Ds. D.W. Tuinier - Lukas 17 : 11 - 19

Onderwerp

Lukas 17
Het wondergeloof bij de genezing van de tien melaatsen
De ellende van de tien
De blijdschap van de negen
De dankbaarheid van die ene
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).

Lukas 17 : 11 - 19

Lukas 17
11
En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging.
12
En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;
13
En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!
14
En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
15
En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.
16
En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;
17
En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?
18
En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?
19
En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 96: 1, 5
Lezen : Lukas 17: 11-19
Zingen : Psalm 30: 2, 8
Zingen : Psalm 25: 8
Zingen : Psalm 95: 4
Zingen : Psalm 116: 7, 8

Gemeente, met Gods hulp vragen wij uw aandacht voor de geschiedenis die u zojuist is voorgelezen uit Lukas 17, de verzen 11 tot en met 19. Ik lees u alleen nog vers 17:

 

En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?

 

We schrijven onder dit gedeelte: Het wondergeloof bij de genezing van de tien melaatsen.

 

We letten op drie gedachten:

1. De ellende van de tien

2. De blijdschap van de negen

3. De dankbaarheid van die ene

 

1. De ellende van de tien

 

We lezen in vers 11: En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde… De Heere Jezus is op reis naar Jeruzalem. Het is Zijn laatste reis, voordat Hij zal gaan lijden en sterven. Hij reist van Galiléa in het noorden, naar Judea in het zuiden, dwars door het gebied van de Samaritanen.  Hij doet niet zoals de meeste mensen in die dagen doen. Zij gaan niet door het Galiléa der heidenen, maar zij trekken met een grote boog om Samaria heen. Dan weet je tenminste zeker dat je niet met dat onreine, verachte volkje in aanraking komt en besmet wordt. De Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

Zo redeneren de mensen, de degelijke, rechtzinnige Joden. Maar de Heere Jezus denkt zo anders. Gelukkig maar! Dit gedeelte begint met: En het geschiedde… Als u dat leest in het Nieuwe Testament, wijst dat er altijd op dat het in Gods raad zo bestuurd is. Het is een Goddelijk ‘geschiedde’. Dan moet er een streep door al het menselijke rekenen en beredeneren heen, want Jezus móet daar zijn. Het is Zijn tijd, het ogenblik van het welbehagen van Zijn Vader. En dat welbehagen zal door Christus’ hand gelukkiglijk - dat betekent voorspoediglijk - voortgaan.

En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galiléa ging. Hij móet daar zijn. Want daar, in dat verachte gebied van de Samaritanen, moeten er worden toegebracht tot de gemeente die door Zijn Vader verkoren is en die Hij zal kopen met de prijs van Zijn dierbaar bloed. Er moeten er nog komen aan Zijn voeten, want Hij heeft gezegd: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde en één Herder. (Joh.10:16) Het is net als in de geschiedenis van de Samaritaanse vrouw in Johannes 4. Dan staat er: En Hij moest door Samaria gaan. (Joh.4:4) Dat geldt ook hier. Hij móet door het midden van Samaria en Galiléa gaan.

Als dat nu ook vandaag eens zo mag zijn... De Heere Jezus is op reis. Hij maakt Zijn omwandeling door middel van Zijn Woord. En Hij moet door het midden van onze gemeente gaan, want er moeten nog jongens en meisjes een nieuw hart krijgen. Er moeten nog zondaren van dood levend gemaakt worden. Er moeten nog mensen worden bekeerd.

Daar gaat de Zaligmaker, dwars door Samaria en Galiléa. Het gebied van de Samaritanen is heel dunbevolkt. Het is eigenlijk een verlaten gebied, een eindeloze vlakte, waar heel weinig mensen wonen. Ver bij de bewoonde wereld vandaan. Een uitermate geschikte plaats voor een melaatsenkolonie. Want we lezen in vers 12: En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre.

Het mag dan een dunbevolkt gebied zijn, toch is er een gehucht, een vlek, een klein dorpje. En op een gegeven ogenblik wordt de aandacht van de Heere Jezus getrokken door tien volwassen mannen, die vanuit de verte roepen. Zij staan van verre… Het zijn tien melaatse mannen.

 

We weten allemaal dat melaatsheid een vreselijke ziekte is. Je komt deze ziekte reeds in het Oude Testament tegen. Melaatsheid is een ziekte waarbij je op je lichaam grote zweren krijgt, die eerst wit zijn en langzaam maar zeker rood en bloederig worden. Dan beginnen ze te ontsteken, waardoor je huid ziek wordt. Het hele lichaam, vooral het gezicht, wordt misvormd. Je kunt het vergelijken met leprapatiënten.

Kenmerkend voor de melaatsheid is, dat je helemaal wit wordt. We weten van Mirjam en van Gehazi, dat ze voor hun zonde door de Heere worden gestraft met melaatsheid. En dan staat er in de Bijbel dat hun gezichten wit worden als de sneeuw. Als je een melaatse tegenkomt, is het net alsof je een lijk tegenkomt. Melaatse mensen worden gezien als ten dode opgeschreven.

En daarbij komt dat ze nooit meer thuis mogen komen. Melaatsen moeten worden verbannen. Ze moeten alleen wonen, ver bij vrouw, kinderen en familiekring vandaan. Hun ziekte is immers besmettelijk. En dan nog iets: als je melaats bent, ben je onrein. En dat betekent dat je ook verstoken bent van de inzettingen van de Heere. De tempel is verboden gebied voor je. En dat levenslang!

U voelt wel wat een smartelijke weg deze tien melaatse mannen gaan. Ze hebben elkaar opgezocht, om elkaar nog wat te helpen en te troosten.

 

Gemeente, we hebben iets gezegd van het vreselijke van de kwaal van deze tien melaatsen.  Het is zo nodig dat wij daar ook iets van leren. Want in die tien melaatse mannen zien we iets van ons eigen beeld.

Onze eerste gedachte is: de ellende van de tien. Onze catechisanten weten wat ‘ellende’ betekent: uitlandig zijn, dwalend, gescheiden van Gods gunst en Gods gemeenschap. We zijn verloren zonen en verloren dochters. Onze eerste gedachte is eigenlijk: de ellende van ons allemaal. Daaraan moeten we worden ontdekt, voor het eerst of opnieuw.

Een melaatse is niet om aan te zien. Hij ziet er walgelijk uit. Je draait je hoofd voor zo iemand om. Daar wil je niet mee te maken hebben. Als de Heere vandaag komt, ons eerlijk maakt en ons ogenzalf geeft, dan gaan we beseffen dat ook wij onrein zijn. Dan leren we dat we voor Hem niet bestaan kunnen. Als de Heere u Zijn spiegel voorhoudt en licht geeft, om te zien wie Hij voor u geweest is tussen biddag en dankdag en wie wij daar tegenover voor Hem geweest zijn, dan moeten we het allemaal uitroepen: ‘Onrein! Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!’ (Luk.5:8)

Dan verstaat u die tien mannen, in hun ellende en verlorenheid. Dan begrijpt u dat ze in de verte staan. Ze kunnen niet dichtbij komen. Ze mogen niet dichtbij komen. Zij en wij kunnen niet naderen tot die heilige, vlekkeloze Majesteit, die reine Heere Jezus. Er is zo’n afstand. Er is zo’n kloof. Er is zo’n onoverbrugbare kloof van onze kant. Er is door onze zonden zo een breuk geslagen tussen God en onze ziel.

De melaatse mannen staan daar van verre en de Heere Jezus komt daar. Hij is nu ook onder ons en spreekt tot ons vanuit Zijn Woord. Deze tien roepen tenminste nog tot de Heere Jezus. En wij? Roepen wij ook? Ziet u ze daar staan, met hun lijkbleke kleur? Het lijken wel tien doden. We lezen in vers 13: En zij verhieven hun stem.

Doet u dat ook? Doen jullie dat ook? Heb je vandaag al tot de Heere gebeden? Hebt u al tot God geroepen? Ga je straks biddend meezingen:

 

Zie op mij in gunst van boven.

Wees mij toch genadig, Heer’!

Eenzaam ben ik en verschoven,

Ja, d’ ellende drukt mij neer.

 

Deze melaatse mannen verheffen hun stem en ze roepen: Jezus, Meester, ontferm U onzer!

Het is trouwens opmerkelijk dat ze hun stem nog kunnen gebruiken. Bij melaatsheid worden op een gegeven ogenblik de stembanden aangetast. Uiteindelijk kun je alleen nog maar wat klanken uitstoten. Ze kunnen roepen, deze tien. Ze doen het ook. Ze roepen Jezus. Ze hebben van Hem gehoord en nu is de Zaligmaker vlakbij hen. Hij gaat dwars door hun gebied. Hij zoekt hen op, omdat Hij juist voor hen gekomen is.

Ze roepen. En u? En jij? De ellende van deze tien drijft hen uit tot Jezus. Ze hebben de dood voor ogen. Het is een uitzichtloze situatie geworden in hun leven. Ze roepen: ‘Jezus, Zaligmaker, U bent Degene Die ons redden kan! Wij kunnen onszelf niet meer helpen. Wij zijn aan het einde gekomen van al onze genezingspogingen. Jezus, Heiland, Meester, Rabbi, ontferm U onzer!’

Ze vragen niet aan de Heere Jezus: ‘Wilt U ons beter maken?’ Ze weten wel dat dat niet meer kan. Maar weet u wat ze wel vragen? En dat moeten wij ook aan de Heere vragen: ‘Wilt U Zich over mij ontfermen?’ Weet u wat dat is? Als je je over iemand ontfermt, jongens en meisjes, dan sla je je arm om iemand heen. Deze melaatsen roepen: ‘Heere Jezus, zou U Uw armen om ons heen willen slaan?’ Dat doen jullie ook wel eens hè, bij papa of mama. Als je verdrietig bent. Als je ziek bent. Als je moet huilen. Dan ontfermen je ouders zich over je.

En dat vragen deze tien nu aan de Heere Jezus: ‘Zou U Uw armen om ons heen willen slaan? Wij hebben ontferming nodig!’ Ze vragen het alle tien. ‘Wilt U in liefde, in gunst op ons neerzien? Wij kunnen onszelf niet meer redden.’ Het is zoals de Heere Jezus eenmaal de kinderen tot Zich nam. Hij heeft ze omvangen met Zijn armen. Hij heeft Zijn armen om hen heen geslagen. Hij heeft Zijn handen op hun kinderhoofden gelegd. Hij heeft hen gezegend.

Roepen wij ook zo tot Jezus, in onze ellende en verlorenheid? Deze melaatse mannen roepen tot Jezus. Hun nood drijft hen uit. Ze komen aan Jezus’ voeten terecht.

We hebben nagedacht over de ellende van de tien. Zullen we eerst samen gaan zingen? Psalm 25 vers 8:

 

Zie op mij in gunst van boven.

Wees mij toch genadig, Heer’!

Eenzaam ben ik en verschoven,

Ja, d’ ellende drukt mij neer.

‘k Roep U aan in angst en smart.

Duizend zorgen, duizend doden

Kwellen mijn angstvallig hart.

Voer mij uit mijn angst en noden.

 

2. De blijdschap van de negen

 

We lezen in vers 14: En als Hij hen zag… Dat is ook wat geweest. Jezus ziet hen! Op de zesde dag heeft God de mens geschapen, naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Hij heeft de mens geschapen om Hem te loven, om Zijn deugden te vermelden, om Zijn lof te verkondigen. Wat is daarvan terechtgekomen? Wat is er nu van u, van ons, van deze tien terechtgekomen? Helemaal niets! En als Hij hen zag… Goed geschapen, diep gevallen, Zijn beeld verloren. Wat zal er in het hart van de Heere Jezus omgaan?

En als Hij hen zag… En dan lezen we ergens anders in de Bijbel - en dat geldt ook vandaag: En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen. (Matth.9:36) Op een gegeven ogenblik komen deze melaatsen en Jezus wat dichter bij elkaar. Dan geeft Jezus deze tien mannen in vers 14 een wonderlijke opdracht. Het is een heel vreemd bevel. Tenminste, naar menselijke beredenering. Gaat heen en vertoont uzelven de priesters. Ze moeten naar hun priesters, alle tien. Ze moeten naar de priester van hun priesterstad. En weet u waarom dat zo’n merkwaardig bevel is? Omdat ze al lang bij die priester zijn geweest! Daar mogen ze nu, nu ze onrein zijn, helemaal niet meer komen.

Als wij ziek worden, jongens en meisjes, gaan we naar de dokter. Maar als je in Israël op een gegeven ogenblik zo’n zweer ontdekte op je bovenarm of op je buik, dan schrok je erg. Dan moest je niet naar de dokter, maar naar de priester. Dat hebben al die tien mannen gedaan. Ze zullen dat ogenblik nooit meer vergeten. Dat staat op hun netvlies gebrand. De priester bekeek hen van top tot teen. En toen die blik in de ogen van de priester… Hij schudde zijn hoofd en toen kwam dat vreselijke woord over zijn lippen: ‘Onrein! Je bent ongeneeslijk ziek. Je bent ten dode opgeschreven. Ga zo snel mogelijk naar huis, neem afscheid van allen die je lief zijn, pak je spullen en ga weg, zo ver mogelijk bij de bewoonde wereld vandaan.’

En zo zijn deze melaatsen bij elkaar gekomen, in het gebied van de Samaritanen. Ze hebben elkaar in hun verdriet opgezocht. En nu zegt de Heere Jezus: ‘Ga naar de priesters!’ En weet je wat nu het wonderlijke is? Ze doen het! Daar gaan ze, alle tien, met hun kapotte, kreupele benen en hun uitstekende botten. Met hun sneeuwwitte, lijkachtige huidskleur. Er is nog niets veranderd, maar ze gaan. Ze maken de lange reis naar de priester van hun vaderstad. Ze doen wat de Heere Jezus hen zegt. Ze gehoorzamen Hem.

 

Wat is dat, als je doet wat de Heere Jezus zegt? Als je Hem onvoorwaardelijk gehoorzaamt? Dat is geloof! Als ze naar de stompjes van hun vingers gekeken hadden, waren ze daar gebleven. Als ze naar elkaars gezichten gekeken hadden, waren ze niet gegaan. Als ze op de omstandigheden zagen, waren ze nooit naar de priester gegaan. Dan zouden ze zeggen: ‘Het is onmogelijk. We zijn reddeloos verloren!’ Maar ze redeneren niet. Ze komen niet met hun ‘ja-maars’. Ze praten niet; ze gaan! Ze luisteren naar wat de Heere Jezus hen opdraagt. Ze doen precies wat Hij zegt. En dat is geloof.

Ik heb het er nog niet over wat voor geloof deze mannen hadden. Daar kom ik straks op terug. Maar dit is wel geloof, want het geloof ziet af van de omstandigheden. Het geloof richt zich alleen op het woord dat de Heere spreekt. Ze doen het.

We lezen in vers 14: En het geschiedde, terwijl zij heengingen… We weten niet hoe lang de reis duurt. Maar onderweg gebeurt er iets met die tien. Er staat: En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden. Als ze onderweg zijn naar hun vaderstad, worden ze gezond. Ze voelen het. Er gebeurt iets. Op een gegeven ogenblik krijgen ze een gezonde huidskleur. Hun ogen gaan weer goed staan. Ze krijgen weer blosjes op hun wangen. Die uitstekende botten trekken weg. Die grote, bloederige zweren worden steeds kleiner. Er stroomt nieuw, vers bloed door hun lichaam. Ze voelen dat ze weer gezond zijn!

Gemeente, er zijn geen woorden voor om te vertellen hoe ontzaglijk ziek deze mannen zijn geweest. Het is ook onuitsprekelijk welke vreugde en blijdschap er is, nu ze genezen zijn. Ze hebben elkaar aangekeken: ‘Wat gebeurt er? Dit is een wonder!’ Dit is naar medische berekeningen onmogelijk, maar toch gebeurt het. Zie je dat hun roepen tot de Heere Jezus niet tevergeefs is? Ze zijn genezen! Nu moeten ze naar de priester toe.

 

Maar dan gebeurt er iets. Tel eens goed. Wie rennen daar zo snel mogelijk, schreeuwend van blijdschap, naar de priester van hun vaderstad? Hoeveel zijn het er? Eén, twee, drie… we tellen er negen! Eén blijft daar achter!

Laten we eerst die negen eens volgen. Daar komen ze weer bij de priester, misschien wel bij dezelfde priester die hen een poosje geleden onrein heeft verklaard. De priester kijkt verbaasd. Hij bekijkt hen van top tot teen en onderzoekt hen. Hij moet de diagnose stellen. Zo heeft Mozes het van Godswege in de wetten bevolen. Voordat je naar huis mag, moet de priester je rein verklaren. Dan komt dat heerlijke woord, dat klinkt als muziek in hun oren: ‘Je bent genezen! Het is een wonder!’

Maar ze mogen nog niet direct naar huis. In de wetten van Mozes, in het boek Leviticus, heeft de Heere bevolen dat ze eerst zeven dagen bij de priester moeten blijven. Ze moeten aan bepaalde godsdienstige verplichtingen voldoen. Verschillende keren moeten ze zich wassen, scheren en schone kleren aantrekken. Ze moeten helemaal gereinigd worden. Op de zevende dag gaan ze naar de tempel om te offeren, een schuldoffer en een zoenoffer. Maar er moet ook nog een dankoffer komen. Ja, er is alle reden om dankdag te houden! En als ze aan al die ceremoniële verplichtingen hebben voldaan, mogen ze naar huis. Dan mogen ze naar hun vrouwen, kinderen en familie.

Zo gaat het met deze negen. Ze doen precies wat Mozes hun van Godswege in zijn wetten heeft opgedragen. Na de zevende dag gaan ze naar huis en kunnen ze weer overgaan tot de orde van de dag. Wat een vreugde! En toch is er iets verdrietigs. Ze vergeten de Heere Jezus. Ze zijn dus niet écht blij. Dan is het ook niet echt dankdag. Ze gaan met de weldaad en de zegeningen bij de Weldoener en de Zegenaar vandaan. Ze vergeten Hem. Ze gaan alleen maar op in de zegeningen, in het wonder en in de weldaden. Ze hebben wel geloof, maar het is niet het ware geloof. Het is een wondergeloof.

 

In de eerste gedachte hebben we gezien: de ellende van de tien is de ellende van ons allemaal. Deze wereld is één grote melaatsenkolonie. Dat is Nederland ook. En ook onze gemeente is één melaatsenkolonie. We zijn allemaal onrein, van hoofd tot voeten toe. We zijn allemaal ten dode opgeschreven. Niemand kan zichzelf verlossen. En wij kunnen ook elkaar niet helpen, als het gaat om onze dodelijke kwaal hier vanbinnen. Weet u dat al? Bent u daar al achter gekomen?

Maar dan mag u ook iets anders horen. Dwars door deze melaatsenkolonie wandelt de Heere Jezus in het gewaad van Zijn Woord! De Zaligmaker is juist gekomen voor melaatse mensen, die zichzelf niet meer helpen kunnen. Hij wandelt door middel van Zijn Woord onder ons. Hij kan u verlossen. Hij kan u redden. Hij is de Weg! Nu mogen we als Zijn gezant u op Hem wijzen. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.

Hij wijst deze tien de weg. En dat doet Hij ook ons vandaag. Hij zegt niet: ‘Help jezelf maar.’ Je wordt niet op jezelf teruggeworpen. Hij zegt niet: ‘Help elkaar eens een handje. Probeer elkaar eens te bekeren en houd elkaar de handen maar boven het hoofd.’ Nee, Hij wijst ons de weg van de genademiddelen. Hij zegt tegen die tien: ‘Ga naar de priester!’ Je moet in de kerk zijn. Je moet onder Zijn Woord komen. Heel trouw. Als je bruin wilt worden, moet je in de zon gaan liggen. Als je nat wilt worden, moet je in de regen gaan lopen. En wil je genezen worden van je melaatsheid, wil je een nieuw hartje krijgen, wil je bekeerd worden, dan moet je in de kerk komen. Dan moet je in je Bijbel lezen. Dan mag je bij de Heere komen. Want Christus’ bloed is het enige geneesmiddel voor onze zondekwaal.

Hij is de Zaligmaker. Hij verlost van het grootste kwaad, de zonde, en Hij brengt tot het hoogste goed. Hij gaat in die breuk staan. Hij redt en Hij geneest. Hij herstelt die breuk. Hij brengt weer in de gunst en in de gemeenschap van Zijn Vader. Hoe ligt dat nu vandaag bij ons?

We hebben nagedacht over de ellende van de tien en over de blijdschap van de negen. Nu staan we nog stil bij de dankbaarheid van die ene. We zullen eerst samen zingen uit Psalm 95 vers 4:

 

               Want Hij is onze God, en wij

               Zijn ’t volk van Zijne heerschappij,

               De schapen, die Zijn hand wil weiden;

               Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

               Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord.

               Verhardt u niet, maar laat u leiden.      

 

3. De dankbaarheid van die ene

 

We lezen in vers 15: En één van hen, ziende dat hij genezen was… Gaat u nog even mee in gedachten? Die negen hollen daar naar de priester van hun priesterstad. Wat zijn ze blij! Hun hart springt op van vreugde. Wat zijn ze godsdienstig en rechtzinnig! Ze houden zich precies aan de wetten van Mozes. Ze houden dankdag. Ze brengen een dankoffer. Met hun mond…

En één van hen… Hij blijft daar achter. De Heere werkt door Zijn Geest in zijn hart de ware dankdag. Dat is wezenlijk wat anders dan die uitwendige, godsdienstige blijdschap van die negen. Dat lijkt allemaal wel heel mooi, maar als het erop aankomt is het niets. Het smelt weg als sneeuw voor de zon, als een morgenwolk die heel snel opkomt en weer verdwijnt.

Het eerste wat ons van die ene opvalt, is dat hij terugkomt. Hij draait zich om. Jongens en meisjes, van onszelf staan we op de dankdag allemaal met onze rug naar de Heere toe. We hebben Hem onze rug toegekeerd, door onze zonden en ons boze hart. We moeten in ons leven elke dag, ook op de dankdag, bekeerd worden. We moeten omgekeerd worden! Ons hart moet vernieuwd worden. We moeten een nieuw hartje van de Heere krijgen.

We lezen van deze ene dat hij terugkeert. Hij draait zich om. Hij gaat terug. Hij komt met het wonder en met de weldaad bij de Heere Jezus terecht. Hij zoekt na zijn genezing de Weldoener, de grote Gever. Hij gaat niet, zoals die andere negen, naar een aardse priester. Die aardse priester is misschien wel nodig, maar hij gaat met zijn weldaden naar de hemelse Priester, de enige Hogepriester.

Hij keert terug. Hij heeft Jezus nodig. Hij kan Hem niet missen in zijn ellende. En nu hij verlost is van zijn ernstige ziekte, komt hij aan Jezus’ voeten terecht om Hem te danken. Dat is het grote verschil tussen die negen en die ene. Als je net als die ene bent, kom je aan de voeten van de Heere terecht. Dan kom je in de diepte, in het stof. Dan ga je niet alleen op in de gaven en de zegeningen, maar dan kom je met de weldaden bij de Heere terecht.

 

Je hoort wel eens mensen zeggen: ‘Ik ben zo dankbaar.’ Er is inderdaad alle reden om God te danken en dankdag te houden. Maar wat is nu echte dankbaarheid? Als je blij bent zoals die negen, ga je helemaal op in de weldaden. Wat heeft de Heere veel gegeven tussen biddag en dankdag. Als het gaat om je werk, wat heeft Hij je gezegend. Als je dan blij bent zoals die negen, ga je alleen maar op in je werk en in jouw prestaties. Als je blij bent zoals die negen, ga je vandaag helemaal op in je gezin. Dan denk je alleen maar aan het baby’tje dat je gekregen hebt. Maar dankdag houden is niet alleen denken aan dat baby’tje en aan je werk en aan je gezin en aan al het andere dat je ontvangen hebt. Dankdag houden is vooral denken aan de Heere. Hij moet de hoogste plaats krijgen in je hart en in je leven.

Jonge mensen, misschien heb je in de afgelopen maanden veel gekregen. Je bent geslaagd. Je hebt verkering gekregen. De Heere heeft voor een huis gezorgd. Je bent getrouwd. Je hebt belijdenis mogen doen. De Heere geeft zoveel! Maar als je daar écht dankbaar voor bent, heb je daarbij ook altijd een verlangen. Een verlangen om de Heere te zoeken. Dan krijg je een verlangen in je hart om met je diploma, je vriend, je vriendin, je bruid, je bruidegom, je huis of noem maar op, aan de voeten van de Heere te komen. Om in Hem te eindigen.

Dat doet die ene. Hij keert terug en gaat met grote stem God verheerlijken. Met grote stem. Hij heeft zijn stem van de Heere gekregen. Hij is geschapen om God te verheerlijken. Door zijn zonde en ook door zijn lichamelijke kwaal, kon hij dat niet meer. En nu, door herscheppende, wederbarende en oefenende genade mag hij op de dankdag God weer gaan verheerlijken.

In het paradijs heeft hij zich uit een drie-enig God gezondigd. Hij is zalig gemaakt door het werk van een drie-enig God. Nu komt hij hier aan de voeten van de Heere Jezus. Hij maakt God groot. God de Vader, Die hem genadig verkoor tot de zaligheid. God de Zoon, Die hem verlost van zijn zonden, Die voor hem naar Golgotha zal gaan om al zijn onreinheid en zijn zonde op Zich te nemen. Hij eindigt in God de Heilige Geest, Die alles wat Christus verdienen zal, toepast en wegschenkt in zijn ziel.

 

Deze man maakt God groot. Waar gebruiken wij onze stem voor? Alles wat niet is uit het geloof, kan God niet behagen. Waar gebruik jij je stem voor? Gebruik je vandaag je stem om met grote stem God te verheerlijken, net als deze man? Hij mag hier dankdag gaan houden in beginsel. Hij begint hier aan die grote dankdag, waar hij nu al eeuwenlang mee bezig is. Hij mag nu eeuwig God de eer geven: Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. (2 Kor.9:15)

En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten. Als je in waarheid dankdag mag houden, kom je altijd in de diepte terecht. Dan blijf je niet meer rechtop staan. Dat verbreekt en dat verootmoedigt. En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende. Ziet u het woordje ‘Hem’ elke keer terugkomen? Dan gaat het niet meer om ons, maar om Hem!

Dus deze man komt terug, hij verheerlijkt God met grote stem en hij valt op zijn knieën. Dat zijn zo drie vruchten van het nieuwe leven, dat de Heere door Zijn Geest werkt in het hart van Zijn kinderen.

 

En dan staat er aan het einde van vers 16: En dezelve was een Samaritaan. Dat staat er niet voor niets. Dat staat in de Bijbel als een aanklacht tegen die negen keurige, nette, godsdienstige, rechtzinnige, degelijke Joodse mannen. Ze gaan alleen maar op in de godsdienst, zonder Godsvreze. Ze hebben op dankdag alleen maar de vorm, zonder het wezen. Dat is zo verdrietig. Dat is aangrijpend.

En dezelve was een Samaritaan. Dit is er nu één van dat verachte, onreine volk, waar die godsdienstige Joden met een boog omheen lopen. Zullen de Samaritanen ons dan voorgaan in Gods Koninkrijk?

 

En dan lezen we in vers 17: En Jezus, antwoordende, zeide… De Heere Jezus geeft antwoord. Dat betekent dus dat die man Hem vragen stelt. Je gaat pas antwoord geven als iemand je vragen stelt. Hebt u ook zo uw vragen op de dankdag? Als de Heere in je leven komt, bij de aanvang of bij de verdere voortgang, dan heb je vragen. Dan krijg je hartenvragen, worstelingen, raadsels. Deze man ligt aan de voeten van Hem, Wiens Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. En Hij geeft hem antwoord op zijn vragen.

En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen? Dat is een ontdekkende, ernstige, aangrijpende vraag. Die vraag komt ook vandaag tot ons. Hij zegt in vers 18: Zijn er geen gevonden, die wederkeren om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling? Wat aangrijpend! Iemand die niet bij het Joodse volk hoort, komt terug. Die vreemdeling ligt aan Jezus’ voeten. En die anderen hebben genoeg aan hun godsdienst en hun verplichtingen. Er is uitwendig niets op aan te merken. Ze hebben ook dankdag gehouden. Maar ze vergeten de Weldoener. Ze gaan op in het wonder.

 

Dan gaat in vers 19 de mond van de hemelse Priester open. Dat is wat geweest! En Hij zeide tot hem: Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden. Dat heeft geen aardse priester gezegd, maar een hemelse Priester. Christus zegt het. Alle grond voor de reiniging van deze man ligt in Hem. De Vader zal Hem verbrijzelen en alle onreinheid en ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand, hier in het gebied van de Samaritanen en ook vandaag, gelukkiglijk voortgaan. (Jes.53:10)

‘Man, je bent rein! Sta maar op! Je bent genezen!’ Hij mag het uit de mond van de Heere Jezus horen: ‘Ziet, hier ben Ik! Ik ben uw Heil alleen.’ Ook tot ons komt deze boodschap. Je mag je zaligheid en je reinigmaking buiten jezelf zoeken. In Jezus! In Hem is een bloedfontein geopend, tegen de zonde en tegen de onreinheid. Niet alleen voor het huis van David, niet alleen voor de inwoners van Jeruzalem, niet alleen voor de Joden, maar ook voor de Samaritanen. Ook voor de heidenen!

Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden. Is dat geloof, wat die Samaritaan doet? Ja, dat is geloof! Dat is het ware geloof. Die negen gaan met het wonder bij de Heere vandaan. Ze hebben Hem wel nodig gehad en ze hebben geloofd. Maar uiteindelijk gaan ze helemaal op in het wonder en in de weldaden. De mens staat in het middelpunt en niet Christus. Hier bij de Samaritaan is het zo anders.

 

Hoe is het nu met ons? Waar zijn de negen op de dankdag? Ik hoop dat de Heere dat op je hart bindt, dat je daarmee tot jezelf inkeert. Wat zijn we bevoorrecht. Wat zijn we gezegend in het achterliggende seizoen. Het heeft ons aan niets ontbroken. Bent u wel echt dankbaar?

Waar zijn de negen? Gemeente, ga daar eens mee naar huis en smeek of de Heere je die offers wil geven, die Hem welbehaaglijk zijn. Die vruchten van het nieuwe leven, zoals we hier hebben gezien in het leven van die ene. Want het is echt waar, ook vandaag: ‘Wie Hem need’rig valt te voet, zal van Hem, ook op de dankdag, zijn wegen leren!’

Misschien zegt u: ‘Ik weet niet hoe ik daar komen moet. Ik verlang er zo naar. Maar ik ben zo biddeloos en zo dankeloos in mezelf.’ Dan wijs ik u op Hem, de altijd dankende Hogepriester. Hij leeft! Hij zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij wil op de dankdag dankeloze mensen door Zijn Geest danken leren.

Hij moet het ook Zijn kinderen steeds weer leren. Hij is die enige Hogepriester, Die ook op de dankdag verzoening doet voor hun zonden. Hij bidt voor hen. Hij dankt voor hen. Als zij het niet kunnen. Als zij het niet willen. Als zij zich nergens kunnen brengen.

Hij is die Koning, Die nog steeds door Zijn Geest van vijanden vrienden maakt. Hij verlost nog steeds uit de macht van de boze en brengt tot Zijn wonderbaar en heerlijk licht. Door Zijn Geest regeert Hij Zijn Kerk. Hij beschermt, beschut en bewaart hen bij de verworven verlossing.

Dan mag het hier in beginsel wel eens dankdag worden. En straks eindeloos…! Dan mogen Gods kinderen met deze vreemdeling zingen:

 

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,

Dien trouwen Heer’ voor Zijn genâ vergelden?

‘k Zal, bij de kelk des heils, Zijn Naam vermelden

En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

Dan mogen ze zingen: ‘Mijn God, U zal ik eeuwig danken en loven, omdat Gij het hebt gedaan!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 116: 7 en 8

 

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,

Dien trouwen Heer’ voor Zijn genâ vergelden?

‘k Zal, bij de kelk des heils, Zijn Naam vermelden

En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

Nu zal ik voor de weldaân, die ‘k genoot,

Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen;

Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen.

Hoe kost’lijk is in ’s Heeren oog hun dood!

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenbundel ‘Indien gij gelooft’ van ds. D.W. Tuinier (Uitg. De Banier, 2009).