier staan, zou wederliefde kunnen zijn. Maar misschien zou het nog wat anders kunnen zijn, misschien een inhalen van een verzuim.

Je kunt ver­zuimde liefde proberen in te halen. Gemeente, als de dood komt gaat een mens pas goed zijn schuld, zijn liefdesschuld, voelen. Te weinig bezocht, te weinig gesproken, te weinig geholpen, te weinig ondersteund, te weinig aandacht gegeven... Maar als de dood komt is het niet meer in te halen, dan is het niet meer goed te maken, dan is er niets meer te verhelpen, niets meer te spreken, dan is het allemaal voorbij. Dan kun je proberen die verzuimde liefde in te halen, maar dat kan dan niet meer. Je kunt hoogstens nog een geurig graf geven met specerijen en lijnwaad. Maar dat is alles.

Het kan ‘te late liefde’ zijn geweest. Onder mensen komt dit voor. Er zijn  mensen die te late liefde geven, als het niet meer kan, als het te laat is. Zou het dit geweest zijn bij Jozef en Nicodémus? Of is het wat anders?

 

Ik heb van iemand gelezen die Jozef en Nicodémus ‘schemermensen’ noemde. Schemermensen, u begrijpt dat wel, leven tussen licht en donker. Schemermensen zijn mensen die zich bewegen tussen liefde en onverschillig­heid. Toen het kon kwamen ze niet, en toen het te laat was, ja, toen kwamen ze er aan.

Schemermensen, u voelt het wel aan, het is allemaal half. Er is geen duidelijk­heid. Ga maar eens met hen praten over het leven met de Heere, ga maar eens spreken met ze over het leven met God, het leven vanuit het Woord. Dan hebben ze ineens haast, dan hebben ze geen tijd; dan moeten ze net iemand ergens op gaan zoeken, dan hebben ze het druk. Ga maar eens met ze praten, ze draaien de ogen weg en ze zijn schuw om erover door te praten.

Schemermensen. Zou dat bij Nicodémus en Jozef het geval zijn geweest? Of... hoort u daar bij? Bij die schemermensen, die niet bij het licht en niet bij het donker horen? Laten we onszelf daaromtrent onderzoeken, gemeente!

 

Wat is hier het geval? Kijk, Nicodemus en Jozef zijn beiden in het openbaar voor de Heere uitgeko­men, al was het op het laatst van Zijn leven. Ze hebben beiden in de raad van het Sanhedrin gezegd: ‘Nee, daar doen we niet aan mee; dat doen we niet.’ Bovendien komt Jozef toch maar om het lichaam van de Heere Jezus vragen, en dat zo vlak voor het Paasfeest. Het betekent dat als hij een dode aanraakt, hij veront­reinigd is voor het Paasfeest. Hij mag dan niet aan het Paasfeest deelnemen. Maar weet u wat er nu met Jozef aan de hand is? Het hindert hem helemaal niet, dat hij onrein zal zijn voor het Paasfeest. Want Jezus gaat hem boven alles! Zo ligt het voor Jozef.

En Nicodémus kwam ook! Het gaat hem om Jezus; als hij Hem maar naar het graf mag brengen! Daar gaat het hem om.

 

Misschien zegt u: ‘Z­ijn dit nu krachtige geloofshelden?’ Nee, gemeen­te, nee, ik moet u zeggen dat je die maar zeer weinig tegenkomt. Als deze mensen het woord des Heeren geloofd hadden dat Hij gespro­ken had: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelve oprichten (Joh.2:19), en als zij verstaan hadden het teken van Jona de profeet, die drie dagen en drie nachten in het graf was geweest, dan was het niet nodig ge­weest om met dat lijnwaad en de specerijen naar dat graf te komen, en om Hem zo te verzorgen. Dan hadden ze verwachting gehad van de opstanding, van Hem Die dood was maar Die leven zal tot in eeuwigheid. Aan dat woord hebben ze geen van tweeën gedacht. Nee, je kunt niet spreken van ‘grote geloofshel­den’.

Maar, gemeente, de liefde van deze mensen is sterk. De één geeft zijn nieuwe graf en fijn lijnwaad, en de ander komt aan met specerijen om het lichaam te verzorgen. Die twee rijke mensen hebben dat gebracht uit de liefde van hun hart. Nu kun je wel zeggen: ‘Grote liefde, maar toch een zwak geloof’, maar, gemeente, het is een goede daad van Nicodémus en  Jozef; de Heere heeft het ze nooit verweten. Dat lezen we nergens in de Schrift.

Al is het ook naar de bepaalde raad en voorkennis van God, dat Hij in een nieuw graf wordt gelegd en bij de rijke in Zijn dood is geweest, toch heeft Jezus de specerijen niet nodig, toch heeft Jezus dat graf ook niet nodig. Want Hij zal immers na drie dagen opstaan.

 

Gemeente, wat Jozef nodig heeft, wat Nicodémus nodig heeft – daarvan waren zij diep overtuigd – en wat u nodig hebt, en jullie, jongens en meisjes, is de liefde van Chris­tus, dat is het bloed van de Heere Jezus Christus. Goede Vrijdag leert ons dat wij bij het sterven van Jezus en bij het graf van Jezus Hem totaal niets hebben aan te bieden, maar dat Hij ons alles aanbiedt. Dat Hij de Zijnen liefgehad heeft tot het einde en dat Hij Zichzel­f heeft overgegeven tot in de dood des kruises.

Van u komt er niets meer in aanmerking, helemaal niets, geloof dat maar echt. We kunnen in het begin van het genadeleven zo op stap gaan en denken: dít zullen we doen voor de Heere, en dát zullen we spreken over de Heere. Dat is allemaal goed, maar het draait er op uit dat we gezaligd moeten worden door het bloed van Christus.

Voor alles wat we misdaan hebben is verzoening nodig! U hebt verzoening nodig voor uw persoon­lijk leven, voor uw huiselijk leven, voor uw ambtelijk leven; u hebt overal verzoening over nodig. Alles wat u tracht aan te brengen voor God, kan voor Hem niet bestaan. Waar we uit leven moeten is alleen het kruis van onze Heere Jezus Christus, waarvan de apostel Paulus zegt: ‘Ik zal roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door welke de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld.’

Gemeente, het is het kruis alleen! Dat is de bron van het leven! En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:14-15).

 

Gemeen­te, bent u op Golgotha geweest? Dat is de vraag. Jozef wel. En Nicodémus kwam ook. Maar bent u er ook geweest? We reizen naar het graf toe. Maar reist u buiten Golgotha om, of reist u over Golgotha heen? Dat is namelijk een groot verschil.

Er zijn een heleboel mensen die om Golgotha heen naar het graf willen reizen. Dan kunnen we wel een mooie begrafenis­ hebben, maar, gemeente, het gaat er niet om of het allemaal zo bijzonder is, maar of Jezus erbij is. Dat is alles! Het gaat er om of we over Golgotha zijn gereisd. Want als we daar zijn geweest, dan was ik een mens die in mijzelf onderging, maar die nu door het bloed van die Gekruisigde, verzoening en vrede met God mocht ontvan­gen.

Jongens en meisjes, reizen wij over Golgotha heen? Als je zegt: ‘D­at weet ik niet; dat ken ik helemaal niet; dat is voor mij een onbekende zaak’, dan ken je de kracht van het bloed van Jezus niet. Dan kennen we Hem niet als onze Borg en Zaligmaker, Die om onzentwil in het gericht van God gestaan heeft. O, dan moet ik u zeggen vanavond: bid om de wer­king van de Heilige Geest! Want McCheyne zegt:

 

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,

toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.

Toen voeld’ ik wat eisen Gods heilig­heid deed.

Daar werd al mijn deugd een wegwer­pelijk kleed.

 

Toen vluchtt’ ik tot Jezus, Hij heeft mij gered.

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet.

 

Gemeente, dat is wat! Daar heeft Jezus zoveel voor moeten doen! Daar heeft Hij voor moeten lijden! Ja, daar heeft Hij het voor uitgeschreeuwd: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Zo heeft Hij de Zijnen gered en verlost van het vonnis der wet. Zo kon McCheyne reizen naar het graf.

Dat is immers de werke­lijk­heid van elke dag. De reis naar het graf is de werkelijk­heid van het leven voor ieder mens. Maar door Gods genade kon McCheyne reizen ‘onder het heiligend kruis, naar het erfgoed daarbo­ven, naar het Vaderlijk huis’.

Dan zegt hij: ‘Mijn Jezus geleidt mij door de aardse woestijn.’ Hij kende een levende Jezus, geen dode Jezus. Die Jezus leidde hem door de aardse woestijn.

Maar dan, dan heeft hij een slotzang, een slotakkoord van zijn leven: ‘Ge­storven voor mij – dat is op Golgotha gebeurd – dat zal mijn zwanenzang zijn.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:13

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er, waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart

Of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 19)